“De waereldt zag hy door: en alles vol elende, Zonde, ydelheit en ramp, waar henen hy zich wende”

De waereldt zag hy door: en alles vol elende,

Zonde, ydelheit en ramp, waar henen hy zich wende”

ds. Ludolphius Huisinga en andere familieleden in betrekking tot de West-Indische Compagnie

Op woensdag 25 april 2018 bracht ik een bezoek aan het Portugees-Nederlandse fort Elmina in Ghana. Na een rit van 3,5 uur westwaards vanuit de hoofdstad Accra bereikte ik de voormalige zetel van de Nederlandse West-Indische Compagnie aan de Goudkust. Het fort kent een lugubere geschiedenis van slavenhandel; een onderwerp dat tegenwoordig veelbesproken is, maar dat lange tijd het liefst werd verzwegen. Voor mij was het bezoek een wens doordat een van mijn voorvaderen, ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733), enkele jaren op die omstreden plaats predikant was geweest. Het betreden van de voormalige Nederduits-Gereformeerde Kerk, gelegen boven slavenkelders, gaf mij een sinister gevoel. Hoe heeft mijn voorvader uit Groningen op deze duistere plaats de christelijke boodschap kunnen verkondigen? Om goed beslagen ten ijs te komen was ik van te voren begonnen aan het boek ‘Het kasteel van Elmina’ van journalist Marcel van Engelen (2013). Naast dat het een reuze interessant en pakkend geschreven boek is, werd ik tijdens het lezen verrast door de ontdekking dat een ander familielid, Pieter de Marees, de Goudkust als eerste Nederlander heeft beschreven. In 1602 werd diens werk ‘Beschryvinghe ende historische verhael van het Gout Koninckrijck van Gunea anders de Gout-custe de Mina genaemt, liggende in het deel van Africa’ gepubliceerd en gold vervolgens ruim 100 jaar als het beste boek over de Goudkust. Na thuiskomst begon ik met een onderzoek naar Pieter de Marees en ds. Ludolphius Huisinga. Tot mijn grote verbazing bleken zij niet de enige twee familieleden te zijn die in betrekking stonden met de praktijken aan de Goudkust. De verschillende verhaallijnen heb ik aan elkaar geknoopt. Mijn onderzoek is niet voltooid, daar ik nog geen aanvullend onderzoek heb gedaan in de Groninger Archieven en nog onderzoeksresultaten van de archivaris in Accra verwacht. Ik heb de archivaris opdracht gegeven op zoek te gaan naar het kerkboek van Elmina, dat – zelfs uit de tijd van Huisinga – bewaard zou moeten zijn gebleven. Ik wil u echter niet de (voor mij) verrassende ontdekkingen onthouden…

De Maretz tot De Marees

Paus Johannes Paulus II greep het jubeljaar 2000 aan om zich als hoofd der Katholieke Kerk te verontschuldigen voor de zonden die haar geloofsgenoten in de loop van haar geschiedenis hebben begaan. De Katholieke Kerk als instituut achtte hij onfeilbaar, echter mensen waren zondaars. Hij refereerde aan o.a. de kruistochten, de inquisitie en de vervolging van protestanten tijdens de reformatie. Voor sommigen wordt dit gebaar als een reikende hand gezien, sceptici betwisten de waarde van deze hand in eigen boezem. In de hemel zal de inmiddels heilig verklaarde paus met zijn ambtsvoorgangers in een eeuwige discussie verwikkeld zijn en komt hij mogelijk in de toekomst zelf in het gedaagdebankje wegens diens conservatieve opvattingen over o.a. homoseksualiteit en het verbod op voorbehoedsmiddelen. Duidelijk is in ieder geval dat met het verloop van tijd, normen en waarden verschuiven. Wanneer men familieonderzoek bedrijft, zal men die ontwikkelingen automatisch gadeslaan. Ik geloof niet in de waarde van het veroordelen van voorouders, die eer valt mijns inziens enkel te beurt aan tijd- en plaatsgenoten. Wel geloof ik in het beschrijven van de geschiedenis en haar tijdsbeeld zodat men daaruit eventueel lering kan trekken; voortschrijdend inzicht.

Ruim duizend jaar kent de Katholieke Kerk de traditie om een Gouden Roos te schenken aan geloofsgenoten die uitblinken in vroomheid of liefdadigheid. Sinds de twintigste eeuw wordt de Gouden Roos – waarvoor een paar kilo goud benodigd is – door de paus uitsluitend geschonken aan bedevaartsoorden. De Gouden Roos kon ook als symbool worden overgedragen. Zo werd de kruisridder Boudewijn de Maretz wegens diens dapperheid in de twaalfde eeuw door de koning van Jeruzalem begunstigd met de toevoeging van gouden rozen aan het familiewapen. Sindsdien kenmerkt het familiewapen De Maretz / De Marez / De Marees zich door een zilveren kruis met in elke hoek een vierbladige gouden roos. Maar liefst vier generaties De Maretz hebben zich als kruisridders en landheren in het Heilige Land opgehouden. In de dertiende eeuw vestigde de familie zich wederom in het sticht Kamerijk (Cambrai), alwaar zij zich vestigden op hun heerlijkheid Maretz. Vanaf de vijftiende eeuw maakt de familie deel uit van de magistraat van de stad Kamerijk; de geboorteplaats van voorvader Jan de Maretz / Jan de Marees ‘de oude’ (ca. 1517-1604). In zijn lange leven heeft hij de tijdsgeest zien veranderen en de gevolgen daarvan aan den lijve moeten ondervinden….

Jan de Marees (1517-1604) (foto: RKD)

Een zorgeloze tijd heeft Jan de Marees nooit echt gekend; hij leefde immers in de periode van de Reformatie en de Tachtigjarige Oorlog. Rond zijn geboortejaar, in het jaar 1517, werd door Maarten Luther voor het eerst felle kritiek geuit over verschillende wantoestanden binnen de Katholieke Kerk. Die kritiek kreeg al spoedig veel navolging, waaronder de familie De Marees. De landheren van de Nederlanden, de katholieke Habsburgers, moesten niets weten van de opstandige protestanten (Fr: Hugenoten). Jan de Marees verhuisde omstreeks 1540 naar Antwerpen, een bloeiende handelsplaats waar de protestanten op dat moment relatief veilig konden leven, werken en – in stilte – hun geloof belijden. In 1526 werd zelfs in Antwerpen een Nederlandstalige bijbel gedrukt, gebaseerd op de teksten van Maarten Luther. Antwerpen was ook de plaats waar Jan de Marees in het huwelijk trad met Jenne van Achterhoudt; zij schonk hem 12 kinderen. De familie werd in 1567 opgeschrikt door de komst van de Spaanse hertog van Alva. Na de Beeldenstorm (1566) werd hem door de Spaanse koning Filips II opgedragen in de Nederlanden orde op zaken te stellen. De door Alva ingestelde Raad van Beroerten deed de protestantse bevolking sidderen van vrees, maar werkte tevens als een lont in het kruidvat: de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was geboren. Jan de Marees maakte zich met zijn familie uit de voeten en verwisselde zodoende de woonplaats Antwerpen voor veiliger havens. Hij vestigde zich achtereenvolgens te Keulen, Emden, Amsterdam en laatstelijk te Delft. Zo was de familie De Marees eertijds Roomser dan de Paus en werden zij enkele eeuwen later verketterd door de Paus. Desalniettemin hield, en houdt, de familie de verworven vier gouden rozen in ere…

Op 25 maart 1603 testeerde de hoogbejaarde Jan de Marees voor notaris J. Bom in Delft.i Ondanks de troebelen van zijn tijd, wist hij een aanzienlijk vermogen op te bouwen. Hij voelde het einde naderen en wenste zijn nalatenschap eerlijk onder zijn uitgebreide kinderschaar te verdelen. Zijn nageslacht was in de loop der tijd dusdanig uitgewaaierd over de verenigde provincien, zodat hij op dat moment niet van alle kinderen met zekerheid kon stellen of de kinderen nog in leven waren of niet.ii Dat hij niet enkel oog had voor zijn uitgebreide familie, blijkt uit een legaat wat ten dele zou moeten strekken om jaarlijkse uitkeringen te doen aan personen die “overmits de religie ofte de tirannie der vyanden voortvluchtig wesende totten anderen gediseerde Nederlandsche gewesten, binnen dese stadt Delft gecomen zijn ofte nog sullen commen”.iii Aan zijn laatste wens om in zijn woonplaats Delft begraven te worden, kon helaas niet worden voldaan.iv Hij overleed 12 december 1604, op ongeveer 86-jarige leeftijd, ten huize van familie in Amsterdam.v Zijn nakomelingen in de Nederlanden schreven zich vervolgens De Marez, met uitzondering van de Groningse tak: die schreef zich blijvend De Marees.

De laatste 15 jaren van het leven van Jan de Marees (ca. 1517-1604) probeerden de Nederlanders te infiltreren in de zeer lucratieve koloniale handel van de Portugezen. Tussen 1580 en 1640 kwam het koninkrijk Portugal toe aan de Spaanse Habsburgers en behoorden daarmee automatisch tot de aartsvijanden van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In 1592 werden op verzoek van Amsterdamse kooplieden de twee broers Cornelis en Frederik de Houtman naar Lissabon gezonden om daar in het geheim informatie over de Portugese handelsroutes in te winnen. Zij werden ontmaskerd, gevangen genomen en uiteindelijk vrijgekocht. De broers kwamen er goed vanaf aangezien op het smokkelen van landkaarten in Portugal de doodstraf stond. Meer succesvol bleek in 1592 de cartograaf Petrus Plancius die dat jaar 25 Portugese, particuliere zeekaarten had weten te bemachtigen en – met toestemming van de Staten-Generaal – die vervolgens liet drukken bij de Amsterdamse uitgever Cornelis Claesz.vi De daaropvolgende jaren werden bij Cornelis Claesz. meerdere zeekaarten en reisverslagen van ‘de Nieuwe Wereld’ gedrukt, waaronder belangrijk materiaal van Jan Huygen van Linschoten. Met deze (beperkte) informatie op zak konden de eerste Nederlandse expedities worden uitgerust.

De expedities waren kostbaar en risicovol. Daardoor verenigden de Nederlandse kooplieden zich in verschillende compagnieën waarvan de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) (1602) de meest winstgevende en bekendste is geworden. De Nederlanders bleken uitmuntende zee- en kooplieden en wisten een geduchte concurrent te worden van de Portugezen en andere zeevarende naties. Het succes was niet in weinige mate te danken aan de in de Noordelijke Nederlanden gevestigde vluchtelingen, waaronder zich namelijk vermogende joden en Vlaamse kooplieden bevonden. Tot deze laatste categorie behoorde de familie De Marees. Dat de familie De Marees zich bekommerde om het lot van minder welgestelde vluchtelingen, blijkt uit het voornoemde legaat van Jan de Marees. Ook diens zoon Abraham de Marees (-1631) toonde zich solidair met de minder fortuinlijke Hugenoot; hij was namelijk een van de oprichters van de zogenaamde Brabantsche Beurs, een studiebeurs voor onvermogende zoons uit om geloofsredenen uit de Zuidelijke Nederlanden uitgeweken gezinnen.vii

Pieter de Marees

In de zomer van 1602 werd de hoogbejaarde Jan de Marees in Delft opgezocht door een van zijn kleinkinderen, Pieter de Marees. Hij was zojuist teruggekeerd van een twee-jarige reis naar de Goudkust (het huidige Ghana). Van die reis hield hij een logboek bij. Daarnaast had hij gewerkt aan een uitgebreide beschrijving van de streek en haar bewoners. Doordat de kennis van Goudkust op dat moment in Nederland beperkt was, werd hij door derden aangespoord zijn werk te publiceren. In 1602 werd het reisverslag van Pieter de Marees gedrukt bij de bekende Amsterdamse boekdrukker Cornelis Claesz., getiteld ‘Beschryvinghe ende historische verhael van het Gout Koninckrijck van Gunea anders de Gout-custe de Mina genaemt, liggende in het deel van Africa’. In zijn voorwoord richt hij zich allereerst aan zijn oom, ‘den eersamen ende seer discreten Sr. Ian Sandra, coopman, woonende in de vermaerde coopstadt Amstelredam’.viii Jan (de) Sandra (ca. 1551-1624) was een gevluchtte koopman uit Doornik (Tournai) in Henegouwen en getrouwd met Susanne de Marees. In dat voorwoord, geschreven ten huize van zijn grootvader Jan de Marees in Delft1, deelt hij o.a. mede “datter nochtans niemant tot noch toe gheweest en heeft, die de beschryvinghe van Gunea heeft dorven aennemen te schryven, daer nochtans wy Neerlanders over 10 of 12 Jaren gevaren hebben, ende de selve gelegentheydt bekent is geweest, ende het selve aenmerckende ben ic met een sonderlinghe begeerte daer toe gedreven geweest (t’selve te doen en aen te nemen) niet dan mijne meyninghe was binnen mijnen leven het selve Boeck int druck uyt te laten gaen, dan alleen voor my tot een eeuwighe memorie te houwen, dan van sommige hiertoe versocht zijnde (die te weten quamen dat sulck een Boeck by my was rustende) hebbe niet connen ghelaten de vrienden daer mede te vereeren, hopende datse mij simpel en onweerdich werck in danck sullen nemen, ende dat mijne moeyte daer toeghedaen, aenghenaem sal wesen (…)”.ix

De studie van Pieter der Marees werd met veel lof ontvangen. Het gold als het beste boek over de Goudkust uit de zeventiende eeuw en werd in het Duits, Engels en Latijn vertaald. Pas in 1737 werd zijn werk overtroffen door een studie van Willem Bosman.

