De Notaris-tak Jordaan

Voorvader Jan Jordaan (1740-1810) was naast fabrikeur tevens een bestuursambtenaar in Haaksbergen. Zijn jongste zoon Derk Jordaan (1781-1876) zette de welbekende textielzaken voort, maar zijn oudste zoon Jan Hendrik Jordaan (1773-1834) volgde in zijn vaders voetsporen als bestuursambtenaar. Jan Hendrik Jordaan werd de eerste notaris van Haaksbergen en is de stamvader van de zogenaamde ‘Notaris-tak Jordaan’ die in 1969 in mannelijke lijn uitstierf. Een illustratief verhaal over twee generaties notarissen in Haaksbergen, de kerkelijke spanningen en daaruit voortvloeiende verscherpte verhoudingen en moord en brand

De ambtenarij in Haaksbergen voor 1795

Tot de Bataafse Revolutie hadden de protestanten in Nederland de vinger in de pap; zo was dit ook het geval in het overwegend katholieke Haaksbergen. Tot de omwenteling van 1795 waren bestuursfuncties enkel weggelegd voor lidmaten der Nederduits-Gereformeerde Kerk. In 1816 werd deze kerk door koning Willem I omgedoopt tot de Nederlands-Hervormde Kerk. Om verwarring met de in de negentiende eeuw afgescheiden Gereformeerde Kerk te voorkomen, zal ik in dit artikel consequent spreken van Hervormden.

In Haaksbergen behoorde tot deze ‘gelukkige’ hervormde minderheid onder andere de families Jordaan en Ter Horst. Verschillende ambten werden door deze families afgewisseld. De uitsluiting van katholieken, doopsgezinden en joden zette in de achttiende eeuw veel kwaad bloed. Daarnaast kwam er veel kritiek op de regie van stadhouder Willem V. Het is niet te verwonderen dat een groot deel van de patriotten uit katholieke of doopsgezinde kring afkomstig waren en dat oude, gezeten hervormde families weinig drang voelde om hun bevoorrechte positie op te geven. In 1795 vonden de patriotten steun bij de Fransen, die even te voren de Franse koning van de troon hadden gestoten. Door de Bataafse Revolutie werd niet enkel stadhouder Willem V verdreven, maar ook de Oranjegezinde gezagdragers moesten het veld ruimen. In Haaksbergen werd de Oranjegezinde Jan Jordaan (1740-1810) door de patriotten uit zijn publieke functies gezet.

Tot de Bataafse revolutie waren de Nederlandse provincies opgedeeld in drostambten. Aan het hoofd hiervan stond een drost; dit was over het algemeen een Oranjegezinde edelman. Sinds de zestiende eeuw was de drost van Haaksbergen, tevens drost van Diepenheim. Het drostambt van Haaksbergen en Diepenheim was op zijn beurt weer opgedeeld in twee gerichten: Haaksbergen en Diepenheim. De drost had veel macht op het gebied van bestuur en rechtspraak, maar besteedde het meeste werk uit aan zijn richters. De richter van Haaksbergen was een plaatsvervanger van de drost en handelde in de praktijk de meeste juridische zaken af. Alleen met zware misdrijven hield de drost zich persoonlijk bezig; de rest kwam toe aan de richter. De richter hield zich bezig met kleine rechtspraak, bestuur en verscheidene notariële klussen. De richter had op zijn beurt eveneens een plaatsvervanger, de verwalter-richter.i

Het zogenaamde Richtershuis in het centrum van Haaksbergen herinnert aan de voormalige richters. Dit gebouw werd in 1720 gebouwd door de toenmalige Haaksbergse richter Joan van der Sluis en was lange tijd één van de meest indrukwekkende huizen van het dorp. Wanneer men vandaag een blik werpt op het Richtershuis zal men dat laatste misschien betwijfelen; echter moet men weten dat dit huis tot de grote brand van 1851 twee verdiepingen telde. In de achttiende eeuw werd de diaconie van Haaksbergen eigenaar van het pand, waarna dit huis werd verhuurd. Hoewel de eerder genoemde familie Ter Horst zelf nooit een richter heeft geleverd, werd het Richtershuis wel enige tijd door een Ter Horst bewoond; in 1754 en 1757 huurde Jan Hendrik ter Horst (ca. 1697-ca. 1760) het Richtershuis. Hij was de grootvader van Elisabeth Judith Jordaan-ter Horst (1774-1835) die later aan bod komt.

De families Jordaan en Ter Horst hebben zoals gezegd geen richters aangeleverd. Of zij dat ambt wel of niet ambieerden, is moeilijk te zeggen. Bekend is dat beide families gedreven kooplieden waren en wellicht pasten hen daardoor beter de parttime job verwalter-richter. Drie opeenvolgende generaties Ter Horst waren in de zeventiende en achttiende eeuw actief als verwalter-richter; deze tak verdiende in die dagen hun brood echter voornamelijk als bierbrouwers in de Zwaan aan de Markt te Haaksbergen. Daarnaast behoorden zij – evenals Jan Jordaan (1740-1810) – tot de gecommitteerde goedsheeren. Het College van Gecommitteerde Goedsheeren bestond uit 14 personen uit het dorp en de verschillende marken. Zij hielden zich bezig, onder voorzitterschap van de drost, met de behartiging van vooral de economische en kerkelijke (protestantse) belangen van het gericht Haaksbergen.ii

Jan Hendrik Jordaan (1773-1834), tot 1795

Op 3 november 1773 werd Jan Hendrik Jordaan gedoopt als zoon van Jan Jordaan (1740-1810) en Anna Geertruy ter Horst (1736-1813). Hij is de eerste Jordaan die werd geboren op het huis Het Witte Paard aan de Markt te Haaksbergen. Dit herenhuis had zijn vader een jaar eerder – op 21 november 1772 – gekocht van het echtpaar Van Nes-Michorius en wordt gezien als het stamhuis van de familie Jordaan. Helaas is dit huis in de tweede helft van de twintigste eeuw afgebroken. In 1787 kocht Jan Jordaan het aan Het Witte Paard grenzende huis met schuur, waaruit blijkt dat de textielzaken en diens winkel in allerlei hem geen windeieren legden.

Zijn oudste zoon, Jan Hendrik Jordaan (1773-1834), bleek echter weinig oren te hebben naar het koopmansvak. Hij toonde meer interesse in de gerichtszaken die zijn vader Jan Jordaan als verwalter-richter beslechtte. Zijn vader wist zich overtuigd van de oprechtheid en de capaciteiten van zijn oudste zoon en maakte – naast zijn drukke werkkring – tijd vrij om zijn zoon onderricht te geven in het landrecht. Daarnaast zal hij misschien in de leer zijn geweest bij Hendrik ter Horst (1731-1810) die naast bierbrouwer tevens procureur te Haaksbergen was. Een academische studie heeft Jan Hendrik Jordaan in ieder geval niet gevolgd.

Jan-Hendrik Jordaan, hierna enkel Jan-Hendrik genoemd, was nauwelijks 19 jaar oud toen hij een request stuurde naar de Gedeputeerde Staten van Overijssel om zich te mogen vestigen als procureur te Haaksbergen. “De ondergetekende Jan Hendrik Jordaan te Haaxbergen geboortig en aldaar bij zijnen vader, de thans Verwalter-Richter van Haxbergen, woonende, sig op het Landrecht deezer Provincie gelegt, en daarover onderwijs en uitleggingen genooten hebbende, inclineerde alnu om voor de Gerichten als Procureur te moogen dienen, dog sulx niet buiten UED: Mog: Hoog: Consent, Approbatie en aanstellinge, na voorgedane Examinatie, mogende doen. (…)”iii 30 januari 1793 kreeg de jonge Jan-Hendrik daarvoor toestemming.

Als procureur was voor Jan-Hendrik een adviserende rol weggelegd in gerichtzaken die de richter of diens plaatsvervanger beslechtte. Tussen 1793 en 1795 zullen daardoor vader en zoon Jordaan ongetwijfeld af en toe nauw hebben samengewerkt. Opvallend is dat Jan-Hendrik in de jaren ’90 tevens handelde in bier, gerst en rogge. Mogelijk mengde hij zich in de bierbrouwerij De Zwaan aan de Markt te Haaksbergen…

Deze bierbrouwerij werd gerund door de eerdergenoemde procureur en bierbrouwer Hendrik ter Horst (1731-1810). Mogelijk toonde Jan-Hendrik interesse in het brouwersvak, maar zeker is dat hij interesse toonde in de dochter van de bierbrouwer, Elisabeth Judith ter Horst (1774-1835). Jan Hendrik Jordaan en Elisabeth Judith ter Horst trouwden in het begin van 1796.

Maar was de moeder van Jan-Hendrik ook niet een Ter Horst uit Haaksbergen? Jazeker, dat klopt. Binnen 30 jaar werden in Haaksbergen twee huwelijk Jordaan-Ter Horst voltrokken. Maar men kan rustig ademhalen; de echtelieden zijn slechts in de verte aan elkaar verwant. Anna Geertruy Jordaan-ter Horst (1736-1813) stamt uit de textieltak en Elisabeth Judith Jordaan-ter Horst (1774-1835) zoals gezegd uit de De Zwaan-tak. De familie Ter Horst was een grote familie in Haaksbergen; dit in tegenstelling tot de Jordaans. De Jordaans waren nieuwkomers; de vader van Jan Jordaan had zich in de jaren ’30 van de achttiende eeuw vanuit Hessen in Haaksbergen gevestigd. Opvallend is trouwens dat de familie Ter Horst in de negentiende eeuw in Haaksbergen uit beeld raakte..

Zoals gezegd was de familie Ter Horst een oude Haaksbergse familie en deze familie was zeker niet onbemiddeld. De vermogenspositie van de vader van Elisabeth Judith ter Horst was de familie Jordaan trouwens haarfijn bekend; op 30 november 1795 had Jan Jordaan de onroerende goederen van Hendrik ter Horst (1731-1810) getaxeerd op het voor die tijd aanzienlijke bedrag van f 13.400,-. Jan Jordaan voegde daar aan toe: “edoch indien deselve thans verkogt wierden zouden zij wegens tijdsomstandigheeden zoo veel niet opbrengen.”iv

En een moeilijke, onzekere tijd was het! De stadhouder was gevlucht, alle Oranjegezinde ambtenaren waren afgezet, een nieuw ambtenarenapparaat werd geïnstalleerd, de economie viel in een gat en de Haaksbergse bevolking had financieel veel te lijden onder de inkwartiering van Franse soldaten. Van zorgeloze wittebroodsweken zal voor het jonge echtpaar Jordaan-Ter Horst dus geen sprake zijn geweest…

De omwenteling van 1795 betekende een totale machtsverschuiving; de oude regentenfamilies werden uit het ambtenarenapparaat gezet en opgevolgd door de in hun ogen ‘onruststokers’. Het afzetten van de Oranjegezinde gezagdragers verliep dan ook niet overal zonder slag of stoot. Ter illustratie: toen de drost van Haaksbergen en Diepenheim, Jr. Gansneb gen. Tengnagel, door de patriotten werd afgezet, weigerde hij de protocollen en stukken over te dragen aan zijn vervanger, de patriot Mr. Joan Bernard Auffmorth (1744-1833).v

De families Jordaan en Ter Horst zullen zich – naar ik vermoed – minder druk hebben gemaakt om de vervanging van deze adellijke drost door de protestantse, uit Dinslaken afkomstige mr. Auffmorth, maar des te meer over de aanstelling van de Haaksbergse patriot Willem Waanders (1739-1829) tot richter van Haaksbergen! Daarmee kwam voor het eerst in eeuwen een katholiek aan het roer te staan van Haaksbergen, zowel op bestuurlijk als rechterlijk terrein. Voor de tot dan toe dominerende, protestantse elite zal dit een slag in het gezicht zijn geweest. Wat zou dit voor de protestantse minderheid kunnen gaan betekenen…? Daarentegen zal Willem Waanders door de katholieke bevolking van Haaksbergen natuurlijk met open armen zijn onthaald. Wat zou hij voor hen kunnen betekenen…?

Jan Hendrik Jordaan (1773-1834), 1795-1815



Na de omwenteling in 1795 verloor de vader van Jan-Hendrik zijn ambtelijke invloed, maar hij kon gelukkig wel verder met zijn commerciële zaken. Jan-Hendrik kon ook na de omwenteling zijn procureurszaken voortzetten. Zijn kansen om – evenals zijn vader – verwalter-richter van Haaksbergen te worden waren wel bekeken. Wat nu verder? (want de Jordaans waren ambitieus)

Eind 1796 deed zich een kans voor; het markenrichterschap van Haaksbergen en Honesch werd te koop aangeboden! Dit druiste ongetwijfeld tegen de idealen van de patriotten in; zij streefden immers naar een eerlijkere verdeling van ambten. De marken, de kleinste bestuurseenheid in Overijssel, was waarschijnlijk door de patriotten door de vingers gezien. Het markenrichterschap was vaak verbonden aan een bepaald erf, maar kon inderdaad ook los te koop worden aangeboden. De Jordaans lieten deze kans uiteraard niet aan hen voorbijgaan; op 23 december 1796 kocht Jan-Hendrik voor f 500,- het markenrichterschap van Haaksbergen en Honesch “op de verkopinge der Provinciale Goederen gehorende onder het Landrentampt van Twenthe”vi 500 gulden lijkt een klein bedrag, maar door de heersende armoede in Haaksbergen zullen er maar weinig mensen zijn geweest die zoveel geld bij elkaar konden leggen.

