Een ‘wake-up call’ van de Rotterdamse koopman Hendrik Muller, 1858

 “Hooggeacht Heer & Vriend!

Mij rest een uurtje tijds dat ik gaarne in uw gezelschap wilde doorbrengen en dat wel om eens een praatje te houden over de belangen uwer geboortestad, in zoverre die met de katoennijverheid in verband staan. De een houdt mooie paarden voor zijn plezier, een ander heeft liefhebberij in schilderijen of leest graag romans; waarom mag ik mij dan niet de weinig geld kostende luxe veroorloven met die industrie op te hebben en te trachten mijn ledige uurtjes te besteden tot vermeerdering harer ontwikkeling?”

Met deze eerste regels richtte Hendrik Muller (1819-1888) uit Rotterdam zich tot de Enschedese fabrikant Hendrik Jan van Heek (1814-1872). De brief, gedateerd 3 december 1858, telt maar liefst tien grote pagina’s, waaruit zijn grote interesse in de Twentse textielindustrie duidelijk naar voren komt. Hij meende dat“noch eigenbelang in het spel is, noch ook de zucht tot betweterij”. Een jaar eerder had hij een boekje uitgegeven dat naar zijn gevoel“door menig katoenfabrikant ongunstig is opgenomen, niet alleen omdat ik tegen het heilig huisje der differentiële rechten p[i]ste, maar ook omdat men meende dat ik, onkundig in het fabriceren, het wagen dorst dáárvoor iets in het midden te brengen en lessen te geven.”Wie was deze Hendrik Muller en wat was zijn visie op de Twentse textielindustrie en het overheidsbeleid?

Hendrik Muller en zijn carrière 

Hendrik Muller werd in 1819 te Amsterdam geboren als zoon van een doopsgezinde theoloog. Zelf koos hij voor de handel. Op amper 14-jarige leeftijd begon hij zijncarrière in een Amsterdams bijkantoor van een Brusselse manufacturenzaak. Vervolgens werd hij op 19-jarige leeftijd zelfstandig koopman en agent van verschillende Duitse en Belgische textielfabrieken. In 1847 stichtte hij de fa. Muller & Willers, een handel in manufacturen te Amsterdam. Die firma werd na een paar jaar geliquideerd en sinds 1851 voortgezet door zijn compagnon, H. Willers & Co. 

Muller vestigde zich in Rotterdam en werd compagnon van de steenrijke zeehandelaar Huibert van Rijckevorsel. In 1853 trouwde Muller met diens zuster, Marie Cornélie van Rijckevorsel (1828-1894). Zij handelden vooral op de Afrikaanse westkust en profiteerden van de groei van de Rotterdamse haven. Muller handelde al in Amsterdam met West-Indië en zette dat werk vanuit Rotterdam voort. Tot zijn grote ergernis mocht hij echter niet met zijn eigen naam ondertekenen, maar alleen met die van zijn (toekomstige) zwagerH. van Rijckevorsel. De eerste jaren namen de zaken een grote vlucht. Eind jaren ’50 keerde het tij en werden, door o.a. onrusten in Italië en het vergaan van verschillende schepen, enorme verliezen gedraaid. Hierdoor ontstond ook wrijving tussen de firmanten / zwagers. De boekhouder schreef naar aanleiding van de balans per 1 januari 1858: “Ik heb den Heer Van Rijckevorsel nog nooit zoo zwaartillend gezien als thans. (…) ZEd. schijnt in een onaangename gemoedsspanning te verkeren.”

De brief aan Hendrik Jan van Heek schreef hij in die gespannen periode. Hoewel Muller dat niet in zijn brief schreef, speelde hij op het moment van schrijven met de gedachte uit de firma H. van Rijckevorsel te willen stappen. Uiteindelijk zou het nog een jaar duren; op 31 december 1859 liet Muller zijn zwager weten uit de firma te willen treden. Dat maakte Van Rijckevorsel nog meer overstuur;“Ik smeek U, laten wij er wat op uitvinden om te zamen te blijven.” Muller keek het nog een tijdje aan, maar schreef in oktober 1860 aan zijn zwager:“Na tien jaren wachtens mag ik niet langer op de verwezenlijking van Uw voorspiegelingen wachten. (..) Met vrouw en welhaast vier kinderen sta ik op ruim 41-jarige leeftijd doodarm in de wereld, nadat ik 10 jaren met al de krachten van lichaam en geest heb gewerkt.”De geestelijke gesteldheid van Van Rijckevorsel ging snel verder achteruit, waarna alsnog besloten werd de firma H. van Rijckevorsel te laten voortzetten door zwager Muller; sinds 1863 heette de firma Hendrik Muller & Co, waarvan het hoofdbedrijf de export naar Indië van textielgoederen in de vorm van consignaties vormde. 