In zijn voorwoord aan de lezer – niet te verwarren met het voorwoord gericht aan zijn oom Jan Sandra – geeft hij een beeld van de zeereis die als waarschuwing moet dienen “om dat daer veel ionge lieden zijn, die hun met groote vreucht op dese vremde Voyagien begheven, meynende dat het al voor windt is, ende dat haer Moeders Keucken haer sal volghen, wetende niet van weelden wat doen: maer alsmen op de reys is soo wort contrarie bevonden (…) Ende al ist datmen groote perijckulen onderworpen is, van onghelucken ende fortuna vande Zee, ende noch meer van de Zeeroovers, die de goede lieden het hun ontnemen: Men is t’huys oock niet vry van andere inconventienten die een mensch connen overcomen, van oorloghe ende dierghelijcken, want den eenen mensch gheboren is om den andren te quellen, ende verdriet aen te doen, want den gherusten niet langer met vreden is, dan den ongherusten (…)”. De waaghalzen zijn volgens De Marees in tweede kampen onder te verdelen: “de oorsake van veel versoeckinge is tweederley, de eerste is nieusgiericheydt, het andere de armoede: de nieusgiericheydt doet veel dinghen beginnen en doen, ende de armoede noch veel meer. De sommige bedryven veel dinghen om wat vreemts te sien, ende daer deur gheacht te worden, de andre doent om het gheniet, ende om conqueste van goet daer deur te crijghen, elck nae zijn ghelegentheydt. De Moeders hebben hun grootelickx te beclaghen, die hun kinderen met groote cost ende moeyten opvoeden, ende al sy tot hunne Jaren ghecomen zijn, hun ter Zee begeven, ende alle dese voorgaende perijckulen onderworpen zijn: maer die hem op Godt betrout en wort niet verlaten, ende die Godt bewaert is wel bewaert.”x

Hoewel ik in dit schrijven niet zijn gehele studie wil samenvatten (daarvoor raad ik u aan zijn reisverslag te lezen), zullen later wel bepaalde bevindingen van Pieter de Marees de revue passeren. Eerst zal ik mij richten op de persoon van ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733) die zonder twijfel met de studie van Pieter de Marees bekend moet zijn geweest. Over de persoon van Pieter de Marees is overigens opvallend weinig bekend. Hij dankt zijn naamsbekendheid enkel aan de publicatie uit 1602 en is door de vermelding van zijn oom Jan Sandra te plaatsen binnen de stamboom De Marees. Maar wie zijn ouders zijn en of hij was gehuwd, dat blijft een mysterie. Zijn vader was in ieder geval een van de zes zonen van Jan de Marees (ca. 1517-1604).

De Marees en Busch in Groningen

In januari 1610 bezocht Johan de Marees, een volle neef van Pieter de Marees, zijn familie in Holland om hen te verwittigen van zijn huwelijksplannen met Engeltje Jacobs uit Groningen.2 Op 11 februari 1610 traden zij in de stad Groningen in het huwelijk.xi Hij is de stamvader van de Groningse tak die zich – in tegenstelling tot zijn neven De Marez – De Marees schreef. De Groningse tak stierf uit met Johanna van Swinderen-de Marees (1736-1766), waarna de geslachtsnaam tot op de dag van vandaag voortleeft onder haar – in de Nederlandse adelstand verheven – nazaten De Marees van Swinderen.

Een kleinzoon van Johan de Marees en Engeltje Jacobs was de Groningse raadsheer Johan de Marees (1656-1704). Hij was naast raadsheer raad ter admiraliteit te Harlingen en gecommitteerde in de Generaliteits-rekenkamer en, wegens de provincie Groningen, in de Staten-Generaal. Hij behoorde daarmee tot de top van het stadspatriciaat. De familie De Marees dankte haar welstand niet in onbelangrijke mate door huwelijken met welgestelde dames Busch.

De familie Busch kende een vergelijkbare achtergrond als de familie De Marees. Na de Bartholomeusnacht in 1572 zochten de Hugenoten Hubert du Bois en diens zoon Nicholas du Bois (1548-1623) uit de Franse stad Nancy hun toevlucht in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hun familienaam werd al snel vernederlandst naar Busch. Nadat Groningen in 1594 als laatste – tegenstribbelend – gewest werd opgenomen in de Republiek der Verenigde Nederlanden vestigde de familie Busch zich permanent in Groningen. Mede dankzij de afgelegen ligging behield de stad Groningen nog enkele eeuwen een bijzondere, onafhankelijk positie binnen de republiek. Verschillende leden van het geslacht Busch oefenden in Groningen hoge bestuursfuncties uit. Tot hen behoorde de Groningse raadsheer en burgemeester Reneke Busch, heer van Allersma.

Op 20 juni 1650 overleed ds. Gualtherus Everhardi Indys in het Groningse dorpje Loppersum. Zijn weduwe Cornelia Busch bleef achter met twee jonge kinderen. Haar dochtertje Gesina Indys (geb. 1645) groeide vervolgens op in de stad Groningen, onder de vleugels van haar ooms Reneke Busch en Johan de Marees.3 Bij haar eerste huwelijk in 1664 met de Groningse solliciteur Andreas Becker werd zij terzijde gestaan door haar oom Reneke Busch. Haar echtgenoot Andreas Becker overleed in of rondom het Rampjaar 16724; het jaar waarin de Republiek van verschillende kanten werd aangevallen. De stad Groningen werd in de maanden juli en augustus 1672 belegerd door de bisschop van Münster, alias Bommen Berend, maar wist zich hiertegen kranig te verweren. Op 28 augustus 1672 trok de bisschop zijn legers terug; sindsdien viert Groningen jaarlijks op 28 augustus het Gronings Ontzet.

Een jaar na het Gronings Ontzet, in 1673, hertrouwde de weduwe Gesina Indys te Groningen met Petrus Huisinga. Bij haar ondertrouw op 12 augustus 1673 werd zij geassisteerd door haar neef Johan de Marees. Uit beide huwelijken werden negen kinderen geboren, waarvan ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733) voor dit schrijven het uitgangspunt vormt.

ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733) in Groningen

Op 28 juli 1674 werd Ludolphius Huisinga in de eeuwenoude Martinikerk van Groningen gedoopt als oudste zoon van het echtpaar Petrus Huisinga en Gesina Indys. Het beroep van zijn vader en diens achtergrond is mij helaas onbekend.5 Wel bekend is dat Ludolphius Huisinga opgroeide in de Cromme Elleboog en het Cromme Jat (tegenwoordig resp. Kleine Kromme Elleboog en Grote Kromme Elleboog).xii Die twee straatjes kwamen allebei uit op het Jat (tegenwoordig Oude Kijk in ‘t Jatstraat). In het blok gelegen tussen het Jat, de Zwanestraat en Broerstraat – op de locatie van de huidige Universiteitsbibliotheek – stond voorheen het Minderbroedersklooster. In 1594 werd de Latijnse School in dat voormalige kloostercomplex gevestigd en diende het kerkgebouw – de Broerkerk – als Academiekerk. In hetzelfde complex werd na de oprichting van de universiteit te Groningen (1614) een ‘provinciale Bibliothecque’ gevestigd. Daartoe werden grote partijen boeken opgekocht, waaronder in 1620 enkele Arabische manuscripten van de toenmalige rector van de Latijnse School, voorvader Joachimus Borgesius (1585-na 1663)6.xiii Verder groeide de bibliotheek doordat de academiedrukker van elk boek dat hij drukte op grond van de academiewetten een exemplaar aan de bibliotheek moest afstaan.xiv Zodoende hebben ook andere voorvaderen, de academiedrukkers Hans Sas en (diens schoonzoon) Edzard Huisman7, in de zeventiende eeuw bijgedragen aan de groei van de universiteitsbibliotheek te Groningen.

Ludolphius Huisinga was in de jaren ’80 van de zeventiende eeuw leerling aan de Latijnse School. Een zeer kort loopje van huis. Op dat moment was voorvader Jacobus Borgesius8, zoon van voornoemde Joachimus Borgesius, rector dier school.xv Na de Latijnse School “met lof doorgegaan zynde”xvi werd hij op 14-jarige leeftijd – rond 1688 – ingeschreven als theologisch student te Groningen. Als student zal hij vele uren in de bibliotheek hebben doorgebracht. Daarnaast was hij doorgaans op de zondagavonden in de Broerkerk aanwezig; daar leidde de Academiepredikant – tevens hoogleraar in de godgeleerdheid – op zondagen de avonddienst.xvii

Toen Huisinga rond 1688 voor het eerst zijn collegeboeken opensloeg, was de theologische faculteit van Groningen verwikkeld in een verhitte strijd tussen de Groningse hoogleraren Johannes Braunius (ca. 1630-1708) en Johannes a Marck (1656-1731). De coccaanse en cartesiaanse (vrijzinnige) opvattingen van Braunius waren onverenigbaar met de voetiaanse (conservatieve) opvattingen van Marck. Die tweestrijd was typerend voor de Nederduits-Gereformeerde Kerk in de zeventiende en achttiende eeuw. De wrijving tussen Braunius en Marck werd ook buiten de Groningse arena uitgevochten. Het ingrijpen van de overheid en het vertrek van Marck naar Leiden in 1689 maakte een einde aan de Groningse twisten. Geheel stil zou het rondom Braunius nooit worden; zijn opvattingen bleven geregeld leiden tot controverse. In 1691 kreeg Braunius een nieuwe collega: Paulus Hulsius (1653-1712). Hulsius werd aangesteld tot hoogleraar in de godgeleerdheid te Groningen; hij was de opvolger van Marck, echter wordt als een meer gematigde voetiaan beschouwd.

