Die Ypma’s fan Easterein

Die Ypma’s fan Easterein

De Ypma’s van Oosterend



Aafke Ates Heeringa-Ypma (1842-1893)

Op dinsdag 12 april 1842 werd op de nieuwe boerderij van het gezin Ate Sjoerds Ypma en Beitske Dirks Dijkstra aan de Wynserdyk te Oosterend een dochter geboren: Aafke genoemd. Zij is de grootmoeder van mijn Friese grootmoeder. Tot voor kort was mij weinig bekend over de Ypma’s. Een overlevering verhaald dat de Ypma’s behoren tot de Friese landadel, maar wat is daarvan waar… Een zoektocht naar de herkomst van haar geslacht en een beschrijving van haar familie; boerenhuwelijkspolitiek, scherpe verhoudingen in familie en dorp en een leven op het Californische platteland…

De afkomst van het geslacht Ypma

Over de herkomst van het geslacht Ypma gaat een verhaal in de familie de ronde, namelijk dat zij zouden behoren tot de oude Friese landadel. Familieverhalen neem ik vaak met een korreltje zout. Daarentegen bevatten veel familieverhalen vaak wel een kern van waarheid, waardoor familieverhalen wel degelijk op enige waarde te schatten zijn. In dit geval had ik echter grote twijfels over de voorname afstamming van het geslacht Ypma aangezien deze achternaam pas in 1811 – bij de instelling van de burgerlijke stand door Napoleon – door mijn voorvader werd vastgelegd; wanneer de Ypma’s tot de oude landadel behoren zou de achternaam al eeuwen tevoren moeten zijn gebruikt. Of niet?

Het begrip landadel is vaag; het is namelijk geen juridisch vastgelegde term. Het duidt in ieder geval op een tegenhanger van de hofadel die zich rondom de (soeverein) vorst centreerde. In de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1588-1795) kende Nederland uiteraard geen soeverein vorst. Daarentegen kende zij wel het stadhouderlijke hof van de Prinsen van Oranje-Nassau; zij waren alleen niet gemachtigd om mensen in de adelstand te verheffen. Hierdoor bestond de Nederlandse adel gedurende de Republiek uit de oude riddermatige geslachten en uit families die door buitenlandse vorsten in de adelstand waren verheven. De riddermatige Nederlandse geslachten konden op verscheidene voordelen rekenen, zoals toetreding tot de Staten, maar zij bleven qua rijkdom achter op de opkomende handelselite. Hoewel de oude riddermatige geslachten zich niet door huwelijken wilden binden aan deze aanzienlijke koopliedengeslachten, zwichtten in de achttiende eeuw meer oud-adellijke families voor het grote geld van deze nieuwe rijken; de oude adel ontbeerde het vaak aan vermogen om hun landgoederen en levensstijl te bekostigen, de nieuwe rijken ontbeerde een nobele afstamming.

Bij het aantreden van koning Willem I werd de adelstand opnieuw ingevoerd. Dit orgaan was niet enkel weggelegd voor de oude riddermatige geslachten, maar tevens voor de omhooggeklommen nieuwe rijken. Wanneer men lelijk wilde spreken, werden deze laatsten aangeduid als ‘gekochte adel’. In deze context zal mijns inziens de term oude Friese landadel moeten worden gezocht; men kon niet terugvallen op een adellijke titel of predikaat, zodat men hun ‘vooraanstaande’ afkomst benadrukte door de niet-juridische en daarmee zeer brede term ‘oude Friese landadel’. Op de vraag of de Ypma’s daarvan afstammen kan dan ook niet bevestigend of ontkennend worden geantwoord. Wel kan ik inmiddels begrijpen waar dit verhaal precies vandaan komt…

Het oude Friese geslacht Ipma

De oudste generaties van het geslacht Ipma (ook abusievelijk Epema geschreven) vindt men terug in de oude kerk van Nijland. Nijland is een dorpje tussen Bolsward en Sneek, gelegen in de gemeente Tietjerksteradeel. In deze uit de zestiende eeuw stammende kerk, die gewijd is aan de in ons land bekende bisschop Nicolaas van Myra alias ‘Sinterklaas’, liggen twee zerken van de voorouders Tiepcke Hessels (Ipma) en diens echtgenote Auck:

Ao 1536 den 9 junij sterf den eerbaren Tiepke Hesselsoen

Ao 1539 de 4 deceber sterf Auck Tiepke wijf bit voer de siele”

Na hun overlijden lieten Tiepcke Hessels en Auck een jonge zoon achter, genaamd Tyalcke. Deze Tyalcke Tiepckes komt voor het eerst voor met de achternaam Ipma. Hij woonde enige tijd in de nabij gelegen stad Bolsward (1565, 1580), maar was gegoed in Nijland en Itens. Hij verpachtte diens boerderij in Itens, de Hoysterhuystersate die afkomstig was van zijn schoonvader Sipcke Hoytes, en bewoonde waarschijnlijk zelf de boerderij in Nijland. Hij overleed op hoge leeftijd en werd eveneens begraven in de Nicolaaskerk te Nijland:

Ao 1612 den 4 iuli sterf den eersamen Tialke Tiepkes Ipma hier begraven” staat geschreven op de zerk van zijn ouders.

Op een andere zerk in de kerk van Nijland staan de namen van zijn zoon, schoondochter en kleindochter:

Ao 1614 den 2 iuli sterf den eersame Tiepke Tiaelckes Ipma.

Ao 16(36?) d… augustus sterf die (eer)bare Rimck Hayes Binnema syn huisvrou

Ao 1671 den 8 ianuary is dosalicklick in den heere ontslapen d eerbare Remkjen Tiepkes Ipma in leven huisvrou van Wopke Johannes Hansma apotheqer burger hopman binnen Bolsward old (35?) begraven”

Zeer ruime tijd later, in 1792 en 1822, wisten een vader en zoon – Jan Lieuwes Ypma en Lieuwe Jans Ypma – het voor elkaar te krijgen hun namen op deze eeuwenoude zerken bij te laten schrijven.

De voornoemde Tjepcke Tyalckes Ipma en Rimck Hayes Bennema kregen (tenminste) zes kinderen. Hun drie zonen stierven hoogstwaarschijnlijk kinderloos, waarna de drie dochters overgingen tot de verkoop van tenminste de zathe in Itens en vermoedelijk ook van de ouderlijke zathe in Nijland. Van deze drie dochters, de laatsten van het oude geslacht Ipma, stam ik af.

In Friesland was het gebruik van familienamen tot de invoering van de burgerlijke stand in 1811 over het algemeen alleen weggelegd voor de gegoede ingezetenen. Het stond men wel vrij om een familienaam te voeren, maar wanneer de maatschappelijke positie achtergesteld was vonden de nuchtere Friezen dit maar hautain. De afstammelingen van het geslacht Ipma vonden het – ondanks hun vermogende positie – tot het eind van de achttiende eeuw onnodig een achternaam aan te nemen.

huwelijksbeker Doede Symens en Liutske Tiepckes (Ipma), 1633
(vervaardiger Jan Jansen Olthof te Sneek)
(coll. Fries Scheepvaart Museum, geattendeerd door Gerben Visser)

Een deel van de afstammelingen van het in mannelijke lijn uitgestorven, oude geslacht Ipma behoorde tot de relatief kleine doopsgezinde gemeenschap. De doopsgezinden, ook mennisten1 genoemd, keerden zich in de zestiende eeuw af van de katholieke kerk. Doordat hun leden pas op volwassen leeftijd werden gedoopt, worden zij ook wel ‘wederdopers’ genoemd. “Zij ontwikkelden zich tot ‘stillen in den lande’, kerkten in kleine schuilkerkjes, werkten hard, leefden sober en leefden eigenlijk in een eigen wereldje. ‘In de wereld, maar niet van de wereld’i Veel doopsgezinden bleken kapitaalkrachtig. Dit was niet enkel te danken aan hun vrome en zuinige aard, maar tevens aan hun liberale huwelijkspolitiek.

Hoewel de doopsgezinden bij voorkeur een huwelijkspartner zochten binnen hun eigen geloofskring, stonden zij er niet pertinent negatief tegenover wanneer leden een katholieke of hervormde levenspartner kozen. De Doopsgezinde leraar Steven Blaupot ten Cate noemde in 1839 deze gemengde huwelijken tot één van de belangrijkste oorzaken dat verscheidene doopsgezinden overstapten tot de Hervormde kerk; “Dat er sommigen onzer tot de Hervormden overgingen (…) moet aan onderscheidene oorzaken worden toegeschreven. Het zij verre van mij, dat ik de Hervormde predikanten in het algemeen van zoogenaamde proselieten-makerij zou willen beschuldigen; zulk eene beschuldiging is bijkans te ongerijmd, om er van te gewagen. Waar echter dat ‘overbuigen’ (…) geschied mogt zijn, hebben de Doopsgezinden ook zelve tot dezen invloed of deze inwerking aanleiding gegeven, vooral door de ‘gemengde huwelijken’. Ongeveer een eeuw geleden (…) was het met deze huwelijken reeds zo, dat men ze wel bij de ‘Fijnen’ (de Oude-Vlamingen en Oude-Friezen) vermeed, maar van de overigen, de Waterlanders, Vlamingen en Friezen, zegt gemelde schrijver: ‘zij maken geen zwarigheit persoonen van andere gezindheden, al zijn zij zelfs van de Roomsche Kerke, te trouwen; schoon hunne leeraars zulks echter ongaerne zien. Onderwijl ziet men de Gemeente tegen haere ledematen, welke tot dit besluit komen, nooit met eenige bestraffing te werke gaen”. Ook uit de missive, door de Friesche societeit in 1788 naar de Broeders in Rusland gezonden, blijkt duidelijk, dat zulke gemengde huwelijken dikwijls plaats vonden, hoewel niet met goedkeuring van de warmste voorstanders des Genootschaps, die er voor de bloei van dat Genootschap niet weinig gevaar in zagen. (…) Het gevaar was (…) minder, waar de Doopsgezinden het getal der Hervormden konden evenaren, bijvoorbeeld in Utingeradeel, maar, gelijk bekend is, meest overal elders maakten de Hervormden verreweg de meerderheid uit. Dan werden de kinderen uit gemengde huwelijken meest jong gedoopt, of gingen althans voor het grootste deel bij de Hervormde predikanten het godsdienstig onderwijs genieten en waren dus, met uitzondering van enkele gevallen, voor de Doopsgezinden verloren. Ik wil met dit alles niet te kennen geven dat gemengde huwelijken volstrekt af te keuren zijn of niet gelukkig zouden kunnen wezen; want zoodanige en zeer gelukkige huwelijken bestaan er immers genoeg en bewijzen dus het tegendeel; maar in het algemeen moet ik betuigen, gevonden te hebben, dat dezelve den bloei van ons Genootschap niet sterk hebben bevorderd.”ii

Ik vind dit eigenlijk een heel moderne en gematigde benadering van het ‘probleem’ door een negentiende eeuwse Doopsgezinde leraar. Het voorgeslacht van mijn vader bestaat uit met name hervormde families; daarentegen gebeurde het wel eens dat een hervormde voorvader of -moeder zijn of haar levenspartner vond binnen de Doopsgezinden. Binnen deze Twentse gemengde huwelijken kwam het voor dat de huwelijkspartners besloten de ene helft van de kinderen in de hervormde leer te laten opgroeien en de andere helft van de kinderen Doopsgezind te laten opgroeien. Mevrouw Hammer-Stroeve geeft hiervan als voorbeeld: “B.J. ‘Ben’ ter Kuile (1863-1945) en zijn jonge vrouw2 maakten bij hun huwelijk in 1898 de onderlinge afspraak, dat bij de komst van kinderen de jongens hervormd als hun vader, en de meisjes doopsgezind als hun moeder zouden worden opgevoed. Deze kinderen kregen catechisatie en bij doop, huwelijk en overlijden werden de kerkelijke verplichtingen in acht genomen.”iii Deze kerkelijke vrijzinnigheid paste – algemeen bekeken – binnen het Twentse ondernemersmilieu.

In Friesland waren, zoals gemeld, twee stromingen van doopsgezinden, de zogenaamde ‘Fijnen’ en de gematigde mennisten. Tot deze laatste groep behoorden zowel de schrijver Blaupot ten Cate als de nakomelingen van het oude geslacht Ipma. Tot in de tweede helft van de achttiende eeuw lieten zij hun kinderen afwisselend op jonge leeftijd dopen, dan wel op volwassen leeftijd. Ook bij hun partnerkeuze lieten zij zich minder leiden door het kerkgenootschap, maar – zo lijkt het – meer op de maatschappelijke positie van hun partner. Het vergaren van een omvangrijk landerijenbezit was niet zozeer te danken aan het ‘goede boeren’, maar des te meer te danken aan het ‘goede trouwen’. De sobere levenswijze van de Doopsgezinden zal vast wel een positieve invloed hebben gehad op de vermogenspositie, al is geldverkwisting nuchtere Friezen überhaupt vreemd.

10 december 1706

Vrijdag 10 december 1706 was een bijzondere dag voor het jonge gezin Sjoerd Simons en Acke Martens. Niet enkel doordat zij kort tevoren was bevallen van hun eerste kind, maar temeer zij op genoemde datum haarzelf – 25 jaar oud zijnde – en deze zoon Tjepke Sjoerds hervormd liet dopen. Dit terwijl zij beiden een doopsgezinde achtergrond hadden. Zij gaf voor dit speciale moment de voorkeur aan de predikant van Oosterend. Dit is opvallend aangezien zij met haar echtgenoot toen al in Wieuwerd woonde. De reden hierachter zal liggen in het feit dat zijzelf opgroeide in het boerengehuchtje Hennaard, welke kleine gemeente die jaren werd bediend door de predikant van het nabijgelegen Oosterend.3 Van het kerkje van Hennaard moet men zich weinig voorstellen; “de kerk is een klein gebouw, met eenen stompen toren, doch zonder orgel.”iv Het onderhoud van dit kerkje werd de kleine hervormde gemeenschap van Hennaard in de negentiende eeuw te duur; zij lieten het gebouw met toren rond 1863 afbreken.

De overige kinderen van het echtpaar Sjoerd Simons en Acke Martens werden eveneens hervormd gedoopt. Voor deze kinderen werd echter de predikant van hun woonplaats Wieuwerd verkozen; deze kinderen werden aldaar door mijn voorvader ds. Lubbertus Henrici Urétèrpius (1660-1721)4 gedoopt. Sjoerd Simons volgde zijn vader op op diens zathe Swanwert te Wieuwerd. Dit was een van de stemgerechtigde zathes van Wieuwerd. Blijkens de quotisatiekohieren van 1749 had het gezin van Sjoerd Simons niets te klagen; hij werd aangeduid als “heel welgestelde huisman”.v Zijn weduwe overleefde hem vele jaren; zij was op het moment van sterven waarschijnlijk de oudste inwoonster van Wieuwerd en omgeving. Op haar grafsteen in de kerk van Lutkewierum valt te lezen: “1775 den 22 iannuarij is dor de heere gerust de eersame Akke Martens te Swanwert onder Weuwert in de ouderdom van 94 iaar legt onder dese steen.”vi

Achternaam Ypma

Niet enkel Acke Martens werd in Lutkewierum begraven; ook twee van haar zonen vonden daar hun laatste rustplaats. Deze zonen, Tjepke en Simon Sjoerds, werden boeren te resp. Lutkewierum en Nijland. Blijkens de quotisatiekohieren van 1749 waren deze broers eveneens welgesteld; ook zij zullen dit te danken hebben gehad aan een gegoede huwelijkspartner. Tjepke Sjoerds trouwde in 1746 met een dochter van de rijke herenboer Folkert Reinders Rispens en Simon Sjoerds trouwde in 1738 met een dochter van de rijke herenboer – en mederechter van Baarderadeel – Cornelis Pieters Bosma.5

Simon Sjoerds vestigde zich als boer in Nijland, het dorp waar zijn voorouders Ipma eveneens boerden en aan welke uitgestorven familie verschillende graven in de kerk herinneren. Het is dan ook niet te verwonderen dat Simon Sjoerds – als eerste van zijn stam – de achternaam Ypma aannam. Simon Sjoerds Ypma overleed op 14 september 1777 te Nijland, maar liet zich evenals zijn moeder bijzetten in de kerk van Lutkewierum. Een geboortelepel van zijn achterkleindochter Marijke Sietses Ypma (1811-1869) vertoond een familiewapen: een springend paard. De tekst op de zilveren geboortelepel luidt: “1811 den 11 augustus kwam ik in haat en sorgendal, en wens dat ik in liefde geloof en hoop einden zal, Marijke Z. Ypma”.vii

11 augustus 1811 was toevallig de dag dat in de noordelijke Nederlanden de eerste oproep binnenkwam om een achternaam aan te nemen.viii De tekst van de lepel zal echter verwijzen naar de algemene beroering omtrent de introductie van de dienstplicht in Nederland door Napoleon; dit was namelijk ook in 1811. “De strijd in Spanje, die hij nooit helemaal kon winnen, vergde een onophoudelijke stroom verse troepen – in 1811 waren er 400.000 Franse soldaten gelegerd op het Iberisch schiereiland! Terwijl de oorlog in Spanje voortduurde, verzamelde Napoleon voor zijn veldtocht tegen Rusland in 1812 een nog groter leger. Inclusief de versterkingen die hij in de loop van het jaar naar Rusland dirigeerde, ging het om ruim 600.000 man.”ix Ondanks de bezorgdheid over de zojuist ingevoerde dienstplicht en de oorlogszuchtigheid van keizer Napoleon bleef verzet uit. Gelukkig ontliepen de Ypma’s de dans; zij hoefden niet te dienen onder Napoleon.6

Gezin Tjepke Sjoerds (1706-1788) en Afke Folkerts Rispens (-1760)

Tjepke Sjoerds (1706-1788), de broer van de voornoemde Simon Sjoerds Ypma (-1777) te Nijland, voelde zich niet geroepen om een achternaam aan te nemen; hij hield het bij een patroniem. Uit zijn huwelijk met Afke Folkerts Rispens (-1760) werden twee zonen geboren. Het was tot in de twintigste eeuw gebruikelijk de oudste zoon te vernoemen naar de vader van de vader en tweede zoon naar de vader van de moeder. Ook in dit gezin was dat het geval: de oudste zoon Sjoerd werd omstreeks 1747 geboren en de tweede zoon Folkert werd omstreeks 1750 geboren. Het exacte jaartal is onbekend doordat beide zonen niet hervormd zijn gedoopt. In tegenstelling tot hun vader, die hervormd was opgevoed, kregen Sjoerd en Folkert een doopsgezinde opvoeding. Ook in dit geval blijkt de moeder de overhand te hebben gehad qua religie; Afke Folkerts Rispens was namelijk doopsgezind. Zoals eerder al aan bod kwam, konden hervormden en doopsgezinden in Friesland prima met elkaar overweg; doopsgezind of vrijzinnig hervormd was voor deze families geen heikel punt. Het is dan ook niet te verwonderen dat de jongste zoon Folkert Tjepkes het alsnog schopte tot kerkvoogd te Lutkewierum. Folkert Tjepkes was overigens de tweede van deze stam – na zijn oom Simon Sjoerds Ypma – die de achternaam Ypma aannam; op zijn grafsteen in de kerk van Lutkewierum valt te lezen: “Anno 1808 den 10 october is overleeden de eersame Folkert Tjepkes Ypma kerkvoogd tot Lutkewerum oud in het 59ste iaar en leit alhier begraven”.x Zijn oudere broer Sjoerd Tjepkes vond het dragen van een achternaam maar flauwekul; hij zwichtte in 1811 – op 64-jarige leeftijd – onder de druk van Napoleon’s introductie van de burgerlijke stand in Nederland.7 Hij heet voortaan Sjoerd Tjepkes Ypma.



Naamsaanneming Ypma door Sjoerd Tjepkes, Hennaarderadeel 1811

De achternaam Ypma verschilt in spelling van de oude geslachtsnaam Ipma. Waarom Simon Sjoerds Ypma in de achttiende eeuw bewust8 voor een andere schrijfwijze heeft gekozen is niet meer te achterhalen. Wel is bekend dat de “y” in Friesland werd uitgesproken als lange i (‘ie’) en daarmee fonetisch niet of nauwelijks verschilde van de oude geslachtsnaam Ipma.

Sjoerd Tjepkes Ypma (ca. 1747-1823)

Sjoerd Tjepkes Ypma werd zoals gezegd rond 1747 geboren te Lutkewierum. Zijn vader was boer op Mollema, een oude stemgerechtigde zathe bij Lutkewierum. Voor 1770 vestigde Sjoerd Tjepkes zich in Oosterend, de geboorteplaats van zijn in 1760 overleden moeder Afke Folkerts Rispens. Op 6 mei 1770 trouwde hij met de twintigjarige Trijntje Doekeles Sionstra. Haar familie was sedert 1693 de eigenaar van de aanzienlijke zathe Sions bij Oosterend en vervulde daarnaast ambten als bijzitter en ontvanger van Oosterend. Haar vader, Doekele Hettes Sionstra, was geen onbekende van Sjoerd Tjepkes; hij was namelijk in 1738 gehuwd met zijn tante Foeckien Folkerts Rispens. Na haar vroegtijdige overlijden hertrouwde hij in 1748 met Acke Clases Schinga; uit dit huwelijk werd in 1750 de voornoemde Trijntje Doekeles Sionstra geboren. Uit het huwelijk van Sjoerd Tjepkes en Trijntje Doekeles Sionstra werden drie zonen en een dochter geboren (zie onderstaand genealogisch fragment).

Deze vier kinderen zijn in hun jeugd niet gedoopt; vader Sjoerd Tjepkes was doopsgezind en moeder Trijntje Doekeles Sionstra (van huis uit hervormd) was blijkbaar toegevelijk op kerkelijk gebied. De twee oudste zonen lieten zich op jongvolwassen leeftijd wel alsnog hervormd dopen; dat stond hen vrij. Doordat de kinderen niet gedoopt waren zij moeilijk te identificeren; hieruit blijkt de noodzaak van de burgerlijk stand in 1811. Met de invoering van de burgerlijke stand werd men niet enkel gevraagd om een achternaam aan te nemen, maar tevens om geboortes aan te geven alsmede werd een geboorteakte vereist bij het aangaan van een huwelijk. Dit leidde in 1813 begrijpelijkerwijs tot een extra handeling voor dochter Aafke Sjoerds Ypma (1785-1865), die toen graag wilde trouwen met Sybren Rienks Sybrandi, “dewijl zij niet in de mogelijkheid is eene doopacte te produceren; om redenen zij in haare jeugd niet gedoopt was.” Om haar leeftijd alsnog aan te kunnen tonen moest zij een groepje familieleden en vrienden optrommelen die voor haar wilde verklaren “zeer wel te weten, dat genoemde Aafke Sjoerds Ypma geboren is te Oosterend den Achtsten Augustus Eenduisend zevenhonderd en vijfentachtig; voor redenen van wetenschap gevende dat zij haar van der jeugd af gekend hebben.”xi Opmerkelijk genoeg ontbrak haar vader als getuige… Niet zonder reden, blijkens de aan de huwelijksbijlagen toegevoegde bijzondere Acte van Eerbied:

Voor ons Mr. Lambertus Johannes Huber, keiserlijk notaris te Dronrijp, (..) benevens de twee nagenoemde getuigen is gecompareerd Aafke Sjoerds Ypma, wonende te Oosterend, oud seventwintig jaar, thans logerende te Ytens, welke te kennen heeft gegeven dat zij niet kunnende slagen om van Sjoerd Tjipkes Ypma, haren vader wonende te Oosterend, toestemming te bekomen tot het huwelijk, hetwelk zij wenscht aan te gaan met Sybren Rienks Sybrandi te Ytens woonagtig, dat zij zich gedrongen ziet om den middelen te gebruiken die de wet haar aan de hand geeft, hebbende zij diensvolgens verklaard, haren vader bij deze acte onderdaniglijk te verzoeken en te smeken, om in overweging te willen nemen, de tedere liefde, welke zij Sybren Rienks Sybrandi toedraagt, het geluk dat zij hoopt te smaken met deze haren geliefden, en om haar de toestemming te verlenen, welke zij van zijne vaderlijke tederheid verlangt, en welke zij immer tonen zal zich waardig te maken, door aan dezelve alle eerbied, en de verknogtheid te bewijzen, die een regtgeaarde dochter aan hem, wien zij het leven te danken heeft, verschuldigt is,

en is mede gecompareerd Sjoerd Tjipkes Ypma te Oosterend, dewelke verklaarde, zijne toestemming te geven tot vorenstaande huwelijk, waarvan acte aan de comparanten is voorgelezen, gedaan en gepasseerd te Oosterend op heden den eersten May agtienhondert en dertien ter presente vertekende van Jochum Terguin, deurwaarder bij het vredegeregt canton Dronrijp (…) en Reinder Heerkes Rosijn, veldwagter te Oosterend als verzogte getuigen en mij notaris.