Als markenrichter stond Jan-Hendrik voortaan aan het hoofd van het markenbestuur van Haaksbergen en Honesch. “Het markenbestuur (…) regelde in eerste instantie het gebruik van de gemeenschappelijke (woeste) gronden, die onmisbaar waren voor het toen heersende landbouwsysteem. Later kregen de marken van hogerhand steeds meer publiekrechtelijke taken toegewezen, zoals het beheer van wegen en watergangen, het stichten van scholen en het op last van Ridderschap en Steden bepalen van het aantalwoningen per boerenerf.” aldus Eric Ooink.vii

11 mei 1803 werd Jan-Hendrik door het Departementaal Bestuur van Overijssel gekozen tot verwalter-drost van Haaksbergen en Diepenheimviii Hij werd daarmee de officiële plaatsvervanger van de in 1795 aangestelde drost mr. Joan Bernard Auffmorth (1744-1831). Hoe deze functie zich verhield met de richter van Haaksbergen, Willem Waanders, is mij niet bekend. In 1807 werd de naam drost vervangen door baljuw en werd het uiteindelijk een functie van weinig betekenis. Dit ambt kwam in 1811 – bij de overname van het staatsbestel naar Frans voorbeeld – geheel te vervallen.

Dat Jan-Hendrik werd gekozen tot verwalter-drost door het Departementaal Bestuur moet duiden op een goede verstandhouding tussen Jan-Hendrik en de hooggeplaatste (patriottische) representanten. Als verwalter-drost was hij plaatsvervanger van de zojuist genoemde mr. J.B. Auffmorth. Mr. J.B. Auffmorth verwierf ook landelijke invloed als lid van de Eerste Nationale Vergadering (1796-1797), als voorzitter van de Tweede Nationale Vergadering (1797-1798) en als lid van het Vertegenwoordigend Lichaam (1798-1801). Een andere invloedrijke man met wie Jan-Hendrik zaken deed was de bekende Twentse rechtsgeleerde en vurige patriot mr. Jan Willem Racer (1736-1816).



mr. Jan Willem Racer (1736-1816)

Mr. J.W. Racer was een advocaat in Oldenzaal en geestverwant van de bekende patriot Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Zij hebben zich beiden in 1785 hevig verzet tegen de zogenaamde drostendiensten. Ondanks dat deze drostendiensten officieel al waren afgeschaft, bleek dat deze diensten in de praktijk nog wel voorkwamen. Dit hield voor boeren in dat zij twee dagen per jaar hand- en spandiensten ‘moesten’ verrichten voor de drost. Door toedoen van mr. J.W. Racer en J.D. van der Capellen tot den Pol behoorden deze diensten vanaf 1785 tot het verleden.

Jan-Hendrik compareerde verschillende malen in procureurszaken te Haaksbergen namens mr. J.W. Racer (1797, 1804). ixx De aanhef Amice in een brief van J.W. Racer aan Jan-Hendrik duidt op een goede en vertrouwelijke verstandhouding.xi Volgens een brief uit 1821 zou Jan-Hendrik alsnog aangesteld zijn tot verwalter-richter van Haaksbergenxii. Dat zou betekenen dat hij enige tijd plaatsvervanger was van richter Willem Waanders.



Vleiende adressering van mr. J.W. Racer

In 1811 werd Nederland – naar Frans voorbeeld – verdeeld in departementen, arrondissementen, kantons en mairiën (gemeenten). Dit hield tevens in, dat aan de ambten van drost/baljuw en richter een einde kwam. De eerste gemeenteraad werd geïnstalleerd door de prefect, voorheen landdrost geheten. In 1811 werd Willem Waanders geïnstalleerd als maire van Haaksbergen. Hij werd de eerste burgervader van Haaksbergen. Als adjunct-maire werd Jan-Hendrik aangewezen, wellicht ter compensatie van zijn verloren ambten. Later vervulde hij de rol van assessor (ofwel wethouder).

De gemeenteraad bestond in 1811 uit maar liefst 20 mannen. Een broer van Jan-Hendrik, de ongehuwde fabrikeur Albertus Jordaan (1775-1819), werd één van hen, evenals voorvader Jan Smits J.W.zn (1777-1849).1 Daarnaast namen veel landbouwers zitting in de eerste gemeenteraad van Haaksbergen. Al snel werd de gemeenteraad aanzienlijk verkleind; voortaan telde de gemeenteraad van Haaksbergen zes leden in plaats van twintig.

Tot 1830 kende Haaksbergen geen gemeentehuis. Daardoor was de secretarie tot 1830 gevestigd in een kamer van de herberg De Zon aan de Markt aldaar. Deze herberg werd in 1888 gekocht door Jan G. Jordaan (1852-1892). Hij liet de herberg vervolgens afbreken om daar vervolgens een nieuw woonhuis op te bouwen (het huidige monumentale pand Markt 8).

Jan Hendrik Jordaan (1773-1834), eerste notaris te Haaksbergen

Met de opheffing [in 1811] van het richterambt was er geen richter meer om recht te spreken en afspraken tussen partijen bindend vast te leggen. Doordat de bestuurlijke en de rechterlijke macht nu waren gescheiden en de maire puur een bestuurlijke taak had gekregen, kwam er voor de eerste een vrederechter en voor de tweede een notaris in de plaats” aldus Eric Ooink die een uitgebreide studie heeft verricht naar (o.m.) de bestuurlijke geschiedenis van Haaksbergen.xiii

In 1812 viel Jan-Hendrik de eer te beurt; hij werd aangesteld tot keizerlijk notaris. De beëdiging vond 18 april 1812 plaats voor het tribunaal te Almelo. Daarmee werd Jan-Hendrik de eerste notaris van Haaksbergen.

In 1813 was het gedaan met de Franse tijd in Nederland. Nederland werd (weer) een Koninkrijk; ditmaal met de zoon van de in 1795 verdreven stadhouder Willem V aan het hoofd: koning Willem I. Deze ‘Koning-Koopman’, die veel heeft betekend voor o.a. de textielindustrie in Twente, was niet geliefd in het zuidelijk deel van het koninkrijk. Zij waren ondervertegenwoordigd in het Nederlandse bestuur en leger, kregen de Nederlandse taal opgelegd en katholieken voelden zich een ondergeschoven kindje. Dit zou uiteindelijk resulteren in de afscheiding van België.

Een mysterieuze geestelijke persoon in Haaksbergen 1818

Zoals eerder aan bod kwam, bleek Jan-Hendrik goede banden te onderhouden met lokale politici. Eén van hen was de gouverneur van Overijssel en kamerheer des Konings, Berend Hendrik baron Bentinck tot Buckhorst (1753-1830). Zijn broer, Derk Bentinck tot Diepenheim (1741-1813), was tussen 1786 en 1790 de drost van Twente. Zij behoorden tot de adellijke hoge ambtenaren waartegen veel patriotten zich in de jaren ’80 en ’90 van de achttiende eeuw hadden verzet. Koning Willem I was de fel Oranje-gezindexiv en voormalige luitenant-generaal Bentinck tot Buckhorst goedgezind en plaatste hem als gouverneur van Overijssel in Zwolle. De gouverneur haalde in 1817 de woede op de hals van voornamelijke katholieken; hij verbood dat jaar namelijk het luiden van de kerkklokken voor aanvang van de godsdienst…

22 mei 1818 schreef gouverneur Bentinck tot Buckhorst vanuit Zwolle aan Jan-Hendrik in Haaksbergen confidentieel:

Geïnformeerd zijnde, dat zekere geestelijke persoon, of godgeleerde, Margot genaamd, behorende tot het seminarie van Gent,is rond gereisd en zig onder andere bij de Pastors van Haaksbergen en Lichtenvoorde heeft opgehouden, en er mij aangelegen zijnde, om zonder opzien van opzettelijk onderzoek naar zijn persoon, te ontdekken of hij zig werkelijk te Haaksbergen bevonden heeft, en noch ophoud? Of Waarheen hij zig vandaar begeven heeft? En welke bedenkelijke gesprekken of verrigtingen door hem mogten gehouden zijn?Zo heb ik gemeend mijn oogmerk niet beter te zullen kunnen bereiken, als overtuigd, van UEd. welwillendheid, en bekend doorzigt. UEd. Confidentieel te verzoeken om op de meest voorzigtige en doelmatige wijze, daaromtrent onderzoek te willen doen, en aan mij den uitslag daarvan eerlang vertrouwelijk te willen mededeelen, zonder daarvan iets aan anderen te laten doorstralen.

De Gouverneur van de Provincie Overijssel,

B.H. Bentinck”xv

Jan-Hendrik reageerde daarop:

Hebbe de eer confidentieel te berigten, dat ik mij op de meest voorzigtigste wijze hebbe geinformeerd naar een zekere persoon Margot genaamd, een persoon bij mij onbekend, doch die – ik ontdekt heb, dat – voor ruim vier jaren gelegen, ook met nog twee andere geestelijke studenten, zich in onze dorp eenige weken opgehouden hebben. Naar mijn verder onderzoek dan ben ik ontwaard, dat voormelde persoon Margot onlangs weder te Haaksbergen geweest is en gelogeert heeft bij de R.C. Pastoor Groothuis, hebbende anders zijn domicilie te Gent, alwaar hij in de afgelopen maand Meij tot priester zullende gewijd zijn naar alle mogelijke naarsporingen.

Hebbe niet kunnen ontdekken dat hij eenige bijzondere verrigtingen alhier gehad, noch eenige onbetamelijke gesprekken in het publiek gehouden heeft, overtuigend hebbe ook niet kunnen ontwaren dat hij van hier naar Lichtenvoorde geweest is, alswel na steden in Münsterland, en dat hij van Haaxbergen verreischt zijn zoude over Deventer, Den Haag en verder op Gent.

Zie daar al hetgeen ik Ued. Excel. nopens het verzoek de dato Zwolle 22 Meij jl. 1e Divisie No. 1 kan resriberen.

Het vertrouwen ‘t welke U Excel. ten dezen in mijn persoon stelde, hoop ik mij bij voortduring te zullen waardig maken en hetwelk mij de vrijheid doet nemen mij met de meeste eerbiedigste hoogachting te onderschrijven.”

Als verwalter-drost of verwalter-richter zal Jan-Hendrik in het verleden wel vaker een onderzoekje hebben moeten verrichten, maar deze strikt vertrouwelijke en mysterieuze opdracht van de gouverneur zal waarschijnlijk veel indruk hebben gemaakt. Het is opvallend dat de gouverneur zich voor dit onderzoek keerde tot de notaris en het gemeenteraadslid Jan-Hendrik. Een dergelijke vertrouwelijke kwestie voorleggen aan de burgemeester, en voormalig richter, lijkt mij meer vanzelfsprekend. Maar wanneer wij de gevoeligheid van deze religieuze kwestie in ogenschouw nemen, is het niet verwonderlijk dat de gouverneur de katholieke burgemeester Willem Waanders passeerde. Hij had zich immers het jaar tevoren, in 1817, de woede van de katholieke bevolking van Haaksbergen op de hals gehaald.

De gouverneur Bentinck schreef – duidelijk minder formeel van toon – aan Jan-Hendrik op 25 oktober 1817:

Wel Edele Heer!

Mij zijn wel geworden, de mij toegezondene 4 hazen, waarvoor UED. bij deesen mijnen dank betuige; deselve waaren dubbeld welkom, daar hier seer weinig wild is. Het zal UED. zeker bekend zijn, de Roomse pastoor en kerkenraad van Haxbergen, zig bezwaard hebben aangaande mijn besluit, wegens het niet luiden der torenklokken bij den aanvang van den godsdienst, als een eigendom der gemeente zijnde. Zoude men ook kunnen ontwaren wie dat den steller van dat request is geweest? Alleen wegens deszelfs beschaafde uitdrukkingen, en om bij voorkomende gelegenheid van zulk een delicate stijl gebruik te kunnen maken,
Waarmede de eer heb met achting te zijn,

B.H. Bentinck tot Buckhorst.”xvi

Of de gouverneur werkelijk gebruik wilde maken van ‘deszelfs beschaafde uitdrukkingen’ vraag ik mij af. Hij wilde ongetwijfeld weten met welk katholiek heerschap hij van doen had. Tussen 1817 en 1822 werden verschillende brieven over en weer geschreven, vaak vergezeld met een aangenaam presentje. De gouverneur stuurde naar Jan-Hendrik in Haaksbergen verschillende schelvissen of een kabeljauw, en visa versa stuurde Jan-Hendrik naar Zwolle stukken wild. “Volgens gewoonte met het begin van het jagtsaisoen neeme de vrijheid aan UWHHGG bij deeze te zenden vier haazen. Wensche dat dezelven door UWHHGG in volmaakte gezondheid ontvangen en geconsumeerd mogen worden.”xvii

De reden waarom de gouverneur in de kwestie rondom de priester Margot Jan-Hendrik aanschreef, zal door de deze correspondentie duidelijk zijn geworden. Echter het ‘Waarom’ de gouverneur de handelingen van deze geestelijke wilde onderzoeken, wordt helaas niet direct duidelijk uit zijn brief. Wellicht had de gouverneur signalen ontvangen dat de geestelijke uit Gent onder de katholieken in Noord-Nederland steun probeerde te krijgen voor de achtergestelde positie van de (katholieke) bevolking van Zuid-Nederland. Met de omwenteling van 1795 in het geheugen, zal een dergelijke hetze tot een reële zorg hebben behoord. Maar dit is voor mij op dit moment slechts gissen.