Huisinga oefende zich “in de [Oosterse] Talen onder den beroemden Professor Johannes Braunius en in de theologie onder de vermaarden Professor Paulus Hulsius, en zodanig zich beneerstigende, dat hy in de zyn 18 jaar, onder het classis te Loppersum met roem S.S. Minist. Cand. verklaart wierde, in het jaar 1692”, aldus diens in memoriam (1734).xviii Huisinga zal echter slechts een korte periode onderwijs hebben genoten van Hulsius; die arriveerde immers pas een jaar voor zijn afstuderen in Groningen. Braunius zal meer invloed hebben gehad op de student Huisinga. Het cartesianisme, hetwelk Braunius als volgeling van Descartes omarmde, kwam o.m. tot uiting “in het centraal stellen van het geweten (‘conscientia’) van de mens als criterium van zijn kennis en zekerheid van alle door God in de Schrift of rede geopenbaarde waarheid. Het geweten is het ‘allerklaarste licht’ en de enige weg tot zekerheid.”xix

In 1692 vaardigden Joel Smits, directeur-generaal van de Kust van Guinee, en zijn raad enige geboden uit met als vierde onderwerp ‘de sware sonde van de hoererij en overspel die noghtans daegelijks hoe langer hoe meer in swangh gaet.’xx Spoedig had men op het Nederlandse hoofdkwartier aan de Goudkust, het fort Elmina, behoefte aan een predikant! De 20-jarige theologisch candidaat Ludolphius Huisinga had in 1694 wel oren naar die betrekking. Of hij voor vertrek bekend was met de door Smits beschreven losgeslagen boel, is onbekend. Wel is het aannemelijk dat zijn oom Johan de Marees (1656-1704) hem voor vertrek heeft gewezen op de studie van zijn verwante Pieter de Marees. Mogelijk maakte het werk van Pieter de Marees deel uit van diens particuliere bibliotheek.xxi

Huisinga stapte in november 1694 aan boord van het schip met als bestemming: het fort Elmina.xxii Hem rustte een zeereis van enkele maanden.

São Jorge da Mina / St. George d’Elmina

Dit kasteel d’Mina is over al wel vermaert, niet alleen door zijn sterckte, maer oock door zijn outheyt, so dat het meer vermaert is daer deur, als deur zijn stercte, iae, is een wel gheleghen ende seer bequame plaetse, soo totten handel, als tot een Kasteel, tot de Defencie van het Lant, want het is ten eersten gebout op het bequaemste ghewest van het gheheele Landt.9 (…) Het is ooc wel ghelegen om de natuurlijcke sterckte der plaetsen, als zijnde op een steenrotse gebout, tegen de welcke de Zee aen d’een zyde springt’, aldus Pieter de Marees in 1602. De Marees zal het kasteel nooit van binnen hebben gezien, dan zou hij namelijk spoedig door de Portugezen in de boeien zijn geslagen. Wel geeft hij een uitgebreide beschrijving van het kasteel met haar ruime binnenplein, R.K. kapel en diverse vertrekken. Het kasteel werd in 1482 gebouwd als eerste Europese bouwwerk in donker Afrika. De lokale bevolking, dat toestemming had gegeven voor de bouw, zal zich hebben vergaapt aan de grootsheid van het fort. De naam van het fort verwijst naar de heilige Joris van Cappadocië en naar de schijnbaar onuitputtelijke goudmijn in het achterland. Een nieuw tijdperk brak aan; de Portugezen konden voortaan aan wal handeldrijven. Het fort diende ter bescherming van hun handel en als opslagplaats voor hun handelswaar.

In 1602 schreef De Marees verder over het achterstallige onderhoud aan het kasteel, dat volgens hem overigens wel zeer solide was gebouwd. Ook werd het kasteel volgens De Marees ondermaats bezet door de Portugezen (waarvan velen ziek op bed zouden liggen) en was de relatie tussen de Portugezen en hun Afrikaanse bondgenoot op dat moment ernstig verstoord. Een ideaal moment om het te veroveren, zal menig lezer hebben gedacht. “iae hadden de Neerlanders het Kasteel d’Mina onder haer macht, sy souden daer alsoo groote (Mrs?) iae meer autoriteyt int Landt hebben, dander oyt de Porteguesen haer leven lanck gehadt hebben: Nochtans moetmen bekennen dat de Porteguesen dit Landt ende quartier seer verbetert hebben, hoe wel sulcx meest gheschiet is tot hun eyghen proffyt ende advantagie, als sy hebben voor eersten het selve Landt seer verbetert aan Vee, dat daer voor haer comste niet bekent en waren, als van Duyven, Hoenderen, Verckens, Cabrieten oft Schapen die sy daer hebben gebrocht. Ten tweede hebben sy daer noch tot hunne nootdruft het Mays ofte spaensche Terwe ghebracht. Ten derde tot hunne verversinge het Suyckerriet, de Bachovens, die zy noemen Bannana de Congo, ende het fruyt Annanas, het welck sy eersten al van St. Thome hier op de Maine ghebrocht hebben, alles tot een groote vernieuwinge ende vremdicheydt vanden Negros (…) Voorts soo connen die Porteguesen hier seer wel aerden, ende de locht van het Landt beter verdraghen als de Neerlanders doen”, aldus De Marees.xxiii Wegens het hoge sterftecijfer kreeg de Goudkust de bijnaam ‘het graf der blanken.’

De Marees zal ‘slechts af en toe de gelegenheid (…) hebben gehad om van boord naar den wal te gaan’.xxiv De eerste bestemming van De Marees was het dorp Mouree (ten oosten van Elmina), met wien de Nederlanders het eerst handelsbetrekkingen aanknoopten. In 1610 werd de Nederlandse handelspost door de Portugezen verwoest, waarna de Nederlanders daar hun eerste fort Nassau bouwden.

Vanaf het eind van de zestiende eeuw werd het de Portugezen aan de Goudkust lastig gemaakt door andere Europese handelsnaties. Aan de Goudkust werden tientallen forten gebouwd door de Nederlanders, Britten, Denen en Brandenburgers. Ook aan de Ivoorkust en Slavenkust verrezen forten en handelsposten van verschillende Europese naties. In de zeventiende eeuw wisten de Nederlanders de machtigste handelsnatie aan de Goudkust te worden. De Portugezen en Spanjaarden verlegden in de zeventiende eeuw hun goudwinning naar hun kolonien in Zuid- en Midden-Amerika. Het nieuwe handelscentrum van de Portugezen aan Afrika’s Westkust werd Luanda (Angola); van daaruit verscheepten de Portugezen ruim 2,8 miljoen slaven die voor een groot deel werden tewerkgesteld op de lucratieve suikerplantages in Brazilie.xxv

Het Nederlandse aandeel in de transatlantische slavenhandel

In 1621 werd in Nederland de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. Het startkapitaal werd bijeengebracht door verscheidene particulieren. De WIC stelde tot doel het handeldrijven op West-Afrika en Amerika. Het was de bedoeling het Zuidatlantisch imperium van de Portugezen en Spanjaarden te breken. De Republiek was immers op dat moment nog in oorlog met de Spaanse koning (die tot 1640 tevens koning van Portugal was). Men hoopte op korte termijn flinke winsten te behalen. Die winsten kwamen echter in de verdrukking door de hoge kosten van oorlogsvoering. De WIC wist gebieden in Portugees-Brazilie (1624-1625, 1630-1654) en het fort Luanda (1640-1648) te veroveren, echter bleek men niet in de staat die gebieden voor langere tijd te behouden. Meer standvastig bleken de Nederlanders op de Antillen, in Suriname en aan de Goudkust. In 1674 werd de WIC ontbonden om vervolgens in 1675 te worden voortgezet als Nieuwe (of: Tweede) West-Indische Compagnie. De slavenhandel vormde voortaan een belangrijk onderdeel van de WIC, al werd het meeste geld verdiend met de goudhandel. Door aanhoudende hoge kosten bleek de WIC weinig rendabel en moest de WIC in 1792 wederom worden ontbonden.

Het centrum van de Nederlandse goud- en slavenhandel was het in 1637 op de Portugezen overwonnen roemrijke fort Elmina aan de Goudkust. Het fort werd door de Nederlanders flink uitgebouwd en werd voortaan de zetel van de directeur-generaal van de Kust van Guinee. Op de heuvel St. Jago, nabij het fort Elmina, lieten de Nederlanders een tweede fort bouwen, genaamd Coenraadsburg, ter verdediging van Elmina. Hoewel de WIC in eerste instantie haar vraagtekens stelde bij de legitimiteit van slavenhandelxxvi, verdween de morele discussie op de achtergrond toen de Nederlanders zelf slaven nodig hadden voor de bewerking van haar plantages in Midden- en Zuid-Amerika. Men volgde het voorbeeld van de andere Europese mogendheden in de Nieuwe Wereld. Vanaf omstreeks het jaar 1700 overschaduwde de slavenhandel de goudhandel aan de Goudkust. In het totaal verhandelden de Nederlanders circa 500.000 slaven wat neer komt op ongeveer 5% van de totale transatlantische slavenhandel.

Slavernij en slavenhandel bestonden in Afrika sinds jaar en dag. Slaven maakten een vast onderdeel uit van de Afrikaanse gemeenschap (reeds lange tijd voordat de Europeanen voet aan wal zetten). In tijden van oorlog was het Afrikaans gebruik om het overwonnen volk slaaf te maken. Wanneer een Afrikaans volk bij een andere stam een veilig heenkomen zocht, kon men wel rekenen op mededogen en vrijheid; zodoende kon een stam uitgroeien. Doordat men in Afrika ook trouwde met slavinnen, lag de prijs voor vrouwen hoger dan voor mannen (dit in tegenstelling tot de transatlantische slavenhandel). Kinderen die werden geboren uit twee slaven, bleven slaaf. Hoewel de slaven in Afrika meer opgingen in de gemeenschap dan op de Europese plantages, werd niet altijd lichtzinnig met hen omgesprongen. Wanneer een belangrijk man in het dorp overleed, werden bijvoorbeeld meerdere slaven geofferd. Bij de Afrikanen bestond daardoor geen gewetensnood door het verhandelen van slaven met de Europeanen; zij deden niet anders. Wel is de transatlantische slavenhandel verantwoordelijk voor de ongekende schaalvergroting.

In de Republiek was men aanvankelijk afkerig van het nieuwe fenomeen slavenhandel. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog verwees men daarnaar als zijnde een Paapsche zonde, aangezien alleen de katholieke Portugezen en Spanjaarden zich daarmee inlieten. Toen in 1596 een gekaapt Portugees schip met slaven de haven van Middelburg binnenvoer, werd daar door de magistraat een stokje voor gestoken. In Nederland was slavernij verboden en daarnaast betrof het gedoopte christenen. Wat er met de vrijgelaten slaven is gebeurd is onduidelijk. Kort na de oprichting van WIC in 1621 werd een commissie in het leven geroepen om te onderzoeken of het moreel verantwoord was te anticiperen in de slavenhandel. De discussie verdween op de achtergrond toen de WIC zelf slaven benodigd had op haar plantages in de Nieuwe Wereld.

Eind 1694 of begin 1695 arriveerde de 20-jarige ds. Ludolphius Huisinga op het fort Elmina. De toenmalige directeur-generaal Joel Smits hoopte dat hij het morele compas van zijn dienaren zou bijsturen. Met name de buitenechtelijke relaties waren hem een doorn in het oog. Smits overleed kort na de aankomst van Huisinga in 1695. Hij werd opgevolgd door Jan Staphorst (1694-1696) en Jan van Sevenhuysen (1696-1702). Zij waren op dat moment verwikkeld in oorlogen met omliggende mogendheden, maar tevens waren zij bezorgd over de teruglopende goudleveringen. Dat was te wijten aan onrust in het binnenland. De Denkyira, de bondgenoten van de Nederlanders aan de Goudkust, waren in oorlog met de Ashanti. De macht van de Denkyira bleek tanende, waarop in 1701 de Ashanti als overwinnaars uit de bus kwamen. De Nederlanders zonden daarop spoedig een gezant, David van Nijendaal, met geschenken naar de koning in Kumasi, de hoofdplaats van de Ashanti. Dit bezoek wist de Ashanthene – de koning der Ashanti – te behagen, waarop zij de nieuwe bondgenoot en handelspartner der Nederlanders werden. De in de oorlogen slaafgemaakten werden in grote getale doorverhandeld aan de Nederlanders. In het fort Elmina dienden de opslagplaatsen voor goederen – voornamelijk gelegen aan het hoofdplein – als slavenkelders.