(was get.)

Afke S Ypma S T Ypma (etc.)”xii

Wanneer één van de ouders weigerde toestemming te geven kon de huwelijkspartner aan de kantonrechter een ‘akte van eerbied’ vragen, een akte waarin de kantonrechter regelde dat een meerderjarige onder de dertig jaar toch zonder toestemming van zijn ouders of grootouders in het huwelijk kon treden. Duidelijk is dat vader Sjoerd Tjepkes Ypma tegen dit huwelijk was, maar hij zwichtte op het laatste moment alsnog voor de smeekbede van zijn enige dochter. Later zal blijken dat de familie Ypma zich vaker zou beroeren om een huwelijk. Het huwelijksgeluk van Sybren Rienks Sybrandi en Aafke Sjoerds Ypma heeft gelukkig bijna een halve eeuw mogen duren.

De moeder van Aafke Sjoerds Ypma heeft het huwelijk niet meer meegemaakt; zij overleed reeds voor 1794. In dat jaar hertrouwde haar vader met de twintig jaar jongere Maaike Ates (postuum: Terpstra) (1767-1810), een boerendochter uit Mantgum. Uit dit huwelijk werden vier zonen geboren, waarvan 1 zoon als baby overleed. Deze kinderen werden – in tegenstelling tot de kinderen uit zijn eerste echt – wel gelijk als kind gedoopt. Mijn voorvader Ate Sjoerds Ypma werd in 1796 door de oude predikant Petrus de Gavere in Oosterend gedoopt.9

Landerijenbezit der Ypma’s van Oosterend

Oosterend, in het Fries Easterein geheten, is één van de twaalf dorpen in de voormalige grietenij/gemeente Hennaarderadeel. Sinds 1984 valt Oosterend onder Littenseradiel, een samenvoeging van Hennaarderadeel en Baarderadeel. Littenseradeel is de Nederlandse gemeente met het meest aantal dorpen en is daarnaast de minst verstedelijkte gemeente van Nederland met het hoogste percentage landbouwgrond.xiii Oosterend is een van haar oudste dorpen. Bij de afgraving van een terp in de negentiende eeuw werd Romeins aardewerk gevonden. Rond het jaar 1100 werd hier een tufstenen kerk gesticht, maar wellicht stond hier reeds voor het jaar 1000 al een kerkje.xiv In de veertiende eeuw volgde de bouw van de huidige Martinikerk op een omgrachte terp. Sedert de reformatie is de kerk in handen van de Nederduits-gereformeerde (lees: Hervormde) gemeente.

Dit deel is een heerlijke landstreek, wegens de uitmuntende vruchtbare bouw- en weidlanden. (…) Men vindt hier vrij groote boerderijen en vele gegoede ingezetenen; terwijl twee voorname vaarten en vele goede rijdwegen de gemeenschap gemakkelijk maken.” schreven de heren Van der Aa en Van Breest Smallenburg in 1833 over de grietenij Hennaarderadeel. Over het dorp Oosterend vervolgde hij: “Oosterend (…) in zijnen omtrek wel een uur lang. De Roomsch-Catholijke kerk te Roodhuis behoort hieronder. Voor het jaar 1685 had de toren bij de kerk staande eene steenen spits, doch naardien in 1672 dezen toren, door den bliksem is beschadigd, heeft dezelve nu een houten spits van 9,5 Nederl. ellen hoogte. In de kerk vindt men een orgel; ook is dezelve inwendig zeer fraai. Schotanus spreekt van twee staten Donia en Bonga, tot dit dorp behoorende. Oosterend met Hennaard gecombineerd, behoort onder de Classis van Harlingen.”xv



gezicht op Oosterend eind 18e eeuw

Verschillende leden van de familie Bonga vervulden de functie van grietman, de Friese benaming voor burgemeester van een grietenij. Hun stamslot in Oosterend werd in 1765 afgebrokenxvi. De oude Doniastate werd al in 1459/1460 in brand gestoken.xvii Naast de grietman, hadden gegoede boeren veel zeggenschap. Elk Fries dorp kende een aantal stemgerechtigde boerderijen. De eigenaren daarvan hadden in de zeventiende en achttiende eeuw invloed op kerkelijke en wereldlijke zaken. Hoe minder stemgerechtigde boerderijen in een dorp, des te meer invloed de eigenaar had op de lokale politiek. Wanneer een boer meerdere stemgerechtigde boerderijen bezat, was vanzelfsprekend zijn invloed groter. In de loop van de achttiende eeuw ontstond er veel weerstand tegen dit stelsel, waarna dit stelsel bij de omwenteling van 1795 verdween.

Sjoerd Tjepkes Ypma (ca. 1747-1823) behoorde later ook tot een van de vermogendste inwoners van Oosterend. Hij liet bij zijn overlijden in 1823 een zuiver te verdeelen vermogen na van f 100.389,71. Blijkbaar was hij de financiële malaise die de Fransen in Nederland achterlieten goed doorgekomen. Zijn kapitaal bestond uit een uitgebreid landerijenbezit in met name Oosterend, maar daarnaast ook in Lutkewierum, Wieuwerd en Tirns. Hoe Sjoerd Tjepkes Ypma zo’n omvangrijk vermogen precies heeft kunnen opbouwen moet ik nog uitvoeriger onderzoeken. Daarentegen kan ik wel een en ander verklaren.

Allereerst had Sjoerd Tjepkes Ypma slechts één broer, de eerder genoemde kerkvoogd Folkert Tjepkes Ypma (ca. 1750-1808). Na diens kinderloze overlijden in 1808 kwam ook diens ouderlijk erfdeel aan Sjoerd Tjepkes Ypma toe. Tot deze boedel behoorde o.a. de Rispenerzathe. Afke Folkerts Rispens, de moeder van Sjoerd Tjepkes Ypma, was een dochter van Folkert Reinders Rispens die volgens de quotisatiekohieren van 1749 op dat moment de op één na rijkste inwoner was van Oosterend. 

Daarnaast kwam een flink kapitaal los van deze familie Sionstra. In 1749 was Hette Doekeles Sionstra de rijkste inwoner van Oosterend.xviii Deze familie stierf in mannelijke lijn uit met diens kleinzoon Hette Doekeles Sionstra (1752-1818), de ongehuwde zwager van Sjoerd Tjepkes Ypma. Diens erfenis werd verdeeld onder (de kinderen uit de eerste echt van) Sjoerd Tjepkes Ypma en Antje Doekeles Kingma-Sionstra (1758-1827). In 1827 kwam ook het gehele vermogen van de kinderloze weduwe Antje Doekeles Kingma-Sionstra toe aan de Ypma’s: dit werd verdeeld onder de kinderen van wijlen Sjoerd Tjepkes Ypma en zijn eerste echtgenote. Daarmee was in 1827 het gehele Sionstra-bezit in handen gekomen van de familie Ypma.

Ook van de tweede echtgenote van Sjoerd Tjepkes Ypma, mijn directe voormoeder Maaike Ates Terpstra (1767-1810), zal het één en ander zijn binnengekomen; zij was namelijk enig erfgenaam van haar ouders. Haar vader was een welgestelde boerxix in Mantgum, al verwacht ik niet dat hij even vermogend was als de aanzienlijke familie Sionstra. Enfin, voor een aanzienlijk deel zal het vermogen van Sjoerd Tjepkes Ypma te danken zijn geweest aan diens huwelijken en de huwelijken van zijn voorouders.



De uitgestrekte landerijen rondom Oosterend van Sjoerd Tjepkes Ypma (1747-1823) en later diens kinderen. Geheel boven de aangrenzende zathes Sions en Galehuis. Daaronder links de zathe Eeskwerd. Daaronder links de Rispenerzathe en geheel rechtsonder de zathe Hoekens.

Sjoerd Tjepkes Ypma (ca. 1747-1823) bezat zes zathes: vier in Oosterend, één in Tirns en één in Wieuwerdxx. Tot 1795 was aan deze boerderijen een stemrecht verbonden, waardoor de eigenaar – zoals eerder aangehaald – invloed had op de lokale politiek. In 1795 kwam met de Bataafse revolutie een einde aan deze op vermogen gebaseerde politieke invloed. Nadat in 1810 koning Lodewijk Napoleon door zijn broer van de troon was gestoten en daarop Nederland werd ingelijfd bij het Franse keizerrijk, kreeg men in Nederland eenzelfde gemeentelijk bestuursstelsel als in Frankrijk. Een Maire, de Franse benaming voor burgemeester, kwam aan het hoofd te staan van een gemeenteraad. In Oosterend werd Hette Doekeles Sionstra de maire van Oosterend met naast hem o.a. diens zwager Sjoerd Tjepkes Ypma als gemeenteraadslid. Sjoerd Tjepkes Ypma was daarmee weer politiek actief.



Leeuwarder Courant 24 juli 1818

Zathe Eeskwerd

Sjoerd Tjepkes Ypma zal zijn meeste boerderijen hebben verpacht; hijzelf kon er immers maar één persoonlijk runnen en dat was de zathe Eeskwerd ten noordwesten van het dorp Oosterend. Op deze boerderij groeiden zijn kinderen op. Dit was waarschijnlijk dezelfde boerderij waarop hij zich al voor 1770 had gevestigd10. Eeskwerd kan men rekenen tot één van de oudste boerderijen van Oosterend; de eerste vermelding dateert uit de 15e eeuw. De boerderij, staande op een terp, werd vroeger uitgesproken als Jiskwertxxi maar stond ook bekend als Adema saete. Deze benaming dankte de boerderij aan de toenmalige bewoners, de doopsgezinde familie Ademaxxii. Dit is geen onbekende familie in de stamboom der Ypma’s; de grootmoeder van Sjoerd Tjepkes Ypma was namelijk een Adema afkomstig van Eeskwerd.11 Haar familie was sedert het einde van de zestiende eeuw de bewoners en eigenaren van Eeskwerd. De straatnaam Eeskwert – eindigend op een t – herinnert aan de oude zathe.

Op 1 mei 1823 overleed Sjoerd Tjepkes Ypma op 76-jarige leeftijd op Eeskwerd. Inmiddels waren zijn meeste kinderen al uitgevlogen; enkel zijn twee jongste zonen – Tiede en Meike Ypma – woonden nog bij hem in op Eeskwerd. De jongste zoon Meike Ypma (1810-1837) was nog een schoolleerling, waardoor met name diens oudere broer Tiede Ypma (1801-1836) zijn vader een helpende hand heeft kunnen bieden.

Sjoerd Tjepkes Ypma overleefde zijn beide echtgenotes. Zijn tweede echtgenote, Maaike Ates Terpstra, stierf in 1810 in het kraambed van haar jongste zoon, de zojuist aangehaalde Meike Ypma. De voornaam Meike voor jongens is, en was, zeer ongebruikelijk; dit was normaliter – ook in Friesland – een meisjesnaam. De naam zal zijn gekozen uit eerbied voor de moeder Maaike die haar zoon niet heeft mogen zien opgroeien…

Na het overlijden van Sjoerd Tjepkes Ypma gingen zijn erfgenamen over tot de boedelscheiding. Deze imposante nalatenschap ter waarde van ruim f 100.000 moest worden verdeeld onder diens zeven kinderen, wat uitkwam op een kindsdeel van f 14.341,-. Het familiekapitaal versnipperde daardoor, hoewel de zes zonen alsnog konden rekenen op een zathe die zij – met uitzondering van de minderjarige zoon Meike – op dat moment al bewoonden. De enige dochter Aafke, die – tegen de wens van haar vader in – getrouwd was met Sybren Rienks Sybrandi, kreeg geen boerderij uit de nalatenschap, maar wel een flink stuk grond – een kleine 20 bunders greidland – onder Wieuwerd.

Zoals te verwachten kwam de zathe Eeskwerd toe aan de op één na jongste zoon Tiede Ypma (1801-1836) die met zijn vader deze boerderij bestierde. Deze zathe telde in 1823 ruim 27 hectares en werd gewaardeerd op 16.280 gulden. “De boerderij, bestaande in levendig vee, boeregereedschappen en meubelen’ werd op 3.647 gulden getaxeerd. In de loop der jaren breidde Tiede Ypma de landerijen uit met greidland in Wommels. In 1829 bewoonde hij de zathe met twee boerenknechten en twee dienstmeiden. Een van de twee boerenknechten was zijn 15-jarige neefje Sjoerd Wybes Ypma.xxiii

Tiede Ypma bleef ongehuwd en stierf op 27 februari 1836 op Eeskwerd “aan de gevolge van zenuw-inzinking-koortsen”.xxiv Hij werd slechts 35 jaar oud. Na het overlijden van Tiede Ypma kwam de zathe toe aan de broers Ate en Meike Ypma. Meike Sjoerds Ypma bewoonde de zathe Galehuis te Oosterend; deze boerderij had hij in 1823 geërfd van zijn vader.

Ate en Meike Ypma besloten de zathe Eeskwerd voorlopig aan te houden en te verhuren, zo blijkt uit de volgende advertentie uit de Leeuwarder Courant van 15 maart 1836:

A.S. Ypma en M.S. Ypma, te Oosterend, presenteren bij beslotene briefjes te verhuren: eene uitmuntende zathe en landen, gelegen te Oosterend, naar naam en faam groot 33 bunder 7 v. roede, alle greidland; zijn de landen dadelijk en de huizinge op den 12 Mei 1836 vrij te aanvaarden.

De briefjes zullen franco voor of op den 24 maart e.k. Moeten bezorgd worden bij A.S. Ypma, te Oosterend, bij wien inmiddels de conditiën zijn te vernemen.”xxv

In 1837 overleed Meike Sjoerds Ypma (1810-1837), hij werd slechts 26 jaar oud. Daardoor kwam de zathe Eeskwerd in handen van Ate Sjoerds Ypma en de weduwe van Meike Sjoerds Ypma. In 1840 besloten zij de boerderij te verkopen: voor f 25.000,- werden Sybren Rienks Sybrandi en diens echtgenote Aafke Sjoerds Ypma de nieuwe eigenaren van Eeskwerd! Wie zou in 1813 hebben geloofd dat juist de enige dochter van Sjoerd Tjepkes Ypma, met wie hij toen een bekoelde relatie onderhield, ooit nog haar ouderlijke zathe zou verkrijgen…



De zathe Eeskwerd

Tot 1823 in eigendom van Sjoerd Tjipkes Ypma

1823-1836 in eigendom van Tiede Sjoerds Ypma

1836-1840 in eigendom van Ate Sjoerds Ypma en (de erven) Meike Sjoerds Ypma

1840- in eigendom van Sybren Rienks Sybrandi en zijn echtgenote Aafke Sjoerds Ypma

Het ‘dijkhuisje’ (rood omlijnd), in huur bewoond door de familie Dijkstra, lag in de Wommelservaart ten noorden van het dorp Oosterend.


Ate Sjoerds Ypma (1796-1873), jeugd

In dit artikel volg ik de lijn van mijn directe stamvader; dat is de oudste zoon uit het tweede huwelijk van Sjoerd Tjepkes Ypma. Ate Sjoerds Ypma werd 5 maart 1796 geboren in Oosterend en 17 april van dat jaar gedoopt door de eerdergenoemde predikant Petrus de Gavere. Hij was daarmee het eerste kind van zijn vader die kort na de geboorte werd gedoopt. Hij volgde daarmee in de voetsporen van zijn moeder Maaike Ates Terpstra die eveneens de kinderdoop had ontvangen.

Het leeftijdsverschil met zijn oudere halfbroers- en zuster was groot; Ate lag nog in de luiers toen zijn oudste halfbroer Tjepke Sjoerds Ypma (1771-1811) in 1797 trouwde en zijn halfbroer Doekele Sjoerds Ypma (1773-1840) was zelfs al voor de geboorte van Ate getrouwd. Zo kon het gebeuren dat Sjoerd Tjepkes Ypma in 1796 opnieuw vader werd, maar in hetzelfde jaar ook voor het eerst grootvader werd.13 Sjoerd Tjepkes Ypma was toen bijna 50 jaar oud. Het zou vaker voorkomen dat de vrouw van en één van de schoondochters van Sjoerd Tjepkes Ypma tegelijkertijd zwanger waren..

Ate Sjoerds Ypma, hierna voor de leesvaardigheid enkele Ate genoemd, heeft daardoor zijn oudere halfbroers met name gekend van familiebezoekjes over en weer. Toen zijn moeder in 1810 in het kraambed overleed was Ate 14 jaar oud. Op dat moment bestond het huishouden op Eeskwerd – op eventuele inwonende knechten en dienstboden na – uit de 63-jarige vader Sjoerd Tjepkes Ypma, de 24-jarige dochter Aafke, de 14-jarige Ate, de 9-jarige Tiede en de zuigeling Meike. Het zal niet te verwonderen zijn dat de zorg voor de kinderen beruste op de schouders van halfzuster Aafke. Toen Aafke een drie jaar later met haar grote liefde Sybren Rienks Sybrandi trouwde was dat – zoals bekend – tegen de zin van haar vader; het zal mij niet verbazen wanneer haar vader dit huwelijk wilde tegengaan doordat hij liever zag dat Aafke – als enige vrouw in de familie – de zorg droeg over haar minderjarige halfbroertjes. Gelukkig voor Aafke zwichtte haar vader voor haar smeekbede; de zorg voor de kinderen zal voortaan zijn toevertrouwd aan een inwonende dienstbode.

Friese boerenhuwelijkspolitiek

Dat je ouders geen geld hebben, daar kun je niets aan doen. Maar dat je schoonvader arm is, is dat je eigen schuld”

Waarom zou je een aardige arme nemen, als er ook aardige rijken zijn?”xxvi

Met deze twee ‘fout‘-klinkende quotes wil ik graag dit kopje beginnen. Ik verwacht dat een groot gedeelte van mijn voorgeslacht hier ook om zou moeten lachen, maar misschien zouden zij deze ‘wijsheden‘ mogelijk zelfs aan hun kinderen hebben overgedragen. Men moet zich realiseren dat vroeger huwelijken niet enkel een bezegeling waren van liefde, maar dat dit tevens als een belangenkwestie moet worden gezien. Huwelijkspolitiek was niet enkel weggelegd voor de adel of het fabrikantenmilieu, maar kwam in verschillende klassen voor. Daarnaast was het sociale verkeer tussen de verschillende klassen onderling tot in de twintigste eeuw relatief klein te noemen. Huwelijkspartners waren daardoor vaak afkomstig uit dezelfde sociale klasse.

Zoals al vaker in dit artikeltje is doorgeschemerd, blijken huwelijken voor een boerenfamilie van groot belang te zijn geweest. Sjoerd Tjepkes Ypma (ca. 1747-1823) heeft zijn aanzienlijke vermogen te danken gehad aan verschillende erfenissen, van zowel de warme- als koude kant. Daarnaast hadden zijn voorouders kleine gezinnen, waardoor het familiekapitaal niet ernstig versplinterde. Een boerderij werd immers niet opgedeeld, maar kwam toe aan – normaliter – de oudste zoon. De andere kinderen moesten hopen op een resterend kapitaal waardoor zij alsnog in staat waren een kleinere boerderij te kopen; anders was dat nageslacht gedoemd in armoede te vervallen. Wel mag ook gezegd worden dat Sjoerd Tjepkes Ypma het tij mee had; in de achttiende eeuw kon men Friesland namelijk rekenen tot één van de rijkste provincies van het land.14

Om een huwelijk aan te gaan moest de bruidegom in zijn eigen onderhoud kunnen voorzien. De kinderen van Sjoerd Tjepkes Ypma waren daardoor vroeg huwbaar; hij had immers zes boerderijen en zes zonen. Dit gegeven is niet toevallig; hij wenste iedere zoon een boerderij na te laten.

Ate Sjoerds Ypma (1796-1873), eerste huwelijk met Dirkien Sybrens Sypersma 1816

Ate wilde snel in de voetsporen treden van zijn oudere halfbroers; hij wilde ook een eigen huishouding vormen. Op 29 mei 1816, slechts 20 jaar oud zijnde, trad hij te Oosterend in het huwelijk met Dirkien Sybrens Sypersma (1796-1826). Haar vader, een welgestelde boer uit Oosterlittens, had toevallig slechts drie dochters. Dit maakte haar een ideale huwelijkspartner. Voor de wet waren zij echter nog minderjarig, waardoor huwelijkstoestemming van beiden ouders noodzakelijk was. De families behoorde tot dezelfde sociale klasse, waardoor dit huwelijk dan ook door vader Sjoerd Tjepkes Ypma werd toegejuicht; hij gaf ditmaal – in tegenstelling tot het huwelijk van zijn dochter drie jaar eerder – wel huwelijkstoestemming en trad hij zelfs op als getuige.15

Een fijne bijkomstigheid van dit huwelijk was dat Ate de dans ontsprong wat betreft de dienstplicht. Het certificaat ter voldoening aan de Nationale Militie meldde “dat aan [Ate Sjoerds Ypma] vervolgens bij de loting van 1817 is ten deel gevallen het nummer 27 en hij vervolgens door de Militie-Raad, zitting hebbende gehouden te Heerenveen, uit hoofde van zijn huwelijk voor een jaare is vrijgesteld.xxvii Op het formulier van de Nationale Militie werd een signalement opgenomen; Ate was 1,76 meter lang, had een rond aangezicht met een smal voorhoofd, blauwe ogen, een gewone neus, kleine mond, een ronde kin, bruin haar (?)xxviii en bruine wenkbrauwen. Geheel afzijdig stond Ate overigens niet tegenover het leger; in 1833 werd Ate door Z.M. Koning Willem I benoemd tot kapitein der landstorm van Hennaarderadeel. In 1843 komt hij nog voor als kapitein van de 4e compagnie d.d. dienstdoende schutterij aldaar. Het is mij niet bekend of hij als militair heeft gediend bij de Belgische Opstand.

Ate en Dirkien Sybrens Sypersma kregen – behalve een dochtertje die als zuigeling stierf – twee kinderen: Sjoerd (1817-1891) en Gelske Ypma (1821-1897). Hun moeder Dirkien Ypma-Sypersma overleed op 30-jarige leeftijd in 1826. Zoon Sjoerd was toen 9 jaar oud en zijn zus Gelske 5 jaar oud.