Jan Hendrik Jordaan (1773-1834), de gemeenteraad van 1818

Jan-Hendrik onderhield ook goede contacten met Hendrikus van der Sluys, een lid van de Provinciale Staten van Overijssel. Deze Hendrikus van der Sluys behoorde tot het geslacht van de eerder aan bod gekomen Haaksbergse richter Joan van der Sluys die in 1720 het Richtershuis liet bouwen. Deze familie was rijk geworden met de houthandel en was sinds de achttiende eeuw eigenaar van de havezate Westerflier te Diepenheim.

In het familiearchief van de familie Jordaan stuitte ik op de volgende brief van het Statenlid Van der Sluys aan Jan-Hendrik d.d. 20 maart 1818:

Amicae!

Ik kan UWE […] stellig verzeekeren, dat den ouden Waanders schout van Haaksbergen2 geworden is, en thans verzoeke mij maar zes leeden op te geven uit het schoutambt Haaksbergen, die u dunkt het geschikste zijn, tot gemeenteraaden, of assessoren. U kan verzeekerd zijn dat ik wel zal zorgen dat dezelve benoemd worden. Neemt twee Romschen en de anderen Gereformeerd. Kan UWE mij deze brief ook noch heden laaten bezorgen aan de Heer Greeve, vice-schout van Lonneker. Gutte is schout van Markel geworden, Greeve van Lonneker, Bouwmeester van [etc.].

Weest in allen opzichten maar gerust; ik zal wel zorgen dat diegeenen worden aangesteld die u mij opgeeft, maar u moet wel in het oog houden dat het leeden moeten zijn van UWE vroegste en gegoedste ingezetenen, woonachtig in het schoutambt niet minder dan een jaar en zes weeken, staande ten goeder naam en faam en tevens te zorgen aan mij geene op te geven dat leeraars eenige godsdienstige gezindheid en schoolmeester zijn.

Ten 2 zij die in dienst van eenige vreemde Mogendheid zijn,

Ten 3 Militairen aan den activen krijgsdienst verbonden

Behoud alles voor u. (…) Ik al UWE boven op de lijst van assessoren benoemen, maar zorgt zo spoedig den ouden W[aanders] de oogen toedoet, u dadelijk bij de gouverneur te solsiteeren. Geval dit sterfgeval plaats heeft, geen uur te verzuimen;

Verblijven in haast, uw vriend, met achting,

T.T.

H. van der Sluys.”xviii

Een opvallende brief, waaruit af te leiden valt dat de Provinciale Staten een flinke vinger in de pap hadden wat betreft het aanstellen van gemeenteraadsleden. Dit was dan ook het geval; tot 1848 werden gemeenteraadsleden door de volksvertegenwoordigers aangesteld. Pas sinds de Grondwetsherziening van 1848 worden gemeenteraadsleden rechtstreeks door burgers gekozen.

Jan-Hendrik gaf aan Van der Sluys de volgende lijst van ‘kandidaten’ door:

  1. Jan Hendrik Jordaan

  2. Jan Smits J.W.zn

  3. G. Teutelink op Schoolkate

  4. Jn. Hartgerink

  5. Jan Roerink op Rengerink

  6. Arnoldus Brevink.xix

Het lijkt weinig bescheiden van Jan-Hendrik door zichzelf op de lijst te zetten. Aan de andere kant zou het tot verwarring kunnen leiden door zichzelf niet op de lijst te plaatsen; hij was immers sinds 1811 assessor/wethouder van Haaksbergen en had duidelijk ambitie langer politiek actief te blijven. Daarentegen is hier natuurlijk wel overduidelijk sprake van achterkamertjespolitiek en ook ditmaal werd burgemeester Waanders gepasseerd. Achterkamertjespolitiek was toen aan de orde van de dag en ook de katholieke familie Waanders maakte daar – zoals later zal volgen – handig gebruik van…

Wat betreft burgemeester Waanders is de volgende passage uit bovenstaande brief opmerkelijk: maar zorgt zo spoedig den ouden W[aanders] de oogen toedoet, u dadelijk bij de gouverneur te solsiteeren. Geval dit sterfgeval plaats heeft, geen uur te verzuimen”. Willem Waanders was op het moment van schrijven bijna 80 jaar oud! Willem Waanders was nog lang niet van plan zijn ogen definitief te sluiten; hij overleed in 1829 op 89-jarige leeftijd. Daarmee is hij niet enkel de eerste burgemeester van Haaksbergen, maar waarschijnlijk tevens de oudste burgemeester van Haaksbergen ooit!

verm. Jan Hendrik Jordaan (1773-1834)

Jan Hendrik Jordaan (1773-1834), gezinsleven

Zoals eerder gemeld trouwde Jan-Hendrik in 1796 met Elisabeth Judith ter Horst (1774-1835). Na het overlijden van haar vader in 1810 erfde zij haar vaders huis annex brouwerij ‘De Zwaan’ aan de Markt te Haaksbergen en het erf ‘Den Top off Nijhuis’.3 Den Top off Nijhuis lag in de buurschap Boekelo onder Haaksbergen. Daarnaast bezat Jan-Hendrik nog twee boerderijen in Boekelo, genaamd De Dammaaller en De Grefte. Deze drie boerderijen werden gewaardeerd op f 4000,-, f 600,- en f 1400,-.xx


Jan-Hendrik en zijn gezin bewoonden het ouderlijk huis van Elisabeth Judith ter Horst aan de Markt te Haaksbergen, van oudsher
‘De Zwaan’ genaamd. Aan de Markt woonde tevens de broers van Jan-Hendrik en hun zwager, de dominee Petrus Schey. In 1801 waren hun buren het gezin Teerink-Rattink en in 1805 de procureur Wiedenbroek. Uit deze jaren zijn in het familiearchief overeenkomsten bewaard gebleven die afspraken over het recht van overpad en de bouw en het onderhoud van schuttingen vastlegden.

In 1801 besloten buurman Teerink en Jan-Hendrik hierover een overeenkomst te sluiten… “welk verschil tot die hoogte gereezen zijnde, dat daaruit een langwijlig, verdrietig en kostbaar rechtsgeding staat te ontstaan. Zo hebben zij om zulks voortekoomen, en ter aankweking van vriendschap en goede harmonie, besloten dit verschil in de minne bij te leggen, en daarover te transigeeren en te accordeeren, bij deezen invoegen en op conditien, als volgt’.xxi

Naast zijn drukke werkkring was één van de geliefde bezigheden van Jan-Hendrik – en veel van zijn gegoede tijdgenoten – de jacht. Hoewel de meeste jachtpartijen waarschijnlijk in Haaksbergen plaatsvonden, jaagde hij ook een enkele keer over de grens. Zo kreeg Jan-Hendrik in 1816 toestemming van de Fürst von Salm-Salm und Salm-Kyrburg om te jagen op de goederen van het Stift Vreden, net over grens onder Haaksbergen.xxii De rentmeester van de Abdij van Vreden ondertekende de akte met een grote rode lakzegel.4

Uit het huwelijk van Jan Hendrik Jordaan en Elizabeth Judith ter Horst werden 7 kinderen geboren, te weten:

1 Maria Gerharda Hendrika Jordaan (1800-1861) die in 1827 trouwde met de Arnold Friedrich Stüve (1792-1834), molenaar te Emmelenkamp (Dld.).

2 Jan Dinant Jordaan (1802-1860), opvolger van zijn vaders notariskantoor te Haaksbergen, huwde in 1839 met Woutera Hermina van den Ham (1812-1904)

3 Alberdina Hendrika Maria Jordaan (1806-1886) huwde in 1823 met de Duitser Johann Friedrich Wilhelm Schulten (1797-1857), textielfabrikant te Haaksbergen.

4 Anna Geertruid Jordaan (1808-1840), ongehuwd.

5 Hendrik Jordaan (1808-1811), tweeling, jong overleden.

6 Gerhardus Cornelis Martinus Jordaan (1810-1906), zonder beroep, ongehuwd.

7 Hendrika Johanna Berendina Jordaan (1812-1874) huwde in 1842 met Hendrik Jan Kerkhoven (1816-1886), bakker te Geesteren.



Opregte Haarlemse Courant 14 december 1802

Jan Hendrik Jordaan (1773-1834), overlijden en nalatenschap

Toen Jan-Hendrik begin 1834 zijn einde voelde naderen schreef hij eigenhandig een testament;

Ik, ondergeteekende Jan Hendrik Jordaan, openbaar notaris residerende en wonende te Haaksbergen, wensch en begerende gebruik te maken van het vermogen dat de wet mij geeft en gunt, om over mijne goederen en nalatenschap te beschikken, heb ten dien einde mijn eigenhandig geschreven testament gemaakt, hetgeen ik wensch dat naar mijn doode zal nageleeft worden aldus volgende.

Ten eersten ik geef en legateer aan mijne vrouw Elizabeth Judith ter Horst, den tucht en vrugtgebruik van mijne goederen en geheele nalatenschap, ofwel al het geene waarover de wet mij toestaat ten haren voordeele te beschikken, zoowel in eigendom als in vrugtgebruik, zonder zij zal verpligt zijn of gehouden kunnen worden van borg te stellen, waarvan haar dispenseer bij en door deze.

Ten tweden. Ik legateer uit bijzondere affectie aan mijn kleinzoontje Hendrik genaamd, in onecht geboren bij mijn dochter Anna Geertruid met wijlen Leonard Trip, in leven rijks en gemeenteontvanger te Haaksbergen, een klein bureau staande in mijn groote kamer door mij present gekregen van Van Eerden te Aalten, ofwel terwijl mijn vrouw hiermede aan berechtigd kan wezen voor mijn halfscheid de som van vijfentwintig gulden, en mede de som van vier honderd guldens, waarvan hij wel den interest zal kunnen genieten, doch de som niet eerder zal kunnen opeischen als hij den ouderdom van achttien jaren zal bereikt hebben, onder opzicht en bestuur van mijnen broeder Berend Jan Jordaan, gemeenteontvanger te Hengelo, die ik tevens bij deze benoem, verzoeke en aanstelle tot voogd over denzelven mijne onschuldigen lieveling.

Ten derden. Ik legateer om erheffelijke [= dienstige] redenen aan mijn zoon Gerhardus Cornelis Martinus bij vooruitmaking de halfscheid of mijn gerechte aandeel van of aan het zoogenaamde Bennikveld, aan de Joden kerkhoff gelegen, wijl hij plaizier koesterd hetgeene tot bouw of weideland te cultiveren als ook geef hem een cabinetje en klokje, lessenaar, tafel, stoelen en alle hetgeene op mijn sterfdag in mijn voorkamertje nog te aanwezig zijn of bevonden worden.

Ten vierden. Ik stel en benoemd tot mijne algemeene erfgenamen zonder eenige uitkiezing mijne kinderen op mijn sterfdag in leven zijnde en zulks wel in legale portie.

Ten vijfden. Stel en benoem ik tot executeur van dit, mijn testament, en over mijn geheele boedel en nalatenschap den heere Pieter Adriaan Steenbergen, advocaat en procureur bij de Regtbank te Almelo, aan wien ik alle magt geef en verleen welke de wet maar eenigzints aan executeuren toestaat en vergund, waarvoor zijn Edele maak en legateer de som van honderd guldens, doch ingeval mijne gestelde erfgenamen hem mogten dwarsbomen, zoodat zijn Edele zich hiermede niet mogte kunnen vergenoegen, geef ik vrijheid aan zijn Edele om bovendien billijke rekening te mogen opmaken, en wil ik dat zijn Edele een vierendeel jaars naar mijn overlijden zich zal kunnen betaald makenuit een pretentie ad f 648,- die ik ben hebbende aan de marke Haaxbergen en Honesz volgens mijn laatst gehouden en gesloten rekening onder den markenrigter dier marke berustende.

Aldus gedaan en naar rijpe beraade zonder persuatie van iemand opgemaakt en onderteekend te Haaksbergen den vijfden february achttienhonderd en vier en dertig.”

Jan-Hendrik overleed op 1 juli 1834, vijf maanden na het schrijven van zijn testament. Hij werd 60 jaar oud. Zijn weduwe, Elisabeth Judith Jordaan-ter Horst, overleed het jaar daarop, op 28 oktober 1835.

In het testament vallen mij drie passages op:

  • de affectie voor zijn kleinzoon Hendrik Jordaan (1832-1879)

  • de speciale legatie voor zijn zoon Gerhard C.M. Jordaan (1810-1906), en

  • de bezorgdheid dat de erfgenamen de executeur testamentair zouden proberen te dwarsbomen.