De leefomstandigheden van de slaven in die vertrekken waren zeer schrijnend en mensonterend. De slaven werden puur als handelswaar beschouwd en behandeld. Dit laatste blijkt onder meer uit de koopmansboeken waarin gesproken werd over hele en halve slaven (afhankelijk van het fysieke gestel). Hoe de mensen door de Denkyira, en later de Ashanti, werden slaafgemaakt en waar zij exact vandaan kwamen, leek de Europeanen niet te interesseren. De slaven moesten fit en gezond zijn, dat werd door hen enkel van belang geacht. De Afrikaanse handelaar gebruikte daartoe allerlei middeltjes om de slaven bij de inspectie zo gezond mogelijk te doen ogen. De gekochte slaven werden vervolgens ondergebracht in en rondom het fort en werden, zodra voldoende slaven aanwezig waren, aan boord gezet. Dat proces kon weken op zich laten wachten. Een uiterst angstige periode, doordat zij niet wisten wat hen te wachten stond. Over de periode dat de slaven gevangen zaten op het fort, is opvallend weinig materiaal te vinden. Het archief van de WIC ging in de negentiende eeuw verloren en in brieven aan het thuisfront schreven de Nederlanders – mogelijk uit schaamte – niet of nauwelijks over de behandeling van de slaven. De misstanden die voorkwamen bij de slavenhandel en op de plantages bereikten daardoor slechts sporadisch de Republiek. De gemiddelde Nederlander had daardoor geen beeld van het menselijk drama dat zich achter de transatlantische handel schuil hield.

Predikant op een slavenfort

Ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733) werd vanzelfsprekend niet naar de Goudkust uitgezonden om kritiek te leveren op de slavenhandel. De slavernij als fenomeen werd in de zeventiende en achttiende eeuw verdedigd door de Nederduits-Gereformeerde Kerk en door de Katholieke Kerk. Ter verdediging werd vaak de Cham-ideologie aangehaald: de Afrikanen werden beschouwd als de door Noach tot knechtschap vervloekte nakomelingen van Cham en daarmee werd de slavenhandel vergoeilijkt. In de zeventiende eeuw plaatsen enkele predikanten kritische kanttekeningen, te weten de Vlissingse predikant De Raad en de Hoornse predikant Hondius. Ds. De Raad schreef in 1665 het traktaat Bedenckingen over den Guineeschen Slaef-handel der Gereformeerde met de Papisten’ dat gereformeerden niet zouden mogen bijdragen aan de zonde van katholieken. Het op eerlijke wijze verkrijgen en houden van slaven was prima, maar wat aan de kust van Afrika gebeurde was een wrede vorm van diefstal. In 1679 schreef ds. Hondius een ‘Swart register van duysent sonden’ waarin hij stelde dat Afrikaanse slaven werden behandeld ‘alsof het maar beesten waren’. Het geld dat daarmee werd verdiend was naar zijn zeggen een vloek. De kritiek bleef echter marginaal. Een serieus discussiepunt lijkt het nooit te zijn geweest, aldus journalist Van Engelen.xxvii Wel is het goed denkbaar dat predikanten op Elmina, zoals Huisinga, zullen hem gepleit voor een (meer) humane omgang met de slaven.

Het morele compas bijsturen, dat was de taak die Huisinga van directeur-generaal Smits had meegekregen. Dat zal geen eenvoudige opdracht zijn geweest. Van Engelen spreekt in zijn boek ‘Het Kasteel van Elmina’ over een predikant op het fort Nassau bij Mouree die eveneens de mannen op het rechte pad moest houden. Hij werd begin zeventiende eeuw aan een stuk belachelijk gemaakt en keerde spoedig huiswaarts. Dat het werk van Huisinga vruchteloos was, blijkt uit een schrijven van ds. J.C. Schiess op Elmina in 1731; hij verklaarde ‘Niemand is hier die niet opentlijk of in hoererij ofte in overspel leeft’.xxviii

Een andere zeventiende eeuwse predikant op fort Nassau, Jonas Michaelius, stelde aan de Amsterdamse kerkenraad de vraag of hij de gemengde kinderen, geboren uit relaties van WIC-dienaren en Afrikaanse vrouwen, wel mocht dopen. Dat werd bevestigend beantwoord.xxix Huisinga zal daardoor waarschijnlijk ook de mulattes (halfbloedjes) uit het dorp Elmina hebben gedoopt en onderwezen. Die nakomelingen van Nederlanders bij Afrikaanse vrouwen wonen tot op de dag van vandaag in Ghana en dragen de achternaam met uitgesproken trots. Over de slavenhandel wordt in Ghana het liefst gezwegen.

Het christendom verspreiden onder de Afrikanen, behoorde niet tot de taken van Huisinga. Die ambitie hadden de Nederlanders – in tegenstelling tot de Portugezen en Spanjaarden – niet. Christelijke slaven waren voor de gereformeerden niet toegestaan, waardoor het bekeren van slaven door Nederlandse slavenhouders niet voorkwam. Daartegen verzette de eerste zwarte predikant – en voormalig slaaf – J.E.J. Capitein (1717-1747) zich; hij verdedigde in een academische verhandeling dat christenen in slavernij mochten worden gehouden. Die visie werd door weinigen gedeeld. Ook zijn bekeringswerk onder de Afrikanen werd een teleurstelling.

Het bekeringswerk van de Portugese, katholieke missionarissen op Elmina heeft meer effect gehad. De Portugezen hadden in het dorp Elmina een kerkje opgericht, gewijd aan de heilige Antonius van Padua (de patroonheilige van Portugal). Na de overwinning van het fort Elmina door de Nederlanders in 1637 en het vertrek der Portugezen raakte het katholieke geloof in de vergetelheid. Althans, dat werd tot 1938 aangenomen. “Men ontdekte dat de heidenen van Elmina een beschermgod hadden, die zij Nana (Heer) Ntuna noemden. Dat ‘Ntuna’ is eenvoudig de Afrikaansche verbastering van ‘Antonio’ en het beeld, dat onder dezen naam vereerd was, was eenvoudig het oude beeld van den H. Antonius, dat meer dan driehonderd jaar ongeschonden was gebleven en met veel zorg bewaard werd in een visschershut, waar ook gedeelten van een missaal werden gevonden. (…) De godsdienstige gebruiken van de inboorlingen, die nauw verbonden waren met Ntuna, begonnen rond de Goede Week wat wij Paaschdag zouden kunnen noemen, was voor hen een groot feest voor ‘Isa’ klaarblijkelijk een verbastering van den naam Jezus. ” aldus de Nieuwe Tilburgsche Courant d.d. 21 januari 1938. De ontdekking werd gedaan door de Afrikaanse ambtenaar J.C. De Graft Johnson10.xxx

Door de Nederlanders werd de voormalige katholieke kerk op het hoofdplein van het fort Elmina ingericht tot handelshuis voor de WIC. Bij de grote uitbreiding van het fort werd een van de bovengelegen vertrekken ingericht tot Nederduits-Gereformeerde Kerk. “De nieuwe, protestantse kerk kwam te liggen in het generaalskwartier, in het midden van het gebouw, op een hoog: een grote, hoge kamer met een houten vloer en luiken waardoor je over de strandbaai kan uitkijken naar [het Britse fort] Cape Coast. Er hangt nog een bordje boven de deur met een tekst uit psalm 132: ‘Zion is des Heeren ruste. Dit is syn woonplaets sein eewighey.’ (…) De gebedsruimte bood een vreemde aanblik, vond [Michael Hemmersam11]. De muren waren behangen met sabels, musketten en andere wapens. Het leek meer op een wapenruimte dan op een kerk”, aldus Van Engelen.xxxi Michael Hemmersam, een Duitser van geboorte, hield tussen 1639 en 1645 een reisverslag bij van diens verblijf aan de Goudkust. Mogelijk waren de wapens voor de komst van Huisinga in 1694 van de muur verdwenen. Het interieur van de kerk bleef echter sober; het ontbrak ook aan een orgel. De locatie van de kerkzaal was niet minder treurig; het was – volgens mijn gids – gelegen boven een slavenkelder! De kerkzaal kon men via drie deuren binnentreden. Wanneer men de kerkzaal aan de oostzijde verliet, had men een wijds uitzicht over de baai. Via het trappetje komt men uit bij een inmiddels vervallen torentje van twee verdiepingen. Goede kans dat daar de predikant daar zijn onderkomen had.


De voormalige Nederduits-Gereformeerde Kerk op het fort Elmina (foto: Derk Jordaan, 2018)

Voor Huisinga zal het omschakelen zonder twijfel moeite hebben gekost. Het contrast met de trotse, oude kerken van Groningen kan niet groter. Daarnaast liet zijn kerkvolk veel te wensen over. Het was een ruwe mannenwereld, waarin de conservatieve moraal ver te zoeken was. Ook kon Huisinga zich onmogelijk geheel afsluiten voor de harde handelspraktijken. Desalniettemin moest Huisinga blijvend trachten de verbinding te zoeken; een vermoeiende en hopeloze zaak, zo blijkt uit de verschillende getuigenissen van predikanten. Het is niet te verwonderen dat de predikanten vaak na enkele jaren verzochten te vertrekken.

Ds. Ludolphius Huisinga vroeg ontheffing om te repatriëren wegens ziekte. Op 26 maart 1698 verkreeg hij daarvoor toestemming. In juli 1698 was Ludolphius Huisinga in Amsterdam teruggekeerd. Hij heeft het verblijf op Elmina (slechts) drie jaren volgehouden. Zijn opvolger had de toepasselijke naam ds. Van Slangenburgh (die eveneens na vijf jaren wegens ziekte verlof kreeg toegewezen).xxxii

Opvallend is dat Huisinga’s jongere broer Reneke Huisinga (1679-) alsnog koos voor een carriere bij de W.I.C. Hij was in 1700 assistent aan de Kust van Guinee. Over zijn levensloop is mij verder niks bekend. Ook opvallend is dat hun oom Johan de Marees (1656-1704) in 1703 1.200 gulden belegde in de W.I.C. Een jaar eerder, in 1702, keerde de voornoemde W.I.C.-gezant David van Nijendaal terug van zijn bezoek aan de Ashanti in Kumasi. Hij stierf enkele dagen later op het fort Elmina, maar bracht positief nieuws: de oorlog tussen de Denkyira en de Ashanti was afgelopen, de rust in het binnenland wedergekeerd en de Ashanti hadden zich opgesteld als nieuwe bondgenoot en handelspartner van de Nederlanders. Dit kwam ten goede aan de goud- en slavenhandel aan de Goudkust. Zou Reneke Huisinga in een brief aan de familie in Groningen hebben geschreven over deze positieve wending, waarna Johan de Marees overging tot belegging in de compagnie? Duidelijk is in ieder geval dat de familie, ook na de ervaringen van ds. Ludolphius Huisinga aangehoord te hebben, de slavenhandel niet bezwaarlijk achtte…

Bij thuiskomst in Groningen zal Huisinga verslag hebben uitgebracht aan de bewindhebbers der W.I.C. in Groningen. Dat zal hebben plaatsgevonden in het West-Indisch Huis aan het Munnekeholm…

De West-Indische Compagnie in Groningen

Het West-Indisch Huis aan het Munnekeholm te Groningen (Bulthuis, ca. 1786; Beeldbank Groningen)

Groningen had door onrust in de provincie indertijd niet kunnen deelnemen in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (1602). In 1621 was het tij gekeerd; het Twaalfjarig Bestand was zojuist getekend en de stad was bloeiende. De Staten van Groningen ontvingen een schrijven met het verzoek ‘om met courageuse en liberale teekening de ingezetenen voor te gaan en goed exempel te geven, alsmede alle devoiren aan te wenden bij magistraten en goede ingezetenen, dat zij als goede patriotten en liefhebbers van de behoudenisse, dienst en nut van ons lieve Vaterlant dezen aengaende hare genegentheyt bethoonen.’xxxiii De Groningers wilden maar al te graag participeren in de koloniale handel; “Te Groningen had men groote verwachtingen van de Compagnie. Het stadsbestuur koesterde lange tijd de illussie: door middel van den West-Indische handel wordt Groningen tot zekere hoogte nog een groot-handelsstad.”xxxiv Maar liefst een half miljoen gulden werd bijeengebracht zodat in Groningen (‘Stad en Lande’) een van de vijf W.I.C.-kamers werd gevestigd. De aandacht viel op het Aduarderhuis12 aan het Munnekeholm te Groningen. Dit was een ruim huis met groote hof en stallingen. (…) Het diende voor administratie, als pakhuis en was tevens de woning van den Administrateur der Kamer.” aldus het Nieuwsblad van het Noorden d.d. 25 augustus 1939.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot de liquidatie van de W.I.C. eind achttiende eeuw werd de functie van administrateur der W.I.C.-kamer Stad en Lande vervuld door (tenminste) vier generaties van het Groningse geslacht Blencke. Het Aduarderhuis, alwaar in het noordelijk deel de W.I.C.-kamer Stad en Lande was gevestigd en het overige deel werd bewoond door de familie Blencke, was in de volksmond beter bekend als het West-Indisch Huis. Wanneer men in het West-Indisch Huis sprak over de handel in ebbenhout, doelde men op de slavenhandel. Met ebbenhout werd verwezen naar de huidskleur van de slaven.13

In het West-Indisch Huis zal Huisinga zich in 1698 hebben gemeld bij administrateur Gerrit Blencke. Mogelijk kwam hij ook later daar regelmatig aanschuiven om de hoogte te worden gesteld van de ontwikkelingen aan de Goudkust. Gerrit Blencke werd in 1703 een aangetrouwde neef van Huisinga en trad in die hoedanigheid op als getuige bij het opmaken van Huisinga’s huwelijkscontract. Over het huwelijksleven van Huisinga kom ik later te spreken.