Hoe triest de jonge levens van Sjoerd en Gelske ook begonnen, des te meer rooskleurig zag hun toekomst eruit. Dit heeft alles te maken met de verschillende erfenissen die binnenkwamen via hun moeder. Dirkien Sybrens Sypersma was samen met haar twee zusters erfgenaam van haar ouders, maar tevens van haar oom Aede Piers Strikwerda. Hierdoor kwamen tussen 1825 en 1828 grote bedragen binnen die haar man/weduwnaar Ate Sjoerds Ypma voor zijn onmondige kinderen moest beheren.

Tot deze erfenissen behoorde onroerend goed in Oosterlittens16, vermoedelijk bestaande uit een boerderij aldaar. Reeds in 1840 bewoonden de 23-jarige Sjoerd Ates Ypma en zijn 19-jarige zuster Gelske Ates Ypma deze boerderij. Daarnaast hadden zij toen een inwonende boerenknecht en boerenmeid. Zij beiden vonden in Oosterlittens hun huwelijkspartner; Sjoerd trouwde (voor de eerste maal) in 1840 en zijn zuster Gelske in 1841.

Ate Sjoerds Ypma (1796-1873), tweede huwelijk met Beitske Dirks Dijkstra 1830

Na het overlijden van Dirkien Sybrens Sypersma in 1826 bleef Ate met zijn twee jonge kinderen achter op de Rispenerzathe. In 1829 bleek hij twee inwonende dienstmeiden te hebben die zich om de jonge weeskinderen en het huishouden bekommerden; dit waren Eelkje Rintjes Wytsma en Beitske Dirks Dijkstra (1808-1885). Daarnaast vond hij een helpende hand in de inwonende dienstknecht Jacob Dirks Dijkstra (1806-1887). Hij was een broer van de voornoemde Beitske Dirks Dijkstra (hierna enkel Beitske genoemd).

Ate zal zeer te spreken zijn geweest over het functioneren van Beitske; ongetwijfeld was zij een liefdevolle moederfiguur in de levens van Ate’s twee jonge kinderen. Maar daarnaast had hij ook oog voor haar schoonheid… In 1829 vroeg Ate zijn dienstmeisje Beitske namelijk ten huwelijk!

Beitske werd 10 augustus 1808 geboren in Oosterend. Haar ouders, Dirk Dirks Dijkstra (1761-1827) en Aafke Tjerks (1767-1828), huurden een eenvoudig ‘dijkhuisje’ met enkele aangrenzende lapjes grond aan de Wommelservaart van de hervormde gemeente van Oosterend17. Zij verdienden daar een schamel inkomen als koemelker en ‘dijkboer’xxix. Waarom Dirk Dirks in 1811 heeft gekozen voor de achternaam Dijkstra laat zich raden… Zijn dijkhuisje grensde aan het land van de zathe Eeskwerd, waardoor de familie waarschijnlijk bekend was met de familie Ypma. Op nieuwjaarsdag 1827 overleed de vader van Beitske, waarna haar oudste broer Dirk Dirks Dijkstra Jr. (1791-1846) de huur van het dijkhuisje overnam. Haar moeder Aafke Tjerks verdiende een klein inkomen als koemelkster en overleed in 1828.

Van Beitske’s kant was geen erfenis te verwachten. De verloving en de bruiloft zullen daardoor in Oosterend het gesprek van de dag zijn geweest. Het maatschappelijke contrast tussen Ate en Beitske was erg groot; een herenboer en diens dienstmeisje. De 33-jarige weduwnaar Ate koos niet voor een rijke boerendochter, maar volgde zijn hart. Prachtig als je het mij vraagt, maar de familie van Ate was hierover niet te spreken…

Een huwelijksaanzoek werd door de familie Ypma benaderd als een familieaangelegenheid. Ter illustratie dient het huwelijk van Ate’s jongste broer Meike Sjoerds Ypma (1810-1837). Hij erfde in 1823, op 13-jarige leeftijd, van zijn vader de zathe van oudsher Galehuis genaamd. Zijn oudste volle broer Ate trad bij die gelegenheid op als voogd en Klaas Reinders Rispens was de toeziend voogd. Gezien zijn jeugdige leeftijd werd deze zathe allereerst verpacht. Op 18-jarige leeftijd nam Meike het stokje van de pachter over, waarna hij de familie mededeelde trouwplannen te hebben. Hij had zijn oog laten vallen op de boerendochter Trijntje Sjoerds de Jong (1808-1851) uit Wommels. Hierop werd de gehele familie bij elkaar getrommeld en werd 28 november 1828 op de zathe Eeskwerd een “familieraad” gehouden. Deze familieraad werd bijgewoond door zeven mannen – waaronder Ate – die Meike uiteindelijk goedkeuring gaven om te trouwen. Tiede en Ate waren op 4 juni 1829 de twee huwelijksgetuigen (namens de bruidegom).xxx

Hoe anders verliep de bruiloft van Ate en Beitske een half jaar later. Op 9 januari 1830 trouwden zij in de kerk van Oosterend. Bij dit huwelijk was niemand van de familie Ypma aanwezig; de vier getuigen bestonden uit drie broers en een zwager van Beitske!18 Eén van die getuigen was haar broer Jacob Dirks Dijkstra, die in 1828 bij Ate inwoonde als boerenknecht. De familie Ypma was (tijdelijk) gebrouilleerd…19



Een zilveren dukaat uit 1808 (Koninkrijk Holland), vermaakt tot een rammelaar.

Opdruk ene kant: “Beitske Dirks Dijkstra 1808 augustus 10”

Opdruk andere kant: “Ate Sjoerds Ypma 1796 maart 5”

Gelijk negen maanden na het huwelijk van Ate en Beitske werd hun eerste kind geboren. Helaas bleek dit zoontje niet levensvatbaar. Ate en Beitske kregen in het totaal 9 kinderen, waarvan 5 kinderen op jeugdige leeftijd stierven. Dit was voor die tijd zelfs een zeer hoge kindersterfte; hierover zal veel verdriet zijn geweest. De vier kinderen die wel de volwassen leeftijd bereikten waren:

a) Dirk Ates Ypma (1831-1912) x 1858 Tetje Gerrits Miedema (1833-1886)

b) Maaike Ates Ypma (1833-1880) x 1852 Wopke de Gavere (1828-1900)

c) Aafke Ates Ypma (1842-1893) x 1859 Petrus Rintjes Heeringa (1834-1890)

d) Tiede Ates Ypma (1844-na 1912), ongehuwd.

Deze vier kinderen komen in dit artikeltje later uitgebreid aan bod.

Na het huwelijk bleef Beitske in de haar inmiddels vertrouwde Rispenerzathe wonen; echter vanaf toen niet meer als dienstmeisje, maar als vrouw des huizes. Zij verruilde haar dienstbodekamer voor één van de meer comfortabele vertrekken. Zij bleef betrokken bij de opvoeding van haar twee stiefkinderen en hield zich ook bezig met de huishouding; ditmaal zwaaide ze echter met de scepter. Hiervan kon haar minder gefortuneerde familie profiteren. Zij stelde namelijk verschillende nichten en een neef aan tot resp. dienstmeisjes of dienstknecht. Dankzij het – met name sinds 1850 – goed bijgehouden bevolkingsregister van Oosterend is bekend dat de volgende nichten en neef bij haar inwoonde:

1839: Antje Tjerks Dijkstra

1853-1855: Jeltje Tjerks Dijkstra

1855-1858: Aafke Folkerts Alta

1858- : Tjitske Folkerts Alta

1859-1861: Aafke Folkerts Alta

1860-1863: Jan Folkerts Alta

Antje en Jeltje Tjerks Dijkstra waren dochter van Beitske’s broer Tjerk Dirks Dijkstra. Tjerk Dirks Dijkstra en zijn echtgenote Jantje Hendriks Schotanus overleden in resp. 1839 en 1844, waarna de weeskinderen werden gealimenteerd door de armvoogdij.

Aafke, Tjitske en Jan Folkerts Alta waren de kinderen van Beitske’s zuster Antje Dirks Dijkstra en haar echtgenoot Folkerts Jan Alta. Folkert Jans Alta verdiende een onzeker en schamel inkomen als arbeider. Ik veronderstel dat de relatie tussen Beitske en haar twee stiefkinderen goed was aangezien haar stiefdochter Gelske Wiersma-Ypma (1821-1897) eveneens Aafke Folkerts Alta aanstelde als dienstmeisje. Toen Gelske Wiersma-Ypma in 1857 weduwe werd, bekommerde deze Aafke Folkerts Alta zich over de opvoeding van haar minderjarige kinderen.

De Rispenerzathe onder Oosterend


De Rispenerzathe (Trijehuzen 3)

Ate verwierf uit de nalatenschap van zijn vader de Rispenerzathe, gelegen tussen Oosterend en Hidaard. Blijkens de boedelscheiding was dit de meest waardevolle boerderij. In de boedelscheiding werd het goed als volgt beschreven: “eene zathe en landen staande en gelegen te Oosterend, de Huizinge gequoteerd met No. 73, groot negenendertig bunders [hectares, DJ], eenendertig vierkante roeden enz: (honderd zeven pondematen) greidland, bij hem zelf in gebruik, belast met vierendertig 1/4 floreen op No. 43 en No. 46 te Oosterend en in No. 22 te Hydaard. Belend ten Oosten Gerben J. Wiersma, ten Westen en Noorden Jonkheer J.F. van Humalda, en ten zuiden de kerk van Oosterend, getaxeerd op twintigduizend achthonderd guldens” (f 20.800,-).”.xxxi Gezien het kindsdeel op f 14.341,- neerkwam, stond hij voor een paar duizend gulden in het krijt bij zijn broers en zuster. Dit kon hij vereffenen met de erfenissen afkomstig van zijn eerste echtgenote Dirkien Sybrens Sypersma.



De Rispenerzathe ten zuiden van het dorp Oosterend. De Rispenerzathe van Ate is lichtgroen omcirkeld. Aan de linkerkant van de Wynserdyk (wit) bouwde Ate tussen 1840/1850 een nieuwe boerderij die hij later betrok. Deze boerderij is rood omcirkeld.

De Rispenerzathe was door vererving in handen gekomen van de vader van Ate. De overgrootmoeder van Ate was namelijk een dochter van de eerder aangehaalde Folkert Reinders Rispens. “Hy buorke op Trijehuzen, der’t dizze famylje al fan wit-hoe-ald bekend is. Hy wie ek tjerskfald te Easterein. Syn notysjes binne tige lesber en sekuer.” aldus het Friestalige boek Easterein.xxxii Folkert Reinders Rispens was overigens niet afkomstig van Rispens; hij was afkomstig uit Britswerd en zal door koop eigenaar zijn geworden van dit oude erf. Omstreeks 1402 bewoonden Ocke thoe Rispens en zijn echtgenote Jetscke Bonga20 de Sathe Rispens.xxxiii Later verrezen op deze terp drie boerderijen…

De Rispenerzathe was gelegen onder het dorp Oosterend, tussen de Wynserdyk en de Wynservaart.xxxiv De bijbehorende landerijen strekte zich tot over de Wynserdyk en tot in het zuidelijker gelegen dorp Hidaard. De drie boerderijen van Ate en diens buurmannen Gerben Wiersma en jonkheer Aebinga van Humalda liggen tegenwoordig aan het weggetje Trijehuzen. Deze straatnaam verwijst naar die drie stemgerechtigde boerderijen op Rispens.

De Rispenerzathe, die sedert 1823 eigendom was van Ate, was de grootste van de drie zathes. De andere twee waren eigendom van Gerben Wiersma en jonkheer Idzert Aebinga van Humalda (1754-1834). Aebinga van Humalda was tussen 1814 en 1826 gouverneur van Friesland en staatsraad i.b.d. Hij woonde met zijn echtgenote in Leeuwarden en verpachtte de boerderij op Trijehuzen aan Benedictus Jacobs Leyenaar. De relatie van Ate met zijn buren Wiersma en Leyenaar was goed; zij waren in 1817 en 1821 getuigen bij de aangifte van de geboorte van zijn kinderen. Daarnaast werd de vriendschap in 1841 bezegeld met het huwelijk van Ate’s oudste dochter Gelske met een neef van zijn buurman Wiersma.21



Rispenermolen (fotograaf: R.J. Nauta, 2007)

In 1821 liet Ate een molen bouwen op Rispens. Tussen 1821 en 1964 bemaalde deze molen de gehele Rispenserpolder, 145 hectares groot. In 1994 werd de molen gerestaureerd en verplaatst, waarna het weer in gebruik is genomen. Tegenwoordig wordt de molen door een gedreven vrijwilliger bedient. Deze molenaar, de heer R.J. Nauta, stelt bezoekers in de gelegenheid de molen te bezichtigen.xxxv In de molen zijn verschillende inscripties te vinden uit de negentiende en twintigste eeuw. Daarnaast hangt in de molen een bord met een gedicht uit 1821:

Mijn maker zijner geest, door ijverzugt gedreven,

heeft na mij eerst gestigt, dit vaarsjen ook geschreven.

Hij gaf dit vaarsjen hier, als doet getuigenis.

ook hoe het voor mij was, tot nagedachtenis,

en dat ik zijn gesticht op nieuwe fondamente

ja dat mijn grond besat, te voor geen molen kende,

doch stonden als voor mij, drie molens in mijn perk,

noch landeren meer gebracht tot mijner werk;

waar aan als dat ue door leezen als kunt horen,

ik wierde meer belast, als met hun drie te voren,

noch deed ik bovendien, die voor me ging malen

het doelwit van mijn werk, noch verre zeegepralen,

maar gij als molenaar! Aan wie ik word belast

de winden zijn zeer ras! Wel op u zaken past,

draagt zorg, als gij mijn gang, door mijne vang wilt stuiten

om dan niet te ras de vang, te eng te sluiten,

aan het vangen leit er veel, want ziet met volle reeden,

om vors te stille staan doet beven mijne leeden,

spaart ook uw eigen lijf te raken mijne werken,

want tegen mijnen gang, zult gij niet kunnen sterken,

dees les ontvangt van mij, ik maker dezer molen

op dat gij onbedacht, niet in dees ramp komt delen

ook wens ik dit gebouw, zelfs aan den eigenaar

met zeegen in gebruik, veel tijden, menig jaar,

ik dank ook voor de gunst die gij mij deed betoonen

en ‘k bid, dat God! Zijn heil, als in uw huis doet wonen

dees wensch ontvangt van mij door hartelijke wegen

ik sluite met het woord God! schenke zijn zeegen

noch dient hier wel geplaatst, te sluiten mede in

ter nagedachtenis dees molen zijn begin,

wel aan den jaargetal, als mede maand, en dag,

als men voor de eerste maal dees molen zag,

met naam des eigenaars en wie dees molen heeft gesticht,

staat door gebrek aan plaats ter zijden dit gedicht,

deze molen is gesticht in het jaar 1821

en heeft in volle glans voor de eerste maal doen malen

den 27 november van gemelde jaar.”

Rechts verticaal in de kantlijn: “Arjen Gerbens Timminga, Mtr. molenmaker tot Oosterend”

Links verticaal in de kantlijn: “Ate Sjoerds Ypma, Erfgezeten Huisman van deze Plaats”xxxvi

In de jaren ’30 van de negentiende eeuw liet Ate een nieuwe boerderij bouwen aan de Wynserdyk onder Oosterend. Deze boerderij lag op zijn land wat aangesloten was aan de hem toebehorende Rispenerzathe (huizingen nr. 73). Daarvoor kreeg deze nieuwe boerderij in eerste instantie het nummer 73a; later stond deze boerderij bekend als nr. 98.  Voor de bouw van een nieuwe boerderij was in 1840 geld vrijgekomen door de verkoop van de zathe Eeskwerd, waarvan Ate sinds het overlijden van zijn ongehuwde broer Tiede voor de helft eigenaar was. De Rispenerzathe verpachtte Ate voortaan enige jaren aan Gerrit Pieters de Boer.

In 1846 verkocht Ate de Rispenerzathe voor f 32.000,- aan het echtpaar Arjen Wybrens Jaarsma en Fokeltje Sierks Jouwsma. Ate woonde tot zijn overlijden op de door hem gebouwde boerderij aan de Wynserdyk. Het is opvallend dat hij deze nieuwe boerderij in 1870 verkocht voor f 48.600,- aan kolonel Frederik Ypey te Zutphen. Voortaan pachtte Ate de boerderij. Op het moment van verkoop was Ate 74 jaar oud en realiseerde zich waarschijnlijk dat hij niet eeuwige leven had. Hij zal de boerderij hebben verkocht om een toekomstige boedelscheiding voor zijn erfgenamen makkelijker te maken.

Zoals gezegd bewoonde Ate met zijn gezin de boerderij aan de Wynserdyk (thans: nr. 28) tot aan zijn overlijden in 1873. In deze boerderij zal mijn over-overgrootmoeder Aafke Heeringa-Ypma zijn geboren. Hoewel de boerderij sinds 1870 niet meer in eigendom van de familie was, ging de pacht na het overlijden van Ate in 1873 wel over op diens oudste zoon (uit tweede echt), Dirk Ates Ypma (1831-1912). Het huwelijk van Dirk Ates Ypma (1831-1912) en Tetje Gerrits Miedema (1833-1886) bleef kinderloos. In 1899 verliet 68-jarige Dirk Ates Ypma de boerderij aan de Wynserdyk; hij ging voortaan rentenieren te Huizum.



De boerderij staande aan de Wynserdyk, rond 1840 gebouwd door Ate Sjoerds Ypma


De longziekte onder runderen in Friesland

In de negentiende eeuw waren longziektes onder vee een zorg voor de boeren. Verschillende jaren kwamen gevallen van een besmettelijke longziekte voor onder rundvee. Bij constatering van de ziekte werd in eerste instantie het ‘dadelijk afmaken van het aangetaste of ook vermoedelijk besmette vee’ aanbevolen. Een Commissie tot onderzoek en waarneming der Longziekte onder het rundvee bepaalde in 1853 “dat er inentingen zouden plaats hebben, wanneer op aangetaste stallen van meer dan 10 runderen de eigenaar van het vee daartoe genegen was en de plaatselijke gesteldheid eene strikte afzondering der ingeënte dieren toeliet.”xxxviii

Inentingen en isolatie van de betreffende runderen boden een goede remedie tegen ongecontroleerde verspreiding van de longziekte, echter stierven vaak wel enige runderen per besmet bedrijf. In Friesland werden in de periode 1858-1859 en 1859-1860 resp. 6796 en 4632 runderen ingeënt; daarvan stierven – of werden gedood – resp. 190 en 93 runderen. Drie procent van de ingeënte koeien verloor na de inenting de staartpluim of zelfs de halve staart.xxxix

Wanneer de ziekte werd geconstateerd op een boerenbedrijf had dit voor de boer grote gevolgen. Vaak stierven enkele koeien alvorens de inenting, maar daarnaast werd regelmatig overgegaan tot het afmaken van koeien. Wanneer dit geschiedde, gebeurde dit voor rekening der eigenaarsxl, tenzij de boer zijn vee had verzekerd bij een Onderlinge Verzekering van Rundvee tegen Longziekte. Daarnaast konden de aangetaste koeien geen melk geven en dreef de longziekte de prijs van vee zeer op.xli

1856 was een zeer zorgwekkend jaar voor de Friese boeren. “Het vee is zeer duur. Sedert het begin dezes jaars zijn ten gevolge der longziekte over de 2000 runderen gestorven. (…) Het vee is zeer duur, de longziekte neemt weekelijks nog tot 140 runderen tot slachtoffers. Ook onder het behoor van Wirdum is het opvolgende zeer aanzienlijk.” schreef de Friese boer Doeke Wijgers Hellema (1766-1856) in april 1856. In augustus 1856 noteerde hij “De longziekte rukt nog steeds vele runderen weg. Van tijd tot tijd komen er in alle dorpen van Friesland nieuwe, in de verleden week waren tusschen de 30 en 40. Ook is de varkensziekte overal zeer sterk, er sterven een menigte. Het vee is duur, den boter over den 40 en de kaas 35.”xlii In het totaal stierven in 1856 naar aanleiding van de longziekte 5531 runderen! Een aantal dat een veelvoud is van de slachtoffers in de jaren 1858-1859 en 1859-1860.

In juli 1856 werd de longziekte geconstateerd op de boerderij van de weduwe van Meike Ypma en haar vier dochters.xliii In oktober 1856 was de longziekte verspreid naar de boerderijen van Ate en diens schoonzoon Wopke de Gavere.xliv In 1857 werd de longziekte op de boerderij van Ate’s jongste zoon geconstateerd en in februari 1862 werd het vee van Ate wederom geteisterd door de longziekte. De ziekte onder zijn runderen zal Ate zeker niet koud hebben gelaten en niet enkel vanwege de financiële consequenties.

Ate was trots op zijn runderen en ging zelfs tentoonstellingen af om te pronken met zijn mooiste kalveren. Op maandag 20 en dinsdag 21 augustus 1855 werd de Algemene Tentoonstelling der Friesche Maatschappij van Landbouw en Veeteelt gehouden in de stad Bolsward. Deze tentoonstelling trok veel bekijks; Op de agenda stondenVolks Vermakelijkheden, Diner onder de Leden der Maatschappij [en] schitterend Vuurwerk op het Veld van de Tentoonstelling, en na afloop van hetzelve: Frascati in de versierde zaal van de Sociëteit De Doele.” Op dinsdag 21 augustus werd de tentoonstelling vervolgd met “Keuring der Spanpaarden, Harddraverij [en] Muzijk in den verlichten Tuin of in de versierde Zaal van de Sociëteit De Doele.”xlv Paarden, koeien, schapen, biggen, kalkoenen, eenden, ganzen, kippen, konijnen, maar ook ‘nieuwe of verbeterde werktuigen’, ‘veld-, tuin- en boomvruchten’ en diverse kazen, bloemen, heesters, potgewassen en kasvruchten werden tentoongesteld. De 58 verschillende categorieën werden beoordeeld door een deskundige jury. Voor de deelnemers vielen prijzen te winnen, variërende van f 2,50 tot f 40,-. Ate nam deel aan de categorie ‘hoklingen‘ (kalveren), die per tweetal werden tentoongesteld. Hiermee won Ate de tweede prijs: f 7,50.xlvi

Boerencultuur in Friesland in de negentiende eeuw

In de tijd van Ate was bijna de helft – in 1859: 46,4 procentxlvii – van de beroepsbevolking van Friesland werkzaam in de landbouw. Voor Hennaarderadeel zal dit percentage nog hoger hebben gelegen. Doordat de Friese elite zich in de negentiende eeuw steeds meer richtte op Holland, ontstond een toenemend traditionalisme van de boerencultuur. Ten tijde van de agrarische hoogconjunctuur, tussen 1850 en 1870, resulteerde dit in een opleving van traditionele klederdracht en het dragen van gouden en zilveren sieraden. Blijkens de huwelijksvoorwaarden van Ate was zijn tweede echtgenote Beitske Dirks Dijkstra (1808-1885) rijk voorzien van gouden en zilveren sieraden, waarvan een gouden oorijzer en gouden kroontje ‘van een streng coralen’ tot de kostbaarste juwelen behoorden. xlviii In 1883 bestonden haar gouden juwelen uit “een oorijzer met breeden beugel, van den tweeden en vierden titel, geschat op honderd vijf en veertig gulden vijfentwintig cent, een slot met gitten en koralen, derde titel, op veertien gulden, een haarslot met koralen, derde titel, op acht gulden, een haarslot met gitten, derde titel, op vier gulden vijftig cent, een vingerring en oorringetjes, vierde titel, op een gulden.xlix De sieraden van Ate bestonden enkel uit een trouwring en “een gouden horlogie met gedreven kastdie in 1873 op f 48,- werd gewaardeerd.l

Wethouder van Hennaarderadeel

Ate Sjoerds Ypma was verscheidene decennia politiek actief als wethouder van Hennaarderadeel. Hij is de langstzittende wethouder van Hennaarderadeel ooit. Hij zal zijn functie daardoor naar grote tevredenheid hebben uitgevoerd, hij moest immers telkens herkozen worden. In ieder geval had Ate een vaste schare trouwe en stemgerechtigde vriendengroep die hem bij verkiezingen aanbevolen. Verschillende advertenties werden geplaatst in de Leeuwarder Courant bij verkiezingen voor de gemeenteraad, maar tevens voor volmacht der waterschap ‘Vijf Deelen Zeedijken’.