Over zijn kleinzoon Hendrik Jordaan zal ik in een artikeltje meer schrijven; hij vertrok naar Amerika. De speciale legatie aan zijn zoon Gerhard C.M. Jordaan zal te maken hebben met diens gebrek aan professie; niet onwaarschijnlijk was dat Jan-Hendrik zich zorgen maakte over diens toekomst. De laatstgenoemde zorg van Jan-Hendrik, dat diens erfgenamen elkaar zouden proberen te dwarsbomen, bleek niet ongegrond…

De combinatie emoties, geldzaken en familiebanden is een gevaarlijke. Als notaris zal Jan-Hendrik ongetwijfeld verschillende twistende erfgenamen op zijn kantoor hebben gehad. Maar daarnaast zal een goede verstandhouding tussen zijn kinderen niet vanzelfsprekend zijn geweest. Na het overlijden van de weduwe Elisabeth Judith Jordaan-ter Horst in 1835 gingen de kinderen over tot de verdeling van de nalatenschap. En dit leidde inderdaad, zoals Jan-Hendrik verwachtte, tot hoog oplopende spanningen.

Anderhalf jaar na het overlijden van moeder Elizabeth Judith Jordaan-ter Horst, in april 1837, kwamen de kinderen uiteindelijk een verdeling van de nalatenschap overeen. In de overeenkomst kwam zoon Jan Dinant Jordaan (1802-1860) voor zichzelf op en zijn zwager, de fabrikant Johan Friedrich Wilhelm Schulten (1797-1857), was gemachtigd door de andere erfgenamen. “[Wij] verklaren bij deze, ter vereffening van alle geschillen welke tusschen ons gerezen waren betrekkelijk den boedel en nalatenschap van wijlen onze ouders en schoonouders, Jan Hendrik Jordaan en Elizabet Judith ter Horst, in leven echtelieden, te zijn overeengekomen het volgt (…)”.

Jan Dinant Jordaan (1802-1860), op zoek naar een betrekking

Het ouderlijk huis aan de Markt te Haaksbergen, ‘De Zwaan’, ging over op de oudste zoon Jan Dinant Jordaan. Jan-Dinant begon rond 1814 – 12 jaar oud zijnde – zijn vader te helpen op diens notariskantoor te Haaksbergen. 12 juli 1819 werd Jan-Dinant officieel ingeschreven als eerste klerk – in dienst van zijn vader – bij de Kamer van Notarissen van het arrondissement Almelo.xxiii Ondertussen was hij zich aan het voorbereiden om een eigen kantoor te openen.

Op 8 juli 1827 overleed Bernardus Wilhelmus Wiedenbroek op 54-jarige leeftijd. Wiedenbroek kocht in januari 1805 het huis naast Jan-Dinant en zijn vader aan de Markt te Haaksbergen.xxiv In 1805 kwamen de procureurs Jan Hendrik Jordaan en Bernardus Wilhelmus Wiedenbroek een recht van overpad overeen en besloten zij tot het gezamenlijk aanleggen van een schutting. Wanneer één van hen de schutting zou verwaarlozen en deze niet binnen acht dagen de schade zou herstellen, werd diegene een boete opgelegd van 5 goudguldens “ten profijte kom den armen”.xxv


De vader van Jan-Dinant en hun buurman B.W. Wiedenbroek waren aanvankelijk beiden procureurs te Haaksbergen. In 1812 werd Jan Hendrik Jordaan aangesteld tot eerste notaris te Haaksbergen en in 1814 werd B.W. Wiedenbroek aangesteld tot notaris te Delden. Ondanks dat werd aangedrongen dat Wiedenbroek zich in Delden zou vestigen, bleef hij in Haaksbergen wonen. Wiedenbroek behoorde evenals de oude burgemeester Waanders tot de welgestelde katholieken van Haaksbergen.

Toen B.W. Wiedenbroek, notaris te Delden, op 8 juli 1827 overleed in zijn woonhuis aan de Markt te Haaksbergen, zag Jan-Dinant zijn kans schoon om diens notarispost te Delden over te nemen. Om aan de eisen te voldoen liet Jan-Dinant zich gelijk inschrijven voor een “examen van bekwaamheid voor het Notarisambt”. In een vergadering der Kamer van Notarissen te Borne, op 20 augustus 1827, legde Jan-Dinant zijn examen “behoorlijk” af.xxvi De heer Pennink was verbaast over de sollicitatie van Jan-Dinant naar de notarispost te Delden. Pennink schreef 17 juli 1827 aan Jan-Dinant o.a.

(…) Intusschen had ik niet verwacht dat UE. in dit geval [zou, DJ] solliciteren, omdat ik begreep dat uw heer vader [uw, DJ] assistentie geheel behoefde, en daarom zodane verplaatsing [van, DJ] persoon een al te groot inconvenient zou opleveren. [Wanneer, DJ] ik UE. van goeden raad mag dienen, zou het zijn, dat (…) deszelfs vader wel zou willen desisteren UE. in zijne plaats aangesteld te zien. Zou dit niet wel zo goed zijn? Altans, zo UE. zich niet reeds over het andere geadresseerd heeft, raadpleeg er dan ook eens iemand anders over.”xxvii

Waarom de heer Pennink Jan-Dinant aanraadde om zijn vaders notarispost over te nemen en toch vooral niet te solliciteren naar de notarispost van Delden zal later duidelijk worden. Jan-Dinant besloot – tegen dit goedbedoelde advies in – wel te solliciteren op de vrijgekomen notarispost in Delden. Niets leek hem in de weg te staan, echter…

Dezen J.D. Jordaan heeft in den jare 1827 gesolliciteerd naar de vacante notarispost te Delden als vermanende daarop de meeste aanspraak te mogen maken, uithoofde hij de oudste der leerlingen is in het arrondissement Almelo en bij die gelegenheid een voldoend examen afgelegd en alle stukken geproduceerd welke daartoe volgens de wet (…) gevorderd worden; doch waarmede alstoen is gebenificeerd geworden de heer C. Waanders, substituut-burgemeester te Haaksbergen.”xxviii

Dit was Christiaan Waanders (1781-1855), een zoon van de oude burgemeester Willem Waanders. Deze Christiaan Waanders kwam in 1820 voor als koopman te Haaksbergen, maar had daarnaast enige bestuurlijke ervaring opgedaan als erfmarkenrichter van de marke Holthuizen, Eppenzolder en Stepelo en sedert 1824 als substituut-burgemeester van Haaksbergen.xxix In deze laatste functie was hij de plaatsvervanger van zijn hoogbejaarde vader. De aanstelling van Christiaan Waanders tot notaris in Delden was zeer opmerkelijk; hij had namelijk geen enkele ervaring op notarieel gebied! Zijn broer Gerard Waanders (1778-1839) daarentegen, had wel een gedegen ervaring opgedaan als substituut-procureur van koning Lodewijk Napoleon, maar deze Gerard Waanders had reeds een goede betrekking in Almelo als officier van justitie. Later zal blijken dat deze officier van justitie, Gerard Waanders, een flinke rol van betekenis heeft gespeeld…

In ieder geval ging de notarispost te Delden aan de neus van Jan-Dinant voorbij. Het zal voor hem extra zuur zijn geweest toen al in 1829 Christiaan Waanders als notaris te Delden werd opgevolgd door Gerhard ter Horst (1793-1866) uit Rijssen. Christiaan Waanders was nog geen 2 jaar notaris geweest in Delden! Een zaak met een vreemd geurtje..

3 februari 1829 overleed de hoogbejaarde burgemeester Willem Waanders. Waarschijnlijk was dit de reden dat diens zoon Christiaan Waanders zijn notarisambt liet voor wat het was en hij zijn zinnen zette op het burgemeesterschap van Haaksbergen. Hij had immers als substituut-burgemeester al enige jaren die post waargenomen; daardoor zal hij voldoende ervaring hebben gehad. Er waren echter meer kandidaten die het oog op deze vrijgekomen post hadden laten vallen.


In 1818 kreeg de vader van Jan-Dinant de tip van zijn vriend Hendrikus van der Sluys, het Provinciale Staten-lid, zorgt zo spoedig den ouden W[aanders] de oogen toedoet, u dadelijk bij de gouverneur te solsiteeren. Geval dit sterfgeval plaats heeft, geen uur te verzuimen.”xxx Jan-Hendrik Jordaan liet deze kans voorbijgaan ten behoeve van zijn zoon Jan-Dinantxxxi; deze was immers druk zoekende naar een goede betrekking. Jan-Dinant solliciteerde op de vrijgekomen burgemeesterspost van Haaksbergen en richtte daarvoor een brief aan Koning Willem I.xxxii Ook deze betrekking liepen Jan-Dinant en Christiaan Waanders mis. Hermanus Antonius Petrus Schaepman (1780-1850) werd in 1829 aangesteld tot de nieuwe burgemeester van Haaksbergen. Deze Schaepman was afkomstig uit een vooraanstaande katholieke familie uit Zwolle en was de grootvader van de bekende staatsman Mgr. Prof. Dr. Herman J.A.M. Schaepman (1844-1903).

In 1830 kocht de gemeente Haaksbergen van de erven Willem Waanders het huis aan de Markt (huis no. 7). Dit werd voortaan de ambtswoning van de burgemeester van Haaksbergen. De ambtswoning was het tweede huis rechts naast “Het Witte Paard”. ‘Het Witte Paard’ werd toendertijd bewoond door de textielfabrikant Derk Jordaan (1781-1876), een oom van Jan-Dinant.

Moordaanslag op burgemeester Schaepman van Haaksbergen 1830

Schaepman was een “streng, ambtelijk en autoritair” burgemeester en wist geen goede band op te bouwen met de inwoners van Haaksbergen. Althans niet in de eerste jaren. Hij werd dan ook geconfronteerd met grote bestuurlijke problemen; Haaksbergen stond er financieel zeer slecht voor.

G.J. Leppink schreef in Aold Hoksebarge 2000 o.a.

Op 14 maart 1830, een zondag, vindt een voorval plaats, dat wekenlang de gemoederen in Haaksbergen bezig zal houden. Wat is het geval:

Burgemeester Schaepman is op bezoek bij pastoor Groothuis in diens pastorie aan de Braak. Terwijl de heren zitten te praten, klinkt er een schot en de burgemeester valt getroffen door een lading schroot neer. Schaepman wordt, naar het zich laat aanzien, zwaar gewond naar huis gevoerd.

In een rapport, opgemaakt door G.W. Buursinck, med. doctor, J.A. Wietz, med. doctor en vroedmeester en P.J. Hanzon, de niet bevoegde chirurgijn, verklaren zij:

‘Wij hebben zijn Ed. gevisiteerd en bevonden verwond te zijn door een schot, dat navolgende verwondingen teweegbracht:

  1. Een wond in het achterhoofd, niet doorgaand, veroorzaakt door een uitgehaald stuk lood.

  2. Een wond achter de rechteroorschelp ter diepte van één en een halve duim, Nederlandsche maat.

  3. Een wond in de rechterbovenarm

  4. Schouderwonden.’

Dezelfde avond laat Schaepman het voorval aan de gouverneur rapporteren door het raadslid W.J. Fransen. Het rapport sluit af met de volgende persoonlijke post scriptum:

‘Ik leef, dat is genoeg.’”

De heer Schaepman herstelde gelukkig van zijn verwondingen, maar zal lange tijd angstig blijven voor een nieuwe aanslag. De daders werden nooit gepakt, maar Christiaan Waanders werd verdacht een rol te hebben gespeeld… G.J. Leppink vervolgt:

Dat hij verdacht wordt is niet zo vreemd. Hij toonde in het verleden al vaker onaangepast gedrag. De laatste paar jaar voordat Schaepman naar Haaksbergen komt, neemt Christiaan Waanders als loco-burgemeester het burgemeesterschap van zijn vader Willem Waanders waar. Hij maakt dan op diverse manieren misbruik van zijn positie. Sinds 1828 mocht er niets meer in en om de kerk begraven worden. Bij de verwerving van grond ten behoeve van een nieuwe begraafplaats blijkt hij gepoogd te hebben zich zelf te verrijken ten koste van de gemeente.

