Een baan voor Piet Cort van der Linden bij de Twentsche Bank?

Mr. Gijsbertus Martinus van der Linden (1812-1888) was een landsadvocaat en liberaal Tweede Kamerlid uit Den Haag. Hij behoorde tot de vertrouwelingen van staatsman Thorbecke en kon ook op veel sympathie rekenen van de liberale Twentse fabrikanten. Politieke verkiezingen werden door de jonge Ledeboers uit Enschede op de voet gevolgd en daarvan werd als een ware voetbalstrijd verslag gedaan in hun briefwisseling. Er ontstonden persoonlijke vriendschappen tussen de families Van der Linden, Thorbecke en sommige Twentse fabrikantenfamilies. Die vriendschappen hebben zelfs geleid tot twee huwelijken, t.w. het huwelijk van Arnold Ledeboer met Keetje Cort van der Linden in 1878 en het huwelijk van dr. Engbert Jannink met Jetje Thorbecke in 1910. Bij een uitstapje naar Dresden mocht een bezoekje aan de ongehuwde zusters Thorbecke absoluut niet uitblijven; zo bleef, onder aanvoering van Mietje Jannink-Ledeboer (1850-1930), de band tussen de families verschillende generaties warm. In het Archief Twentse Textielfamilies bevindt zich een interessante briefwisseling tussen de latere premier Piet Cort van der Linden (1846-1935) en zijn vrienden Ledeboer.

De 33-jarige Piet Cort van der Linden woonde sinds 1891 met zijn tweede echtgenote Johanna en twee jonge zoontjes in Groningen. Hij was op dat moment hoogleraar in de staathuishoudkunde aan de universiteit, maar had zijn draai in het hoge noorden niet gevonden. Hij was zoekende naar een andere betrekking en keek ‘out of the box’… Op 25 april 1889 richtte hij de pen aan zijn vriend Bram Ledeboer in Enschede:

Waarde Bram!

Ik kom tot u om raad. Gij zult waarschijnlijk wel weten hoe ik hier voortdurend tegen het ruwe klimaat heb te worstelen. In Holland zijn wij altijd gezond, hier nooit. En in plaats dat het beter wordt, wordt het, nu de kinderen groter worden en school moeten gaan, hoe langer hoe erger. Deze winter heb ik haast geen gerust ogenblik gehad. (..)

Inderdaad dit werkt verlammend op alles, en ik wens hartelijk een gunstiger verblijf voor mij en mijn gezin te vinden. Maar hoe?

Wanneer op een mogelijke verplaatsing naar Leiden of Utrecht, is in deze omstandigheden zeer bedenkelijk. Naar een ander ambt te dingen heeft in mijn positie vele bezwaren en het vooruitzicht is dan nog weinig bevredigend. Ik zoude daarom, indien het aanging, de staatsrecif willen verlaten en op eigen krachten steunen. Te eerdere, omdat steeds een praktische werkkring mij meer heeft behaagd dan de zuivere theoretische arbeid, waartoe ik door een samenloop van omstandigheden gekomen ben. Ik ben nog jong genoeg en aan werkkracht heeft het mij nooit ontbroken.

Ik denk ik de eerste plaats aan De Twentsche Bank. Zoude daar, in Amsterdam, in Londen of elders, ene positie voor mij te vinden zijn? Ofschoon ik zelf weinig kapitaal bezit , zoude ik toch desverlangend wel kapitaal kunnen aanbrengen. Ik heb, indien ik mij niet bedrieg, betrekkingen genoeg die mij in dit opzicht zouden willen en kunnen steunen.

Ik begrijp zeer goed dat men voor alle zaken en zo ook voor deze een zekere school moet doorlopen en dat ene instelling als De Twentsche Bank mij nu maar niet zo met open armen zal ontvangen, maar aan de andere kant ben ik niet bescheiden genoeg om niet te menen dat ik ook mijn waarde voor haar heb. Ik denk mij de zaak zo.

Het kan zijn dat men generlei behoefte heeft aan nieuwe krachten, doch het kan ook zijn dat men uitziet naar mensen die het bestuur zouden kunnen versterken. Ik kan niet beoordelen wat hiervan is. Mocht echter het laatste waar zijn, dan zoude er misschien voor mij meer kans zijn dan voor menig ander. Er zijn aan de Twentsche Bank verschillende mannen van invloed en gezag die bij ervaring kunnen getuigen van mijn vermogens en mijn karakter en op wier vriendschap ik tevens meen te mogen staat maken.