Gerrit Blencke werd als administrateur der W.I.C. in Groningen opgevolgd door diens zoon Abraham Blencke (geb. 1695). “[In 1730 werden in Groningen] de boekhouder van de W.I.C. Abraham Blencke, en een van zijn minnaars, de knecht Jan Stobbe, [wegens sodomie] ter dood veroordeeld. Als de beide voortvluchtigen in handen van de justitie zouden vallen, werd de hoofdschuldige Blencke gewurgd tot hij half dood was en daarna verbrand. De knecht zou echter na wurging, aan het vuur worden blootgesteld. Deze vonnissen lijken niet alleen wreed maar ook in strijd met de rechtsregels die bepaalden dat een doodvonnis alleen na bekentenis van de verdachte ten overstaan van de justitie geveld mocht worden.”xxxv Abraham Blencke sloeg op de vlucht en van hem onbreekt verder ieder spoor. Een zaak waarover nog lang zal zijn gesproken. Dat is de reden waarom zijn kinderen de achternaam van de moeder, Van Bulderen, hebben aangenomen. De zoon van Abraham Blencke, Hindrick Gerrit van Bulderen (1724-1806), was de laatste administrateur van de Groningse kamer der W.I.C. Hij was verantwoordelijk voor de afwikkeling der zaken en heeft vervolgens in 1801 alle archieven van de W.I.C.-kamer Groningen – helaas! – vernietigd.xxxvi Het West-Indisch Huis werd kort daarna in gebruik genomen als ziekenhuis en vervolgens in de negentiende eeuw gesloopt.

Ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733) in Bierum (1700-1704)

Ds. Ludolphius Huisinga trad op 17 september 1699 in de A-kerk te Groningen in het huwelijk met de 16-jarige Johanna Landt, dochter van Peter Landt en Anna Brongersma. Het huwelijk werd ingezegend door ds. Lambertus Bieruma. Als getuige bij de ondertrouw trad de geliefde oom Johan de Marees (1654-1704) op. Bij het opmaken van het huwelijkscontract traden namens zijn familie op zwager Jan Stenhuisen14, zuster Tallechien Huisinga, oud-oom Reneke Busch en oud-tante Sywerdina Busch-Siccama.xxxvii Opvallend is dat verder geen familie van vaderskant verscheen.

Het jonge echtpaar vestigde zich kort na het huwelijk in Bierum, het Groningse dorpje waar Huisinga in 1700 werd beroepen als predikant. Hij was de opvolger van ds. Martinus Busch (1673-1717), een volle neef van rekenmeester Johan de Marees, burgemeester Reneke Busch en Huisinga’s moeder Gesina Huisinga-Indys.15

Bierum is een piepklein dorpje ten noordwesten van Delfzijl, gelegen aan de Waddenkust. De middeleeuwse Sebastiaankerk, waar Huisinga voortaan op de kansel stond, baart opzien door een enorme steunbeer met doorgang. Deze steunbeer was er oorspronkelijk voor bedoeld om de toren van de kerk te ondersteunen, maar door een fout in de fundering trekt deze de toren nu in feite naar beneden.xxxviii In dit rustieke Groningse kustplaatsje werd het prille huwelijksgeluk van Huisinga al snel verstoord; zijn echtgenote Johanna Landt overleed binnen enkele jaren.

Ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733) in Kantens (1704-1733)

Op 17 februari 1703 ging de jonge weduwnaar Huisinga te Groningen in ondertrouw met Helena Zandt (1676-1759), dochter van koopman Johannes Zandt en Richele Huisman. Haar ouders waren reeds overleden waardoor haar oom Abraham van Baxcamp optrad als haar ‘voormondt’ (voogd). Bij het opmaken van het huwelijkcontract traden o.a. Baxcamp en haar neef Gerrit Blencke op als getuigen. Mogelijk hebben Huisinga en Helena Zandt elkaar via deze (gewezen) W.I.C.-administrateurs ontmoet…

Slechts korte tijd heeft het echtpaar Huisinga-Zandt de pastorie van Bierum bewoond. Hij werd op 3 augustus 1704 beroepen te Kantens, een dorpje met een paar honderd inwoners in het hoge noorden van het land. De fraaie kerk van Kantens valt op door haar grote steunbeer en haar achthoekige toren. In de kerk stond een herenbank voor de adelijke familie Lewe, waarvan de leden woonden op de Klinkenborg ten noorden van het dorp.16 Het huidige orgel dateert van 1661 of 1663 en heeft daardoor ook bij de kerkdiensten van Huisinga dienstgedaan. De huidige preekstoel is gebouwd enkele jaren na het overlijden van Huisinga.xxxix Opmerkelijk is dat de kerk van Kantens voor de reformatie was gewijd aan de heilige Antonius van Padua (evenals de voormalige dorpskerk van Elmina). In het kerkje doopte Huisinga tussen 1705 en 1713 zijn zes kinderen. Drie van hen bereikten de volwassen leeftijd. In 1705 betrok Jacoba Zandt (1686-1757) enige tijd de pastorie van Kantensxl; zij zal haar zuster Helena Huisinga-Zandt hebben bijgestaan in de verzorging van haar kinderschaar.

Gerhardus Nanninga (1684-1737), hofmeester en commandant aan de Goudkust (1725-1737)

Jacoba Zandt trouwde op 7 mei 1709 in de Nieuwe Kerk te Groningen met de predikantenzoon Gerhardus Nanninga (1684-1737) uit Westerwijtwerd; een dorpje 5 kilometer ten zuiden van Kantens. Hij vestigde zich vervolgens als brouwer in Groningen. Jacoba’s neef Gerrit Blencke zal als administrateur der W.I.C.-kamer Stad en Lande een goed woordje hebben gedaan voor Nanninga; hij leverde immers bier aan de schepen van de W.I.C. (bijvoorbeeld in 1715 zes ton zwaar bier en 46 ton klein bier voor het schip ‘De Nieuwe Post’ dat naar de Goudkust en Curacao zou varen).xli In 1725 besloot Nanninga zelf naar de Goudkust te vertrekken. Hij liet zijn vrouw en kinderen achter in Groningen. Hij werd aanvankelijk aangesteld tot hofmeester van de directeur-generaal aan de Kust van Guinee op Elmina en laatstelijk als commandant van het fort Coenraadsburg op de heuvel St. Jago bij Elmina.xlii Het fort Coenraadsburg was enkel ter protectie van het fort Elmina; de Nederlanders hadden via die heuvel in 1637 het fort Elmina veroverd. Een opvallende betrekking voor iemand zonder enige militaire ervaring. Op 13 oktober 1737 overleed Nanninga op Coenraadsburg.

fort Coenraadsburg op de heuvel St. Jago, gezien van fort Elmina (foto: Derk Jordaan, 2018)

Ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733), laatste levensjaren

de kerk van Kantens (foto: Beeldbank Groningen)

Huisinga leidde als predikant een rustig leven in het dorpje Kantens. In tegenstelling tot het ‘losgeslagen boeltje’ op Elmina, bestond zijn kerkvolk in Kantens overwegend uit trouwe, gemoedelijke kerkgangers. In de kleine dertig jaren dat hij daar op de kansel stond heeft hij slechts tweemaal inwoners geweigerd op het Avondmaal. In 1705 werd ene Grietje Jacobs geweigerd zolang zij zich niet zou verzoenen met haar tante en in 1707 werd de kleermaker Jochem geweigerd ‘wegens dronkenschap en daar in gepleegde ongeregeltheden’.xliii Hoeveel mensen zou Huisinga op het Avondmaal in Elmina hebben geweigerd?



Zilveren Avondmaalsbeker (Londen, 1638), gebruikt door Huisinga op het fort Elmina. De beker is versierd met het wapen van El Mina, een wapenschild met helm en helmteken met daarin een olifant. De beker werd tot 1872 gebruikt en maakt nu onderdeel uit van de collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam.

Ds. Ludolphius Huisinga overleed op 59-jarige leeftijd in de pastorie van Kantens op 26 augustus 1733, nalatende diens weduwe Helena Huisinga-Zandt met een zoon en twee dochters.

Zyn Eerw. is hier den 2 Sept. begraven, en Zondaags daar na heeft D. Johannes Conrades Heidegers, predikant van Middelstum, te Kantens voor de eerstemaal gepredikt, uit Openb. XIV.13 ‘Zalig zyn de dode, die in den Here sterven, van nu aan, ja zegt de Geest, op dat hy rusten mogen van haren arbeidt; en hare werken volgen met haar.’ Zodat deze plaats vakant moet zyn een jaar en zes weken volgens gewoonte dezer Provintsie. Onder de papieren van den overledenen, heeft de weduwe dit grafschrift, door den overleden kort voor zyn doot zelfs opgemaakt, dus gevonden:

GRAFSCHRIFT

Hier onder leit het stof van een die dartig jaren,

en meer, den Heilant heeft gepredikt aan Zondaren.

Boeklezen was hem zoet, maar vondt niet dat by zogt

Voor dat Genadekragt van Godt zyn hart bewrogt,

De waereldt zag hy door: en alles vol elende,

Zonde, ydelheit en ramp, waar henen hy zich wende,

Hy zegt u die dit leest van onder dezen steen:

Vrees God, heb Jesus lief, vliedt zonde; nu ga heen.”xliv

Op het moment van overlijden was zijn enige zoon Petrus Johannes Huisinga (1709-1793) student theologie aan de universiteit te Groningen. Zijn moeder en twee zusters verhuisden in 1734 naar Groningen.17

Ary de Graaf (ca. 1729-1788), een Afrikaanse borgheer in Groningen

Op 28 mei 1765 traden in het kerkje te Wetsinge in het huwelijk Ary de Graaf en Gesina Barlinckhoff.18 Tot de genodigden behoorde o.a. haar oom ds. Petrus Johannes Huisinga (1709-1793), predikant te Engelbert (een dorpje 8 kilometer verderop). Hij was de enige zoon van ds. Ludolphius Huisinga en sinds enige jaren weduwnaar van Alegonda Geertruida Barlinckhoff (1713-1759). Het was een spraakmakend huwelijk, niet enkel doordat hij zojuist de nieuwe bewoner was geworden van de Onstaborg te Wetsinge maar tevens door zijn exotische uiterlijk…

Ary de Graaf werd in 1729 of 1730 geboren te Elmina als zoon van Martinus de Graaf en de Afrikaanse vrouw Abenaba. Na de dood van zijn vader ging Ary de Graaf met een kapitein van de W.I.C. naar Groningen. Na enig onderricht aldaar ontvangen te hebben, meldde hij zich op zeventien-jarige leeftijd bij de administrateur van het West-Indisch Huis aan het Munnekeholm. Hij gaf zijn wens te kennen om terug te keren naar zijn geboorteland en daar carriere te maken. Hij werd vervolgens aangesteld tot equipagemeester op het fort Elmina. Hij was verantwoordelijk voor de bevoorrading van het fort, alsmede voor het uitrusten van de (slaven)schepen.19 Doordat enkele jaren eerder, in 1730, de W.I.C. het monopolie op de slavenhandel had losgelaten, was het voor particulieren mogelijk voor eigen rekening en gewin in slaven te handelen. Ook compagniedienaren, zoals De Graaf, werd het toegestaan te handelen in slaven. De grootste slavenhandelaar in de jaren ’60 van de achttiende eeuw was de W.I.C.-boekhouder Nicolaas van Bakergem, eveneens geboren uit een Nederlandse vader en een Afrikaanse moeder. Van Bakergem is de overgrootvader van Helena van Bakergem (1831-1914), tweede echtgenote van Rein Miedema.

