De laatste generatie fabrikant

Op 1 januari 1985 kwam deze groep oud-fabrikanten bijeen voor een nieuwjaarsborrel in Carelshaven. Inmiddels hadden ze allemaal de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, maar waren inmiddels ook de meeste fabrieken gesloten. De twee grootste textielcentra ter wereld, Lancashire en Twente, konden na de Tweede Wereldoorlog niet langer concurreren tegen de lage lonenlanden. Daarnaast werd het steeds lastiger arbeidskrachten te vinden, want het eentonige fabriekswerk was aan de meeste Nederlanders niet meer besteed. Door deze laatste generatie fabrikanten werd alles in het werk gesteld om het hoofd boven water te houden. Grote fusies moest de onderlinge concurrentie wegnemen, maar voor de meeste bedrijven bestond in Twente geen toekomst meer. Slechts enkele (vaak gespecialiseerde) textielbedrijven zijn op de been gebleven.

De opkomst én ondergang van de Twentse textielindustrie is in een belangrijke mate gerelateerd aan de lage lonen. Twente werd immers aan het begin van de negentiende eeuw uitverkoren tot nieuwe nationale textielcentrum vanwege haar lage lonen. Daarnaast was Twente aantrekkelijk doordat een tamelijk groot deel van de bevolking reeds bekend was met het spinnen en weven. Vanuit Engeland werden vervolgens technologische verbeteringen geïntroduceerd waardoor Twente ook op het wereldtoneel kon concurreren. Langzaam maar zeker stegen de lonen in Twente, waardoor met name Friezen en Drenten hun weg naar de Twentse fabrieken wisten te vinden. Die stijgende lonen werden door de fabrikant gecompenseerd door ‘rationalisatie’. Nieuwe machines maakte het mogelijk dat er meer productiviteit viel te halen uit één werknemer. Dat proces schuurde en was vaak aanleiding voor arbeidsconflicten. Al voor de Tweede Wereldoorlog begonnen sommige Twentse fabrikanten concurrentie uit het Verre Oosten te vrezen. Volgens de overlevering kwam C.M. ‘Catrien’ van Heek-van Heek (1874-1950) reeds tot het inzicht om de fabriek te verplaatsen naar lage lonenlanden. Ook de firma Ter Horst & Co in Rijssen dreigde bij een arbeidconflict (omstreeks 1900) de hele fabriek naar Oost-Europa te verplaatsen.

Na de Tweede Wereldoorlog liepen in Nederland de lonen en belastingen snel op. Ook verdween een groot ‘vanzelfsprekend’ afzetgebied door de onafhankelijkheid van Indonesië. Grote fusies werden aangegaan om de onderlinge concurrentiestrijd te verminderen. Zo besloot de directie van de N.V. Textielfabriek Holland in 1959 de meeste aandelen te verkopen aan Ten Cate Nijverdal:

Deze overdracht is een gevolg van het bij de directie der Textielfabriek Holland N.V. bestaande inzicht, dat het voortbestaan van een fabriek die alleen maar weeft en niet spint het in de toekomstige grote markt moeilijk zal hebben, zelfs wanneer men zoveel mogelijk het machinepark vernieuwt en de financiën zo gezond mogelijk maakt. Zoals men weet is dit laatste bij de Textielfabriek Holland N.V. Het geval geweest, zodat er een sterk bedrijf is opgebouwd, dat prima werkt, doch dat in het verband van Nijverdal-ten Cate N.V. veel grotere kansen heeft dan alleen.” (Twentsch Dagblad Tubantia, 30 mei 1959)

Een jaar later, in 1960, smolten ook de oude textielfirma’s Blijdenstein & Co te Enschede en H. Willink & Co te Winterswijk samen. Enkele jaren eerder, in 1955, had clubgenoot Dick Jordaan uit Haaksbergen ook besloten de krachten te bundelen met Ter Weeme & Zonen N.V. te Neede en haar dochteronderneming Zijdeweverij Borculo N.V. te Borculo, ‘vanouds een geducht concurrent op het gebied van huishoudgoederen’.