Bij de aanstaande herstemming van volmachten voor de Vijf Deelen Zeedijken wordt, op grond van veeljarige ondervinding en meer dan gewone bekwaamheid, met allen ernst den Kiezers aanbevolen:

De heer Ate Sjoerds IJpma te Oosterend.

Deze aanbeveling geschiedt in naam van velen, bij wie de gelijkheid van kennis in zulke zaken op hoogen prijs wordt gesteld.”li (Leeuwarder Courant 4 december 1868)

Decennia lang reisde Ate te paard naar Wommels, de hoofdplaats van Hennaarderadeel. Hier stond – en staat nog steeds – het gemeentehuis van Hennaarderadeel (thans Littenseradiel). Ik zou nog eens moeten onderzoeken met wat voor politieke zaken hij te maken kreeg. Wat mij wel bekend is, is dat hij sedert 1868 met de nieuwe burgemeester Ype Rodenhuis in het college van B&W zat. In 1870 stemde Ate nog toe in een traktements-verhoging van f 100,- voor de burgemeester en een verhoging van het traktement van de secretaris met f 200,-. De raad was het hier niet mee eens, en besloot enkel het traktement van de secretaris met f 100,- te verhogen.lii Later, na de dood van Ate, kwam Rodenhuis in opspraak. Hij werd in 1875 uit zijn functies ontslagen aangezien hij werd veroordeeld wegens valsheid in geschrifte. Rodenhuis heeft maar liefst 6,5 jaar in de strafgevangenis te Leeuwarden gezeten.

Ate was tevens zeer actief in zijn eigen dorp Oosterend. Als ambtenaar van de burgerlijke standvoltrok hij huwelijken, hij was commissaris der Commissie tot slatting der Oosterendervaart, taxateur en tussen 1830 en 1870 was hij één van de drie kerkvoogden aldaar. Hij was belast met administratieve taken, de aanstelling van predikanten, in 1838 de reparatie van de kerktoren, het bouwen van de nieuwe pastorie in 1861, de bouw van een nieuwe woning voor de dorpsonderwijzer in 1864 en de verhuur van de herberg in Oosterend.

gevelsteen in de pastorie van Oosterend
(foto met dank aan de heer Gerben W. Visser, 2017)

De herberg aan de driesprong te Oosterend

De herberg op de driesprong van de Wommelserdyk (nu Van Eysingaleane geheten) was eigendom van de Hervormde Gemeente van Oosterend. De kerkvoogden hadden een flinke vinger in de pap wat betreft het reilen en zeilen van de herberg. Daarnaast bepaalden de kerkvoogden wie de huurders werden.

In 1858 zei de toenmalige logementhouder Pieter Oostra de huur op. Hierdoor kwam de herberg weer beschikbaar. Toevallig trouwde een zoon van Ate, Dirk Ypma (1831-1912), dat jaar met een koopmansdochter uit Oosterend. Dirk Ypma had wel oren naar de herberg, gezien hij toch geen boerderij ter beschikking had. Dirk Ypma en zijn echtgenote hebben het logement slechts een jaar geëxploiteerd. 21 april 1859 adverteerde de kerkvoogden in de Leeuwarder Courant:

Bij gesloten briefjes te huur,

voor den tijd van vijf jaren;

Eene herberg en landen te Oosterend; eigen aan de Hervormde Kerkvoogdij aldaar. De conditiën van verhuring liggen ter lezing in die Herberg bij Dirk A. Ypma, bij wien de briefjes moeten worden ingeleverd”liii

7 mei 1859 trouwde de jongste dochter van Ate, mijn voormoeder Aafke Ates Ypma (1842-1893), met Petrus Rintjes Heeringa (1834-1890). Hij was een boerenzoon uit Bozum die tot zijn huwelijk werkzaam was op de ‘Bozummerstate‘ van zijn vader. Hij was echter de derde zoon en kon daardoor niet rekenen op een boerderij. Om in het onderhoud te voorzien kwam deze vacature als geroepen. Wellicht heeft zijn schoonvader, de kerkvoogd Ate Sjoerds Ypma, hier wel een rol van betekenis in gespeeld, want direct na zijn huwelijk trok Petrus Rintjes Heeringa met zijn kersverse echtgenote in op de herberg. Wat daarnaast een mooie bijkomstigheid was, is dat er door de kerkvoogden besloten was een geheel nieuwe herberg te laten bouwen. In het rekeningboek van de Hervormde Kerk stond genoteerd:

In 1860 werd door de kerkvoogden opdracht gegeven aan Jelle Arjens Timmenga, Pieter Bouwes Hoekstra en de toezichthouder Tjerk Dirks Wijma tot het bouwen van een nieuw logement met schuur tegen een bedrag van f 9526,87. Dit wordt in eerste instantie betaald. Later zal voor, hoed en noed nog een bedrag zijn verrekend, zodat het totale bedrag rond f 10.000,- zal hebben gelegen.”liv

Het zou mij niet verbazen dat hierover al enkele jaren werd gesproken en dat Ate daardoor graag zag dat een van zijn zonen of schoonzonen deze kans zou benutten. De nieuwe herberg bood tevens het voordeel dat de kastelein, daarnaast een stalhouderij ter beschikking had en ruimte had voor vee. Zijn schoonzoon Petrus Rintjes Heeringa was dan ook kastelein en veehandelaar. De grote zaal op de eerste verdieping werd met regelmaat gehuurd voor recepties voor een huwelijk of na een begrafenis. Een goede betrekking, althans zo lijkt. Petrus Rintjes Heeringa kreeg aan het einde van de negentiende eeuw onenigheid met de kerkvoogden over de scherpe verhuurvoorwaarden. Daarover later meer. De herberg kwam in 1909 in handen van het geslacht Bergsma en is nu bekend als café Noflik Easterein.

Helpende hand aan de schoonfamilie Dijkstra

Zoals eerder ter sprake is gekomen, was de financiële situatie van verschillende leden van de familie Dijkstra zorgelijk. Ate’s schoonvader Dirk Dirks Dijkstra (1761-1827) huurde een eenvoudig dijkhuisje van de hervormde gemeente van Oosterend. Na diens overlijden werd de huur voortgezet door zijn oudste zoon Dirk Dirks Dijkstra Junior (1791-1846). In 1830 was Dirk Dirks Dijkstra Junior, zwager van Ate, diaken der hervormde gemeente en maakte daarmee samen met de ouderlingen en predikant deel uit van de kerkenraad. De traditionele armenzorg en het aan de orde stellen van sociale problemen behoorde tot de taken van een diaken.

Ate deed op particulier initiatief ook aan armenzorg. Zijn zwager Folkert Alta (1803-1873) had moeite met zijn hoofd boven water te houden als arbeider en boerenknecht. Ate bezat in Hidaard een woning die hij verpachtte. Reeds in 1841 komt Ate voor op een Staat van de dubbelen uitvoer biljetten van wijn en sterke dranken wegens veraccijnsde goederen in de Grietenij Hennaarderadeel als koper van dranken.lv

Deze tapperij in Hidaard verpachtte hij aan zijn zwager Folkert Alta (1803-1873). Waarschijnlijk wilde Ate zijn schoonzuster en zwager een kans geven zich te onttrekken aan de armoede. Desalniettemin beëindigde in 1858 het huurcontract van de tapperij, en werd deze overgenomen door een nicht van Beitske Ypma-Dijkstra; Jeltje Tjerks Dijkstra en haar echtgenoot Jan Douwes Kooistra namen in 1858 de pacht van de tapperij in Hidaard over van haar oom Folkert Alta. In 1865 verlieten Jan Kooistra en zijn echtgenote Jeltje Dijkstra de herberg, althans zo blijkt uit onderstaande advertentie in de Leeuwarder Courant van 10 januari 1865:

Verhuring, bij gesloten briefjes,

van eene huizinge, waarin sedert jaren eene tapperij is uitgeoefend, bevattende: 2 woonkamers, molkenkelder met stalling, schuurtje en tuin, aan den grindweg onder Hijdaard, benevens 3 perceelen best greidland aldaar, thans in gebruik bij Jan D. Kooistra, voor 3 jaren, ingaande Petri en 12 mei 1865, waarvan de conditien ter lezing liggen bij den logementhouder He[e]ringa te Oosterend en de briefjes franco moeten zijn ingeleverd bij den eigenaar A.S. Ypma, onder Oosterend, voor 25 Januarij 1865.”

Dat het exploiteren van herbergen populair was binnen de familie, wordt nog een keer bevestigd. In 1868 kocht zwager Jacob Dirks Dijkstra (1806-1887) – de voormalige dienstknecht van Ate – een herberg in Bozum voor f 2567,-.

Naast de zorg voor zijn schoonfamilie, kwam er in de jaren ’50 van de negentiende eeuw ook een andere zorg bij. De jongste zoon van Ate, Tiede Ates Ypma (geb. 1844), wist zich niet te aarden op het Friese platteland. Om mij nog onbekende redenen woonde hij als kind, voor 1859, enige tijd te Leeuwarden en Heerenveen. Tussen 1861 en 1865 woonde hij wederom in Leeuwarden, ditmaal als ‘leerling in de geneeskunde’. Over Tiede Ypma kom ik later nog te spreken…

Het overlijden van Ate Sjoerds Ypma (1796-1873)

Zoals hierboven gemeld, trouwden Ate en Beitske in 1830 onder huwelijkse voorwaarden. Daarin werd bepaald dat indien Ate als eerste zal komen te overlijden, dat zijn echtgenote een kindsdeel zou toekomen. Wanneer Beitske eerder zou komen te overlijden zal aan de kinderen worden uitgekeerd hare kleding en lijfdragt, goud en zilver tot hare lijfdragt behorende, uitgezonderd haar gouden oorijzer en gouden kroontje van een streng coralen”.lvi Toen Ate in 1872 zwakker van gestel was, werd hij bezorgd over de oude dag van zijn echtgenote wanneer hij zou komen te overlijden. 18 september 1872 testeerden Ate en zijn echtgenote Beitske voor notaris De Jong te Wommelslvii waar zij beiden de partner het levenslange vruchtgebruik van de gehele nalatenschap” legateerden. Ate zal wellicht bezorgd zijn geweest dat de verdeling van zijn erfenis een gecompliceerde aangelegenheid zou worden door diens twee huwelijken en wilde die moeilijkheden en spanningen zijn echtgenote waarschijnlijk besparen.



Leeuwarder Courant 5 augustus 1873

Op 1 augustus 1873 overleed ASY op de door hem gebouwde boerderij aan de Wynserdyk te Oosterend. Uit de inventaris van de inboedel – die na zijn overlijden werd opgemaakt – bleek zijn veestapel te hebben bestaan uit:

(…) 16 koeien, f 2408,-

4 rieren (jonge koeien), f 550,-

6 kalveren, f 320,-

5 schapen en 4 lammen, f 240,-

1 paard, f 385,- (…)”

Opvallend is de aanwezigheid van een varkenshok, doordat er geen varkens voorkomen op de lijst met levend vee. Wellicht heeft hij vroeger wel varkens gehouden en heeft hij zijn veestapel vanwege zijn ouderdom laten slinken. Daarnaast was er op zijn terrein een korenmolen die op slechts f 45,- werd getaxeerd en “hekken, stekken, dammen, pompe, palen enzoovoort” werden gewaardeerd op f 58,-. Opvallend is ook de waarde van zijn partij hooi en stro; dit was maar liefst f 1130,-.lviii Wat de reden van zo’n grote hoeveelheid hooi en stro is weet ik niet; wellicht dat hij daarin handelde. Ate komt in sommige aktes voor als ‘koopman’.

Dirk Ates Ypma, de oudste zoon van Ate en diens tweede echtgenote Beitske, nam zijn boerderij over aan de Wynserdyk in Oosterend. Ook de politieke interesse van zijn vader nam zoon Dirk Ates Ypma over. In 1879 werd Dirk Ates Ypma door de Liberale Kiesvereniging van Hennaarderadeel aangeraden als kandidaat voor de gemeenteraadsverkiezingen.lix Een van de bestuursleden van de Liberale Kiesvereniging was overigens diens zwager Wopke de Gavere (1828-1900).



Beitske Ypma-Dijkstra (1808-1885)

Beitske Dirks Dijkstra (1808-1885), weduwe van Ate Sjoerds Ypma

Een half jaar na het overlijden van Ate verliet diens weduwe Beitske de boerderij aan de Wynserdyk. Het was haar oudste zoon Dirk Ypma (1831-1912) die met zijn echtgenote Tetje Miedema (1833-1886) de beurt toeviel om het boerenbedrijf van zijn vader over te nemen. Dit huwelijk bleef overigens kinderloos. Sedert het overlijden van diens zuster Maaike de Gavere-Ypma – in 1880 – was Dirk Ypma toeziend voogd over haar minderjarige kinderen en sedert het overlijden van zijn zuster Aafke Heeringa-Ypma – in 1893 – was hij ook toeziend voogd over haar minderjarige kinderen. De zestienjarige Trijntje Heeringa (1877-1958) was een van hen; dit is mijn overgrootmoeder.

De weduwe Beitske Ypma-Dijkstra nam in 1874 de woning over van Theodora de Gavere-Odolphi (1800-1891); de schoonmoeder van Beitske’s dochter Maaike de Gavere-Ypma. Zij was sinds 1856 weduwe van haar tweede echtgenoot, de ontvanger van Oosterend, Menso Terpstra. Toen Maaike Ypma en Wopke de Gavere trouwden, werd het voor zijn moeder Theodora de Gavere-Odolphi en zijn stiefvader Menso Terpstra de hoogste tijd de boerderij – afkomstig van zijn vader Wopke de Gavere Senior (1796-1828) – te verlaten. Wanneer ik deze situatie vergelijk met de intrekking van Dirk Ypma op de Wynserdyk en het vertrek van zijn moeder tegelijkertijd – en met andere familieleden – krijg ik het idee dat gegoede Friese boerenfamilies twee vrouwen des huizes onwenselijk achtten. Wanneer de middelen ontbraken, konden de bejaarde ouders uiteraard niet zelfstandig wonen en bleven zij bij één van de kinderen inwonen. Beitske Ypma-Dijkstra had het goed getroffen; haar laatste jaren sleet zij in deze voormalige dokterswoning in Oosterend.23

Dankzij de heer R.M.A. De Jong zijn mij enkele overleveringen over Beitske en haar kinderen bekend. Ik ben de heer De Jong zeer erkentelijk voor het delen hiervan. Beitske stond in de familie bekend als een heel lieve en betrokken vrouw. Haar echtgenoot schijnt wat minder makkelijk in de omgang te zijn geweest24, al ontbreken van hem veel passages.

Beitske overleefde zes van haar – in het totaal – negen kinderen en zes van haar kleinkinderen. In 1866 was de familie overdonderd door een tragisch ongeluk. “Bij een boer kwam een hond met een vreemde blik in de ogen in het boethuis en hij joeg die hond met een riem weg. Verderop op de weg waren een aantal meisjes aan het spelen en de hond beet Beitske de Gavere [een kleindochter van Beitske Ypma-Dijkstra]. De dokter werd erbij gehaald en deze zei dat ze haar een kopje water moesten geven en als ze dat haar moeder in het gezicht gooide had ze hondsdolheid. Op een gegeven moment gooide ze inderdaad het water in haar moeders gezicht. Ze werd in de opkamer opgesloten en liep de hele dag rond de tafel. Later in de bedstee, want ze was gevaarlijk voor andere mensen. Onvoorstelbaar drama.”lx Beitske de Gavere overleed op 30 juli 1866 op 10-jarige leeftijd. Haar vader had nog naar Parijs gewild, want in die tijd werd er gewerkt aan een vaccin tegen hondsdolheid. Een bezoekje aan Parijs had voor de jonge Beitske geen verschil meer gemaakt; pas in 1885 werd door Louis Pasteur in Parijs een succesvol vaccin gevonden tegen hondsdolheid…

De Provinciale Drentsche en Asser courant besteedde 14 augustus 1866 uitgebreid aandacht voor dit tragische ongeval:

In het dorp Oosterend (Friesland) had men voor een paar dagen geleden een zeer treurig sterfgeval. Het dochtertje van den landbouwer W. de G., een meisje van omstreeks 10 jaar, had , ruim een paar weken geleden, van een hond een ligte verwonding aan het gezigt gekregen, zonder dat men vermoedde, dat dit eenige gevolgen zoude hebben.

Voorafgaande week gevoelde zich het kind niet wel, was zeer stil en zonder eetlust, en spoedig openbaarde zich alle verschijnselen van de watervrees. Na een smartelijk lijden van ruim drie dagen is het kind gestorven. Of de hond, die het kind gebeten heeft, spoedig of later is gedood of gestorven, is niet met zekerheid bekend. Wel weet men, dat omstreeks drie weken te voren in het dorp Terhenne, een uur of vier van Oosterend gelegen, zich ook een dolle hond heeft vertoond, aldaar eenige dieren heeft gebeten en zoo men meent later is gedood. Van deze verwonde dieren zijn nu reeds een twaalftal koeijen, een kalf en een varken aan razernij gestorven of door de eigenaren afgemaakt.

Ook dit voorjaar heeft zich de hondsdolheid onder een koppel schapen vertoond, die gebeten waren in de nabijheid van Harlingen en ook allen zijn gedood. Welke de oorzaak is van het ontstaan dezer ziekte, is niet dan bij gissing te bepalen, doch het verdient opmerking, dat in den laatsten tijd het aantal hondenkarren in de provincie Friesland zeer is toegenomen. In den regel worden deze dieren slecht gevoed en veelal op een barbaarsche wijze mishandeld.

Zeer wenschelijk zou het zijn, dat bij de vele verbeteringen, die men dagelijks invoert, ook het lot der honden eens in ernstige overweging werd genomen.”

Deze Beitske de Gavere was een dochter van Wopke de Gavere (1828-1900) en Maaike Ates Ypma (1833-1880). Het echtpaar De Gavere-Ypma kreeg in het totaal 10 kinderen, waarvan gelukkig de overige kinderen wel de volwassen leeftijd mochten behalen. Maaike de Gavere-Ypma en haar zuster Aafke Heeringa-Ypma wilden naar verluid allebei dolgraag tweelingen en die kregen zij ook. De beide zusters waren beiden mooie dames om te zien en van Maaike de Gavere-Ypma is bekend dat zij ook heel mooi kon zingen.

Maaike de Gavere-Ypma kreeg in de jaren ’70 van de negentiende eeuw te kampen met tuberculose, indertijd vooral bekend als longtering. De tering was in die tijd volksziekte nummer één. “De longtering komt voor onder alle luchtstreken, en daar waar een opeenhooping van de bevolking wordt aangetroffen is de sterfte zeer groot; de kwaal komt weinig of zelden voor op het platteland en in steden, waar genoegzame ruimte en de buitenlucht ter beschikking van den inwoner zijn. De slachtoffers van die ziekte zijn talrijk in plaatsen zooals kazernes en gevangenissen, waar de uitgeademende lucht weder ingeademd wordt. (…)” schreef de Nederlands-Indische krant De Locomotief op 14 januari 1888.

De auteur van dit krantenartikel was duidelijk in de veronderstelling dat op het platteland tuberculose nauwelijks voorkomt; dat was echter niet waar. De eerder uitgebreid aan bod gekomen longziekte onder rundvee, die o.a. in de jaren ’50 van de negentiende eeuw opdook op de boerderijen van Ypma en De Gavere in Oosterend, was namelijk (waarschijnlijk) rundertuberculose (alias de parelziekte). Pas in 1882 werd de oorzaak van tuberculose, de tuberkelbacil, gevonden door dr. Robert Koch. Voor deze ontdekking kreeg hij in 1905 de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde. Hij kwam al snel op de proppen met een geneesmiddel tegen tuberculose, namelijk het inspuiten van oud-tuberculine (een extract van dode tuberkelbacteriën). Dit middel bleek helaas niet te werken. Daarentegen was dit middel wel heel bruikbaar om de diagnose tuberculose te kunnen vaststellen…

Wanneer er eene koe met eene bepaalde hoeveelheid tuberculine ingespoten wordt, dan verraadt een voorhanden zijnde tuberculose zich door eigenaardige temperatuursschommelingen gedurende eenige uren na de operatie, het dier reageert.(…) Wanneer het dier geen tuberculose heeft, dan reageert het op de tuberculine inspuiting volstrekt niet.” aldus het Nieuwsblad van het Noorden van 21 april 1895. Men signaleerde toen een lichte afname van tuberculose onder mensen, maar een toename van tuberculose onder rundvee. Dat baarde men grote zorgen en men drong bij Nederlandse regering aan op het tbc-vrijmaken van de veestapel.

Grote kans dat Maaike de Gavere-Ypma besmet is geraakt door het drinken van melk van koeien die leden aan rundveetuberculose. De komst van de gepasteuriseerde melk en het tuberculose-vrij maken van de veestapel (dankzij Koch’s tuberculine) nam deze vorm van besmetting eind jaren ’90 van de negentiende eeuw af.

Toen Maaike de Gavere-Ypma te kampen kreeg met tuberculose was de oorzaak nog onbekend en was er nog geen geneesmiddel op de markt. Al eeuwen valt men bij het ontbreken van effectieve geneesmiddelen terug op rust voor genezing. Men hoopte dat platliggen, veel zonlicht en frisse lucht genezing zou kunnen bieden. Om te ontsnappen aan de vochtige boerderij, werd er voor Maaike een tent opgezet buiten de boerderij. Benauwde tbc-patienten waren beter af buiten, dan binnen in een vochtig en slecht geventileerd huis. Daarvoor werden tot in de jaren ’30 van de twintigste eeuw aan tbc-patiënten tenten en/of kleine houten huisjes aangeboden die zij in de tuin konden zetten. Deze tenten en huisjes stonden op een draaischijf zodat zij naar de zon toe konden worden gedraaid.

Vanaf 1900 raakten voor tbc-patiënten sanatoria in zwang. In Nederland vond men deze sanatoria o.a. op de Veluwe. In het buitenland was het Zwitserse Davos een populair kuuroord voor tbc-patiënten. Tussen 1922 en 1924 was oud-oudoom ds. Lambertus Aalders (1878-1939)1 Nederlands-Hervormd predikant in Davos. Een verblijf in een sanatorium was voor tbc-patiënten een van de meest indrukwekkende periodes van hun leven, gekenmerkt door “heimwee, kou en verveling”.