Mocht in deze richting ene opening voor mij zijn, dan zou inderdaad het lot mij brengen op de plaats waarvoor ik 25 jaar geleden reeds bestemd werd. Mijn vader wilde mij toen verbinden aan De Twentsche Bank en de oude heer Blijdenstein heeft mij in Enschede bij zich gehad en mij sterk aangeraden de wens van mijn vader te volgen. Doch het studentenleven lokte mij toen meer aan dan de kantoorstoel.

Is bij De Twentsche Bank geen plaats voor mij en geen vooruitzicht; acht gij het dan mogelijk en geraden elders op dit terrein of op industrieel gebied mijn krachten te beproeven? Gaat het aan een goed vaste inkomen op te offeren (…)? Gij zijt een koelbloedig en tevens een moedig en kundig man. Hangt het succes in industrie en handel naar uwe overtuiging meer af van energie, goede trouw, volharding of van geluk? Is het eerste het geval, ik zoude het vaste inkomen gaarne prijsgeven om met meer inspanning mijn kinderen een betere toekomst te verzekeren. Is daarentegen het laatste waar; ik zoude mij tweemaal bedenken alvorens het kansspel te wagen. Daarom vraag ik u als vriend raad en voorlichting. Overweeg deze vragen nauwkeurig. Verandering van carriere is een zaak van gewicht, maar onder deze omstandigheden met de armen over elkaar te zitten wachten valt ook zwaar. Schrijf mij rond uw mening en doe mij het genoegen voorlopig niemand over deze zaak te spreken.

P.W.A. Cort van der Linden”

Bram Ledeboer, firmant van de textielfirma Van Heek & Co, speelde de brief door naar zijn broer Helmich, bankier in Almelo. Hij was zijn loopbaan begonnen ten kantore van de heer Blijdenstein in Amsterdam. In zijn reactie aan Bram geeft hij een interessant inkijkje in de bedrijfscultuur van De Twentse Bank en geeft hij nog een meer algemene raadgeving mee…

Hierbij terug de mij ter lezing gegeven brieven van Piet van der Linden. Gij hebt mij tevens gevraagd om advies.

Het denkbeeld om een ander vak te kiezen op onzen leeftijd, komt mij ligtzinnig voor, en kan alleen bij iemand opkomen, die of aan lager wal is gekomen, of die in ziekelijk en gedeprimeerden toestand is. Vrienden kunnen hierin slechts den raad geven om eerst eens weer beter te worden; en dan nog eens het spreekwoord in herinnering te brengen ‘beter een vogel in de hand enz.’

Het komt mij voor dat Piet heimwee heeft en nu alle tegenspoeden opsomt die hij ontmoet om zich wijs te maken, dat hij meer succes zoude gehad hebben in een ander vak en het meer practische dan het theoretische kan de voortdurende ongesteldheid der familie ook een plaatselijke oorzaak hebben? In het huis ook zitten? Ik vind het wel treurig doch kan niet adviseren om uit dien hoofde een eervolle betrekking te verlaten die met eer is vervuld geworden.

Een ander geval zoude het zijn, indien Piet eens ter sprake kon komen als commissaris of als lid der commissie voor de credietvereeniging hetzij bij de Twentsche Bank of bij de Nederl. Bank. Bij de Nederl. Bank is veelal het streven geweest om bekwame mannen te assumeren in het collegie van commissarissen om hieruit het bestaan te kunnen versterken, b.v. Pierson (…) etc. Hij zoude daardoor zijn inkomen verbeteren, doch zijn betrekking niet mogen vaarwel zeggen.

Gij kent Willem B[lijdenstein, DJ] en gij weet genoeg van zijn practiseren en regelen het personeel betreffende of, om te kunnen zeggen, dat hij het bestuur der Twentsche Bank niet door krachten van buiten of zal willen aanvullen. Het is steeds zijn streven geweest dit uit eigen personeel te nemen en zullen wij met eenige jaren verscheidene opvolgers kunnen aanwijzen. Mogt het bestuur versterking noodig hebben dan zal hij bezwaarlijk buiten zijn zelf aangekweekten staf kiezen. Hij heeft een keer leergeld met een vreemd element betaald (Rozenraad). Ik wil nu niet Piet met Rozenraad vergelijken, doch alleen op den voorgrond stellen dat Blijdenstein personen wil hebben die eerst jaren in het gareel hebben geloopen en daardoor aan zijn leidsels zijn gewend geraakt. (….)”

  • Piet Cort van der Linden zou geen overstap naar het bankwezen maken, maar keek wel uit naar een andere betrekking. ‘Er gaat niets boven Groningen’ ging voor hem niet op. In 1891 werd hij hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Vijf jaar later werd hij minister van justitie en grootste bekendheid verwierf hij als premier in oorlogstijd (1913-1918).
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 230

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*