Ook beheert deze Christiaan Waanders de penningen van de R.K. Kerk. Op 22 april doet het kerkbestuur aangifte bij de burgemeester van het ontbreken van een aanzienlijk geldbedrag uit de kerkekas. (…) Schaepman meldt deze zaak op 24 april 1830 aan de Officier van Justitie in Almelo. Een langdurig proces volgt en uiteindelijk wordt Waanders veroordeeld en failliet verklaard.”xxxiii

Jan Dinant Jordaan (1802-1860), opvolger van zijn vader als notaris te Haaksbergen

Ondertussen blijft Jan-Dinant als eerste klerk werkzaam op het notariskantoor van zijn vader aan de Markt te Haaksbergen. In 1832 bleek de gemeenteontvanger Leonard Trip (1806-1832) zijn zaken niet voor elkaar te hebben en hij werd zelfs beschuldigd van fraude. G.J. Leppink schrijft:

Hij wordt door Schaepman gesommeerd orde op zaken te stellen. [Trip, DJ] blijkt deze druk niet aan te kunnen, want [Schaepman] schrijft op 9 februari 1832 aan de controleur te Enschede:

‘Het oogenblik, dan den ontvanger alhier zijn leven moede was, was heden daar. Ik verwittig Uw Ed., dat hij hedenavond ca. half acht door ons gevonden is en verzoek Uw Ed. over te komen om de kantoorwerkzaamheden over te nemen’.”xxxiv

De zus van Jan-Dinant, Anna Geertruid Jordaan (1808-1840), was op dat moment hoogzwanger van deze gemeenteonvanger Leonard Trip. De zelfmoord van Trip was daarmee tevens een zeer trieste ontwikkeling voor de familie Jordaan. Desalniettemin kwam er daardoor wel een interessant post vrij voor Jan-Dinant. Hij solliciteerde op de functie van gemeenteontvanger en werd ditmaal wel aangenomen. Hiervoor was een borg (t.w.v. 800 gulden) nodig, waarvoor de ouders van Jan-Dinant zich meldden bij notaris Wolter Jalink te Goor. Als borg stelden zij een twee percelen bouwland, genaamd de Benninkbraak en het Bouwmeestersland.xxxv

Toen in 1834 vader Jan Hendrik Jordaan zijn einde voelde naderen bleek hij enigszins bezorgd te zijn of zijn zoon Jan-Dinant dit keer weer zal worden tegengewerkt om diens notariskantoor over te nemen. In 1828 had hij reeds tevergeefs getracht zijn zoon in diens plaats te laten aanstellen als notaris te Haaksbergen. In april 1834 werden de benodigde papieren voor een opvolging in orde gemaakt.xxxvi xxxvii Zijn vader tekende op 17 april 1834 de volgende verklaring:

De ondergeteekende Jan Hendrik Jordaan, openbaar notaris, resideerende te Haaksbergen in het kanton Goor, Provincie Overijssel, certificeerd bij dezen: dat deszelfs zoon Jan Dinant Jordaan sedert den jare 1814 tot heden onafgebroken op deszelfs kantoor heeft werkzaam geweest als eerste en eenige klerk.

Ter blijke waarvan hij dit certificaat heeft afgegeven te Haaksbergen den 17 April 1800 vier en dertig.

J.H. Jordaan”xxxviii



Een paar dagen later, 21 april 1834, stelde burgemeester Schaepman een certificaat van goed gedrag op, hetwelk nodig is voor het notarisambt.

De Burgemeester der Gemeente Haaksbergen certificeerd bij dezen, dat de heer Jan Dinant Jordaan, klerk ten kantore van deszelfs vader de heer Jan Hendrik Jordaan, openbaar notaris, residerende te Haaksbergen, bij wien hij als zodanig werkzaam zijnde, is van een goed, zedelijk en burgerlijk gedrag.”xxxix

Anderhalve maand na deze verklaring, op 1 juli 1834, overleed vader Jan Hendrik Jordaan op 60-jarige leeftijd. Gelukkig voor Jan-Dinant werd hij als diens opvolger aangesteld! Eindelijk had Jan-Dinant zijn eigen notariskantoor! B.W. Blijdenstein schreef op 1 januari 1835 aan Jan-Dinant:

Amice!

Ik maak van deze gelegenheid gebruik u van harten geluk te wenschen met uwe aanstelling als notaris. Door meerdere concurrenten was uwe aanstelling altijd twijfelachtig; doch dit geeft des te meer redenen om u over dezelve te verheugen. (…)

U bij het ingaan van het jaar 1835 mijne heilwenschen doende toekomen, blijf ik,

tt.

B.W. Blijdenstein”

Het overnemen van zijn vaders kantoor was blijkbaar allerminst vanzelfsprekend. In een brief van 20 september 1834 spreekt Jan-Dinant zeer open over de gespannen relatie met de familie Waanders, maar hij blikt in deze brief tevens terug op de vrijgekomen notarispost in Delden in 1827 en de moordaanslag op burgemeester Schaepman in 1830. Deze brief zal al het voorgaande in een donker en triest kader plaatsen.

(…) Wat aangaat de heer officier [Gerard Waanders, broer van Christiaan Waanders], alwaar ik twee malen ben geweest, hield zich schuil voor mij en scheen mij niet te willen spreken, zoo het schijnt heeft hij een wrok op mij, hetwelk ik niet stellig kan bepalen waarover, daar ik UE. bij dezen op mijn woord kan en moet betuigen, dat ik hem nooit iets in den weg heb gelegd, noch hem schade toegebragt. Waarschijnlijk spruit dezen wrok voort uit Jesuiterij, waarmede Zeheid hoogsten zwanger gaat [?], zoo mede dat mijn vader deszelfs broeder [Christiaan Waanders] alhier nog woonachtig indertijd, niet datgeene heeft willen teekenen, wat tegen de wet, billijkheid als anderszins streed, toen deszelfs vader [Willem Waanders] burgemeester dezer plaats overleed, hetwelk Z.E. volstrekt niet kon doen, daar ieder weldenkend mensch hem een certificaat van goed gedrag weigerde, hetwelk hij ook naderhand getoond heeft niet waardig te zijn, door het laten schieten op mijn tegenwoordige burgemeester [Schaepman] en Heeren Pastoor en Kappelaans ten huize van laatstgenoemden, zoo als genoeg bekend is bij het Gouvernement en de Regtbank te Almelo uit het verhoor der getuigen. Deze broeder van den officier Waanders heeft niet alleen tijdens het leven van zijn vader de gemeente aanmerkelijke schade toegebragt, bekneveld als anderszins, maar daarenboven nog een deficit in zijn boedel veroorzaakt van omtrent achtienduizend guldens en door ontvangst van gelden voor de R.C. Kerk van de Minister der R.C. Eeredienst welke niet zijn verantwoord ter som van f 1800,- of daaromtrent correctermaal gecondemneerd voor een jaar.

Dezen [Christiaan] Waanders, die ofschoon, niet misdeeld, gaarne souverein wilde zijn van Haaksbergen, solliciteerde in 1827 naar de vacante notarispost te Delden, nimmer op een notarieel kantoor werkzaam geweest zijnde, gelukte het hem echter door bemiddeling van zijn broeder de officier, dat hij dien post verkreeg. Eenigen tijd daarna, en wel in [1829, DJ], stierf zijn vader en alstoen was de burgemeestersplaats te Haaksbergen vacant. Te Zwolle zijnde ging ik bij de vorige gouverneur, alwaar ik iets te doen had, dewelke mij ronduit zeide dat C. Waanders nimmer door deszelfs liederlijke gedrag opvolger zou worden, hetwelk aanleiding gaf ik bij die gelegenheid vroeg of ik dan ook zou verzoeken hetwelk ZE. mij aanraad[de], en hetwelk ik dan ook gedaan heb, ofschoon ik heb niet heb beledigd noch eenig ander werk daarvan gemaakt, dan het rekest maar direct te adresseren aan Z[ijne] M[ajesteit], onzen Koning.

Ik zou dat rekest zekerlijk niet opgezonden hebben, ware het niet geweest, dat [Christiaan] Waanders dronken zijnde in de herbergen rond ging praten dat hij de notarispost te Delden had zien te verkrijgen om bij overlijden van mijn vader die te Haaksbergen te verkrijgen en ik dus ligtelijk dit konde wagen, te meer nog daar mijne grootvaders van beide zijden [Jan Jordaan en Hendrik ter Horst] en vroeger mijne overgrootvader en nog een overgrootvader vroeger altijd te Haaksbergen rigters zijn geweest, hetwelk den ouden Waanders is geworden in het Patriotismus 1795, wijl men toen alhier liever een Roomsche dan wel een Gereformeerde rigter verkoos.

Onder dit verzoeken, zoo als naderhand is gebleken, heeft [Christiaan] Waanders met overleg van deszelfs broeder de notarispost te Delden verkocht voor f 1000,- aan de tegenwoordige notaris Ter Horst, hetwelk waarschijnlijk op een andere manier is gelukt, terwijl de post van burgemeester hem mislukte, hij zonder post bleef zitten en na dien tijd de tegenwoordige burgemeester liet schieten etc. etc. uit wraak.

Alstoen smeedde men het plan om de notarispost te zien verkrijgen voor de zoon van [Christiaan] Waanders, [Jan Hendrik Willem Waanders 1812-1834], die te Almelo op het kantoor is geweest en hetwelk zekerlijk aanleiding heeft gegeven van de officier om mijne eerste sollicitatie te doen mislukken, mij zwart af te schilderen etc. doch dit plan schijnt in duigen te zijn gevallen, doordien denzelve eenige dagen voor mijn vader is komen te overlijden en nog eenigzins te jong zijn de om dadelijk te solliciteren.

Tijdens de officier [Gerard Waanders] zijn vader [Willem Waanders] alhier nog leefde, hetwelk door de zoon [Christiaan] Waanders werd waargenomen, was er een neef van hem, G.H. Waanders (1786-1833), die – geen middel van bestaan meer hebbende – commissionair werd en daardoor een praktijk zocht te verkrijgen, welke daarvan geen kennis hebbende, het plan werd gemaakt door [Christiaan] Waanders en uitgeoefend door G.H. Waanders. De afzetterijen en schurkerijen welke hierdoor plaats hadden, zijn zoo menigvuldig dat ik dezelve niet allen kan opsommen en die zoowel aan de Regtbank als elders bekend zijn. Mijn vader weigerde hem dikwijls zijn ministerie, doordien zij veelal de partijen zochten te bedreigen, hetwelk aanleiding gaf dat zij naar andere notarissen gingen en daar zoo – als het spreekwoord zegt – het kwaad zich op den duur vanzelf straft, had hier ook plaats. Zij beiden [kregen, DJ] kwade vrienden, waardoor alle schurkerijen aan den dag kwam, uithoofde G.H. Waanders zich bij ons zocht te verontschuldigen en dit ook wel met bewijzen gestaafd heeft, dat [Christiaan] Waanders altijd het plan smeedde om ons geheel uit te roeyen. Bij dezen G.H. Waanders kwam ik zoo om de 14 dagen aan huis, hetwelk de officier [Gerard Waanders] niet aanstond en mijn vader daarover wel heeft onderhouden om mij dit te beletten. Ofschoon ik met dezen niets uittestaan had, noch hem ook niet vertrouwde, vermits hij zeer gevaarlijk was en altijd als Roomsche op deszelfs religie schelde, zelfs zoo dat hij niet eens meer naar de kerk ging noch ook biegte, maar altijd een mand vol boeken van het leesgezelschap in Deventer liet komen, was oorzaak als een liefhebber van leger zijnde, dat ik naderhand om de acht dagen boeken van hem leende en terugbragt.

In het begin van 1833 was ik met hem schatter van Delden en toen wij daar beginnen moest, werd hij ziek, terwijl na afloop daarvan hem willende aanspreken, hij mij dwong bij hem te blijven alzoo zijn boezemvriend afwezig was. Door het sterk overhalen heb ik 5 dagen en nacht bij hem geweest, hem de medicijnen toebedeeld etc. met goedvinden zijner oude vrouw die ook fijn Roomsch is. Indien tijd heeft niet alleen de familie, maar ook de kapelaan dezer plaats, zoo ook de geestelijkheid van naburige plaatsen tevergeefsch beproefd, om hem het laatste oliesel toe te dienen waartoe ik hem zelfs heb aangeraden, maar hetwelk hij altijd heeft geweigerd, terwijl buiten zijne vrouw niemand zijner familie bij hem kwam en door verlichtte Roomschen des ‘s nachts bij hem gewaakt werd volgens zijne eigene bestelling. Denzelven had een meid die hij een effect gaf van f 1000,- en hetwelk ik in precentie van een ander in bewaring kreeg, waarvoor men mij het dagvaarde en hetwelk zij verloren hebben, hebbende zij meermalen bij mij aangedrongen om de meid hiermede te foppen, hetwelk ik niet doen kan, maar als eerlijk mensch de waarheid moest zeggen.

Zie daar! Zoo kort mogelijk de waarschijnlijk redenen, waardoor de officier een wrok tegen mij heeft opgevat. Eerst voortgesproten uit eigenbelang en naderhand door de Jesuiterij, want zoo als UE. weet, is een R[oomsch] C[atholiek] zoo zeer voor het laatste oliesel, hetwelk de R.C. Geestelijkheid alhier mij nimmer geweten hebben als overtuigd, dat ik mij daarmede niet bemoeide; waarbij nog eindelijk komt, dat ik als raadsman voor de R.C. Kerkenraad alhier nu onlangs een proces tegen [Christiaan] Waanders heb doen winnen en wel ter som van f 900,-, hetwelk door [Christiaan] Waanders als kerkmeester was afgegeven aan C.J ten Zeldam en hetwelk denzelven in zijn zak had gestoken en opgenomen zonder toestemming en buiten weten van de overige leden; hetgeen de officier gaarne zou gezien hebben dat door de kerkenraad was aangenomen, hetwelk evenwel niet kan, te meer daar [Christiaan] Waanders nog eene andere som schuldig was en door zijn toedoen de kerkengoederen tot de waarde toe bezwaard zijn.

Door dit alles zal UE. genoegzaam kunnen opmaken dat het bijna niets anders is van de officier dan pikanterie waarin ik te meer bevestigd wordt doordien de broeder [Christiaan] Waanders die een lap is dit in de herbergen gaat vertellen, dat ik om die redenen de post niet zal wederkrijgen. Ik heb hier al opgeloerd om daarvan getuigen te bekomen, doch dit zijn ook al lage (…) welke mij ook al verhalen dat hij naamloze brieven heeft laten schrijven en nu gaat uitstrooyen, dat er een Noordbrabander mede begunstigd word wiens naam 5 letters bevat.