Dankzij de tent bij de boerderij en de steun van haar familie zal Maaike de Gavere-Ypma misschien wel beter af zijn geweest in Oosterend dan in een sanatorium ver weg… Zij werd deze jaren liefdevol verzorgd door haar moeder Beitske Ypma-Dijkstra; als dank schonk Maaike haar moeder een kopje met de tekst “uit dank”. Op 3 oktober 1880 overleed Maaike op 47-jarige leeftijd. Een 7 weken voor haar overlijden ontving Maaike van haar dierbare predikant ds. J.F.L. Muller het volgende, tot steun dienende gedicht:

Aan Mejufvrouw M. de Gavere-Ypma op haar 47ste verjaardag.

Moegetobd en moegestreden,

Zit gij op Uw stoel teneer.

En gij denkt ‘k heb veel geleden

Zo dit laatste jaar, o Heer!

Peinzend denkt gij aan ‘t verleden,

Mijmerend toeft gij bij weleer,

En gij fluistert ik heb heden,

stof tot smart en vreugd, o Heer!

Peinzend vraagt gij, zij mijn dagen

Afgetobd reeds hier bene’en?

Zal ik veel nog moeten dragen?

Is de strijd zo straks volstre’en?

Een kan slechts het antwoord geven!

Geef U over aan zijn wil.

Kort of lang nog zij uw leven,

Heb geloof! Zwijg voor hem stil.”lxi



Maaike Ates Ypma (1833-1880), echtgenote van Wopke de Gavere (1828-1900) (coll. De Jong, RKD)

De moeder van Maaike, Beitske Ypma-Dijkstra (1808-1885), vertelde haar kleinkinderen vast: “Beppe gelooft wel in een hemel kindertjes, maar niet in een hel.”lxii Beitske Ypma-Dijkstra was blijkbaar een vrijzinnige vrouw; dit is niet zo verwonderlijk aangezien zij trouwde met een heel vrijzinnige familie zoals is gebleken25. Beitske Ypma-Dijkstra was daarnaast een belezen vrouw; op haar tafel lag altijd het tijdschrift “Mannen van Betekenis in onze dagen”lxiii. In dit biografische tijdschrift werd een aflevering aan één persoon gewijd. De eerste aflevering (1870) werd gewijd aan Bismarck; niet omdat hij zo’n bijzonder mens was, maar omdat hij zo’n bijzondere rol speelde in de zojuist uitgebroken Frans-Duitse oorlog. Het tijdschrift werd later omgedoopt tot “Mannen en vrouwen van betekenis in onze tijd”.lxiv Beitske Ypma-Dijkstra had blijkbaar een bestuderende en breed georiënteerde aard. Dit is des te meer te waarderen, aangezien zij van heel eenvoudige komaf was. Haar schoonzoon Wopke de Gavere hield ook zeer van lezen, maar zij wel eens tegen zijn (klein)kinderen: “Niet zoveel lezen kind, een beetje onwetend blijven, dan ben je veel gelukkiger.”lxv Deze opmerking sloeg waarschijnlijk op de zo aanbod komende kerkelijke tegenstellingen in Oosterend (1882-).

Wopke de Gavere (1828-1900), echtgenoot van Maaike Ypma

Wopke de Gavere (1828-1900) was in 1852 getrouwd met Maaike Ates Ypma (1833-1880). Zijn vader, eveneens Wopke genaamd, heeft hij nooit gekend; die stierf enkele maanden voor zijn geboorte. Een kleindochter herinnerde: “Wopke had al in de wieg een farm. Zijn vader was toen al overleden. Er was een meisje wat ouder. Er waren twee boerderijen; die in Oosterend en een bij Bolsward. Onze grootvader had de keuze. Hij nam die in Oosterend. Moeder vond het een slechte keuze. Zij zei dat hij de grote man wezen wou in een klein dorp. Bij Bolsward zouden de kinderen betere scholen hebben gehad.”lxvi


De kop-hals-rompboerderij van De Gavere aan de Wynserdyk onder Oosterend

Oosterend verscheurd door een bittere kerkstrijd (sedert 1882)

Een man van aanzien werd Wopke de Gavere; niet enkel vanwege zijn grote boerderij, maar tevens was hij als kerkvoogd actief bij de Nederlands-Hervormde Gemeente van Oosterend en was hij lid van de Liberale Kiesvereniging. Wopke de Gavere raakte in de jaren ’80 van de negentiende eeuw verwikkeld bij de ernstige kerkscheuring in het dorp Oosterend.

In 1882 werd de bevriende predikant van Oosterend, ds. J.F.L. Muller (1839-1895), beroepen te Heenvliet. Een kleindochter van Wopke de Gavere schrijft over deze periode het volgende: “Zo was het in die tijd, toen de gereformeerden [beter gezegd: ‘rechtzinnige hervormden’] de Hervormde Kerk in Oosterend verdrongen. Grootvader [Wopke de Gavere] was Hervormd kerkvoogd en de gereformeerden [rechtzinnige hervormden] hebben hem het zeer moeilijk gemaakt. Hij was sociaal bewogen en had via de kerk voor de armen gezorgd, want de kerk was rijk genoeg. Maar de gereformeerden wilden dat hij dit geld zou teruggeven en er is een proces geweest. Er waren dorpelingen die al gnuifden: ‘Heb je het al gehoord, de boerderij van De Gavere moet verkocht worden’. Maar het bleef erbij dat grootvader 500 gulden moest betalen. De Hervormde predikant was door de gereformeerden omgekocht voor 7.000 gulden en ging naar Heenvliet. De dominee was een huisvriend, maar grootvader kon niet nalaten hem de waarheid te zeggen. Dit gebeurde in de opkamer en de kinderen lagen op de trap te luisteren. Grootvader zei tegen de predikant dat hij het alles triest vond, hij kende de bijbel goed en haalde aan: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ en ‘Heenvliet, het is een goede naam ‘Vliedt heen’. Bij de begrafenis [in 1900] was er een gereformeerde die bleef staan om naar de stoet te kijken en toen is je grootvader [W.A. De Gavere] even uit de stoet gegaan en heeft gezegd: ‘Je moest je schamen om er naar te kijken’, want hij wist hoe zijn vader onder de kerkstrijd geleden had. (…) Toen Wopke de Gavere op sterven lag, kwam een Vellinga – die zwaar gereformeerd was – en hij zei tegen hem: ‘Waar ik heen ga weet ik niet, maar jij komt er zeker niet.’”.lxvii Wopke de Gavere was zeer emotioneel, wellicht het zuidelijke bloed dat in zijn aderen stroomde26


ds. Johan F.L. Muller (1839-1895)

In 1874 maakte de moderne predikant J.F.L. Muller zijn entree in Oosterend. Hij was verkozen door de floreenplichtigen van Oosterend, waartoe de families Ypma en De Gavere behoorden. Ds. Muller kwam te staan tegenover de confessioneel gezinde kerkenraad. Hierin ligt de aard van het probleem. Een vrijzinnige predikant versus een rechtzinnige (orthodoxe) kerkenraad/achterban. De kern van het probleem, de aanstelling van de predikant door de grootgrondbezitters, behoorde na enkele juridische zaken in de jaren ’70 tot het verleden; de floreenplichtigen verloren dit recht. Echter bleef voorlopig nog wel de situatie dat de moderne predikant ds. Muller slechts gehoor vond onder een beperkt deel van de Hervormden; de rechtzinnigen vonden elkaar in een ander lokaal. In 1882 koos Muller blijkbaar eieren voor zijn geld en vertrok naar Heenvliet. Hij werd opgevolgd door de meer rechtzinnige ds. J.J. Van der Weyde (1836-1906). Hier waren (o.a.) de ‘moderne’ families De Gavere, Ypma en Heeringa (zacht gezegd) niet blij mee. Opvallend is dat Wopke de Gavere minder problemen leek te hebben met de afgescheiden Gereformeerde Gemeente in Oosterend; hij gaf namelijk aan hen wel toestemming om de Gereformeerde kerk te bouwen op zijn grond. Daarnaast gaf hij ook toestemming aan de gemeente om een openbare school te bouwen op zijn grond. Deze ingewikkelde kerkscheuring heeft in ieder geval veel en langdurig leed veroorzaakt in het dorp Oosterend…

Dat een predikant werd aangesteld door de floreenplichtigen was misschien een specifiek probleem voor Oosterend; maar de spanningen tussen de vrijzinnigen en rechtzinnigen was een nationale kwestie. Veel rechtzinnigen vonden hun spreekbuis in Abraham Kuyper die zijn aanhangers opriep tot het vormen van dolerende gemeentes: het ontstaan van de huidige Gereformeerde Kerk. Mijn voorvader Ds. Willem Jan Goossen Aalders (1837-1900), Nederlands-Hervormd predikant in Amsterdam, was als scriba der kerkenraad tot op het hoogste niveau verwikkeld in deze ernstige zaak. Mijn directe voorgeslacht was ten tijde van de Doleantie vrijzinnig en bleven daardoor de gematigde Nederlands-Hervormde Kerk trouw. Een zwager van de voornoemde dominee Aalders, Frederik Lambertus van der Bom (1840-1920), sloot zich wel aan de bij de Dolerenden; hierop brouilleerden de zwagers Aalders en Van der Bom.

Petrus Rintjes Heeringa (1834-1890) en Aafke Ates Ypma (1842-1893)


Petrus Rintjes Heeringa (1834-1890)

In Oosterend vond Wopke de Gavere gelukkig wel steun bij zijn schoonfamilie. Zijn zwager Petrus Rintjes Heeringa (1834-1890) huurde sinds de jaren ’50 van de negentiende eeuw de eerder besproken herberg aan de driesprong in Oosterend van de Nederlands-Hervormde Gemeente. Hierdoor kwam Petrus Rintjes Heeringa in de jaren ’80 ook in grote onenigheid met de rechtzinnigen. Toen de rechtzinnigen in de kerkenraad van Oosterend de overhand kregen werd Petrus Rintjes Heeringa veel ontzegd. In 1883 werd vastgesteld “in het huurcontract te worden opgenomen dat men zoo veel mogelijk de openbare godsdienst bezoekt, de kinderen en de onderhorigen getrouw ter catechisatie te doen komen bij de eigen leraar en de kinderen op de chr. school te zenden, zoo daar geen overwegende bezwaren tegen bestaan.” Heeringa moest hier uiteraard niets van weten en tekende bezwaar aan; hij wenste zijn kinderen naar een andere school te sturen en zelf zijn predikant te kiezen. Na een ‘bemiddeling’ van dominee Van der Weyde kwam men tot een ‘compromis’: in de herberg moest het biljart worden verwijderd, er mochten geen dobbel- en kaartspelen meer worden gespeeld en tussen zaterdagavond zes uur en maandagmorgen mocht Heeringa in zijn herberg geen sterke drank meer schenken. In 1894 werd daaraan toegevoegd dat in Heeringa’s herberg“geen Protestante-bondvergaderingen, geen catechisatie of iets van dien aard mogen plaats hebben”lxviii

Als er al sprake kon zijn van een feeststemming in Oosterend, dan was het daarmee in 1883 wel helemaal gedaan. De stemming bleef nog vele jaren lang bedrukt, zo blijkt uit de volgende aantekening van 2 december 1896: “De heeren S.P. Strikwerda, K.O. De Jager en W.J. Feitsma in hare vergadering als armvoogden kregen beledigende woorden naar het hoofd geslingerd door Maaike Heeringa in hoofdzaak over het vergunningsrecht.”lxix

Na het overlijden van Petrus Rintjes Heeringa en Aafke Ates Ypma, in resp. 1890 en 1893, runden met name dochter Maaike Heeringa (1867-1928) en haar oudste broer Rintje Heeringa (1862-1937) de herberg. Daarnaast droegen zij nog de zorg over hun jongere broertjes en zusjes. In 1909 werd de herberg overgedaan aan de familie Bergsma.

Tiede Ates Ypma (geboren in 1844), alias ‘Frank’

Een andere zwager van Wopke de Gavere en Rintje Petrus Heeringa was Tiede Ates Ypma (1844-na 1912). Het was zijn ouders al snel duidelijk dat hij niet in de wieg was gelegd voor het boerenbestaan. Tussen 1861 en 1865 woonde hij in de kost te Leeuwarden als “leerling in de geneeskunde”. Hij werd opgeleid tot plattelandsheelmeester, maar heeft deze opleiding waarschijnlijk niet afgemaakt. In 1865 keerde hij voor een klein jaartje terug in Oosterend waarna hij alsnog de biezen pakte; hij vertrok naar Amsterdam! Hij vestigde zich daar als ‘bierhuishouder’ en ‘koopman’. Na het overlijden van zijn vader Ate in 1873 besloot Tiede zijn heil te zoeken in de Verenigde Staten van Amerika!

Met het schip ‘Pommerania’27 van de Hamburg-Amerika-Lijn kwam hij – als passagier 2e klasse – op 23 september 1874 aan in New York. Dit bleek niet zijn eindbestemming, want hij vervolgde zijn reis naar de westkust: California! Waarom hij voor California koos is mij niet bekend; wellicht de nasleep van de Goldrush of misschien sprak het aangename klimaat hem juist aan. Op 6 januari 1880 werd Tiede te San Francisco genaturaliseerd tot Amerikaans staatsburger. In Amerika noemde hij zich overigens ‘Frank Ypma’.28



Tiede Ypma (1844-na 1912), alias ‘Frank’ (San Francisco 1874/1878)

Tiede, alias Frank, heeft – naar ik vermoed – niet heel lang in San Francisco gewoond; hij gaf de voorkeur aan het platteland van California. In 1885 was hij opzichter van een schapenboerderij in Santa Clara County (CA), in 1886 vestigde hij zich als ‘laborer’ in Monterey County (CA), in 1900 woonde hij als ‘sheep herder’ in San Joaquin, in 1910 als ‘laborer, odd jobs’ in Ophir (Butte, CA) en in 1912 te Bronville.

In 1912 overleed zijn kinderloze broer Dirk Ates Ypma (1831-1912). Een familielid van Dirk herinnerde Dirk als “een knappe, oude man. Toen hij weduwnaar was woonde hij aan de Verlengde Schrans te Leeuwarden. Hij speelde wel op het orgel: ‘O, vader Abraham, [wie had gedacht] dat Uw geslacht zo [zou] ontaarden’.”lxx Dit laatste verwees mogelijk naar de vurige kerkstrijd…

Tiede ontving van deze broer Dirk Ypma een bescheiden lijfrente die hij aanduidde als een ‘brugwachterspensioentje’. Totaal tegen mijn verwachting in blijkt Tiede na 1912 te zijn teruggekeerd naar Nederland. De laatste jaren van zijn leven sleet hij in Amsterdam. Een noodlottig ongeval maakte een einde aan zijn leven; hij werd aangereden door een auto. Mogelijk kwam dat doordat hij nogal doof was…lxxi

Wat ik heel interessant vind aan Tiede, is dat hij jarenlang kon aarden in een grote stad als Amsterdam of San Francisco, maar tevens op het afgelegen platteland van California zijn draai wist te vinden. Ik kan geen groter contrast bedenken tussen een ‘bierhuishouder’ in Amsterdam eenerzijds n een opzichter van een schapenboerderij in Santa Clara County anderzijds… Net zo bijzonder, of beter gezegd ‘opmerkelijk’, was Tiede’s woonsituatie in California. Hij woonde als 50/60-jarige als lodger in bij particulieren, bij wie hij waarschijnlijk ook in dienst was. Ter illustratie zijn verblijf in Ophir (Butte, CA) in 1910: Tiede (inmiddels 66 jaar oud!) woonde daar bij de Griek Allen Claudiannes (en diens twee zonen) tezamen met drie andere ‘lodgers’: een 50-jarige gescheiden Turkse man), een 22-jarige Griek en een 22-jarige jongeman uit Nebraska.

Een bijzonder gemêleerd gezelschap! Of nog beter gezegd, een bijzonder gemêleerd leven! Het is dan ook niet te verwonderen dat zijn Friese familie aan zijn lippen zat gekluisterd wanneer hij aan het woord was of uitkeken naar zijn brieven.. Zijn nichtje Beitske Reitsma-de Gavere (1871-) – die hem nog persoonlijk heeft gekend – memoreerde later dat “hij mooi [kon] schrijven en prachtig [kon] vertellen”. Zijn brieven aan haar sloot hij altijd af met “Uw oom en vriend.”lxxii De eerste keer dat zij haar oom bewust meemaakte was in 1885; zij was toen 14 jaar oud en woonde op de boerderij in Oosterend toen haar bijzondere oom op bezoek kwam….

Overlijden Beitske Ypma-Dijkstra (1808-1885)

Toen Tiede [in 1885] merkte dat zijn moeder [Beitske Ypma-Dijkstra] minder werd, wilde hij haar verrassen en kwam over [naar Nederland]. In Amsterdam sloeg hij de krant open en daarin las hij de rouwadvertentie van zijn moeder. Er stond bij ‘wegens buitenlandse betrekkingen eerst heden geplaatst.’ Een eerste impuls was om terug te keren, maar toen dacht hij aan zijn broer en zusters. Hij kwam onverwachts zijn broer op diens land tegen; deze moest gaan zitten, zo ontroerd was hij.”lxxiii



Leeuwarder Courant 3 juli 1885

Beitske Ypma-Dijkstra overleed op 10 juni 1885 te Oosterend op 76-jarige leeftijd. Elf jaar lang had zij haar zoon Tiede niet meer gezien, maar zij schreven elkaar wel met enige regelmaat. Beitske sloot haar brieven steevast af met “Tot wederziens mijn zoon, als God het wil.” Helaas heeft het tot een wederzien niet meer mogen komen. Wanneer de postbode een brief van Tiede aan moeder Beitske bezorgde kreeg hij altijd van haar twee sigaren en een dubbeltje. Bijzonder opgelaten zal zij zijn geweest toen zij rond 1884/1885 een heuse Amerikaansche kookkachel in ontvangst kon nemen; een geschenk van haar overzeese zoon.

De band tussen Beitske en haar schoonzoon Wopke de Gavere was trouwens ook heel hecht. “Wopke de Gavere ging elk jaar een dag met de kinderen uit rijden, maar zijn schoonmoeder Beitske werd minder en hij wilde dat uitstellen. Maar zij vond dat hij gerust kon gaan. Mocht zij die dag komen te overlijden dan stierf zij met de gedacht dat haar schoonzoon en kleinkinderen een mooie dag hadden. Het is goed gegaan.lxxiv

Tiede Ypma bleef in 1885 enkele maanden in het op dat moment door kerktwisten verscheurde Oosterend. Per S.S. Zaandam reisde Tiede (‘tussendeks’) terug naar Amerika; op 18 november 1885 stapte hij op de rede van New York met als “purpose: transit, tourist”. Hij zou nog tenminste 27 jaar in California rondtrekken voordat hij voorgoed repatrieerde..

_____________________________________________

Over Tiede’s leven moet nog veel meer te vertellen zijn; ik heb namelijk vernomen dat (een gedeelte van) zijn briefwisseling bewaard is gebleven! Het zal u niet verwonderen dat ik zeer nieuwsgierig ben naar de inhoud van deze brieven en dat ik zeer hoop ooit in de gelegenheid te worden gesteld deze brieven (kopieën) te mogen lezen.

Ik ben de heer R.M.A. De Jong zeer erkentelijk voor zijn hulp en royale input! Hartelijk dank! De twee volgende bijlagen zijn afkomstig van de heer De Jong.

Bijlage 1
Brief van Beitske Dirks Dijkstra (1808-1885), weduwe van Ate Sjoerds Ypma, aan haar kleindochter Aafke de Gavere (1857-1934) en haar echtgenoot Ate Knol (1850-1908), d.d. 18 mei 1881

Oosterend den 18 mei 1881

Zeer geachte klijnzoon en egtgenote.

Aangenaam was het mij eenige letteren

van u te ontvangen en hetzelfde werd

verdubbeld mede bevattende een brief ingesloten

met een portret sierlijk portret van u aan mijn

geliefde zoon [Tiede] in de vreemde. Hartelijk dank

daarvoor. Ik weet voor zeker als hij brief

ontvangt zal ‘t hem goed doen en met

een aangename gedagte vervuld zijn. Al is hij

daar alleen in de vreemde, van ons allen

een bewijs dat hij van de nauwe betrekking

niet vergeten wort alsmede van zeer veele

goede vrienden niet (hetwelk mij aangenaam is,

in de hoop tot wederzien als God ‘t wil).

Met de familieje alles wel zoo ik weet.

Vandaag een brief ontvangen van

Ate, uit hooren wel in orden. Zijn kleeren

zijn kleeren kome kosteloos over Amsterdam

na Sneek met Vellinga te huis en waar hun

gezeid, dat het eeten daar zoo slegt was, maar

dat viel toe. Hij lust het wel. Hij kon nog geen

adres opgeve dan moesten eerst een korporaal

spreeke. Tot later. Wij allen waaren blijde met het berigt,

in de hoop dat hij in gezonthijd en door een braaf gedrag

zijn dienst volbrengen mag is de wens van eene grootmoeder

die hem lief heeft. Beste klijnkinderen, nogmaals

hartelijk dank voor het gegeve present aan mij, bedoelende

het portret van uw lieve moeder en van mij zoo furig

geliefde dochter. In de eerste plaats stemde ‘t mij somtijds wel

tot weemoed, maar als ik er nu op staar, dat kalenne (= kalme?)

die vriendelijke blik dan is het mij zowel,

dan ist als ik met haar in geesten gemeenschap leef

en met mijne liefderijke God en Vader

waar zij in het volle vertrouwen Leefde en Stierf

Bemoediging

1

Als de windjes uit het zuiden,

ruischend langs de graanen gaan,

denk ik mij in die geluiken,

geesten die zijn op gestaan,

ik spreek met hun in mijn gedachte,

en ik vraag hun dikwijls af;

geesten zegt wat zal mij wagten,

ginds aan de overzij van ‘t graf.

2

Maar geen antwoordt wordt vernomen,

van de [plaats], waar ‘t swijgend huist,

en tog is ‘t of door de boomen,

zachtkens, vrede, vrede ruischt,

En tog is ‘t of ieder roosjen,

op het stille graf gekweekt,

als ‘t mij toe lacht met zijn bloosjes,

Mij van liefde liefde spreekt.

3

En toch is ‘t of elke sterre,

die er zonkelt bij haar loop,

vrienlijk wenkend roept van verre,

sterveling verbeid1 en hoop,

en bij hoop vol heren treeden,

klin[k]t een stem mij in ‘t gemoed,

kom, met moed den strijd gestreeden,

God is ginds ook, God is goed.

Deze versen vind ik altoos zoo vertroostend daarover.

Schreef ik hier ter neder,

mijn oogen laaten ‘t niet langer toe.

In de hoop dat dese letteren uwen in een

besten welstand moge geworden, geef de

lieve klijnne Trijntje en Wopke Aurelius een kus van [mij]

en als zij is bij grootmoeder koome dan krijge zij

een koekje of ulle veltje van mij.