De gemengde afkomst van De Graaf en Van Bakergem kwam hun slavenhandel ten goede doordat zij toegang hadden tot twee werelden; zij hadden bruikbare contacten met de hoge W.I.C.-officieren aan de Goudkust en tegelijkertijd waren zij door hun moeders Afrikaanse familie verbonden met het continent.xlv

De Graaf verwekte bij de Afrikaanse vrouw Efiba twee kinderen. In 1763 keerde hij met zijn kinderen terug naar Nederland en vestigde zich wederom in Groningen.xlvi Twee jaren later trouwde hij met de Groningse Gesina Barlinckhoff bij wie hij nog vier kinderen kreeg. Hij had in Elmina een groot kapitaal verdiend aan de slavenhandel en kocht daarvan de Onstaborg te Wetsinge van de freule Rengers-Tjarda van Starkenborgh. Hij overleed aldaar in 1788 waarna de borg werd verkocht.xlvii

De twee oudste kinderen van De Graaf, verwekt bij de Afrikaanse vrouw Efiba, vestigden zich in Elmina en noemden zich De Graft. In Elmina / Ghana wordt de familienaam De Graft door verscheidene nakomelingen van De Graaf gedragen. Een van hen is de eerder aangehaalde J.C. de Graft Johnson die in de jaren ’30 van de twintigste eeuw het eeuwenoude beeld van Nana Ntuna, ofwel de Heilige Antonius, in een schuur te Elmina vond…

De Onstaborg te Wetsinge (foto: Beeldbank Groningen)

Nawoord

Met dit schrijven heb ik niet getracht een volledig beeld te schetsen van de Nederlandse slavenhandel of van de geschiedenis van het fort Elmina. Daarvoor is mijn onderzoek te beperkt gebleven. Wanneer u daar meer over wenst te weten te komen verwijs ik u graag naar het boek ‘Het kasteel van Elmina’ van Marcel van Engelen. Mijn doel was meer te weten te komen over de achtergrond van mijn voorvader ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733) en in het bijzonder hoe zijn tijdsgenoten aankeken tegen de goud- en slavenhandel aan de Nederlandse Goudkust en hoe zijn predikwerk te verenigen viel met de grootschalige mensenhandel die daar ongeveer 200 jaar lang heeft plaatsgevonden. Door mij in de literatuur te verdiepen kwam ik er spoedig achter dat een ander familielid, Pieter de Marees, een belangrijke rol heeft gespeeld bij de geschiedschrijving over de Goudkust. Dat was voor mij een grote verrassing en reden om het kader aanzienlijk te verbreden. Dat zou niet de laatste keer blijven; tijdens het onderzoek naar de persoon en het familienetwerk van Huisinga stuitte ik op verscheidene andere personen die betrokken waren bij de West-Indische Compagnie. Ik was op zoek naar stof voor dit artikel en de Heilige Antonius heeft mij bij die zoektocht ruim geholpen… Het is een artikel geworden met diverse verhaallijnen. Ik kan mij voorstellen dat de verbanden voor u lastig te leggen zijn en hoop dat de stamboomfragmenten enige opheldering hebben kunnen verschaffen.

De Nederlandse slavenhandel is een gevoelig onderwerp voor velen. Ondanks dat de slavenhandel en slavernij door Nederland resp. 204 en 155 jaar geleden zijn afgeschaft, voelen sommige Nederlanders zich persoonlijk geraakt bij dit onderwerp. Een bron van irritatie is de onderbelichting van dit onderwerp tot enige jaren geleden. Sinds een aantal jaren staat het onderwerp echter hoog op de publieke agenda en is het veelbesproken in de media. Die erkenning is op zijn plaats. Voor sommige Nederlanders is de ‘diepe spijt en berouw’ van de regering echter onvoldoende en eisen zij excuses. Vandaar dat ik dit artikel ben begonnen met een passage over de excuses van paus Johannes Paulus II in het jaar 2000 voor de zonden door zijn kerkgenoten in het verleden begaan. ‘Plaatsvervangende excuses’ zijn echter nietszeggend; het valt in dezelfde categorie als ‘afgedwongen oprechte excuses’. Het is ook goed te realiseren dat trots of schaamte voor derden een emotie is; rationeel gezien kan je enkel trots of schaamte voelen voor je eigen persoonlijk doen en laten. Hierdoor voel ik mij ongebonden in de beschrijving van het W.I.C.-verleden van mijn voorouders; ik voel geen trots en geen schaamte, enkel oprechte interesse in de belevingswereld van hen die zich inlieten met iets voor ons onvoorstelbaar gruwelijks als de grootschalige mensenhandel. Hoe heeft het zo ver kunnen komen en hebben de mensen dit kunnen vergoeilijken?

Allereerst is mij weer duidelijk geworden dat tijdsgeest automatisch omgevingsafhankelijk is. Ter illustratie: op dit moment kunnen in Nederland homoseksuelen trouwen en tegelijkertijd in Iran wegens sodomie worden opgehangen. Een ander voorbeeld: in 1602 – toen Pieter de Marees zijn werk publiceerde – kwam slavernij in Nederland niet voor terwijl in Afrika en in Zuid-Europese havensteden slavernij sinds lange tijd gewoonte waren. Dit verklaart de aanvankelijk terughoudende en sceptische houding van Nederland inzake slavenhandel en slavernij, indertijd gevoed door de ‘anti-paapsche’ gevoelens ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog. Met de komst van Nederlandse nederzettingen aan de Goudkust (in eerste instantie voor de goudhandel) en later ook Nederlandse kolonien in Amerika, maakte de Nederlanders de lokale tijdsgeest eigen. Een breedgedragen discussie over het wel of niet mengen in de slavenhandel ontbrak. De Nederlanders maakten voor het eerst gebruik van slaven bij hun handel aan de Goudkust en de bouw van hun forten aldaar. Toen de Nederlanders de eerste suikerrietgebieden van Brazilie veroverden op de Portugezen, werd het veldwerk reeds verricht door Afrikaanse slaven en namen de Nederlanders vervolgens dat systeem over. Met hetzelfde boek in de hand, de bijbel, zocht en vond men in passages ‘vergoeilijking’ voor de slavernij (Cham-ideologie) De Nederlanders verhandelden vervolgens op grote schaal mensen. De Nederlanders toonden geen interesse in de achtergrond van de slaven; het slaafmaken lieten zij over aan hun Afrikaanse handelspartners en geschiedde in de binnenlanden, uit het zicht van de Nederlanders. De slaven werden vervolgens als handelswaar beschouwd en behandeld. De humane factor ontbrak met alle schokkende gevolgen van dien. Daarnaast was de Goudkust een mannenwereld; door het gebrek aan Europese vrouwen en gezinnen en het gebrek aan transparantie verloren velen de Nederlandse normen en waarden uit het oog. De misstanden hielden de W.I.C.-dienaren het liefst onder de pet; er zal vermoedelijk ook spake zijn geweest van schaamte. Predikanten werden ter beschaving van hen naar de Goudkust gehaald. Verschillende predikanten aan de Goudkust veroordeelden het gedrag van de Nederlanders aldaar, maar veroordeelden niet de slavenhandel. Met de bijbel in de hand werd de slavenhandel door hen verdedigd. In de tweede helft van de achttiende eeuw kwamen meer misstanden uit de kolonieen aan het licht. Dit was mede te danken aan de gestage groei van drukwerk en de kritische, rationele blik die kenmerkend is voor de Verlichting. Voor het eerst werd in West-Europa een breed gedragen discussie gevoerd over de legitimiteit van slavenhandel en slavernij. In 1807 werd de slavenhandel door de Britten afgeschaft. Zij waren koplopers en gebruikten hun macht om ook de andere Europese naties daartoe te zetten. In 1814 werd de slavenhandel door Nederland verboden, waarna de forten aan de Goudkust hun functies verloren. Het werd vervolgens een kostenpost. De macht van de Nederlanders bleef beperkt tot de forten; de binnenlanden werden blijvend bestuurd door de Afrikaanse vorsten. Na de overdracht van de forten aan de Goudkust aan de Britten in 1872 veranderde die situatie. De Britten onderwierpen de Afrikaanse stammen en gebruikten hun macht om ook de Afrikaanse slavenhandel aan banden te leggen (een discussie over het afschaffen van slavenhandel en slavernij in Afrika ontbrak immers).

Aan het begin van mijn onderzoek had ik verwacht dat een predikant, zoals ds. Ludolphius Huisinga (1674-1733), op een slavenfort zich niet zou kunnen verenigen met de slavenhandel. Het waren immers mensonterende praktijken en Huisinga had van zijn Verlichte hoogleraar Braunius meegekregen de ratio en het geweten centraal te stellen. Ook had ik verwacht dat hij met zijn eigenhandig geschreven grafschrift “De waereldt zag hy door: en alles vol elende, Zonde, ydelheit en ramp, waar henen hy zich wende” zou doelen op de afschuwelijke slavenhandel. Uit het onderzoek blijkt dat echter zeer onwaarschijnlijk; na terugkomst in Nederland vestigden zijn jongere broer Reneke Huisinga en zwager Gerhardus Nanninga zich aan de Goudkust om carriere te maken. Ook in Groningen bleek hij omringd door mensen die investeerden in de West-Indische Compagnie of daarvoor werkzaam waren. Ik had geen idee dat de zaken van de West-Indische Compagnie in Groningen zo breed gedragen zouden zijn! In zijn grafschrift zal Huisinga hebben gerefereerd naar zijn ervaringen op het fort Elmina, echter doelende op het losgeslagen, materialistische zooitje Nederlanders en niet op de slavenhandel an sich. Graag had ik dat anders gezien; een predikant die de slavenhandel en slavernij veroordeelde. Huisinga blijkt echter een man van zijn tijd. 81 jaar na zijn overlijden werd de slavenhandel door Nederland verboden en 130 jaar na zijn dood volgde het verbod op slavernij.

Om met een metafoor te eindigen: laten wij de Gouden Rozen niet wegpoetsen, maar – zoals de familie De Marez – blijven tonen. Niet uit trots, niet uit schaamte, maar uit besef dat tijdsgeest door voortschrijdend inzicht immer veranderende is. Ook over ons tegenwoordig doen en laten zal men later het zijne vinden … voor wat het waard is.

familiewapen De Marees / De Marez
(afbeelding: Heraldische DataBank, 2018)

Bijlagen:

  1. fragment ‘Stadscaerte van Groeningen’ 1643

  2. onvolledige naamlijst predikanten op het fort Elmina

  3. genealogie Huisinga

Bijlage 1: Stadscaerte van Groeningen (1643)

Op dit fragment van de kaart van Groningen, gemaakt door Egbert Haubois in 1643, staan de straten Kromme Elleboog en Kromme Jat alwaar ds. Ludolphius opgroeide. Tevens staat het Minderbroedersklooster afgebeeld, alwaar de Latijnse School was gevestigd. Onderdeel van het kloostercomplex was de Broerkerk, hetwelk in gebruik was als Academiekerk. Het complex is afgebroken en stond op de locatie van de huidige Universiteitsbibliotheek. (foto: Beeldbank Groningen)

Bijlage 2: onvolledige naamlijst predikanten op het fort Elmina

1694-1698 :

ds. Ludolphius Huisinga, gedoopt Groningen 28 juli 1674, laatstelijk predikant te Kantens, overleden aldaar 26 augustus 1733, zoon van Petrus Huisinga en Gesina Indys. Hij huwde 1e in 1699 met Johanna Landt en 2e in 1703 met Helena Zandt.