Daar ik in geenen deele wil ontkennen dat het notariaat van mijn vader sedert eenig geruime tijd met ernst is doorgezet, zoo kan ik ook niet voorbij UE. rondborstig te moeten verklaren dat dit geheel buiten mijne schuld was en mij genoeg heeft ter harte gegaan. Verbeeld uw een vader die sterk aan de drank zijnde mij altijd de stukken niet wilde teekenen als daartoe niet in staat, doch waarbij komt dat iemand eenige schade bij ons heeft geleden, noch thans lijdt. Kinderlijke plicht verbiedt mij om daar meerder over te schrijven. De ingezetenen van deze gemeente kennen mijne goede wil, bekwaamheid en werkzaamheid en durf daarop te noemen dat bijna allen hunne wensch uitten dat ik daarmede weder gebenificeerd wordt, hetwelk ook de officier [Gerard Waanders] wel bewust is, zoo al uit een eigenhandige brief van hem zelfs blijkt die ik hierin sluit, ter meerdere overtuiging.

Intusschen heb ik UE. al het geene voor mij te doen wat maar eenigszins mogelijk is. De kamer blijft ook bij haar gegeven advies (…) en zal mij nogmaals recommanderen er voortrekken bij haar derde advies.

Met de meeste achting ben ik steeds,

groetende,

UWEgDienaar,

J.D. Jordaan.

20 september 1834”xl

Na het lezen van deze brief vallen verschillende zaken op zijn plaats. De brief uit 1827 van Pennink uit Enschede, een vriend van Jan-Dinant – waarin hij Jan-Dinant aanraadt de notarispost van zijn vader over te nemen – doet blijken dat de vader van Jan-Dinant toen al niet meer goed functioneerde en waarschijnlijk de zorg voor het notariaat al op de schouders ruste van Jan-Dinant. Hij had waarschijnlijk de handen vol om de schade van zijn vaders alcoholprobleem te beperken. Daarnaast was de relatie tussen vader Jan Hendrik Jordaan en diens broer Derk Jordaan, de fabrikant die ook aan de Markt woonde (in ‘Het Witte Paard’), ernstig bekoeld geraakt. Het zal Derk Jordaan een doorn in het oog zijn geweest om zijn broer zo te zien aftakelen. Daarnaast zal het hem geïrriteerd hebben dat daarmee de familienaam Jordaan werd geschaad; het alcoholprobleem van Jan Hendrik Jordaan was al in Enschede bekend.5 Het is nu beter te begrijpen waarom de vader van Jan-Dinant diens broer Berend-Jan Jordaan (1778-1856) in Hengelo aanstelde tot voogd over zijn kleinzoon Hendrik Jordaan en waarom hij daarmee diens – in Haaksbergen wonende – broer Derk Jordaan passeerde…

Daarnaast wordt door deze brief duidelijk hoe de verhouding tussen de families Jordaan en de zonen van de oude burgemeester Waanders verslechterde. Zoals gebleken hadden de Jordaans machtige vrienden die hen geen windeieren legde. Echter nu is ook duidelijk geworden, dat vriendjespolitiek niet enkel was weggelegd voor de familie Jordaan. De officier van justitie in Almelo, Gerard Waanders (1778-1839), wist zelfs voor elkaar te krijgen dat diens broer Christiaan Waanders – zonder enige ervaring op notarieel gebied – werd aangesteld tot notaris in Delden. Deze belangenverstrengelingen geven een beeld van de achterkamertjespolitiek in de negentiende eeuw.

Met Christiaan Waanders liep het slecht af. Ondanks dat hij – door gebrek aan bewijs – nooit veroordeeld is voor de moordaanslag op burgemeester Schaepman in 1830, werd hij wel aansprakelijk gesteld voor het missen van 1.800 gulden uit de kas van de R.K. Kerkenraad. Twee maanden na de aanslag op de burgemeester werd Christiaan Waanders failliet verklaard.

In de Overijsselsche courant prijkte volgende advertentie:

De geenen, welke iets te vorderen hebben van den Boedel van Christiaan Waanders te Haaksbergen, hetzij als debiteur, hetzij uit hoofde van Borgtogt of anderszins, worden uitgenoodigd, daarvan ten spoedigsten opgave te doen aan den ondergeteekenden, als met de liquidatie belast.

Almelo den 24sten Mei 1830.

Mr. P.A. Steenbergen.”

De naam P.A. Steenbergen herkennen we nog uit het testament van de vader van Jan-Dinant uit 1834. Hij was een vriend van notaris Jan Hendrik Jordaan; mr. P.A. Steenbergen werd in 1834 door hem aangesteld als executeur testamentair; maar dat terzijde. Christiaan Waanders was achtereenvolgens koopman, substituut-burgemeester van Haaksbergen, notaris te Delden en bakker te Haaksbergen. In 1855 overleed Christiaan Waanders op 73-jarige leeftijd en liet zijn vrouw en kinderen berooid achter. Zijn zoon Jan H.W. Waanders, die in de brief voorkomt als notarisklerk te Almelo, stierf op 23 mei 1834 op 22-jarige leeftijd.

Jan-Dinant blijkt wel een goede band te hebben onderhouden met Gerrit Hendrik Waanders. Jan-Dinant bleek hem zelfs de laatste dagen van zijn leven thuis te hebben verzorgde. G.H. Waanders overleed 8 februari 1833 op 47-jarige leeftijd. Ik had hem ouder ingeschat aangezien Jan-Dinant in de brief spreekt over “zijner oude vrouw”. Maar wat blijkt? Zijn weduwe Anna Maria Waanders-Wissink overleed in 1845 te Hengelo (Ov.) op 82-jarige leeftijd. Zij was 23 jaar ouder dan haar echtgenoot.

Jan Dinant Jordaan (1802-1860), schatter van het kadaster

In de brief werd tevens een enkel woord gerept over het werk als schatter. In de Overijsselsche courant van 6 november 1829 prijkte de volgende advertentie:

KADASTER

De gouverneur van de provincie Overijssel, maakt bij deze aan de Eigenaars, Pachters, Gebruikers of Bestuurders van Gebouwen, Landerijen, Landhoeven, enz., in het kanton Enschede, bekend, dat in den loop der maand November, zal worden aangevangen, met de Kadastrale Schattingen van de Gebouwen en Landerijen in de Gemeenten van het Kanton gelegen, en zulks door de hierna vermelde Ambtenaren:

Gemeenten

Controleurs

Schatters

Enschede

C.W.A. Baron van Westerholt

J. Roetert

Lonneker

J.D. Cochuis

J.D. Jordaan

Wordende de Heeren Burgemeesters der voormelde Gemeenten, uitgenoodigd, om de voornoemde Ambtenaren, in hunne werkzaamheden behulpzaam te zijn, gelijk mede de Eigenaars, Boekhouders, Pachters of Zaakgelastigden, om de klassering hunner Eigendommen bij te wonen, en om alle opgaven te doen, welke voor die klassering dienstig zouden kunnen zijn.

Zwolle den 26 oktober 1829.

De gouverneur voornoemd,

B.H. Bentinck”

Het schatten van de onroerende goederen was belangrijk voor de staatskas. Toen in 1810 Nederland werd ingelijfd bij het Franse keizerrijk, werden de meeste Franse wetten overgenomen. Hieronder viel ook de invoering van de grondbelasting. Om een redelijke grondslag te krijgen voor deze heffing, werd begonnen met het opmeten, schatten en tenaamstellen van grondeigendom. De vervaardiging van een kadaster…xli

Om te voorkomen dat de schatters hun eigen onroerend goed moesten taxeren, werden de schatters tewerkgesteld in een andere gemeenten. Daardoor werkte Jan-Dinant als schatter van de – toen nog zeer grote – gemeente Lonneker. In de jaren ’50 van de negentiende eeuw was Jan-Dinant betrokken bij de verdeling van de markegronden (gemeenschapsgronden) als lid van de Commissie ter Verdeling der Marke Holthuizen, Eppenzolder en Stepele.xlii Dit was één van de zes marken van Haaksbergen. Jan-Dinant was zijn vader overigens opgevolgd als markenrichter van Haaksbergen en Honesch.

De bovengenoemde gouverneur B.H. Bentinck komt trouwens bekend voor. Zoals eerder beschreven, was deze gouverneur van Overijssel de vader van Jan-Dinant zeer goedgezind. Berend Hendrik Bentinck tot Buckhorst overleed in 1830 in zijn woonplaats Zwolle op 76-jarige leeftijd.



Berend Hendrik Baron Bentinck tot Buckhorst (1753-1830), gouverneur van Overijssel (coll. RKD)

Jan Dinant Jordaan (1802-1860) en de Haaksbergse schutterij


Bentinck tot Buckhorst had een militaire loopbaan achter de rug en had het geschopt tot luitenant-generaal der cavalerie en commissaris-generaal van Oorlog in 1813. In de brief van Jan-Dinant uit 1834 schreef hij o.a. een liefhebber van leger [te zijn]”. Jan-Dinant leende om de acht dagen boeken betreffende het leger van Gerrit Hendrik Waanders.

Nadat Napoleon in 1815 was verslagen bij de Slag bij Waterloo vond in Wenen een congres plaats waarbij Europa opnieuw werd ingedeeld. Rond 1830 ontstond er bij verschillende naties een weerstand tegen de nieuwe machthebbers. Na de geslaagde Julirevolutie in 1830 in Frankrijk – waarna de Franse koning Karel X aftrad – volgde in Europa verschillende revoluties. Eén daarvan was de Belgische opstand in augustus/september 1830. Het regeringsleger van Koning Willem I bleek niet bestand tegen de guerrilla-oorlog die in Brussel plaatsvond, waarna op 4 oktober 1830 het Voorlopig Bewind van de Zuidelijke Nederlanden de onafhankelijkheid uitriep. Nederland erkende de Belgische onafhankelijkheid pas in 1839 bij het Verdrag van Londen, na een lange en kostbare volhardingspolitiek. De afscheiding van België in 1830 was overigens één van de belangrijke factoren waardoor de Twentse textielindustrie kon opbloeien tot één van de grootste textielcentra ter wereld; daarover meer in een ander artikeltje.

Een week nadat het Voorlopig Bewind van de Zuidelijke Nederlanden de onafhankelijkheid uitriep – in oktober 1830 – werd de proclamatie “Te Wapen” van Koning Willem I gepubliceerd te Haaksbergen. Niet enkel de dienstplichtige militairen werden gemobiliseerd, maar tevens werd een beroep gedaan op de schutterij van Haaksbergen. Er werd bepaald dat de helft van de schutters – ingelote mannen van 24 tot 34 jaar oud – moesten dienen per 30 december 1830; daarmee werd een schifting gemaakt tussen een actieve en een reserve schutterij. Gehuwde schutters werden zoveel mogelijk ontzien, waardoor verscheidene schutters met spoed in het huwelijk traden. Anderen deserteerden en hielden zich net over de grens in Pruisen verborgen. De ongehuwde, 28-jarige Jan-Dinant was lid van de rustende schutterij en zal daardoor waarschijnlijk in actieve dienst zijn gekomen. Gezien het alcoholprobleem van zijn vader, zal zijn afwezigheid het notariskantoor niet ten goede zijn gekomen.

De Haaksbergse schutters dienden tussen 1830 en 1834. In augustus 1834 kwamen de (laatste) schutters terug in Haaksbergen, waarna dit uitgebreid werd gevierd met een Schuttersfeest. Deze Schuttersfeesten, met bijbehorende schietwedstrijden, worden tot op heden gevierd in Haaksbergen.xliii xliv Wanneer Jan-Dinant in actieve dienst is gekomen, is dat in ieder geval niet tot 1834 geweest. In april 1833 werd Jan-Dinant – bij Koninklijk Besluit – ‘vereerd’ met de benoeming tot kapitein in het 28e bataljon der reserve schutterij. Een zoon van burgemeester Schaepman werd op dat moment eveneens benoemd tot 2e luitenant in hetzelfde reserve bataljon.xlv In 1841 werd Jan-Dinant aangesteld tot kapitein over de 3e Compagnie van het 5e Bataljon der rustende schutterij in Overijssel. Johan Victor Christiaan Schaepman (1813-1864) was een van de twee 2e luitenanten.xlvi Jan-Dinant zal niet (meer?) zijn opgeroepen om zijn vaderland te verdedigen.



Jan Dinant Jordaan (1802-1860)

Jan Dinant Jordaan (1802-1860), gezinsleven

De toenmalige predikant van Haaksbergen, Ds. Petrus Schey (1763-1853), was een oom van Jan-Dinant. Hij was getrouwd met Cornelia Jordaan (1776-1855)6, een zuster van zijn vader Jan Hendrik Jordaan. Op 30 juni 1833 ging dominee Schey met emeritaat, waarna de uit Barneveld afkomstige Ds. Wouterus van den Ham (1810-1894) werd aangesteld als diens opvolger. Deze dominee was zeer geliefd, “omdat hij zo’n beminlijk en goed mens was, die, daar hijzelf niet onbemiddeld was, in stilte veel goeds deed.”