Na minsaame groete noem ik mij,

uwe liefhebben[de] grootmoeder,

B. Dijkstra

wed. A. Ypma”

Bijlage 2

Brief van Beitske Dirks Dijkstra (1808-1885), weduwe van Ate Sjoerds Ypma, aan haar kleindochter Aafke de Gavere (1857-1934), echtgenoot van Ate Knol, d.d. 31 mei 1881

Oosterend 31 mei 1881

Hartelijke geliefde klijndochter Aafke,

Aangenaam was ‘t mij letteren van u

te ontvangen, nog te meer het vriendlijk

aanbod van u om met Frietiea te koomen

loogeeren, al hoe gaarne ik er gebruik zou van

willen maken …. laten mijn kragten het niet

toe lieve Aafke. Mijn gezontheijd is zeer goed, maar

de rug wordt langsaam zooveel swakker dat ik op

den duur ook niet lang aan een gemakkelijk kan

zitten, dan is het te huijs nog al het gemakkelijkste

voor mij dan mij is, dan mij is wat bewege en dan is weer

wat uit rusten, ik schrijf u dit niet, dat ik niet

tevreden zijn met mijn lot. O neen, eerder dank ik

den liefderijke vader dat ik er geen pijn aan heb,

enkel vermoeidhijd. O mijn jaaren zijn ook al zoo hoog

geklomen onder veel lief en leed, niet waar lieve Aafke.

Gods wijsheijd en liefde is mij genoeg.

Met de familieje alles wel

zoo goed als ik weet. In de hoop

dat u edelen spoedig de Oosterender

familje eens komt bezoeken

dan weet ik voorzeeker dat ik in

mijn stille huiskamer niet vergeeten

zal worden.

Nu minzaame groete

als mede aan u egtgenoot,

noem ik mij uwe liefhebbende grootmoeder

B. Dijkstra

wed. A. Ypma”

Bijlage 3: genealogie Ypma

Genealogie

Het oude geslacht Ypma/Ipma

(mijn voorouders zijn dikgedrukt)

Generatie I

Tiepcke Hessels Ipma, overleden Nijland in juni 1539, begraven aldaar.

Huwde met Auck, overleden Nijland 4 december 1539, begraven aldaar.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Hessel Tiepckes Ipma, overleden 24 oktober 1557, begraven te Beers.
  • Hette Tiepckes Ipma, huwde met Fedt Ieges Harinxma
  • Tyalcke Tiepckes Ipma, volgt II

Generatie II

Tyalcke Tiepckes Ipma, vermeld te Bolsward (1565, 1580), gegoed te Nijland en Itens, overleden 4 juli 1612, begraven te Nijland.

Huwde 1e: Lyoets Sipkes, vermeld o.a. 1551, dochter van Sipcke Hoytes en Tyets Obbedr.

Huwde 2e: Tryncke Cornelisdr., weduwe van Botte Buma.

Uit het eerste huwelijk werden geboren:

  • Tietske Tyalckedr. Ipma, overleden in december 1601, begraven te Nijland, huwde met Haye N.N.zn. Gegoed te Itens.
  • Auck Tyalckedr. Ipma, huwde met Hessel N.N.zn. Gegoed te Itens.
  • Tjepcke Tyalckesz. Ipma, volgt III

Generatie III

Tjepcke Tyalckesz. Ipma, gegoed in de Hoytehuysterasate te Itens, overleden 2 juli 1614, begraven te Nijland.

Huwde met Remcke Hayedr. Bennema, mogelijk overleden in 1636.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Syke Tjepckedr. Ipma, overleden voor 1650, huwde 1e circa 1625 met Benedictus Pytters Adema, vermeld te IJsbrechtum in 1625 en 1640, huwde 2e in 1643 met Gerrolt Lousz. Aesgama.
  • Liutske Tjepckedr. Ipma, vermeld in 1628 en 1639, huwde in 1633 met Doede Symens. Stamouders geslacht Ypma (volgt hieronder).
  • Tjepcke Tjepckezn. Ipma, vermeld in 1628.
  • Hessel Tjepckezn. Ipma, vermeld in 1628 ‘op de Mieden onder Oldeklooster’.
  • Haye Tjepckezn. Ipma, vermeld in 1628.
  • Ycke Tjepckedr. Ipma, mogelijk overleden in 1651, begraven te Lutkewierum, huwde met Hessel Sibles Rheenstra, afkomstig uit Lutkewierum, gegoed te Itens 1639, vermeld te Wieuwerd (1649, 1651, 1661), zoon van Sible Idsesz. en Antje Watses Rheen.

Het geslacht Ypma

Generatie I

Doede Symens, boer te Loënga (1640, stemkohier nr. 8), aldaar vermeld (1628, 1639).

Huwde in 1633 met Liutske Tjepckedr. Ipma, vermeld in 1628 en 1639, dochter van bovenstaande Tjepcke Tyalckesz. Ipma en Remcke Hayedr. Bennema.

De huwelijksbeker van Doede Symens en Liutske Tjepckedr. Ipma is bewaard gebleven en behoort tot de collectie van het Fries Scheepvaartmuseum.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Symen Doedes, volgt II
  • Gertie Doedes, overleden voor of in 1686, huwde met Rintje Joukesz. Hansma, meier op Tellens te Wommels.
  • Rimpck Doedes, huwde met Jan Martens, afkomstig uit Lutkewierum, vermeld te Wommels (1680, 1686)
  • Doettie Doedes (Ipema), vermeld te Oosterend 1666, huwde met Claes Hettes, kocht in 1668 een zathe ‘aen de gebuirte Tellens’ onder Wommels 1668, overleden voor 1678.

Generatie II

Symen Doedesz., kerkvoogd te Loënga (1670), vermeld te Wieuwerd (1680), lidmaat Hervormde Gemeente aldaar 1683, vermeld te Britswerd (1686), gebruiker van een stemgerechtigde boerderij te Wieuwerd (stem nr. 11, 1700), waarschijnlijk tevens gegoed in de zathe Hoekens te Oosterend, overleden voor 15 juni 1708.

Huwde met Riemck Hesselsdr. Rheenstra, overleden voor 15 juni 1708, dochter van bovenstaande Hessel Siblesz. Rheenstra en Ycke Tjepckedr. Ipma.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Sjoerd Symensz., volgt III-A
  • Eeke Symensdr., overleden voor 1742, huwde met Lieuwe Pytters, namens zijn echtgenote voor de helft echtgenote van de zathe Hoekens te Oosterend (stem nr. 2, 1728).
  • Doede Symensz., volgt III-B
  • Lieutsche Symensdr., overleden na 1709, huwde Wieuwerd 14 november 1686 met Jan Lolkesz., gebruiker van een stemgerechtigde zathe te Britswerd (stem nr. 7, 1698), later boer te Hennaard (1709).
  • Tjepke Symens, volgt III-C

Generatie III

III-A

Sjoerd Symensz., doet op 10 december 1706 belijdenis te Wieuwerd met zijn echtgenote Auckien Martens, boer aldaar (gebruiker stemgerechtigde zathe nr. 11 aldaar), Quotisatiekohieren 1749: Wieuwerd, Sjoerd Symons, heel welgestelde huisman, 5 volwassenen, aanslag 69-16-0, vermoedelijk overleden rond 1752.

Huwde Wieuwerd 24 mei 1705 met Acke/Auckien Martens, geboren circa 1681, afkomstig van Hennaard, boerin te Wieuwerd 1753-1766, overleden 22 januari 1775 op Swanwert onder Wieuwerd, begraven in de kerk te Lutkewierum, dochter van Marten Jarighs en Jancke Tiedes.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Tjepcke Sjoerdsz., volgt IV-A
  • Simon Sjoerdsz. Ypma, volgt IV-B
  • Marten Sjoerdsz., gedoopt Britswerd/Wieuwerd 1 januari 1712
  • Lemkjen Sjoerds, gedoopt Britswerd/Wieuwerd 27 oktoebr 1715
  • Tiede Sjoerdsz., volgt IV-C

III-B

Doede Symens, gebruiker en voor de helft eigenaar van de zathe Hoekens te Oosterend (stem nr. 2, 1728), huwde Oosterend/Hidaard 17 januari 1717 met Ymcke Wybes, afkomstig uit Wommels.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Rinckien Doedes, gedoopt Oosterend 11 juni 1719
  • Wybe Doedes, volgt IV-D
  • Tjepke Doedes, geboren/gedoopt Oosterend 21/22 augustus 1723
  • Bontje Doedes, gedoopt Oosterend 9 december 1725
  • Hessel Doedes, geboren/gedoopt Oosterend 5 september 1727
  • Baatje Doedes, gedoopt Oosterend 22 mei 1729
  • mogelijk Symen Doedes, huisman te Parrega (1766)
III-C

Tjepke Symens, huisman te Wieuwerd (1692), burger van Franeker 1 juli 1693, koemelker aldaar (1697, 1700), huwde Franeker 15 november 1692 met Gatske Pieters, vermoedelijk gedoopt Franeker 18 januari 1663 als dochter van Pieter Clases.
Uit dit huwelijk werden geboren:
– Pieter Tjepkes, gedoopt Franeker 8 maart 1694
– Symen Tjepkes, gedoopt Franeker 23 september 1697
– Remckjen Tjepkes, gedoopt Franeker 9 april 1700

Generatie IV

IV-A

Tjepcke Sjoerds, alias Tjepke Sjoerds van Mollema, postuum: Tjepke Sjoerds Ypma, gedoopt Oosterend 10 december 1706, boer te Lutkewierum (waarschijnlijk op Mollema), Quotisatiekohieren 1749: Lutkewierum, Tjepke Sjoerdsz., boer, schoon beslag, 4 volwassenen en 1 kind, aanslag 55-19-0, gegoed te Oosterend (1752-), overleden Oosterend 1788.

Huwde Lutkewierum 16 januari 1746 met Afke Folkerts Rispens, overleden Lutkewierum 1760, dochter van Folkert Reinders Rispens en Akke Wybes Adema.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Sjoerd Tjepkes Ypma, volgt V-A
  • Folkert Tjepkes Ypma, geboren circa 1750, kerkvoogd te Lutkewierum, overleden aldaar 10 oktober 1808.

IV-B

Simon Sjoerds Ypma, gedoopt Britswerd/Wieuwerd 2 januari 1709, boer te Nijland, Quotisatiekohieren 1749: Nijland, Symen Sjoerds, redelijk boer, 3 volwassenen en 3 kinderen, aanslag 41-0-0, tevens gegoed te Oosterend, overleden Nijland 14 september 1777.

Huwde in 1738 met Fettje Cornelis Bosma, gedoopt Britswerd/Wieuwerd 9 januari 1718, overleden Nijland 31 december 1793, dochter van Cornelis Pieters Bosma en Trijntje Reiners.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Trijntje Simons Ypma, gedoopt Nijland 6 juni 1740, huwde met Johan van Ketel, zoon van Johannes van Ketel en Geertruid Wassenbergh.
  • Acke Simons, gedoopt Nijland 24 februari 1743, overleden Wymbritseradeel 21 december 1815, huwde 1e Tjerkwerd 8 mei 1763 met Eelke Okkes Bangma, gedoopt Westhem/Wolsum 20 juli 1738, zoon van Okke Eelkes Bangma en Zwopkien Tjalckes, huwde 2e Nijland 6 juli 1790 met Lolke Obes Posthumus, geboren circa 1751, overleden Wymbritseradeel 18 december 1817.
  • Sjoerd Simons Ypma, volgt V-B
  • Cornelis Simons Ypma, volgt V-C
  • Marten Simons Ypma, gedoopt Nijland 24 oktober 1756.

IV-C (uitgestorven in mannelijke lijn 1807)

Tiede Sjoerds, gedoopt Britswerd/Wieuwerd 30 januari 1718, boer te Britswerd, Quotisatiekohieren 1749: Britswerd, Tiede Sjoerds, welgesteld huisman, 3 volwassenen en 1 kind, aanslag 59-9-0, tevens gegoed te Oosterend, overleden na 1774.

Huwde Wieuwerd 4 juni 1747 met Yttje Taekes, afkomstig uit Wieuwerd.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Auke Tiedes, geboren Folsgare 26 september, gedoopt Abbega 12 oktober 1755
  • Liefke Tiedes, geboren 16 augustus, gedoopt Lutkewierum/Rien 2 september 1762, overleden circa 1785, huwde Lutkewierum 15 augustus 1784 met Siebren Sakes, afkomstig van Rien, wonende te Oosterend (1786), hertrouwde Oosterend 22 oktober 1786 met Pietje Rienks.
  • Sjoerdje Tiedes, geboren 29 februari, gedoopt Lutkewierum/Rien 22 maart 1772, overleden in 1807, huwde Oosterend 5 augustus 1792 met Pieter Jans Vellinga, geboren Oosterend 26 juli, gedoopt Oosterend/Hennaard 11 augustus 1771, boer te Oosterend, overleden aldaar 28 mei 1825, zoon van Jan Minnes Vellinga en Maaike Thijses, hertrouwde Oosterend 22 november 1807 met Willemke Sjoerds de Jong.

IV-D (in mannelijke lijn uitgestorven?)

Wybe Doedes (Hoekstra), geboren/gedoopt Oosterend 16/19 augustus 1721, boer onder Wommels (1766), tevens gegoed te Oosterend.

Huwde met Engeltje Douwes.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Ymckjen Wybes Hoekstra, geboren/gedoopt Wommels 8/14 september 1766, overleden Wommels 16 december 1830, huwde met Jan Jouws Bouma.
  • Sytske Wybes Hoekstra, gedoopt Wommels 3 februari 1765, huwde Wommels/Hidaard 19 december 1784 met Mink Scheltes Ferwerda, afkomstig van Wommels.
  • Riemkjen Wybes Hoekstra, gedoopt Wommels 7 februari 1768, overleden aldaar 2 januari 1843, huwde 13 juni 1802 met Hobbe Gerlofs, afkomstig van Hartwerd.
  • Doede Wybes, gedoopt Wommels 17 maart 1771.
  • Gatske Wybes Hoekstra, gedoopt Wommels 10 oktober 1773, overleden Hidaard 13 mei 1820, huwde Wommels/Hidaard 18 november 1804 met Arjen Arjens Kunst, afkomstig van Wommels.
  • Baukjen Wybes, gedoopt Wommels 11 december 1774

Generatie V

V-A

Sjoerd Tjepkes Ypma, geboren Lutkewierum circa 1747, boer te Lutkewierum en Oosterend, lid gemeenteraad van Hennaarderadeel (1815), etc., overleden Oosterend 1 mei 1823.

Huwde 1e: Oosterend 6 mei 1770 met Trijntje Doekeles Sionstra, geboren/gedoopt Oosterend 17 juni/19 juli 1750, overleden tussen 1786 en 1794, dochter van Doekele Hettes Sionstra en Acke Clases Schinga.

Huwde 2e: Oosterend 11 mei 1794 met Maaike Ates Terpstra, geboren/gedoopt Mantgum 22 juli/2 augustus 1767, overleden Oosterend 5 juli 1810, dochter van Ate Entens en Hiske Jans.

Uit het eerste huwelijk werden geboren:

  • Tjipke Sjoerds Ypma, volgt VI-A
  • Doekele Sjoerds Ypma, volgt VI-B
  • Wybe Sjoerds Ypma, volgt VI-C
  • Aafke Sjoerds Ypma, geboren Oosterend 8 augustus 1785, overleden aldaar 8 april 1865, huwde Oosterend 19 mei 1813 met Sybren Rienks Sybrandi, geboren Itens 20 november 1790, boer te Itens (1813), overleden Oosterend 6 september 1861, zoon van Rienk Sybrens Sybrandi en Antje Reinders.

Uit het tweede huwelijk werden geboren:

  • Ate Sjoerds Ypma, volgt VI-D
  • Tiede Sjoerds Ypma, geboren/gedoopt Oosterend 18 april/13 mei 1798, overleden voor 1801
  • Tiede Sjoerds Ypma, geboren/gedoopt Oosterend 27 februari/12 april 1801, boer te Oosterend, overleden aldaar 27 februari 1836.
  • Meike Sjoerds Ypma, volgt VI-E

V-B

Sjoerd Simons Ypma, gedoopt Nijland 2 oktober 1746, boer te Nijland en schrijver, overleden Witmarsum (ten huize van zijn oudste dochter) 10 mei 1826.

Huwde Baarderadeel 28 april 1771 met Elisabeth Sytzes Kooistra, gedoopt Schalsum 12 november 1752, overleden Nijland 20 november 1796, dochter van Sytze Eelties en Rigtie Fransen.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Simon Sjoerds Ypma, volgt VI-F
  • Rigtje Sjoerds Ypma, geboren/gedoopt Wieuwerd 20/28 september 1777, overleden Burgwerd 15 mei 1847, huwde Nijland 20 mei 1804 met Klaas Pieters Jongama, geboren Oosterend 8 juni 1766, overleden Burgwerd 5 januari 1850, zoon van Pieter Abes en Bregtje Baukes.
  • Sytze Sjoerds Ypma, volgt VI-G
  • Dr. Martinus Sjoerds Ypma, volgt VI-H
  • Fettje Sjoerds Ypma, geboren/gedoopt Nijland 30 maart/5 april 1789, overleden Wonseradeel 13 januari 1862, huwde Nijland 19 augustus 1810 met Gerben Sipkes Rijpma, geboren Nijland 29 augustus 1786, overleden Wonseradeel 7 januari 1849, zoon van Sipke Gerbens en Yfke Folkerts van der Meer.

V-C

Cornelis Simons Ypma, gedoopt Nijland 25 maart 1753, boer aldaar.

Huwde Nijland 26 maart 1780 met Tjitske Jans, gedoopt Oosterend/Hennaard 11 maart 1759 (anderhalf jaar oud zijnde), dochter van Jan Jansen en Sjoerdje Everts.

Uit dit huwelijk werd geboren:

  • Sjoerdje Cornelis Ypma, geboren Waaxens 29 juni 1783, gedoopt Kubaard/Waaxens 13 juli 1783, huwde Arum 25 mei 1800 met Bauke Eeltjes Kooistra.

Generatie VI

VI-A

Tjipke Sjoerds Ypma, geboren Oosterend 22 maart 1771, gedoopt Oosterend/Hennaard 5 juli 1803 (op belijdenis), boer te Lutkewierum, overleden aldaar 26 augustus 1811.

Huwde Oosterend 22 januari 1797 met Akke Ymes van der Meulen, gedoopt Oosterend/Hennaard 15 oktober 1769, overleden Huizum 18 april 1849, dochter van Yme Hendricks en Trijntje Cornelis.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Sjoerd Tjipkes Ypma, volgt VII-A
  • Trijntje Tjipkes Ypma, geboren/gedoopt Oosterend 1/26 december 1797, overleden Tirns 3 mei 1861, huwde Hennaarderadeel 28 oktober 1816 met Rients Annes van Wijngaarden, geboren Bozum 7 mei 1796, boer te Tirns, overleden aldaar 4 oktober 1826, zoon van Anne Rientses van Wijngaarden en Sytske Syes Algra.
  • Akke Tjipkes Ypma, geboren/gedoopt Oosterend 25 januari/2 maart 1800, overleden Jorwerd 5 mei 1854, huwde Hennaarderadeel 12 juni 1819 met Hotze Taekes Koopmans, geboren circa 1796, overleden Jellum 1 januari 1872, zoon van Taeke Willems Koopmans en Taetske Hotses Schilstra.
  • Jitske Tjipkes Ypma, geboren/gedoopt Oosterend 28 januari/21 februari 1802, overleden Huizum 30 augustus 1833, huwde Leeuwarden 21 april 1822 met Jurjen Hoekstein, geboren Leeuwarden circa 1802, schutter bij het 2e Bataljon Friese Schutterij (1833), zoon van Jurjen Hoekstein en Leentje Meinders Jongbloed, hertrouwde Leeuwarderadeel 9 januari 1834 met Teelke Alberts Prins.
  • Folkert Tjipkes Ypma, geboren/gedoopt Oosterend 21 mei/7 juni 1807, achtereenvolgens boer te Oosterend en Spannum, overleden Spannum 9 december 1849, huwde Hennaarderadeel 6 december 1827 met Lieuwkjen Pieters Schuilenburg, geboren Baard 4 juni 1805, overleden aldaar 15 januari 1878, dochter van Pieter Haitzes Schuilenburg en Sytske Sytzes.
  • Ymkjen Tjipkes Ypma, geboren Lutkewierum 12 april 1811, overleden aldaar 8 februari 1815.

VI-B

Doekele Sjoerds Ypma, geboren Oosterend 23 april 1773, boer te Wieuwerd (1816-1835) en laatstelijk te Oosterend, overleden aldaar 30 maart 1840.

Huwde 1e: Oosterend 17 mei 1795 met Hinke Ymes Stellingwerf, geboren/gedoopt Oosterend 19 juli/14 augustus 1774, overleden in 1800, dochter van Yme Aukes Stellingwerf en Sietske Jelles.

Huwde 2e: Itens 11 april 1802 met Antje Sjirks Joustra, geboren verm. Wolsum, gedoopt Bolsward 22 mei 1779, overleden Deinum 6 april 1847, dochter van Sjirk Douwes Joustra en Neeltje Jelles.

Uit het eerste huwelijk werden geboren:

  • Trijntje Doekeles Ypma, geboren Hennaard 25 november 1796, gedoopt Oosterend/Hennaard 26 december 1796, wonende te Itens (1811)
  • Hette Doekeles Ypma, gedoopt Itens 7 december 1800, jong overleden.

Uit het tweede huwelijk werden geboren:

  • Neeltje Doekeles Ypma, geboren Itens 13 maart 1803, overleden Tzummarum 25 oktober 1874, huwde Hennaarderadeel 20 juni 1825 met Machiel Alberts Boonstra, geboren Loënga 2 augustus 1800, boer te Tzummarum, overleden aldaar 7 september 1845, zoon van Albert Gerrits Boonstra en Baukje Hendriks.
  • Hette Doekeles Ypma, volgt VII-B
  • Wietse Doekeles Ypma, geboren/gedoopt Itens 14/25 december 1805, overleden 8 januari 1806
  • Wytske Doekeles Ypma, geboren/gedoopt Itens 30 oktober/20 november 1808, overleden 24 juli 1810
  • Sjoerd Doekeles Ypma, geboren Oosterend 9 december 1812.
  • Wietske Doekeles Ypma, geboren Wieuwerd 16 augustus 1816.

VI-C

Wybe Sjoerds Ypma, geboren circa 1776, boer te Oosterend, rentenier (1841), overleden Hennaarderadeel 20 augustus 1843.

Huwde Oosterend 10 september 1809 met Adriaantje Ales Brouwer, geboren Rien 30 juni 1782, gedoopt Lutkewierum/Rien 15 augustus 1782, overleden Hennaarderadeel 20 juli 1856, dochter van Ale Rienks en Ietje Olgers.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Ytje Wybes Ypma, geboren/gedoopt Oosterend 7 april/6 mei 1810, overleden Bolsward 6 september 1895, huwde Bolsward 20 oktober 1833 met Pieter Sybrens Buwalda, geboren Bolsward 18 september 1801, koperslager te Bolsward, overleden aldaar 4 februari 1864, zoon van Sybren Buwalda en Antje Noordbeek.
  • Trijntje Wybes Ypma, geboren Oosterend 16 juni 1812, overleden aldaar 10 februari 1860.
  • Sjoerd Wybes Ypma, geboren 1814, grenadier (1841), overleden ‘s-Gravenhage 2 april 1841.
  • Klaaske Wybes Ypma, geboren circa 1817, overleden Oosterend 26 mei 1837.
  • Folkert Wybes Ypma, volgt VII-C
  • Ale Wybes Ypma, geboren Oosterend 14 april 1820, overleden aldaar 12 april 1821.
  • Aaltje Wybes Ypma, geboren Oosterend 9 mei 1822, overleden aldaar 25 juni 1823.
  • Ale Wybes Ypma, geboren Oosterend 26 juli 1824, overleden aldaar 18 september 1894.