1698-1703 :

ds. Eduard York van Slangenburg, geboren Aurich (Oost-Friesland) 30 augustus 1670, laatstelijk predikant te Kampen, begraven aldaar 1 oktober 1726, zoon van Derck van Baer en Catharina van Loo. Huwde in 1706 met Clara Creuger.

1713-1719:

ds. Ludovicus Adema, overleden fort Elmina in 1719, ouders onbekend. Huwde in 1709 met Aaltje Gerrits (uit Oost-Vlieland) en in 1715 (te Elmina!) met Helena van der Burg (dochter van Martijn van der Burg en de Afrikaanse vrouw Acre Sonque)

1731:

ds. J.C. Schiess, geen informatie bekend.

1742-1747:

ds. Jacobus Elisa Joannes Capitein, geboren in Ghana in 1717, overleden fort Elmina in 1747. Huwde in 1745 (te Elmina!) met Antonia Grinderdros.

1764:

ds. Gerardus Verbeet

(aanvullingen zijn welkom)

Bijlage 3: genealogie Huisinga

Generatie I

Petrus Huisinga, huwde (ondertrouw Groningen 12 augustus 1673) met Gesina Indys, gedoopt Loppersum 25 december 1645, weduwe van Andreas Becker, dochter van ds. Gualtherus Everhardi Indys en Cornelia Busch

Zij woonden in de Kromme Elleboog (1674, 1676, 1681, 1683) en later in de Kromme Jat (1679)

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • ds. Ludolphius Huisinga, volgt II

  • Tallechien Huisinga, gedoopt Groningen 25 oktober 1676, huwde (ondertrouw Groningen 8 september 1696) met Jan Stenhuisen, geboren Appingedam, begraven Groningen 11 maart 1746

  • Reneke Huisinga, gedoopt Groningen 31 juli 1679, assistent aan de Kust van Guinee (1700)

  • Rudolphus Huisinga, gedoopt Groningen 9 november 1681, jong overleden

  • Rudolphus Huisinga, gedoopt Groningen 19 december 1683

Generatie II

ds. Ludolphius Huisinga, gedoopt Groningen (Martinikerk) 28 juli 1674, theol. cand. (1692), predikant op fort Elmina (1694-1698), te Bierum (1700-1704) en laatstelijk te Kantens (1704-), overleden aldaar 26 augustus 1733, huwde 1e (ondertrouw Groningen 17 september 1699) met Johanna Landt, gedoopt Groningen 16 februari 1683, overleden voor 1704, dochter van Peter Landt en Anna Brongersma, huwde 2e (ondertrouw Groningen 15 februari 1703) met Helena Zandt, gedoopt Groningen 31 oktober 1676, overleden Groningen 1759, dochter van koopman Johannes Zandt en Richele Huisman.

Uit het tweede huwelijk werden geboren:

  • Johanna Huisinga, gedoopt Kantens 9 augustus 1705, jong overleden.

  • Ricqueline Huisinga, gedoopt Kantens 1 augustus 1707, jong overleden.

  • Rikelina Huisinga, gedoopt Kantens 15 augustus 1708, overleden Niehove 16 september 1745, huwde Niehove 17 april 1735 met ds. Nicolaas Metelerkamp, geboren Neuenhaus (Westfalen) 14 november 1698, predikant te Feerwerd (1727-1730) en laatstelijk te Niehove (1730-), overleden aldaar 5 november 1777, zoon van ds. Nicolaas Metelerkamp en Anna Lubeley.

  • ds. Petrus Johannes Huisinga, volgt III

  • Jan Huisinga, gedoopt Kantens 12 juli 1711, vermoedelijk jong overleden.

  • Gesina Huisinga, gedoopt Kantens 3 september 1713, overleden na 1768.

Generatie III

ds. Petrus Johannes Huisinga, geboren / gedoopt Kantens 20 / 23 juni 1709, predikant te Engelbert (1736-1742) en laatstelijk te Nieuweschans (1742-ca. 1786), overleden Oude Pekela 15 januari 1793, huwde Engelbert 23 juli 1737 met Alegonda Geertruida Barlinckhoff, gedoopt Groningen 8 maart 1713, begraven Groningen 20 oktober 1759, dochter van dr. Joannes Barlinckhoff en Gesina Elama.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Helena Huisinga, geboren / gedoopt Engelbert 15 / 20 december 1738, overleden tussen 1789 en 1811, huwde Oude Pekela 27 augustus 1766 met Eltjo Jakob Eltjens, gedoopt Oude Pekela 11 mei 1732, ingenieur, stadsveenmeester te Oude Pekela vanaf 1756, overleden aldaar 20 oktober 1818, zoon van Jacob Eltjens en Frouwe Doedens.

  • Johannes Wolterus Huisinga, volgt IV

  • Ludolph Huisinga, gedoopt Engelbert 17 juni 1742

  • Gesina Huisinga, geboren / gedoopt Nieuweschans 15 / 16 mei 1745, overleden Langakkerschans 11 februari 1811, huwde Nieuweschans 16 april 1777 met Bernardus Johannes Winter, gedoopt Groningen 7 december 1746, magazijnmeester, overleden Nieuweschans 15 juli 1815, zoon van Jan Ernst Winter en Barbara Johanna Somberg.

Generatie IV

Johannes Wolterus Huisinga, geboren / gedoopt Engelbert 29 mei / 5 juni 1740, koopman en houthandelaar, overleden Oude Pekela 20 april 1786, huwde Oude Pekela 11 maart 1768 met Margaretha Haitzema, gedoopt Oude Pekela 3 mei 1750, overleden Winschoten 12 februari 1800, dochter van Roelof Haitzema en Anna Haselhoff. Zij hertrouwde Oude Pekela 25 maart 1789 met Jacobus de Jonge (1759-1815, heel- en vroedmeester te Oude Pekela).

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Anna Huisinga, geboren Oude Pekela circa 1769, overleden Groningen 14 oktober 1806, huwde Oude Pekela 2 december 1792 met Jan Jurjens Bus, geboren / gedoopt Nieuweschans 9 / 15 oktober 1769, grutter te Groningen, overleden Groningen 16 maart 1851, zoon van landbouwer Jurjen Jans Bus en Rientsje Hindriks. Hij hertrouwde met Rika Sijgers.

  • Petrus Johannes Huisinga, geboren Oude Pekela 25 december 1770, burgemeester van Oude Pekela 1811-1849, overleden aldaar 6 september 1857, huwde Oude Pekela 16 november 1796 met Trijntje Scholtens, gedoopt Winschoten 21 februari 1772, overleden Oude Pekela 19 februari 1856, dochter van logementhouder Hendrik Scholtens en Geertje ter Hazeborg.

  • Roelof Huisinga, volgt V-a

  • Ludolph Huisinga, volgt V-b

  • Haitzen Huisinga, volgt V-c

  • Eltje Jacobs Huisinga, volgt V-d

Generatie V

V-a

Roelof Huisinga, geboren / gedoopt Oude Pekela 10 / 18 december 1774, goud- en zilversmid te Groningen, commandant dienstdoende schutterij te Groningen (1826-1827), overleden aldaar 24 februari 1827, huwde Groningen 10 mei 1801 met Titia Versteegh, gedoopt Groningen 15 april 1781, kashoudersche (1832), overleden aldaar 25 april 1857, dochter van Johannes Versteegh en Hester Langerhuizen.

Zij woonden in de Steentilstraat (1802-1809)

Uit dit huwelijk:

  • Margaretha Huisinga, gedoopt Groningen 9 mei 1802, overleden aldaar 27 februari 1822, huwde Groningen 7 juni 1820 met Reinder Harmannus Schuitema, gedoopt Groningen 29 oktober 1797, winkelier, overleden Groningen 24 januari 1863, zoon van koopman Harmannus Berends Schuitema en Fockien Harms. Hij hertrouwde met Janna Everts.

  • Hester Huisinga, gedoopt Groningen 27 januari 1805, overleden aldaar 19 oktober 1884, huwde Groningen 18 december 1828 met ds. Wybrandus Verwey, geboren Franeker 3 januari 1807, predikant, overleden Winschoten 27 januari 1876, zoon van ds. Wybrandus Verwey en Matthia Catharina Janzon.

  • Johannes Versteegh Huisinga, gedoopt Groningen 10 mei 1807, begraven aldaar 18 oktober 1807.

  • Johanna Woltera Huisinga, gedoopt Groningen 12 februari 1809, overleden aldaar 1 juli 1832, huwde Groningen 5 december 1827 met ds. Jan Sonius Swaagman, gedoopt Groningen 13 september 1805, predikant, overleden Groningen 19 juni 1858, zoon van koopman Popko Swaagman en Annegien Sonius. Hij hertrouwde Groningen 2 december 1834 met zijn schoonzuster Anna Margaretha Huisinga.

  • Petrus Johannes Huisinga, geboren Groningen 11 september 1811, overleden aldaar 14 september 1811.

  • Anna Margaretha Huisinga, geboren Groningen 17 augustus 1812, overleden Stadskanaal 8 maart 1837, huwde Groningen 2 december 1834 met ds. Jan Sonius Swaagman (weduwnaar van haar oudere zuster Johanna Woltera Huisinga). Hij hertrouwde met Suzanna Ribbius.

  • Petrus Johannes Huisinga, geboren Groningen 9 januari 1815, overleden aldaar 2 september 1879.

  • Biefke Huisinga, geboren Groningen 7 april 1817, overleden aldaar 4 januari 1891.

  • Stientjen Huisinga, geboren Groningen 21 juni 1819, overleden aldaar 25 mei 1881, huwde Groningen 23 november 1853 met Wilhelmus Johannes Jansen, geboren Groningen 20 juli 1822, commissionair, overleden aldaar 14 juli 1878, zoon van ambtenaar Jan Jansen en Anna Maria Theresia Averes Sluting.

  • Johannes Versteegh Huisinga, geboren Groningen 6 mei 1822, koopman, overleden aldaar 13 februari 1862.

V-b

Ludolph Huisinga, gedoopt Oude Pekela 19 januari 1777, apotheker te Groningen, overleden Groningen 30 december 1852, huwde Groningen 26 mei 1804 met Biefke Luppes, geboren Groningen circa 1785, overleden aldaar 23 mei 1860, dochter van Arnoldus Luppes en Klaasje Geerling.

Zij woonden in de Oude Kijk in ‘t Jatstraat (1806-1809)

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Klazina Huisinga, geboren / gedoopt Groningen 5 / 13 juli 1806, overleden aldaar 10 januari 1861, huwde Groningen 5 december 1827 met Joannes Swaagman, gedoopt Groningen 25 april 1802, koopman, zoon van koopman Popko Swaagman en Annegien Sonius.

  • Johannes Woltherus Huisinga, gedoopt Groningen 3 april 1808, overleden aldaar in mei 1808 (aangegeven 28 mei 1808).

  • Margaretha Wolthera Huisinga, gedoopt Groningen 3 september 1809, overleden aldaar 30 oktober 1812.

  • Janke Lucia Huisinga, geboren Groningen 19 oktober 1811, overleden Groningen 22 oktober 1811.

  • een levenloos kind, Groningen 29 november 1813

  • Margaretha Wolthera Huisinga, geboren Groningen 8 mei 1817, overleden aldaar 25 augustus 1892, huwde Groningen 22 mei 1839 met ds. Tonko Swaagman, geboren Groningen 7 september 1812, predikant, overleden Groningen 29 januari 1886, zoon van koopman Popko Swaagman en Annegien Sonius.

  • Catrina Petronella Johanna Huisinga, geboren Groningen 16 mei 1820, huwde Groningen 5 november 1844 met mr. Jan Oldenbandringh, geboren Oosterhesselen 5 november 1818, advocaat, zoon van Lambert Oldenbandringh en Aaltien Kamping.

V-c

Haitzen Huisinga, gedoopt Oude Pekela 12 december 1779, koopman en winkelier te Groningen, overleden aldaar 27 augustus 1826, huwde Groningen 7 november 1802 met Stijntje Brouwer, geboren Groningen circa 1769, overleden Groningen 23 maart 1847, dochter van Klaas Hindrik Brouwer en Elisabeth Holwijn.