Jan-Dinant liet zijn oog vallen op de twee jaar jongere zuster van de predikant, Woutera Hermina van den Ham (1812-1904). Op 15 november 1839 trouwde de bijna 37-jarige Jan-Dinant met de 27-jarige Woutera H. van den Ham in haar geboorteplaats Barneveld. Haar vader was de gemeenteontvanger van Barneveld. Uit de trouwakte blijkt dat Jan-Dinant naast notaris ook nog werkzaam was als gemeenteontvanger van Haaksbergen. Hij was tevens kerkvoogd der Hervormde Gemeente van Haaksbergen, waardoor hij zich samen met zijn zwager Ds. Wouterus van den Ham boog over kerkelijke zaken, waaronder een langdurig proces met de burgerlijke gemeente over de kosterij-goederen.xlvii



Woutera Hermina Jordaan-van den Ham (1812-1904)

Uit het huwelijk van Jan Dinant Jordaan en Woutera Hermina van den Ham werden zes kinderen geboren, te weten:

1 Jan Elizeus Julius Jordaan (1840-1898) x 1870 Grietje Engberts (1842-1938)

2 Henriette Gerharda Jordaan (1842-1879), ongehuwd

3 Maurits Aricus Wouterus Jordaan (1845-1911) x 1878 Julia Cramer (1858-1932)

4 Albert Frederik Wilhelm Jordaan (1848-1906) x 1879 Eskelina Hinke Bakker (1853-1928)

5 Antje Jordaan (1849-1939) x 1872 Ds. Joachimus Hermanus Geselschap (1835-1918)

6 Wilhelmina Petronella Jordaan (1857-1932) x 1894 Dr. Warmold Prins (1858-1936)

De oudste zoon Jan E.J. Jordaan was – zoals te verwachten – voorbestemd als opvolger van zijn vaders notariskantoor. Van deze Jan E.J. Jordaan is een jachtboekje bewaard gebleven uit 1859.

Wij ondergeteekenden verklaren onze volkomen toestemming te geven en mitsdien vergunning te verleenen aan Jan Elizeus Julius Jordaan, notarisklerk te Haaksbergen woonachtig, om allerhande geoorloofde jagtbedrijven te mogen uitoefenen, tot weder op zeggens toe, op alle gronden welke aan ons in eigendom toebehooren of die door ons in vruchtgebruik, huur of ander welken titel ook bezeten worden of waarover ons het beheer of administratie volgens de wet toekomt en alzoo aan ons de bevoegdheid tot het verleenen der onderwerpelijke admissie geeft, ten einde die jagtbedrijven niet alleen zelf uit te oefenen, maar zich ook door een gezelschap jagers mag doen vergezellen, aan welke gelijke vergunning verleend wordt bij dezen.”



Jan E.J. Jordaan (1840-1898) en zijn echtgenote Grietje Engberts (1842-1938)

Ruim 75 Haaksbergenaren gaven hiervoor hun toestemming. Tot de verleners behoorden o.a. de toenmalige burgemeester van Haaksbergen Hermanus Verbeek, zijn oudoom Derk Jordaan (1781-1876, fabrikant), achteroom Hendrik Jordaan (1820-1912, fabrikant), neef Albert Schulten (1823-1868, fabrikant) en achteroom Derk Jan ten Hoopen (1821-1898, fabrikant). Hieruit blijkt dat de relatie met de textiel-tak Jordaan goed was gebleven. Dit ondanks de waarschijnlijke bekoeling tussen de broers Jan Hendrik Jordaan en Derk Jordaan. Dat de band met de textieltak Jordaan goed was, kwam de 19-jarige Jan E.J. Jordaan goed uit, aangezien de textiel-tak flink wat grond in en rondom Haaksbergen had weten te vergaren. Zijn oudoom Derk Jordaan was ondertussen al uitgegroeid tot de grootste werkgever van het dorp.

Jan Dinant Jordaan (1802-1860), politieke ambities

Jan-Dinant had – evenals zijn vader – politieke ambities. In 1850 stelde hij zich kandidaat voor de Provinciale Staten van Overijssel. Hiervoor vonden twee stemmingsrondes plaatsen. De winnaars van de eerste rondes gingen door naar tweede / laatste ronde. In 1850 kregen de heren H. Wilmink, M. Udink ten Cate7 en Jan-Dinant resp. 344, 230 en 229 stemmen. Hierdoor liep Jan-Dinant de tweede stemmingsrownde net mis.xlviii xlix

In 1851 overleed het Provinciale Statenlid, en mijn voorvader, Gerrit Jan van Heek (1780-1851)8. Maar liefst negen kandidaten streden om de vrijgekomen positie. Jan-Dinant trok zijn stoute schoenen en gooide , ondanks de nederlaag een jaar eerder, alles in de strijd om deze positie voor zich te winnen. Bij de eerste stemming won Jan-Dinant de verkiezing met 109 – van de in het totaal 378 – stemmen. Als tweede eindigde Abraham Jannink (1801-1868)9. Ook ditmaal was Jan-Dinant het Statenlidmaatschap niet gegund. Abraham Jannink won de verkiezingen en werd gekozen tot plaatsvervangend lidl; Abraham Jannink bleef tot zijn overlijden in 1868 Statenlid.

In 1855 stelde Jan-Dinant zich verkiesbaar voor de gemeenteraad van Haaksbergen, maar ook in dit geval delfde hij het onderspit. Bos op Horstink werd in zijn plaats gekozen.li Het zat Jan-Dinant qua politiek niet mee..

Ramp in Haaksbergen 1851

Sinds de reformatie was de Grote Kerk (nu beter bekend als Pancratiuskerk) in handen van de hervormde gemeente van Haaksbergen. Tegenover deze kerk stonden o.a. de huizen De Zwaan van notaris Jan Hendrik Jordaan en Het Witte Paard van fabrikant Derk Jordaan. In 1809 besloot koning Lodewijk Napoleon de kerk terug te geven aan de katholieke bevolking van Haaksbergen. Dit was natuurlijk een doorn in het oog van de hervormde families. De toenmalige predikant van Haaksbergen, ds. Petrus Schey (1763-1853, zwager van Jan Hendrik en Derk Jordaan), zal terneergeslagen zijn kansel hebben verlaten.

Z[ijne] M[ajesteit] [Koning Lodewijk Napoleon] heeft op Hare reis alle geschillen, die over het bezit der kerkgebouwen waren gerezen, vereffend, en bepaald, dat, volgens de dispositie, die Hoogstdezelve had genomen, iedere gemeente, dat gene als onherroepelijk eigendom kon beschouwen, hetgeen haar daarbij was toegekend. In het dorp Haaksbergen, waar de roomsche gemeente 2800 en de gereformeerde 700 zielen sterk is, zal de groote kerk aan de roomsche toebehooren, zoo wel als te Denekamp, waar de roomschen ten getale van 1000 en de gereformeerden 200 zijn; ook te Tubbergen, waar 1000 roomschen en 68 gereformeerden wonen, en te Oldenzaal, waar 1600 roomschen tegen 450 gereformeerden gerekend worden.”lii

Er werd overgegaan tot de bouw van een fraaie koepelkerk voor de hervormden. Deze werd gebouwd vlak achter de Grote Kerk in de Oostenstraat (nu Jonkheer Von Heydenstraat genaamd). Vanaf 1833 predikte de geliefde Ds. Wouterus van den Ham, zwager van notaris Jan-Dinant, het Woord Gods in deze nieuwe kerk.

In de nacht van zaterdag 16 op 17 augustus 1851 voltrok zich een grote ramp in Haaksbergen:

Men schrijft ons uit Haaksbergen, dat aldaar eergisteren Zaturdag namiddag een hevige brand gewoed heeft, welke bij den bakker Maatman ontstaan, weldra zoo hevig werd, dat er aan geen redden te denken viel, en in vier uren tijds dertig huizen, waaronder zeer kolossale gebouwen, benevens de Hervormde Kerk, eene prooi der vlammen zijn geworden. Tegen den avond verminderde de wind, zoodat men toen het vuur meester werd. De oogst was geheel binnen; deze is grootendeels vernield. Ook zijn twee koeyen en een varken verbrand. Gelukkig heeft men geen menschenlevens te betreuren. Die ramp wordt aan een ongelukkig toeval of aan eene onvoorzigtigheid toegeschreven” aldus het godsdienstig-staatkundig dagblad De Tijd d.d. 19 augustus 1851.

Bij het uitbreken van de brand was het hele dorp in rep en roer en snelde de bevolking – met een leren blusemmer – naar één van de twee brandspuiten om te assisteren. Haaksbergen kreeg ook hulp van buitenaf. Twee brandspuiten uit Eibergen, twee uit Neede, één uit Groenlo en één uit Ammeloe (Pruisen) “met daarbijbehoorend personeel”. Hierdoor werd voorkomen dat het gehele dorp afbrandde; een reële angst, aangezien stadsbranden vaker voorkwamen. Desalniettemin bedroeg de gehele schade ruim 94.000 gulden!

46 gezinnen bleven berooid en veelal niet- of onderverzekerd achter. Zij vonden tijdelijk onderdak bij dorpsgenoten of in publieke gebouwen. De huizen van de familie Jordaan bleven gespaard. Er werd een “Commissie tot ontvangst van Liefdegaven” opgericht waarin de pastoor Wiegink, dominee Van den Ham, gemeenteontvanger Baarslag (opvolger van Jan-Dinant) en wethouder Eysink plaatsnamen.

De Kommissaris des Konings in dit geweest, heeft, uit aanmerking van den geweldigen brand, die in het dorp Haaksbergen 30 woonhuizen, de kerk der Hervormden en eenige schuren, met al wat dezelve bevattende, in de asch gelegd, eene provinciale collecte bevolen, ter voorziening in de behoefte der ongelukkig geworden huisgezinnen, wier bezittingen niet of slechts ten deele tegen brandschade waren verzekerd.”liii

Koning Willem III, die in 1849 het stokje van zijn vader had overgenomen, doneerde 150 gulden ten behoeve van de steunkas. Daarnaast werd toestemming gegeven voor het houden van een loting. De eerste echtgenote van koning Willem III, koningin Sophie, schonk een pendule die diende als prijs voor deze loterij. Ook buiten Twente bleken veel mensen welwillend; in Deventer werd een concert gegeven ten behoeve van de “slagtoffers te Haaksbergen” en een collecte in Amsterdam bracht maar liefst 2.000 gulden op. Enkele gegoede ingezetenen van Haaksbergen doneerden het forse bedrag van 2.500 gulden.

De brand was al snel overgeslagen van de bakkerij in de Molenstraat naar de Hervormde Kerk in de Oostenstraat. “De volksmond verhaalt, dat uit één van deze vijf brandende huizen [in de Molenstraat], als gevolg van de door de grote hitte ontstane thermiek, een brandend stuk spek de lucht in vloog. Door de sterke wind meegevoerd, zou dit een eindje verder op de toren van de hervormde kerk beland zijn, waardoor dit gebouw eveneens vlam vatte.” aldus J.B.M. Heerink.liv

De vlammen sprongen van de kerk over naar de in de Oostenstraat gelegen statige Richtershuizen10; alle huizen in de Oostenstraat werden in de as werden gelegd, waaronder de nieuwe Hervormde Kerk. De Nederlands-Hervormde Kerk bleek ook nog eens onverzekerd te zijn. Jan-Dinant was president van het college van kerkvoogden. Hij verzocht de gemeenteraad op 4 september 1851, drie weken na de brand, op zon- en feestdagen gebruik te mogen maken van de school voor het houden van godsdienstoefeningen en buiten de schooltijden “voor de te houden cathegisatien met de kinderen.

Doordat de kerk niet verzekerd was, kwamen er in het land verschillende particuliere initiatieven tot stand ter financiële steun. Hiervoor droegen ook de Haaksbergse dames bij.

Door Z.E. de minister van financiën is magtiging verleend aan Mevr. W.M. Jordaan, geb. Van den Ham en eenige andere dames te Haaksbergen tot het houden van eene particuliere loterij van vrouwelijke handwerken, waarvan de opbrengst zal strekken tot eene bijdrage in de kosten van wederopbouw van het Kerkgebouw der Hervormde gemeente aldaar. Men verneemt met genoegen dat hier ter stede veel belangstelling is getoond in de gemelde loterij, voor welke voorwerpen worden ontvangen en lotne, a 50 cents ieder, zijn te bekomen bij den Heer J. van Deventer HAz.”lv

Naast de echtgenote van Jan-Dinant behoorde tot deze dames voormoeder J.W. (‘Naatje’) Jordaan-Smits (1817-1878)11 en Hermina D.M. Kerkhoven (1816-1891)12. Secretaris van deze loterij was de kandidaat-notaris te Haaksbergen Hendrikus ter Horst (1825-1886) die werkzaam was op het notariskantoor van Jan-Dinant. Deze loterij bracht maar liefst 2.490 gulden op.lvi Daarnaast kon de hervormde gemeente rekenen op een rijksbijdrage en verschillende giften uit het land.


