Commissie van Fabrikanten, 13 september 1872

Met een woede die niets ontzag, vielen zij, vrouwen zoowel als mannen, de woningen van hun heeren, de firma Spanjaard, aan, en vernielden alles wat te vernielen was. Van de zijden gordijnen werden vlaggen gemaakt en zoo trok men van ‘t eene huis naar ‘t andere. Dat de heeren er heelhuids afkwamen, dankten ze aan hun goed gelukt verstoppertje spelen.” (citaat Gerrit Bennink, uit: dr. W.H. Nijhoff, ‘Troebelen in de Twentse Textiel’)

Het Engelse ‘Lock Out-system’ is een paar keer toegepast in de Twentse textielindustrie en heeft indertijd veel leed veroorzaakt en kwaad bloed gezet. De belangen van fabrikant en arbeider waren niet gelijk. In de laatste decennia van de negentiende eeuw begonnen beide flanken hun krachten te bundelen; de arbeiders verenigden zich in arbeidersorganisaties en de Twentse fabrikanten in uiteindelijk twee fabrikantenverenigingen. Voor de arbeiders viel invloed te winnen en de fabrikanten vreesden juist invloed te verliezen. Die ‘sociale strijd’ schuurde en deed pijn. Hoewel in 1867 voor het eerst een spontaan verzet uitbrak tegen de invoering van de goedbedoelde (doch als betutteling ervaren) zorgpremie, werd Twente 150 jaar geleden voor het eerst opgeschrikt door een golf van stakingen. Uit de bovenstaande herinnering van socialist Gerrit Bennink blijkt dat het er in 1872 heftig aan toe ging. Niet alleen bij Spanjaard in Borne, maar ook in Vriezenveen, Almelo en Enschede vonden in augustus 1872 vergelijkbare oproeren plaats. De plaatselijke schutterijen en verschillende detachementen huzaren moesten er aan te pas komen om de orde te herstellen.

In 1872 was de aanleiding voor de stakingsreeks niet geheel eenduidig. Naast een verhoging van het loon, verzette men zich in Borne tegen de gedeeltelijke uitbetaling in bonnen, in Almelo klaagden de arbeiders over slecht garen (waardoor zij kostbare tijd verloren met het ontwarren van de knopen) en in Enschede wensten men niet langer te werken op heiligendagen.

In het Archief Twentse Textielfamilies bevindt zich een document uit 1872 waaruit blijkt dat ook in Enschede stenen door de ruiten gingen. Verschillende getuigen werden gehoord, waaruit bleek dat op woensdagavond 28 augustus 1872 de navolgende personen op heterdaad werden betrapt: Herman Wooldrik en Hendrikus Veldhuis (werkzaam bij resp. de fa. Schut & De Waal en Van Heek & Co) zouden “onder het complot van 20 a 25 man [zijn geweest] die bij den heer H[erman] van Heek de glazen inwierpen”; een Jannes ten Voorde (werkzaam bij Stroink & Co) zou bij de kantoorbediende Hendrik Fikkert een voorwerp door de ruit hebben gegooid; de 19-jarige Hendrik Geerdink zou de glazen “bij Cromhoff in ‘t kantoor & (…) bij [firmant] P. ter Kuile” hebben ingegooid en een Carel Gollenbeek was “met stenen in de hand” bij de heer Herman Elderink gezien. Ook de koets van de oude weduwe M.H. van Heek-ter Kuile (1796-1874) werd met een voorwerp geraakt door een zekere Hendrik Eggert (werkzaam op Schuttersveld).

De fabrikanten wensten de stenengooiers niet langer in de fabriek aan het werk te hebben. Hierop brak bij de firma Van Heek & Co een werkstaking uit. De arbeiders “verlangden de weder-indienstneming van hunne kameraden, die wegens de vorige ongeregeldheden ontslagen waren, en tevens verhoging van loon.” Honderden wevers legden het werk neer, maar verdienden daardoor ook niks. “Een jonge wevershulp die deze staking heeft meegemaakt, vermoedt dat de stakers geen eenlingen zijn die samen optrekken. Het lijkt er volgens hem op dat er één of andere vorm van organisatie is, want elke ochtend trekken de stakers naar de Zeggeltsweide, waar ze geld krijgen. De jongeman gaat zelf elke week met negen stuivers naar huis”, aldus dr. Wim Nijhof in zijn voornoemde naslagwerk.