VI-D

Ate Sjoerds Ypma, geboren/gedoopt Oosterend 5 maart/17 april 1796, boer en koopman te Oosterend, wethouder van Hennaarderadeel, kerkvoogd aldaar, overleden Oosterend 1 augustus 1873.

Huwde 1e: Oosterend 29 mei 1816 met Dirkien Sybrens Sypersma, geboren/gedoopt Oosterlittens 18 april/22 mei 1796, overleden Oosterend 27 november 1826, dochter van Sybren Jans Sypersma en Gelske Piers Strikwerda.

Huwde 2e: Hennaarderadeel 9 januari 1830 met Beitske Dirks Dijkstra, geboren/gedoopt Oosterend 10/21 augustus 1808, overleden aldaar 10 juni 1885, dochter van Dirk Dirks Dijkstra en Aafke Tjerks.

Uit het eerste huwelijk werden geboren:

  • Sjoerd Ates Ypma, volgt VII-D
  • Gelske Ates Ypma, geboren Oosterend 5 juli 1819, overleden aldaar 13 september 1819
  • Gelske Ates Ypma, geboren Oosterend 24 juni 1821, overleden aldaar 30 mei 1897, huwde Baarderadeel 15 mei 1841 met Jan Jacobs Wiersma, geboren Oosterlittens 6 november 1817, boer te Hidaard, overleden aldaar 17 september 1857, zoon van Jacob Jelmers Wiersma en Antje Pieters Robijn.

Uit het tweede huwelijk werden geboren:

  • Dirk Ates Ypma, geboren Oosterend 16 september 1830, overleden aldaar 3 oktober 1830
  • Dirk Ates Ypma, geboren Oosterend 17 november 1831, achtereenvolgens kastelein te Oosterend (1858-1859), boer te Wieuwerd (1873) en Oosterend (1886), rentenier, overleden Huizum 27 maart 1912, huwde Hennaarderadeel 15 mei 1858 met Tetje Gerrits Miedema, geboren Oosterend 12 mei 1833, overleden aldaar 20 september 1886, dochter van Gerrit Meintes Miedema en Antje Klazes Rispens.
  • Maaike Ates Ypma, geboren Oosterend 10 augustus 1833, overleden aldaar 3 oktober 1880, huwde Oosterend 27 augustus 1852 met Wopke de Gavere, geboren Oosterend 3 augustus 1828, boer te Oosterend, overleden aldaar 6 juli 1900, zoon van Wopke de Gavere en Theodora Johanna Elisabeth Odolphi.
  • Ente Ates Ypma, geboren Oosterend 6 december 1835, overleden aldaar 3 januari 1836
  • Afke Ates Ypma, geboren Oosterend 9 februari 1838, overleden aldaar 18 november 1840.
  • Ente Ates Ypma, geboren Oosterend 23 januari 1840, overleden aldaar 10 november 1849.
  • Afke Ates Ypma, geboren Oosterend 12 april 1842, overleden aldaar 30 april 1893, huwde Wommels 7 mei 1859 met Petrus Rintjes Heeringa, geboren Bozum, Bozummerstate, 24 januari 1834, logementhouder en veehandelaar te Oosterend, overleden aldaar 12 januari 1890, zoon van Rintje Petrus Heeringa en Aafke Willems van der Valk.
  • Tiede Ates Ypma, geboren Oosterend 24 april 1844, achtereenvolgens leerling in de geneeskunde te Leeuwarden, koopman te Amsterdam en opzichter van een schapenboerderij in California, overleden (te Amsterdam?) na 1912.
  • Trijntje Ates Ypma, geboren Oosterend 13 augustus 1848, overleden aldaar 10 september 1848.

VI-E (uitgestorven in mannelijke lijn 1874)

Meike Sjoerds Ypma, geboren/gedoopt Oosterend 19 juni/29 juli 1810, boer te Oosterend, overleden aldaar 10 januari 1837.

Huwde Hennaarderadeel 4 juni 1829 met Trijntje Sjoerds de Jong, geboren Wommels 13 december 1808, overleden Oosterend 7 februari 1851, dochter van Sjoerd Sjoerds de Jong en Pietje Ritskes Statema.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Maaike Meikes Ypma, geboren Oosterend 19 december 1830, overleden Piaam 21 februari 1867, huwde 1e: Hennaarderadeel 8 mei 1852 met Gerrit Sjoerds Heeg, geboren Oosterend 18 oktober 1829, boer te Wommels, overleden aldaar 24 januari 1862, zoon van Sjoerd Jans Heeg en Lijsbeth Gerrits Alberda, huwde 2e: Hennaarderadeel 10 september 1863 met Gabe Jans Haarsma, geboren Piaam 10 november 1821, boer te Piaam, overleden aldaar 12 februari 1900, zoon van Jan Gabes Haarsma en Grietje Sjoerds Postma.
  • Pietje Meikes Ypma, geboren Oosterend 26 februari 1832, overleden aldaar 30 juli 1868
  • Sjoerdje Meikes Ypma, geboren Oosterend 12 maart 1836, overleden Tzum 6 maart 1865, huwde Hennaarderadeel 23 maart 1856 Dirk Piers Noordmans, geboren Spannum 24 augustus 1843, boer laatstelijk te Scharnegoutum, overleden aldaar 12 december 1907, zoon van Pier Jacobs Noordmans en Antje Jans Rispens, hij hertrouwde Hennaarderadeel 14 mei 1870 met Gerbrig Oepkes de Roos.
  • Aafke Meikes Ypma, geboren Oosterend 16 februari 1834, overleden Wommels 10 maart 1874.

VI-F (uitgestorven in mannelijke lijn 1883)

Simon Sjoerds Ypma, geboren/gedoopt Wieuwerd 11/22 mei 1774, boer te Hartwerd (1812), geadmitteerd landmeter (1822), overleden Hartwerd 10 april 1822.

Huwde 1e: Wymbritseradeel 2 mei 1802 met Jantje Sybrens Koopmans, geboren circa 1777, afkomstig uit Abbega overleden Tzum in 1810.

Huwde 2e: Witmarsum 9 mei 1812 met Grietje Jans Andela, geboren/gedoopt Burgwerd 10/13 juli 1788, overleden Hartwerd 7 mei 1866, dochter van Jan Clases Andela en Aaltje Jans.

Uit het eerste huwelijk werden geboren:

  • Akke Simons Ypma, geboren/gedoopt Tzum 10/27 mei 1804, overleden Hartwerd 16 augustus 1819
  • Elisabeth Simons Ypma, geboren/gedoopt Tzum 13 november/1 december 1805, overleden Nijland 13 maart 1881, huwde Workum 24 mei 1826 met Gosse Lieuwes Bootsma, geboren Nijhuizum 7 maart 1804, boer te Workum, overleden Nijland 14 oktober 1882, zoon van Lieuwe Jentjes Bootsma en Henke Gosses Bosma.
  • Sjoerd Simons Ypma, geboren/gedoopt Tzum 18 oktober/1 november 1807, overleden aldaar 20 februari 1808.
  • Sjoerdje Simons Ypma, geboren/gedoopt Tzum 4/29 oktober 1810, overleden Franeker 19 oktober 1883, huwde 1e: Wonseradeel 6 juni 1829 met Rients Fokkes Plantinga, geboren Bolsward 5 augustus 1804, arbeider te Witmarsum, overleden aldaar 22 mei 1831, zoon van Fokke Rientses Plantinga en Hotske Siets Potsma, huwde 2e: Wonseradeel 9 juli 1836 met Reinder Sjoerds Tiemstra, geboren Arum circa 1804, slager te Franeker, overleden aldaar 16 januari 1869, zoon van Sjoerd Reinders Tiemstra en Dieuwke Anes Anema.

Uit het tweede huwelijk werden geboren:

  • Trijntje Simons Ypma, geboren Hartwerd 27 februari 1815, overleden aldaar 14 december 1816.
  • Trijntje Simons Ypma, geboren Hartwerd 24 juli 1818, overleden Kubaard 12 november 1853, huwde Wonseradeel 10 mei 1838 met Lieuwe Meinderts Wynia, geboren Tzum 7 april 1815, boer te Kubaard, overleden aldaar 7 november 1892, zoon van Meindert Theunis Wynia en Akke Foekes Wynia.

VI-G (uitgestorven in mannelijke lijn in 1883)

Sytze Sjoerds Ypma, geboren/gedoopt Wieuwerd 19/26 september 1779, boer te Tjerkwerd, overleden Folsgare 11 september 1837.

Huwde Burgwerd/Hichtum/Hartwerd 2 oktober 1803 met Froukjen Gerrits Terpstra, gedoopt Hartwerd oktober 1783, overleden Tjerkwerd 25 september 1827, dochter van Gerrit Rientses Terpstra en Pietje Symens.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Elisabeth Sytzes Ypma, geboren/gedoopt Tjerkwerd 29 november/16 december 1804, overleden Dedgum 28 december 1832, huwde Wonseradeel 24 juni 1826 met Hotze Jans Buwalda, geboren Witmarsum 10 februari 1803, koopman te Dedgum, overleden Burgwerd 13 juli 1838, zoon van Jan Jans Buwalda en Pietje Hotzes Rusticus.
  • Pietje Sytzes Ypma, geboren/gedoopt Tjerkwerd 8 juni/13 juli 1806, overleden aldaar 24 augustus 1806.
  • Pietje Sytzes Ypma, geboren/gedoopt Tjerkwerd 25 januari/14 februari 1808, overleden Folsgare 24 februari 1855, huwde Wymbritseradeel 13 juni 1829 met Niklaas Feddes Breeuwsma, geboren Folsgare 7 september 1805, boer te Folsgare, overleden aldaar 11 december 1869, zoon van Fedde Oeges Breeuwsma en Tjaltje Harmens Miedema.
  • Sjoerd Sytzes Ypma, geboren/gedoopt Tjerkwerd 15 augustus/3 september 1809, overleden Eemswoude onder Tjerkwerd 27 juni 1830.
  • Marike Sytzes Ypma, geboren Tjerkwerd 11 augustus 1811, overleden Franeker 16 januari 1869, huwde Wonseradeel 16 juni 1832 met Douwe Sytzes Ozinga, geboren Ypecolsga 26 april 1807, koopman, overleden Veenhuizen 23 april 1847, zoon van Sytze Douwes Ozinga en Jetske Sierks Frankena.
  • Rinske Sytzes Ypma, geboren Tjerkwerd 28 juni 1813, overleden Bozum 13 februari 1883, huwde 1e Wonseradeel 12 januari 1833 met Taeke Sibles Bakker, geboren Arum 8 februari 1810, bakker, overleden Bozum 19 maart 1844, zoon van Sible Pieters Bakker en Geertje Taekes, huwde 2e Baarderadeel 18 oktober 1845 met Hendrik Andries Netters, geboren Bozum 21 december 1819, overleden Leeuwarden 16 juli 1883, zoon van Andries Pieters Netters en Akke Luitjens Kleiterp.
  • Gerrit Sytzes Ypma, geboren Tjerkwerd 24 mei 1819, overleden Bozum 6 februari 1883.
  • Ulbe Sytzes Ypma (v), geboren Tjerkwerd 17 april 1821 (overleden als Rigtje Sytzes Ypma 20 december 1824?)

VI-H

Dr. Martinus Sjoerds Ypma, geboren/gedoopt Nijland 21 juli/6 augustus 1786, med. doct., overleden Haart (Diever) 17 mei 1850.

Huwde 1e: Bolsward 3 april 1808 met Trijntje Lolles Steensma, geboren Dokkum 15 april 1787, dochter van Dr. Lolle Romkes Steensma en Jiske Pieters Buwalda.

Huwde 2e: Smilde 27 augustus 1819 met Bartholomea Aldegonda Auwerda, geboren Groningen 15 mei 1794, overleden Haart 13 september 1862, dochter van Hajo Willem (Petrus) Auwerda en Ettina Heckman.

Uit het eerste huwelijk werden geboren:

  • Jieke Ypma, geboren circa 1809
  • Sjoerd Ypma, geboren circa 1810
  • Elisabeth Gerarda Ypma, geboren Heusden 18 oktober 1811, overleden Smilde 7 december 1850.
  • Jiskea Elisabeth Ypma, geboren Veenendaal 28 november 1813, overleden Kloosterveen 27 januari 1856, huwde Smilde 6 mei 1851 met Arend van der Veen, geboren Smilde 6 januari 1812, schipper, overleden Hoogersmilde 11 december 1881, zoon van Derk Arends van der Veen en Roelofje Jans.
  • Lourens Ypma, geboren Haskerland 29 oktober 1815.
  • Sjoerd Simon Ypma, geboren Heerde 4 september 1810, overleden Smilde 11 september 1821.

Uit het tweede huwelijk werden geboren:

  • Laurens Petrus Alexander Ypma, geboren Smilde 18 juni 1820, overleden Bolsward 25 september 1834.
  • Catharina Ettina Aldegonda Ypma, geboren Smilde 15 maart 1822, overleden Haart 15 september 1847.
  • Sjoerd Simon Ypma, geboren Bolsward 17 april 1824, boer te Haart (Diever) en winkelier, overleden Meppel 26 mei 1896, huwde Diever 9 november 1849 Jantje Meines Jansen. Uit dit huwelijk nageslacht.
  • Ettina Cornelia Ypma, geboren Bolsward 19 januari 1827, overleden Geeuwenbrug (Diever) 7 februari 1899, huwde Diever 8 april 1863 met Klaas Tol, geboren Diever 12 januari 1830, boer, overleden Geeuwenbrug 5 december 1900, zoon van Willem Tol en Grietje Karsten.
  • Cornelis Simon Auwerda Ypma, geboren Bolsward 19 mei 1830, genees-, heel- en vroedmeester te Diever, overleden aldaar 1 juli 1863, huwde Smilde 18 januari 1850 met Philippina Frederika Cornelia Hatzmann, geboren Smilde 10 augustus 1830, overleden Hoogersmilde 6 januari 1870, dochter van Johannes Hatzmann en Sara Cornelia Webster. Uit dit huwelijk nageslacht
  • Martinus Jacob Ypma, geboren Bolsward 18 oktober 1832, hoofdonderwijzer, overleden Coevorden 28 augustus 1902, huwde Coevorden 20 augustus 1863 met Johanna Scholten, geboren Dalen 27 februari 1828, overleden Steenwijkersmoer (Coevorden) 21 november 1889, dochter van Harman Scholten en Wemeltje Rosing. Uit dit huwelijk nageslacht.
  • Simon Gerard Ypma, geboren Bolsward 23 oktober 1834, schipper en arbeider, overleden Assen 30 januari 1880, huwde Assen 20 augustus 1862 met Anna Margaretha Palthe, geboren Assen 15 juli 1837, overleden aldaar 24 april 1918, dochter van Hendrik Palthe en Hendrikje Berends ter Brugge. Uit dit huwelijk nageslacht.

VII-A

Sjoerd Tjipkes Ypma, geboren Oosterend 28 december 1804, boer te Kubaard, overleden aldaar 25 juni 1858.

Huwde Wonseradeel 24 mei 1828 met Tjitske Sjoerds Rusticus, geboren Tjerkwerd 26 september 1810, overleden Hennaarderadeel 21 november 1847, dochter van Sjoerd Hotzes Rusticus en Klaaske Aukes Breeuwsma.

Uit dit huwelijk:

  • Tjipke Ypma, geboren Hempens 17 april 1829, overleden aldaar 9 juni 1829.
  • Klaaske Ypma, geboren Hempens 16 september 1830, overleden Kubaard 14 januari 1902, huwde Hennaarderadeel 28 mei 1856 met Taede Aebes Bos, geboren Kubaard 15 december 1832, overleden aldaar 1 mei 1868, zoon van Aebe Feddes Bos en Grietje Tiedes Schuringa.
  • Akke Ypma, geboren Hempens 31 oktober 1831, overleden Kubaard 12 mei 1902, huwde 1e Franekeradeel 12 mei 1853 met Age Meinderts Wynia, geboren Tzum 25 juli 1825, overleden Kubaard 12 februari 1862, zoon van Meindert Theunis Wynia en Akke Foekes Wynia, huwde 2e Hennaarderadeel 6 februari 1864 met Minne Wiebes Koopmans, geboren Gaast 9 december 1822, overleden Kubaard 6 december 1867, zoon van Wiebe Minnes Koopmans en Antje Douwes Miedema.
  • Tjipke Ypma, geboren Hempens 20 februari 1833, overleden Tzum 8 januari 1925, huwde Hennaarderadeel 14 mei 1873 met Janke Elsinga, geboren Kubaard 6 december 1848, dochter van Wiebe Lieuwes Elsinga en Hotske Ypes Kingma.
  • Hotske Ypma, geboren Kubaard 5 mei 1834, overleden aldaar 25 novemebr 1836.
  • Sjoerd Ypma, geboren Hennaarderadeel 8 juni 1835, kastelein te Kubaard, laatstelijk boer te Tzum, overleden aldaar 25 september 1913, huwde Hennaarderadeel 14 mei 1862 met Grietje Wynia, geboren Kubaard 9 september 1840, overleden Tzum 26 juni 1925, dochter van bovenstaande Lieuwe Meinderts Wynia en Trijntje Simons Ypma.
  • Hotze Ypma, geboren Kubaard 2 december 1837, overleden aldaar 22 november 1838.
  • Hotske Ypma, geboren Kubaard 9 juli 1839, overleden Hennaard 6 mei 1865, huwde Hennaarderadeel 6 april 1859 met Klaas Gerrits Abma, geboren Kubaard 7 mei 1836, overleden Burgwerd 27 december 1876, zoon van Gerrit Harmens Abma en Afke Klazes Nauta.
  • Jitske Ypma, geboren Kubaard 22 juli 1844, overleden Bolsward 28 april 1932, huwde Hennaarderadeel 25 augustus 1865 met Bouwe Heeres Hoekstra, geboren Oosterend 23 mei 1839, overleden Kubaard 17 juni 1910, zoon van Heere Bouwes Hoekstra en Trijntje Hendriks Hoekstra.
  • Trijntje Ypma, geboren Kubaard 18 september 1845, overleden Tzum 2 augustus 1929, huwde Franekeradeel 6 mei 1865 met Feike de Boer, geboren Tzum 27 januari 1842, overleden aldaar 1 september 1926, zoon van Klaas Harkes de Boer en Akke Sikkes Brouwer.
  • levenloos kind, Hennaarderadeel 14 november 1847.

VII-B

Hette Doekeles Ypma, geboren Itens 19 oktober 1804, achtereenvolgens boer te Oosterend, te Deinum en scheepsjager te Leeuwarden, overleden Itens 30 augustus 1870.

Huwde Hennaarderadeel 13 oktober 1827 met Sjoerdje Pieters Vellinga, geboren Oosterend 15 maart 1809, overleden Huizum 18 januari 1853, dochter van Pieter Jans Vellinga en Willemke Sjoerds de Jong.

Uit dit huwelijk:

  • Doekele Hettes Ypma, geboren Oosterend 25 maart 1829, voermansknecht te Leeuwarden, overleden aldaar 20 juni 1861.
  • Pieter Hettes Ypma, geboren Oosterend 24 juni 1830, overleden Tzum 24 september 1897, huwde Hennaarderadeel 12 juni 1880 met Wypkje Wybes Faber, geboren Franeker 9 mei 1837, overleden Oosterend 25 november 1902, dochter van Wybe Lieuwes Faber en Japke Hendriks Schotanus.
  • Jan Hettes Ypma, geboren Oosterend 1 augustus 1831, overleden Deinum 21 oktober 1846.
  • Antje Hettes Ypma, geboren Oosterend 9 april 1833, overleden aldaar 6 januari 1895, huwde Hennaarderadeel 21 mei 1853 met Pieter Rientses Jongema, geboren Hennaard 18 september 1828, overleden Oosterend 29 maart 1911, zoon van Rients Pieters Jongema en Jantje Jans Bakker.
  • Tiede Hettes Ypma, geboren Oosterend 22 februari 1835, overleden aldaar 24 maart 1837.
  • Willemke Hettes Ypma, geboren Oosterend 28 juni 1836, overleden Edens 11 september 1909, huwde Hennaarderadeel 6 mei 1865 met Pier Lieuwes Eringa, geboren Edens 11 januari 1826, overleden aldaar 7 juli 1898, zoon van Lieuwe Piers Eringa en Baukje Simons Strikwerda.
  • Wypkje Hettes Ypma, geboren Oosterend 19 september 1837, overleden Hennaard 26 maart 1914, huwde Hennaarderadeel 7 mei 1862 met Hendrik Meiles Schotanus, geboren Hennaard 19 augustus 1827, overleden aldaar 15 januari 1908, zoon van Meile Hendriks Schotanus en Trijntje Oepkes Wiersma.
  • Tiede Hettes Ypma, geboren Oosterend 15 februari 1839, overleden aldaar 23 februari 1913, huwde Hennaarderadeel 15 mei 1875 met Aafke Alles Dijkstra, geboren Oosterwierum 13 februari 1843, overleden Oosterend 11 december 1917, dochter van Alle Dirks Dijkstra en Gieltje Reinders Kooistra. (Nichtje van Beitske Dirks Dijkstra, tweede echtgenote van Ate Sjoerds Ypma).
  • Maaike Hettes Ypma, geboren Oosterend 13 september 1840, overleden Tzum 1 oktober 1870, huwde Franekeradeel 23 januari 1869 met Sjouwke Krijns Taekema, geboren Menaldum 21 januari 1826, overleden Harlingen 27 januari 1920, zoon van Krijn Taekes Taekema en Lijsbeth Hendriks Uma.
  • Trijntje Hettes Ypma, geboren Oosterend 20 november 1843, overleden aldaar 22 november 1843.
  • Sjoerd Hettes Ypma, geboren Deinum 4 april 1845, arbeider te Wommels, overleden aldaar 5 mei 1891, huwde 1e Hennaarderadeel 13 mei 1871 met Klaaske Oenes Faber, geboren Lutkewierum 9 december 1847, overleden Wommels 4 juni 1876, dochter van Oene Cornelis Faber en Willemke Abes Hoekema, huwde 2e Hennaarderadeel 19 mei 1877 met Uilkjen Wybes Sipkema, geboren Wommels 7 december 1846, overleden aldaar 16 oktober 1916, dochter van Wybe Sytzes Sipkema en Attje Attes Beswerda.
  • Jantje Hettes Ypma, geboren Deinum 3 december 1848, overleden Leeuwarden 26 juli 1890, huwde Baarderadeel 19 februari 1876 met Job Jans van der Burg, geboren Oosterlittens 5 augustus 1847, overleden Leeuwarden 11 mei 1919, zoon van Jan Hayes van der Burg en Fokje Jans Feenstra.

VII-C

Folkert Wybes Ypma, geboren Oosterend 12 januari 1819, arbeider te Oosterend, overleden aldaar 23 januari 1906.

Huwde Hennaarderadeel 29 april 1843 met Rinske Thomas Bijkersma, geboren IJsbrechtum 18 augustus 1820, overleden Oosterend 21 juni 1906, dochter van Thomas Iedes Bijkersma en Eelkjen Pieters Nettes.