Het zou nog ruim twee jaar duren voordat de hervormden hun nieuwe kerk in gebruik konden nemen. Onenigheid over de grootte en de opvallende achthoekige vorm van de kerk waren redenen voor de vertraagde aanbesteding. Jan-Dinant en de zijnen waren echter standvastig en kregen de kerk die zij wensten. De heer J.B.M. Heerink heeft naar de brand van 1851 een interessante studie verricht.lvii



De achthoekige koepelkerk der Nederlands-Hervormde Gemeente in Haaksbergen

Het overlijden van notaris Jan Dinant Jordaan in 1860

Op 7 maart 1860 overleed notaris Jan Dinant Jordaan op 57-jarige leeftijd. Zijn 48-jarige weduwe Woutera H. van den Ham bleef achter met zes kinderen, variërend van 19 tot slechts 2 jaar oud. De oudste zoon, de eerdergenoemde jager en notarisklerk Jan E.J. Jordaan (1840-1898), was te jong om aanspraak te maken op zijn vaders notariaat. Hij koos daarna voor een carrière bij de Registratie en Domeinen. Hij schopte het tot inspecteur der registratie en domeinen in Den Haag. Zijn jongere broer Albert F.W. Jordaan (1848-1906) volgde hetzelfde pad en werd inspecteur der Registratie en Domeinen te Zwolle. De andere broer Maurits A.W. Jordaan (1845-1911) vestigde zich in 1866 in Noord-Amerika met “hoop op fortuin”lviii.

De Rijssense kandidaat-notaris Hendrikus ter Horst (1825-1886), die al in 1851 als kandidaat-notaris werkzaam was op het kantoor van Jan-Dinant te Haaksbergen, kwam in 1860 ook niet in aanmerking voor de vrijgekomen notarispost van Haaksbergen. Gelukkig werd hij wel heel spoedig – in 1860 – benoemd tot notaris te Blokzijl. Hendrikus ter Horst trouwde enkele maanden na het overlijden van Jan-Dinant met diens nicht Johanna C. Jordaan (1831-1932)13.



Woutera Hermina Jordaan-van den Ham (1812-1904)

De weduwe van notaris Jan Dinant Jordaan, Woutera H. van den Ham, overleefde haar echtgenoot ruim 40 jaren. Zij overleed op 11 juli 1904 op 92-jarige leeftijd. Van haar generatie Jordaan passeerden overigens opvallend veel leden de ouderdom van 90. Deze sterke genen waren waarschijnlijk afkomstig van het echtpaar Derk Jordaan (1781-1876) en diens echtgenote Berendina Wessels (1794-1880). Zij werden respectievelijk 94 en 85 jaar oud. Vijf van hun twaalf kinderen werden respectievelijk 91, 92, 95, 97 en 101 en tien van hun kleinkinderen passeerden eveneens de 90 jaar: zij werden 2 x 91, 3 x 94, 95, 2 x 97, 98 en 102 jaar oud!

Bijna alle kinderen van notaris Jan Dinant Jordaan en Woutera van den Ham trokken weg uit Haaksbergen. Alleen dochter W.P. (‘Mina’) Jordaan (1857-1932) trouwde de Haaksbergse arts Dr. Warmold Prins (1858-1936). Later – in 1925 – vestigde wel hun kleinzoon Dr. ‘Lo’ J. Geselschap (1885-1941) zich als arts in Haaksbergen.

De notaris-tak Jordaan stierf in mannelijke lijn uit met de Amerikaanse Dr. Jan Dinant Jordaan (1881-1969), geneesheer in Amarillo (Texas, USA). In Nederland was de laatste mannelijke nazaat van de Notaris-tak diens neef – en naamgenoot – Dr. Jan Dinant Jordaan (1873-1954), keel-, neus- en oorarts te Amsterdam. De oververtegenwoordiging van artsen in de twintigste eeuw binnen deze Jordaan-tak doet de titel van dit artikel wellicht tekort… Enfin

________________________________________________

1Jan Smits J.W.zn (1777-1849) was geneesheer en koopman te Haaksbergen. Hij werd in 1849 de schoonvader van voorvader Hendrik Jordaan (1820-1912).

21811-1813: maire, 1813-1825: schout, sedert 1825: burgemeester. De titulatuur wisselde enkele malen.

3Elisabeth Judith ter Horst was enigst erfgenaam van haar ouders; haar broer en zuster stierven op jonge leeftijd.

4 In de Franse tijd werd het bisdom Münster opgedeeld en werden de Amter Ahaus en Bocholt overgedragen aan de vorsten van Salm-Salm en Salm-Kyrburg.

5Blijkens brief van Pennink aan Jan Dinant Jordaan

6Ds. Petrus Schey huwde 1e 1788 met Aleida Immink (1752-1808) en 2e 1810 met Cornelia Jordaan (1776-1855). De eerste schoonvader van Petrus Schey, ds. Gerhardus Immink (1706-1788), was degene die Jan Hendrik Jordaan in 1773 in de toen nog hervormde Pancratiuskerk doopte.

7Marten Udink ten Cate (1805-1869), fabrikant te Enschede, was een zwager van mijn voorvader ds. Nicolaas Jannink (1813-1902).

8Gerrit Jan van Heek (1780-1851), textielfabrikant te Enschede, was de schoonvader van voorvader ds. Nicolaas Jannnk.

9Deze Abraham Jannink (1801-1868), textielfabrikant te Enschede, was een broer van voorvader ds. Nicolaas Jannink. Abraham Jannink volgde Gerrit Jan van Heek (1780-1851) op als Statenlid. Twee broers van Abraham Jannink waren toevallig schoonzonen van deze Gerrit Jan van Heek.

10Het oude richtershuis later bekend als het logement “De Dom van Munster” – ging geheel in vlammen op. De schade aan het nieuwe Richtershuis, dat door Joan van der Sluis in 1720 werd gebouwd, kon men nog enigszins binnen te perken houden, waardoor dit pand de brand heeft overleefd. Dit gebouw staat nog steeds in het centrum van Haaksbergen, al verloor dit huis haar tweede verdieping waardoor het minder imposant oogt dan voor de brand.

11Naatje Jordaan-Smits was de echtgenote van Hendrik Jordaan (1820-1912), zoon van fabrikant Derk Jordaan en daarmee een neef van notaris Jan-Dinant Jordaan.

12Hermina Kerkhoven was een dochter van de hoofdonderwijzer te Haaksbergen. Zij was geen familie van de Jordaans.

13Johanna ter Horst-Jordaan was een van de dochters van fabrikant Derk Jordaan (1781-1876) en daarmee een nicht van notaris Jan-Dinant Jordaan. Uit het huwelijk Ter Horst-Jordaan werden twee dochters geboren. In 1873

iRichter- en drostambt (http://www.regiocanons.nl, 2014)

iiAold Hoksebarge 2012

iiiRequest van Jan Hendrik Jordaan 1793 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-38)

ivTaxatie boedel Ter Horst door Jan Jordaan 30 november 1795 (Familiearchief Jordaan, AG02-33-05)

vE. Ooink, “Haaksbergen 200 jaar gemeente”, in: Aold Hoksebarge 2012

viBevestiging aankoop markenrichterschap van Haaksbergen en Honesch door J.H. Jordaan 23 december 1796 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-30)

viiAold Hoksebarge 2012

viiiExtract uit het Register der Besluiten van het Departementaal Bestuur van Overijssel 1803 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-40)

ixRekening aan Hesselink wegens gedane procureurszaken (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-09)

xBrief mr. J.W. Racer aan J.H. Jordaan 21 april 1804 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-43)

xiBrief mr. J.W. Racer aan J.H. Jordaan 21 april 1804 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-43)

xiiBrief van J.H. Jordaan aan de president van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Almelo 10 maart 1821 (AJ03-25-33)

xiiiAold Hoksebarge 2012

xivAold Hoksebarge 1969

xvBrief van B.H. Bentinck tot Buckhorst aan J.H. Jordaan 22 mei 1818 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-44)

xviBrief van B.H. Bentinck tot Buckhorst aan J.H. Jordaan 25 oktober 1817 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-51)

xviiBrief van J.H. Jordaan aan B.H. Bentinck tot Buckhorst 13 oktober 1822 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-49)

xviiiBrief van H. van der Sluys aan J.H. Jordaan 20 maart 1818 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-05)

xixBrief van H. van der Sluys aan J.H. Jordaan 20 maart 1818 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-05)

xxCertificaat van de burgemeester van Haaksbergen betreffende onroerend goed van J.H. Jordaan (z.d.) (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-35)

xxiOvereenkomst tussen H. Teerink en J.H. Jordaan betreffende recht van overpad 25 november 1801 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-25)

xxiiJachtakte Stift Vreden aan J.H. Jordaan 30 september 1816 (Familiearchief Jordana, AJ03-25-37)

xxiiiExtract Register van Inschrijving der Klerken bij de Kamer van Notarissen van het arrondissement Almelo , 19 april 1831 (Familiearchief Jordaan, AJ03-24-04)

xxivAold Hoksebarge 1979

xxvOvereenkomst recht van overpad en aanleg schutting tussen J.H. Jordaan en B.W. Wiedenbroek 30 mei 1805 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-26)

xxviCertificaat Bekwaamheid voor het Notarisambt, Borne 20 augustus 1827 (Familiearchief Jordaan , AJ03-24-05)

xxviiBrief van Pennink aan J.D. Jordaan, Enschede 17 juli 1827 (Familiearchief Jordaan, AJ03-24-01)

xxviiiFamiliearchief Jordaan (AJ03-24-07)

xxixAold Hoksebarge 1972

xxxBrief van H. van der Sluys aan J.H. Jordaan 20 maart 1818 (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-05)

xxxiFamiliearchief Jordaan (AJ03-24-07)

xxxiiSolicitatie J.H. Jordaan aan Koning Willem I m.b.t. Burgemeesterschap van Haaksbergen 1829 (Familiearchief Jordaan, AJ03-24-08)

xxxiiiAold Hoksebarge 2000

xxxivAold Hoksebarge 2000

xxxv Borgstelling J.H. Jordaan en E.J. Ter Horst voor notaris W. Jalink te Goor 24 maart 1832. (Familiearchief Jordaan, AJ03-25-34)

xxxviCertificaat Bekwaamheid voor het Notarisambt, Borne 20 augustus 1827 (Familiearchief Jordaan , AJ03-24-05)

xxxviiCertificaat Nationale Militie J.D. Jordaan, afgegeven 6 juni 1834 (Familiearchief Jordaan, AJ03-24-06)

xxxviiiVerklaring J.H. Jordaan betreffende werkzaamheden van zijn zoon J.D. Jordaan 17 april 1834 (Familiearchief, AJ03-25-36)

xxxixCertificaat van goed gedrag betreffende J.D. Jordaan, getekend door burgemeester Schaepman 21 april 1834 (Familiearchief Jordaan, AJ03-24-03)

xlKladbrief van J.D. Jordaan aan onbekende ambtenaar, Haaksbergen 20 september 1834 (Familiearchief Jordaan, AJ03-24-11)

xliiFamiliearchief Jordaan, AJ02-20C-47

xliiiGeschiedenis Haaksbergsche Schutterij (http://schutterij1.biedmeer.nl/geschiedenis, 2014)

xlvNederlandsche Staatscourant 16 april 1833

xlviOverijsselsche courant 16 juli 1841

xlviiAold Hoksebarge 1998

xlviiiNieuwe Rotterdamsche Courant 2 september 1850

xlixProvinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 24 september 1850

lNieuwe Rotterdamsche Courant 11 oktober 1851

liNieuwe Rotterdamsche Courant 22 augsutus 1855

liiKoninklijke Courant 14 maart 1809

liiiAlgemeen Handelsblad 23 augustus 1851

livAold Hoksebarge 2001

lvProvinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 5 december 1851

lviOpregte Haarlemsche Courant 14 juli 1852

lviiAold Hoksebarge 2001

2 reacties op “De Notaris-tak Jordaan
  1. Erwin de Leeuw schreef:

    L.s.
    Mooi artikel. Ik heb een boek geschreven over de familie van dr. Warmold Prins, de echtgenoot van Mina Jordaan. Een foto van het echtpaar met hun drie kinderen kan ik u eventueel toezenden. Hun nazaten wonen momenteel in Ierland, county Sligo.
    Vele brieven van Mina worden bewaard bij het Drents Archief in Assen (Collectie Mulder-Boonstra).

    N.b.: Warmold Prins kwam oorspronkelijk niet uit Haaksbergen, maar uit Gasselte in Drenthe. Zijn voorouders waren schulten (burgemeester-notaris)van Dwingeloo (Dr.) .

    • Jordanowski schreef:

      Beste heer De Leeuw,
      Allereerst mijn verontschuldigingen voor mijn zeer late reactie. Ik heb de website afgelopen maanden te weinig aandacht gegeven en daardoor veel berichten gemist.
      Hartelijk dank voor uw reactie! Goed om te weten dat u de familie Prins heeft uitgezocht; ik liep namelijk vast bij hun zoon Hendrik Warmold Prins (x L.D. Smith). Triest dat de andere twee kinderen zo jong zijn overleden. Ik stuur u een prive-bericht over de foto’s; wellicht heb ik voor u ook nog enkele interessante portretten van Prins-Jordaan. Goede tip trouwens van de brieven van Mina; die zou ik graag eens doorpluizen.
      Met vriendelijke groet,
      Derk Jordaan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*