A. ‘Bram’ Ledeboer (1842-1897), sinds kort firmant van Van Heek & Co, belegde een vergadering met fabrikanten Jan Elderink (1829-1899) en Herman G. Blijdenstein (1840-1889). Zij vormden een zg. Commissie van Fabrikanten en stelde het navolgende verzoekschrift op:

Mijne Heeren,
wij verzoeken u tot wederopzeggens toe geen wevers in uw fabrieken aan te nemen, hiervan zijn uitgezonderd de miliciens welke dezer dagen van de oefeningen of garnizoenen terugkomen.
De Commissie van Fabrikanten,
Jan Elderink
H.G. Blijdenstein H.G.zn
A. Ledeboer”

De vijftien textielfirma’s ondertekenden het verzoekschrift met ‘gezien’. Het is onduidelijk of de stenengooiers alsnog achter het weefgetouw konden kruipen, doch waarschijnlijk is het niet. Wel is bekend dat de staking bij Van Heek & Co niet lang heeft geduurd.

Deze stakingsgeschiedenis uit 1872 ontkiemde in alle hevigheid van rellen en stenen gooien, maar is tevens een voorzichtig begin geweest van organisatie van zowel arbeiders als fabrikanten. Ook werd het middel van uitsluiting voor het eerst in Twente toegepast, al was het toen nog specifiek gericht tegen de oproerdraaiers. Later zorgde de uitsluiting tot grote verdeeldheid en een verscherpte verhouding tussen arbeiders en fabrikanten. In oktober 1872, kort na de rellen, werd voor het eerst geopperd voor een parlementaire enquête, dat zich zou moeten verdiepen in de pijnpunten van de industrie. De arbeidsenquête vond uiteindelijk pas in 1887 plaats, maar geeft een gedetailleerd beeld van de werkomstandigheden en -verhoudingen in de verschillende bedrijven. Hoewel de Twentse Fabrikantenvereniging zich in eerste instantie ten doel stelde door bemiddeling arbeidsconflicten en stakingen te voorkomen, ging het schuren niet zelden met vonken gepaard en enkele malen ontpopten de vonken zich zelfs tot een enorme vlammenzee. De laatste vlammenzee (uitsluiting) vond 90 jaar geleden plaats. Na de Tweede Wereldoorlog waren steeds minder mensen genegen om het eentonige fabriekswerk uit te voeren; daarin konden zelfs de na-oorlogse cao en ondernemingsraden geen verandering brengen. De arbeidsmigranten bleken redders in nood, al trokken spoedig donkere wolken samen boven de Twentse textielindustrie. Het lot van de Nederlandse arbeider is dankzij de ‘sociale strijd’ gelukkig wel belangrijk en aanzienlijk verbeterd, maar helaas is dat nog niet het geval voor de tegenwoordige textielarbeiders in Zuid-Azië en Oost-Europa. Op de labels in onze kleding staat aangegeven waar het is vervaardigd.
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

  • de bedrijfsarchieven van Twentse textielbedrijven zijn veelal ondergebracht in het voormalig rijksarchief te Zwolle (thans Collectie Overijssel genoemd). Het onderscheid tussen zakelijke en particuliere aard is soms lastig te maken en het uit elkaar trekken van archieven doet men ook niet lichtzinnig. Daardoor bevinden zich ook in het Archief Twentse Textielfamilies documenten van zakelijke aard. Wij richten ons echter vooral op particuliere familiearchieven.
  • dit voor sommigen nog gevoelige onderwerp hoeft niet verzwegen te worden, maar verdient ook een plaats in de geschiedenis. Het is niet altijd pais en vree. Juist aanvullend onderzoek draagt bij aan een verbreding van de blik en daartoe dient ook dit document.
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 226

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*