Zij woonden in de Nieuwe Ebbingestraat (1806-1811)

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Elizabeth Huisinga, gedoopt Groningen 13 april 1806, huwde Groningen 3 februari 1831 met ds. Carl Dietrich Schönfeld, geboren Roderwolde 11 december 1807, predikant, overleden Roden 3 oktober 1832, zoon van ds. Johan Christoph Schönfeld en Maria van Sleeswijk.

  • Johannes Woltherus Huisinga, gedoopt Groningen 4 september 1808, overleden aldaar 29 oktober 1878, huwde Groningen 30 april 1834 met Klaaszina Schaapschoe, geboren Groningen 24 maart 1811, overleden aldaar 15 november 1886, dochter van koopman Jannes Schaapschoe en Amelia Scheltens.

  • Margaretha Jacoba Huisinga, geboren Groningen 17 juni 1811, overleden aldaar 23 april 1812.

  • Margaretha Jacoba Huisinga, geboren Groningen 1 mei 1813, huwde Groningen 22 mei 1847 met ds. Jan Hendrik Dinckgreve, geboren Groningen 11 februari 1820, zoon van koopman Egbert Willem Dinckgreve en Antonetta Helena Wilhelmina van Laer.

  • Anna Catharina Huisinga, geboren Groningen 9 januari 1816, overleden aldaar 29 december 1822.

  • ds. Abraham Klaas Brouwer Huisinga, geboren Groningen 19 juli 1818, predikant te Donkerbroek (1851), overleden Langezwaag 14 september 1860, huwde Opsterland 30 juni 1851 met Eletta Gerrits de Jongh, geboren Gorredijk circa 1828, dochter van Gerrit Tammes de Jongh en Jinke Jochems van der Meer.

V-d

ds. Eltje Jacobs Huisinga, geboren Oude Pekela 14 januari 1785, predikant te Westerbroek (gem. Hoogezand) en laatstelijk te Eexta (gem. Scheemda), overleden Eexta 13 juni 1858, huwde Engelbert 19 september 1810 met Geesje Hindriks Haak, overleden Haren (Gr.) 31 oktober 1859, dochter van koopman Hindrik Jans Haak en Maria Muller.

Uit dit huwelijk:

  • Hendrik Huisinga, geboren Westerbroek (gem. Hoogezand) 24 juni 1811, overleden aldaar 13 oktober 1811.

  • ds. Hendrik Huisinga, geboren Westerbroek 1 augustus 1812, predikant, overleden Wildervank 4 januari 1894, huwde 1e Noorddijk 18 juli 1839 met Taalina Veltman, geboren Oosterhoogebrug (gem. Noorddijk) 15 oktober 1816, dochter van burgemeester Jacobus Veltman en Aaffien Hammink, huwde 2e Wildervank 3 februari 1858 met Alida Katarina Schuringa, geboren Wildervank 26 april 1828, dochter van rentenier Tjakko Tjapkes Schuringa en Grietje Egberts Bouwman.

  • Maria Huisinga, geboren Westerbroek 15 september 1814, overleden Groningen 24 mei 1869.

  • Johannes Woltherus Huisinga, geboren Westerbroek 9 oktober 1818, koopman, overleden Groningen 18 juni 1874, huwde Groningen 8 december 1852 met Margrieta Veltman, geboren Noorddijk 25 november 1813, weduwe van Johannes Rudolf Sicman, dochter van burgemeester Jacobus Veltman en Aaffien Hammink.

  • dr. Petrus Johannes Huisinga, geboren Eexta (gem. Scheemda) 15 augustus 1820, medisch doctor, huwde Groningen 1 mei 1844 met Katharina Alida Schuringa, geboren Groningen 7 maart 1821, dochter van goud- en zilversmid Roelf Tjapkes Schuringa en Froukje Hindriks Haak.

  • Jan Hindrik Huisinga, geboren Eexta 6 oktober 1824, arbeider, overleden Groningen 23 mei 1875, huwde Scheemda 11 oktober 1854 met Heike Bot, geboren Nieuw-Scheemda (gem. Scheemda) 28 juli 1832, overleden Groningen 15 september 1913, dochter van kleermaker Berend Jans Bot en Riena Jans Dik.

  • Ludolphus Huisinga, geboren Eexta 10 april 1833, overleden aldaar 1 april 1918.

     

1Dat het voorwoord is geschreven ten huize van zijn grootvader Jan de Marees is een aanname van mij. Wel wordt uit de tekst duidelijk dat het is geschreven in Delft, waardoor het aannemelijk is dat hij bij zijn grootvader verbleef.

2Dit is een aanname van mij, doordat hij absent was bij de ondertrouw in Groningen 13 januari 1610

3Bij haar eerste huwelijk in 1664 werd zij ter zijde gestaan door haar oom Reneke Busch. Bij de ondertrouw in de stad Groningen werd geen vermelding gemaakt van haar geboorteplaats Loppersum. Dit doet mij vermoeden dat zij reeds in de stad woonde en onder de hoede stond van haar oom die haar assisteerde.

4Andreas Becker overleed tussen 9 januari 1671 en 12 augustus 1673

5Ik verwacht dat onderzoek in de Groninger Archieven meer gegevens over de familie Huisinga te vinden zullen zijn. Ik heb mij daaraan nog niet gewaagd.

6Joachimus Borgesius (geb. Hamburg 1585). Afstamming via Borgesius-Lamping-Schaafsma-Aalders-Jordaan.

7Afstamming via Sas-Huisman-Zandt-Huisinga-Eltjens-Borgesius-Lamping-Schaafsma-Aalders-Jordaan.

8In 1786 trouwden een achterkleinzoon van rector Jacobus Borgesius, ds. Jacobus Goedhardus Borgesius (1761-1834), met een achterkleindochter van ds. Ludolphius Huisinga, Alegonda Geertruida Eltjens (1767-1847).

9Met ‘Landt’ bedoelde hij Afrika.

10Een afstammeling van Ary de Graaf (ca. 1730-1788) en diens Afrikaanse vrouw Efiba.

11Michael Hemmersam, beschrijving van de Goudkust, 1639-1645.

12Het voormalige abtenhuis van het klooster Aduard

13Het voormalige abtenhuis van het klooster Aduard

14Jan Stenhuisen trouwde in 1696 met Huisinga’s zuster Tallechien Huisinga.

15ds. Martinus Busch (1673-1717) was een zoon van ds. Marcus Busch en Engeltjen Ubbenius. Ds. Marcus Busch (1629-1704) was een broer van o.a. burgemeester Reneke Busch, Aaltje de Marees-Busch en Huisinga’s grootmoeder, Cornelia Indys-Busch.

16Door een huwelijk van de erfdochter van de Klinkenborg met een baron van Lynden uit Wilp, kwam de borg sindsdien toe aan de familie Van Lynden (en later Thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg).

17Op 15 juni 1734 werd Gesina Huisinga op belijdenis aangenomen als lidmaat te Kantens. In 1735 trouwde zij, komende van Groningen.

18Dit is een aanname, voor de verhaallijn. Het is echter aannemelijk dat hij aanwezig zou zijn geweest op het huwelijk aangezien hij dichtbij woonde en een goede band onderhield met zijn zwager Cornelis Barlinckhoff (vader van de bruid). Cornelis Barlinckhoff trad immers een jaar later op als ondertekenaar van het huwelijkscontract van zijn nichtje Helena Huisinga bij haar voorgenomen huwelijk met Eltje Jacob Eltjens.

19Gebaseerd op de vertalingen equipage (het bouwen, repareren, bevoorraden en uitreden van schepen) en equipagemeester (persoon die verantwoordelijk is voor alle materialen die in gebruik waren)

iNotaris Jan Bom Jansz. te Delft, testament Jan Jacobsz. de Marees de oude, 25 maart 1603, stadsarchief Delft, inv. nr. 1515, folio 38-44 (http://www.digitalearenadelft.nl/detail.aspx?id=1515_38&st=1, 2018)

iiNotaris Jan Bom Jansz. te Delft, testament Jan Jacobsz. de Marees de oude, 25 maart 1603, stadsarchief Delft, inv. nr. 1515, folio 38-44 (http://www.digitalearenadelft.nl/detail.aspx?id=1515_38&st=1, 2018)

iiiDe Wapenheraut 1899, p. 9-16 (http://daktari.antenna.nl/mares.txt, 2018)

ivDe Wapenheraut 1899, p. 9-16 (http://daktari.antenna.nl/mares.txt, 2018)

vDe Wapenheraut 1899, p. 9-16 (http://daktari.antenna.nl/mares.txt, 2018)

viiE.J. Wolleswinkel, ‘De aan Gerard ter Borch toegeschreven familiegroep De Marez-de Schilder’ (http://daktari.antenna.nl/familiegroep%20de%20marez-de%20schilder.pdf, 2018)

viiiP. de Marees, “Beschryvinghe van de Gout-Custe”, 1602; uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging, 1912 (http://www.dbnl.org/arch/mare014besc02_01/pag/mare014besc02_01.pdf#page=10, 2018)

ixP. de Marees, “Beschryvinghe van de Gout-Custe”, 1602; uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging, 1912 (http://www.dbnl.org/arch/mare014besc02_01/pag/mare014besc02_01.pdf#page=10, 2018)

xP. de Marees, “Beschryvinghe van de Gout-Custe”, 1602; uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging, 1912 (http://www.dbnl.org/arch/mare014besc02_01/pag/mare014besc02_01.pdf#page=10, 2018)

xiiDoopinschrijvingen kinderen Huisinga te Groningen, www.allegroningers.nl, 2018

xiiiK. van Berkel, “Universiteit van het Noorden; vier eeuwen academisch leven in Groningen”, deel 1, 2014

xivK. van Berkel, “Universiteit van het Noorden; vier eeuwen academisch leven in Groningen”, deel 1, 2014

xvDoopinschrijvingen kinderen van het echtpaar Borgesius-Rustinga, www.allegroningers.nl, 2018

xviA. Wor en de erven van G. Onder de Linden, “Maandelyke uittreksels, of Boekzaal der geleerde waerelt”, deel 38, 1734

xviiK. van Berkel, “Universiteit van het Noorden; vier eeuwen academisch leven in Groningen”, deel 1, 2014

xviiiA. Wor en de erven van G. Onder de Linden, “Maandelyke uittreksels, of Boekzaal der geleerde waerelt”, deel 38, 1734

xixJohannes Braunius, in: Biografische Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme”, deel 5, 2001 (http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/blnp/#source=5&page=3&accessor=accessor_index, 2018)

xxM. van Engelen, “Het kasteel van Elmina; in het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika”, 2013

xxiStadsarchief Groningen, inv. nr. 46, 1462 Weeskamer, boedelinventaris Johanna Busch, weduwe van Johan de Marees, 1713, nr. 13)

xxiiDe Nederlandsche Leeuw, 1938

xxiiiP. de Marees, “Beschryvinghe van de Gout-Custe”, 1602; uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging, 1912 (http://www.dbnl.org/arch/mare014besc02_01/pag/mare014besc02_01.pdf#page=10, 2018)

xxivP. de Marees, “Beschryvinghe van de Gout-Custe”, 1602; uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging, 1912 (http://www.dbnl.org/arch/mare014besc02_01/pag/mare014besc02_01.pdf#page=10, 2018)

xxviM. van Engelen, “Het Kasteel van Elmina”, 2013

xxviiM. van Engelen, “Het kasteel van Elmina”

xxviiiM. van Engelen, “Het kasteel van Elmina”

xxixM. van Engelen, “Het kasteel van Elmina”

xxxNieuwe Tilburgsche Courant, 21 januari 1938

xxxiM. van Engelen, “Het kasteel van Elmina”

xxxiiDe Nederlandsche Leeuw, 1938

xxxiiiNieuwsblad van het Noorden, 25 augustus 1939

xxxivNieuwsblad van het Noorden, 25 augustus 1939

xxxvD.J. Noordam, “Riskante relaties; vijf eeuwen homoseksualiteit in Nederland, 1233-1733”

xlivA. Wor en de erven van G. Onder de Linden, “Maandelyke uittreksels, of Boekzaal der geleerde waerelt”, deel 38, 1734

xlvM. van Engelen, ‘Het kasteel van Elmina’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*