Uit dit huwelijk werden geboren:

  • Adriaantje Folkerts Ypma, geboren Oosterend 6 mei 1844, overleden aldaar 5 januari 1918, huwde 1e Hennaarderadeel 5 mei 1877 met Jilke Anskes de Vries, geboren Oosterend 6 februari 1846, arbeider te Oosterend, overleden aldaar 31 maart 1886, zoon van Anske Ruurds de Vries en Jilkjen Tjalkes Gaastra, huwde 2e Hennaarderadeel 14 december 1895 met Folkert van der Meer, geboren Winsum 10 februari 1849, arbeider te Wommels (1895), overleden Oosterend 20 november 1927, zoon van Feike Symons van der Meer en Wypkje Jans Noordmans.
  • Eelkjen Folkerts Ypma, geboren Oosterend 20 augustus 1847, overleden Bozum 1 december 1890, huwde Baarderadeel 22 maart 1882 met Sije Alberts Algera, geboren Bozum 11 juni 1826, veehouder te Bozum, overleden aldaar 11 september 1888, zoon van Albert Symens Algera en Aukjen Jans Westerhuis.
  • Wipkjen Folkerts Ypma, geboren Oosterend 26 augustus 1851, overleden aldaar 12 oktober 1855.
  • Thomaske Folkerts Ypma, geboren Oosterend 23 januari 1855, overleden Bolsward 27 september 1908, huwde Bolsward 9 mei 1880 met Sjoerd Buwalda, geboren Bolsward 10 maart 1844, sigarenmaker te Bolsward, overleden aldaar 13 oktober 1922, zoon van Pieter Sybrens Buwalda en Ytje Wybes Ypma.
  • Wypkjen Folkerts Ypma, geboren Oosterend 2 juni 1858, overleden aldaar 6 april 1861.
  • Wypkjen Folkerts Ypma, geboren Oosterend 7 mei 1861, overleden aldaar 24 februari 1940, huwde Hennaarderadeel 12 mei 1883 met Johannes Hillebrands Brandsma, geboren Haulerwijk 28 september 1854, timmermansknecht te Bozum (1883), overleden Oosterend 13 mei 1939, zoon van Hillebrand Remmelts Brandsma en Aaltje Karstes Dragstra.
  • Wybe Folkerts Ypma, geboren Oosterend 14 december 1864, huisschilder te Leeuwarden, overleden aldaar 20 februari 1931, huwde Hennaarderadeel 15 juni 1895 met Wietske Wester, geboren Boornbergum 18 juli 1866, overleden Leeuwarden 6 september 1938, dochter van Albert Harrits Wester en Baukje Ernst Groeneveld.

VII-D

Sjoerd Ates Ypma, geboren Oosterend 11 februari 1817, boer te Oosterlittens, overleden aldaar 4 april 1891.

Huwde 1e: Baarderadeel 14 mei 1840 met Bregtje Taekes Fopma, geboren Oosterlittens 23 januari 1820, overleden aldaar 23 april 1843, dochter van Taeke Sybrens Fopma en Geertje Doekes Fopma.

Huwde 2e: Baarderadeel 13 mei 1846 met Lolkjen Jelles Hofstra, geboren Oosterlittens 23 september 1820, overleden aldaar 2 december 1893, dochter van Jelle Gerbens Hofstra en Antje Broers Sprongsma.

Uit het eerste huwelijk werd geboren:

  • Dirkje Sjoerds Ypma, geboren Oosterlittens 17 september 1842, overleden Sneek 14 december 1922, huwde Wymbritseradeel 21 mei 1864 met Cornelis Symens Baarda, geboren Abbega 24 mei 1838, veehouder te Sneek, overleden aldaar 17 maart 1882, zoon van Symen Hessels Baarda en Tjitske Reinders Zoethout.

Uit het tweede huwelijk werden geboren:

  • Antje Sjoerds Ypma, geboren Oosterlittens 1 mei 1847, overleden aldaar 30 juli 1847.
  • Antje Sjoerds Ypma, geboren Oosterlittens 14 april 1848, overleden Sneek 21 juli 1933, huwde Baarderadeel 30 mei 1868 met Johannes Jans Flameling, geboren Oosterlittens 17 maart 1842, verwer aldaar, overleden Sneek 23 december 1916, zoon van Jan Johannes Flameling en Sijke Jelles Bakker.
  • Ate Sjoerds Ypma, geboren Oosterlittens 17 september 1850, overleden aldaar 2 april 1869.
  • Jelle Sjoerds Ypma, geboren Oosterlittens 4 mei 1855, veehouder te Britswerd, overleden Sonnega 20 februari 1926, huwde Baarderadeel 2 mei 1888 met Jacomina Jans Bosma, geboren Warga 29 juli 1858, overleden Sonnega 28 december 1931, dochter van Jan Hanzes Bosma en Jeltje Jans Oosterhout.

Bronnen: voornamelijk www.allefriezen.nl

1Vernoemd naar Menno Simons

2Schoonouders van mijn oudtantes M.G. ter Kuile-Jannink en J. ter Kuile-Jannink.

3In andere jaren werd Hennaard bediend door de predikanten van afwisselend Itens en Edens

4Deze dominee Urétèrpius was de schoonvader van dominee Tiberas Offringa (1689-1753) die voorkomt in het stamboomfragment Ipma

5Deze Cornelis Pieters Bosma is eveneens een rechtstreekse voorvader. Zijn oudste dochter Trijntje trouwde in 1732 met Bontje Ymes van der Valk. Zij zijn de rechtstreekse voorouders van Aafke Heeringa-van der Valk die voorkomt in het genealogisch fragment Ipma.

6Dankzij hun leeftijden (of te oud, of te jong voor de dienstplicht)

7Tot en met 1810 komt Sjoerd Tjepkes enkel voor met patroniem (blijkens doop- en trouwboek van Oosterend)

8De schrijfwijze van het oude geslacht Ipma moet hem bekend zijn geweest door de aanwezigheid van grafstenen van dit geslacht in de oude kerk van zijn woonplaats Nijland.

9Deze ds. Petrus de Gavere (1713-1803) gaf pas in 1798 het stokje over aan ds. Johan Frederik de Rook. Noemenswaardig is dat een achter-achterkleinzoon van ds. Petrus de Gavere, Wopke de Gavere (1828-1900), in 1852 de schoonzoon werd van Ate Sjoerds Ypma.

10Ten tijde van zijn huwelijk in 1770 was hij afkomstig van Oosterend in plaats van zijn geboorteplaats Lutkewierum

11Akke Wybes Adema (-1733), echtgenote van Folkert Reinders Rispens (-1759). Haar familie bewoonde de zathe sinds het eind van de zestiende eeuw.

12Vertaling uit latijn: ‘liefde overwint alles’

13Op 5 maart 1796 werd Ate geboren als zoon van Sjoerd Tjepkes Ypma; op 25 november 1796 werd Trijntje Doekeles Ypma geboren, dochter van Doekele Sjoerds Ypma en daarmee kleindochter van Sjoerd Tjepkes Ypma.

14Dit tij keerde in de tweede helft van de negentiende eeuw, mede dankzij de zogenaamde agrarische depressie. Veel Friezen zochten na 1880 hun heil buiten Friesland, waarvan een groot deel zelfs emigreerde naar de Verenigde Staten van Amerika.

15Dit in tegenstelling tot het huwelijk van zijn halfzuster Aafke Sjoerds Ypma in 1813; ondanks de huwelijkstoestemming die haar vader uiteindelijk gaf, werd hij geen huwelijksgetuige bij haar huwelijk. Dit lijkt mij niet vreemd gezien de voorafgaande tegenwerking.

16Moeder Dirkien Sybrens Sypersma was afkomstig uit Oosterlittens

17Zie plattegrond zathe Eeskwerd. Het dijkhuisje van de familie Dijkstra is rood omcirkeld.

18Tjerk Dirks Dijkstra (winkelier), Dirk Dirks Dijkstra (koemelker), Jacob Dirks Dijkstra (boerenknecht) en Hendrik Willems Willemsen (arbeider)

19Vermoedelijk was dit brouillement tijdelijk. In de overlijdensadvertentie van broer Tiede spreekt Ate over “onze waarde broeder”.

20Afkomstig van de eerdergenoemde Bonga-State in Oosterend.

21Gelske Ates Ypma (1821-1897) trouwde in 1841 met Jan Jacobs Wiersma (1817-1857), boer te Hidaard.

22De Rispenerzathe was huizingenr. 73 te Oosterend

23Tot 1855 werd deze woning bewoond door geneesheer Gellius Ferwerda

24Wanneer hij zich moest scheren riep hij: “Beitske, de kamer uit.”

25Verschillende generaties Ypma wisselden tussen de hervormde en doopsgezinde leer.

26De familie De Gavere vestigde zich in de zestiende eeuw vanuit Vlaanderen in Friesland.

27Het schip Pommerania was in 1873 gebouwd voor de Hamburg-Amerika-lijn en kende drie klassen. In de eerste klasse was plaats voor 100 mensen, in de tweede klasse plaats voor 70 mensen en in de 3e klasse plaats voor 600 mensen. Het schip zonk 25 november 1878 na een aanvaring op het Kanaal.

28Nederlanders pasten wel vaker hun voor- of achternamen aan in Amerika. Oudoudoom Goedhart Borgesius noemde zich in aldaar George en oudoudoom Albertus Jordaan schreef zich in Amerika voortaan Jordan.

iiS. Blaupot ten Cate, “Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland” (1839)

iiiT. Hammer-Stroeve, “Familiezoet; vrouwen in een ondernemerselite, Enschede 1800-1940” (2001)

ivA.J. Van der Aa, “Aardrijkskundig woordenboek” (1839/1851)

viH. de Walle, “Friezen in vroeger eeuwen” (2007)

viiH. de Walle, “Friezen in vroeger eeuwen” (2007)

xH. de Walle, “Friezen in vroeger eeuwen” (2007)

xiHuwelijksbijlagen Sybren Rienks Sybrandi en Aafke Sjoerds Ypma, Hennaarderadeel 19 mei 1813 (akte 8) (http://zoekakten.nl/xsnelz.php?id=0076|10686771|004734524|01950|265|FR|Hennaarderadeel|Geboorten,%20Bijlagen%201811-1816, 2015)

xiiHuwelijksbijlagen Sybren Rienks Sybrandi en Aafke Sjoerds Ypma, Hennaarderadeel 19 mei 1813 (akte 8), http://zoekakten.nl/xsnelz.php?id=0076|10686771|004734524|01952|267|FR|Hennaarderadeel|Geboorten,%20Bijlagen%201811-1816, 2015)

xiiiPromotiefilm Littenseradiel (www.littenseradiel.nl, 2014)

xivD.M. Van der Meer, “Oosterend en zijn herberg” (Leeuwarder Courant 2 juli 1970, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010618484:mpeg21:a0247, 2014)

xvA.J. Van der Aa en F.W. Van Breest Smallenburg, “Algemeen aardrijks- en geschiedkundig woordenboek van de provincie Friesland” (1833)

xviD.M. Van der Meer, “Oosterend en zijn herberg” (Leeuwarder Courant 2 juli 1970, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010618484:mpeg21:a0247, 2014)

xviiiM.L. De Boer, K. Kooistra en F.K. Reitsma, “Easterein” (1995)

xixQuotisatiekohieren 1749 (www.tresoar.nl, 2015)

xxBoedelscheiding Sjoerd Tjepkes Ypma 1823

xxi“Jiskwert uit Eesckwert” in: Meertens-Instituut, “Naamkunde”, jaargang 19 (http://www.dbnl.org/tekst/_naa002198701_01/_naa002198701_01_0005.php, 2015)

xxiiD.J. Van der Meer, “Boerderijenboek Hennaarderadeel 1511-1698” (2004)

xxivLeeuwarder Courant 4 maart 1836

xxvLeeuwarder Courant 15 maart 1836

xxviJ. Toorenaar, “Mijn moeder zei altijd”

xxviiHuwelijksbijlagen Ate Sjoerds Ypma en Dirkien Sybrens Sypersma, Hennaarderadeel 1816

xxviiiDe kleur is slecht leesbaar, maar zal in dit geval hetzelfde zijn als de wenkbrauwen

xxixZijn zoon Dirk Dirks Dijkstra komt in 1829 voor als ‘Dijkboer’

xxxHuwelijksakte Meike Sjoerds Ypma en Trijntje Sjoerds de Jong, 1829 (akte A17) (www.allefriezen.nl, 2015)

xxxiBoedelscheiding Sjoerd Tjipkes Ypma, notaris W.K. Hoekstra, 1823 (www.tresoar.nl, 2013)

xxxiiM.L. De Boer, K. Kooistra en F.K. Reitsma, “Easterein” (1995)

xxxivKadaster Friesland 1832 (www.hisgis.nl, 2013)

xxxviiHuwelijkscontract Ate Sjoerds Ypma en Beitske Dirks Dijkstra, notaris Hoekstra te Wommels, 31 december 1829, Tresoar: toegangsnr. 26, inv. nr. 14006, repertoirenr. 85 (archief DJ, FG10-01)

xxxviiiL. Ali Cohen, “Overzigt van den loop der besmettelijke longziekte en van den loop en de uitkomst der daartegen aangewende inenting in de provincie Groningen, van 14 april 1854 tot ult. December 1859” (www.ntvg.nl, 2014)

xxxixL. Ali Cohen, “Overzigt van den loop der besmettelijke longziekte en van den loop en de uitkomst der daartegen aangewende inenting in de provincie Groningen, van 14 april 1854 tot ult. December 1859” (www.ntvg.nl, 2014)

xlRotterdamsche Courant 4 september 1856

xli“De dagboeken van Doeke Wijgers Hellema (1766-1856)” (www.gemeentearchief.nl, 2014)

xlii“De dagboeken van Doeke Wijgers Hellema (1766-1856)” (www.gemeentearchief.nl, 2014)

xliiiLeeuwarder Courant 29 juli 1856

xlivLeeuwarder Courant 14 en 28 oktober 1856

xlvLeeuwarder Courant 10 augustus 1855

xlviLeeuwarder Courant 31 augustus 1855

xlviiJ.L. Van Zanden, “De Friese economie in de negentiende eeuw” (depot.knaw.nl, 2014)

xlviiihuwelijksvoorwaarden tussen Ate Sjoerds Ypma en Beitske Dirks Dijkstra, notaris Hoekstra te Wommels 31 december 1829 (archief Derk Jordaan, FG10-01, Tresoar 26-140006-85)

xlixInventaris boedel wijlen Beitske Ypma-Dijkstra, notaris Fennema te Wommels, 5 augustus 1885, Tresoar, toegangsnr. 26, inv. nr. 140068, repertoirenr. 94 (archief DJ, FG10-11)

lInventaris boedel wijlen Ate Sjoerds Ypma, notaris De Jong te Wommels, 23 oktober 1873, Tresoar: toegangsnr. 26, inv. nr. 140053, repertoirenr. 164 (archief DJ, FG10-04)

liLeeuwarder Courant 4 december 1868

liiLeeuwarder Courant 25 november 1870

liiiLeeuwarder Courant 21 april 1859 (http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010584745:mpeg21:a0006, 2014)

livM.L. De Boer, K. Kooistra en F.K. Reitsma, “Easterein” (1995), p. 196

lvihuwelijksvoorwaarden tussen Ate Sjoerds Ypma en Beitske Dirks Dijkstra, notaris Hoekstra te Wommels 31 december 1829 (archief Derk Jordaan, FG10-01, Tresoar 26-140006-85)

lviitestament van Ate Sjoerds Ypma, notaris De Jong te Wommels 18 september 1872 (archief Derk Jordaan, FG10-02, Tresoar 26-140052-125)

lviiiInventaris boedel wijlen Ate Sjoerds Ypma, notaris De Jong te Wommels, 23 oktober 1873, Tresoar: toegangsnr. 26, inv. nr. 140053, repertoirenr. 164 (archief DJ, FG10-04)

lixLeeuwarder Courant 11 juli 1879

lxR.M.A. De Jong (2015)

lxiR.M.A. De Jong (2015)

lxiiR.M.A. De Jong (2015)

lxiiiR.M.A. De Jong (2015)

lxvR.M.A. De Jong (2015)

lxviR.M.A. De Jong (2015)

lxviiR.M.A. De Jong (2015)

lxviiiM.L. De Boer, K. Kooistra en F.K. Reitsma, “Easterein” (1995)

lxixM.L. De Boer, K. Kooistra en F.K. Reitsma, “Easterein” (1995)

lxxR.M.A. De Jong (2015)

lxxiR.M.A. De Jong (2015)

lxxiiR.M.A. De Jong (2015)

lxxiiiR.M.A. De Jong (2015)

lxxivR.M.A. De Jong (2015)

8 reacties op “Die Ypma’s fan Easterein
  1. Alle Ypma schreef:

    Een buitengewoon interessant artikel over mijn familie. Ik ben een een rechtstreekse afstammeling van Doekle Sjoerds ( zoon van Sjoerd Tjepkes ) via de lijn Hette Doekles die op 11 jarige leeftijd de boerderij van zijn oom Hette Doekles Sionstra erfde, terwaarde van fl.10.628,50. In 1842 werd zijn boerderij geveild omdat hij niet meer aan zijn financiel verplichtingen kon voldoen.

    • Jordanowski schreef:

      Beste Alle Ypma,
      dank voor uw compliment 🙂 Wat leuk om via deze weg in contact te komen met een rechtstreekse afstammeling van de familie Ypma. Ik had mij nog niet verdiept in de andere takken, maar zeker interessant om het verhaal over de zathe Sions te vernemen.
      Uw voorvader Hette Doekeles Ypma (1804-1870) erfde inderdaad in 1818 van zijn oudoom (en naamgenoot) Hette Doekeles Sionstra (1752-1818) diens zathe Sions in Oosterend. Jammer dat Hette Doekeles Ypma deze zathe in 1842 heeft moeten veilen; zo kan het verkeren. In de jaren ’50 en ’60 blijkt hij trouwens werkzaam te zijn geweest als ‘scheepsjager’.
      Over zijn vader, Doekele Sjoerds Ypma (1773-1840), heb ik nog het volgende gevonden. Hij erfde in 1823 van zijn vader de zathe no. 10 in Wieuwerd (getaxeerd op f 13.750,-). In 1834 werd deze “extra vruchtbare en bijzonder welgelegene” zathe in Wieuwerd door hem zowel te koop als te huur aangeboden. In 1835 verhuisde hij terug naar zijn geboorteplaats Oosterend waar hij overleed. Hij liet in 1840 geen onroerend goed na, waardoor men misschien kan stellen dat de jaren ’30/’40 blijkbaar geen gemakkelijke jaren voor de familie waren. Ik heb de familie Ypma niet geheel uitgewerkt naar het heden, maar misschien zal ik dat in de toekomst nog doen.
      Zijn u nog andere overleveringen bekend over de oudste generaties Ypma? Zegt het familiewapen met het springende paard u iets?
      vr. gr.
      Derk

  2. Simon Kooistra schreef:

    Ik stuitte toevallig op dit verhaal over de Eastereinse Ypma’s en lees het met veel genoegen. De Menniste achtergrond van de familie was mij onbekend en is nieuwsgierig.
    Goed gedocumenteerd en fraai geïllustreerd ik ben onder de indruk.

    Via Tjipke Sjoerds Ypma en Akke Ymes van der Meulen stam ik af van Sjoerd Tjipkes Ypma en Trijntje Doekles Sionstra.

    • Jordanowski schreef:

      Hartelijk dank voor uw aardige reactie. Leuk om van een verre verwante wat te horen. Mocht u nog aanvullingen of correcties hebben, houd ik mij uiteraard graag aanbevolen 🙂
      Gr. Derk

  3. Jacobje Y schreef:

    Stuit ook p.o. Op de naam Ypma. Dochter van Tjalling Ypma en Trijntje Ypma de Hoop. Mijn pake Anne Tjallings Ypma woonde in Kubaard, ging langs boeren met koopwaar en was vaak als ouderling preeklezer, wat hij bijzonder goed kon. Zou het een zijtakzijn? Fijn dat Hervormd en Gereformeerd nu weer een in Geloof kunnen zijn. En ja het boek Easterein is ook in mijn bezit, met al onze klassenfoto’s. in ons dorp kende je alle mensen. Een boekwerk op zich, met de namen van de schrijvers die ik persoonlijk kende(kon). Uw stamboek is prettig om te lezen. Wat een monnikkenwerk.

    • Jordanowski schreef:

      Beste Jacobje Ypma,
      dank voor uw reactie en mooie herinneringen!
      Ik heb zojuist even uw stam Ypma nagekeken en zie dat uw familie een andere achtergrond heeft, maar wel toevallig ook in Hennaarderadeel. Uw achternaam is echter afgeleid van het patroniem “Ypes” / Ypma. Uw stam gaat ver terug, tot 1650 toen uw voorvader Isbrant Hessels zich als wever uit Workum te Wommels vestigde). De kinderen van Ype Dirks (geb. 1726) namen in 1811 de achternaam Ypma aan.
      Uw grootvader Anne Tjallings Ypma (geb. Lollum 1867, gehuwd met Riemke Annes Bakker) was een zoon van Tjalling Annes Ypma (geb. Lollum) x Hennaarderadeel 1864 Sytske Jans Wynia. Hij was een zoon van Anne Tjallings Ypma (geb. Wommels 1809) x Wonseradeel 1837 Rinske Andries Fruitman. Hij was een zoon van Tjalling Ypes Ypma (geb. Wommels 1772, overl. Lollum 1847) x Lollum 1798 Trijntje Jochums Wijngaarden. Hij was een zoon van Ype Dirks (ged. Wommels 1726) x2 Wommels 1771 Antje Tjallings (Ype Dirks x1 Wommels 1748 Trijntje Sakes). Hij was een zoon van Dirk Hessels (ged. Wommels 1686) x Lutkewierum 1711 Okjen Jisses. Hij was een zoon van Hessel Ysbrants (ged. Wommels 1657) x Wommels 1680 Sietske Dirks. Hij was een zoon van Isbrant Hessels (afkomstig uit Workum, wever te Wommels) x Lions 1651 Rinske Sjoerds (uit Wommels).
      vr. gr.
      Derk

  4. Marijke Kamsma schreef:

    Hallo Derk,

    Interessant verhaal en erg leuk om te lezen! Over de Ypma’s en een familiegeschiedenis in het algemeen. Ypma zit ook ergens in onze Kamsma lijn. Niet ver terug overigens (1857).

    En ik kwam hier terecht na zoeken op Pyter Tjepkes die in 1728 eigenaar&gebruiker was van een dorpsboerderij/huis in Dronryp (waar ik nu woon). Zijn voornamen geven enkel een combi met Ypma op internet? Geen idee of hij dit is? En dan als zoon van Tjepke Symens en Gatske Pyters. Voorgangers/eigenaren waren vanaf 1640 Liauckema en heer van Laen. Ook de boerderijbouw had voorgangers > dus geen idee waarin zij ooit woonden? Misschien zegt Pyter Tjepkes iets?!

    Met vriendelijke groet,

    Marijke Kamsma

    • Jordanowski schreef:

      hi Marijke,
      dank voor je bericht. Tjepke Symens behoort inderdaad tot de stam van de Ypma’s. Die link had ik nog niet gelegd en zal ik zo aan de stamreeks toevoegen. Zijn zoon was niet de Pieter Tjepkes in Dronryp. Of hij verwant is aan de Ypma’s is mij niet bekend:
      Pieter Tjepkes, wonende te Winsum (1705), belijdenis aldaar 21 februari 1706, vertrokken naar Dronryp (1707/1708), boer te Dronryp (1728), huwde Winsum 21 juni 1705 met Aaltje Jacobs, wonende te Winsum, overleden Dronryp 7 oktober 1713.
      Tjepke Symens trouwde in 1692 met Gatske Pieters, waardoor zij niet de ouders kunnen zijn van Pieter.

      dank voor je tip, Tjepke Symens staat genoteerd 🙂
      met vriendelijke groet,
      Derk Jordaan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*