Samen met het huidige personeel van ruim 1000 personen, werkzaam in de bedrijven [van D. Jordaan & Zonen’s Koninklijke Textielfabrieken N.V.] te Haaksbergen en Groenlo, en daarnaast met hulp van de nieuwe partners, hoopt de directie haar taak te kunnenv erstaan om op het terrein datgene te bieden aan haar vele afnemers in binnen- en buitenland, dat door vakmanschap, research en vormgeving haar weg zal vinden naar de consument.”

(Gedenkschrift D. Jordaan & Zonen’s Textielfabriek N.V., 1781-1956).

Beide bedrijven, Textielfabriek Holland en Jordaan-Ter Weeme, gingen begin jaren ’60 op in de grote Koninklijke Nederlandse Textiel Unie (KNTU, 1962-1972). Dit concern telde uiteindelijk 15 bedrijven met ruim 8.000 werknemers en een flink aantal directeuren. De neuzen dezelfde kant opkrijgen was natuurlijk een bijzonder lastige opgave. De firma Blijdenstein-Willink zag op laatste moment af, waardoor binnen de KNTU teveel spinnerijen ten opzichte van weverijen actief waren. Desalniettemin werd flink geinvesteerd in de nieuwste machines. Voor de firma Jordaan werden haar nieuwe Sulzer weefgetouwen zelfs de spreekwoordelijke ‘nagel aan de doodskist’. Door de slechte resultaten van de KNTU moesten enkele takken worden afgestoten. Dick Jordaan ging op zoek naar een buitenlandse investeerder om het bedrijf in Haaksbergen te kunnen continueren. Op 30 november 1970 werd de firma Jordaan door de KNTU verkocht aan de Belgische firma TAS. Anderhalve maand later besloten de aandeelhouders van TAS de gloednieuwe en kostbare Sulzer weefgetouwen te verkopen aan een der aandeelhouders, namelijk de Franse TexUnion-groep. Zodoende bleef in Haaksbergen een fabriek over zonder machines en moest Dick Jordaan tot sluiting overgaan. Een zeer bittere pil.

Ook andere fusies liepen op niks uit. In 1965 werd een samenwerkingsverband aangegaan tussen Van Heek & Co N.V., N.V. Nico ter Kuile, N.V. Rigtersbleek en N.V. A.J. ten Hoopen en Zoon. In 1968 zag de directie van Van Heek & Co geen toekomst meer in het bedrijf en werd het oude, grote textielconcern geliquideerd. Sommige bedrijven hebben getracht zelfstandig de dans te ontspringen, zoals Eilermark in Gronau en Ter Horst & Co in Rijssen. Zij hebben het relatief lang volgehouden, zo sloot Eilermark in 1982 de deuren en werd Ter Horst & Co in 1982 voortgezet als Nederlandse Jute Industrie Groep (liquidatie 2003). De firma Tetem van directeur Van Dam Merrett werd verkocht en verplaatst naar Griekenland. Uiteindelijk zijn de meeste machines aan het buitenland verkocht. Misschien draaien er op dit moment nog wel oude machines uit Twente in Zuidoost-Azië. Of wij die machines nu nog zouden willen zien draaien, is een tweede. De arbeidsomstandigheden zijn daar vaak schrijnend.

staand van links naar rechts:

K.H. ‘Kees’ Harkema (1911-2003, N.V. Holland)

H.J. ‘Henk’ Blijdenstein (1914-1990, Blijdenstein & Co)

Auke H. ter Horst (1913-2000, Ter Horst & Co)

Jan ter Kuile?

zittend van links naar rechts:

H.D. ‘Henk’ ter Kuile (1916-1991, Spinnerij Tubantia)

Onno K. Okkinga (1912-1986, Baumwollspinnerei Eilermark A.G.)

George A. van Dam Merrett (1916-2004, Twentsche Textiel Maatschappij / Tetem)

D. ‘Dick’ Jordaan (1913-1989, D. Jordaan & Zonen / Jordaan-Ter Weeme)

  • kunnen mensen de naam Jan ter Kuile bevestigen?
  • Het Archief Twentse Textielfamilies (ATT) richt zich op de particuliere archieven van de fabrikantengeneraties. Daardoor dateren onze jongste documenten vaak uit de jaren ’60 en ’70. Die brieven kunnen vanwege de moeilijke tijdsomstandigheden heel interessant zijn. Illustratief is een uitgebreide brief van Dick Jordaan aan vrienden en familie over de sluiting van zijn bedrijf in 1971.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*