“Altijd bleef hij, zoals hij het noemde, ‘manufacturist’, d.i. deskundige op het gebied van textielzaken. (…) Als publicist over de Twentse en Tilburgse textielnijverheid genoot Muller vermaardheid of beruchtheid al naar gelang men met deze fervente vrijhandelaar van mening verschilde. (…) Zijn grote gave lag toch op het economische vlak, bijvoorbeeld waar hij als commissaris van de Nederlandsche Handel-Maatschappij omstreeks 1880 de drijvende kracht vormde achter de verlegging van het accent van de onderneming naar bankactiviteiten, en in het algemeen waar hij als bij de Twentse textielnijverheid op ‘reformatie’, d.i. reorganisatie aandrong.”
(NRC Handelsblad, 28 oktober 1977)

De brochure uit 1857

In april 1857 verscheen Muller’s brochure ‘De Nederlandsche katoen-nijverheid en het stelsel van bescherming in Nederlandsch-Indië’. In verschillende kranten werd daarvoor geadverteerd en men kon het boekje bestellen voor fl. 2,25. Muller stelde met name twee vragen: 1) heeft Nederland voortdurend de bescherming op Java nodig? en 2) is Nederland al dan niet voor de fabrieksmatige nijverheid geschikt? De eerste vraag beantwoorde hij ontkennend, de tweede vraag hoopgevend.

Vanwege zijn manufacturenhandel was hij goed bekend met het aanbod uit Twente en de wensen uit o.a. Oost-Indië. Ook had hij Twente bezocht en vriendschap gesloten met o.a. de bekende katoenfabrikant Charles T. Stork (1822-1895) uit Hengelo. In februari 1857 stelde Stork zijn vriend Hendrik van Heek op de hoogte van de te verschijnen brochure van Muller:

“Amice!
Toen ik voor enige tijd te Rotterdam was, sprak ik met de heer Muller (associé van Van Rijckevorsel) onder andere over het bewuste adres. Ik vertelde hem van uw nota van aanmerkingen en verzocht hij mij die eens te mogen hebben. Ik zond ze hem, onder voorwaarde er geen publiciteit aan te geven (…). Muller is bezig een brochure te schrijven over onze industrie, die wel spoedig het licht zal zien. Hij wil in het voorjaar eens hier komen. Dan komen wij u eens opzoeken. Hij is een man die ons nog zeer nuttig kan zijn. Hij is nu bezig Padang te exploiteren en ik twijfel niet of zijn bemoeiingen zullen veel invloed kunnen hebben op onze katoenindustrie (…)
Na vriendschappelijke groeten, t.t.
C.T. Stork”

Stork was vooruitstrevend geworden, doordat hij – aangespoord door Muller – een bezoek had gebracht aan fabrikanten in Zwitserland en Saksen. “Daar ontdekte ik de kwaal waaraan wij Nederlanders, als fabrikanten, leden en ik was verbaasd over onze onkunde! Na mijn terugkomst luchtte ik mijn hart, deed aan onze Staatsman Thorbecke, die ik kort tevoren had leren kennen, een kort verhaal van mijn reis en stelde de vraag: ‘Wat helpt ons de protectie, als wij er zo op inslapen; wij zijn veel te eenzijdig gebleven met onze katoennijverheid, wij zijn blijven hangen aan de grove en minst waardige artikelen en laten de betere over aan de vreemden. Zou het niet verstandiger zijn de protectie geleidelijk afteschaffen, opdat wij genoodzaakt werden ons in te spannen?”, aldus Stork in ‘Herinneringen en wenken’ (1888).

De invloed van Muller op Van Heek 

Muller deed ook in zijn brief aan Hendrik van Heek uitgebreid zijn beklag over de eenzijdigheid van het Twentse fabrikaat en het gebrek aan vernieuwing en ontwikkeling. Hij meende dat de fabrikanten meer verschillende materialen en kwaliteiten moesten vervaardigen en minder moesten kopiëren, maar juist meer zouden moeten innoveren. De Twentse fabrikanten liepen ook op technisch gebied vreselijk achter op het buitenland. Hoewel verschillende Twentse fabrikanten niets moesten weten van de ongevraagde kritiek, was de kritiek bij Van Heek niet aan dovemansoren gericht. Twee maanden na het verschijnen van de brochure klom Hendrik van Heek in de pen en vroeg zijn Engelse vriend Henry Bazley in Manchester om een geschikte stageplaats te zoeken voor zijn jongste zoon, G.J. ‘Jan’ van Heek (1837-1915). Op 19 juni 1857 reageerde Bazley:

“My dear Sir,
since my arrival here I have spoken to several spinners and power-loom manufacturers amonst the rest, to Mrs Harrison of Blackburn, and after a mature consideration I have come to the conclusion that it will be the best to place your brother in Harrison’s establishment and have arranged with them accordingly. Your brother may therefore come here whenever and as soon as you choose; and it will afford me much pleasure if I am able to be of any service to him during his stay in this country.
I remain, my dear Sir,
Henry Bazley”

Zo geschiedde. In augustus 1857 trokken de 19-jarige Jan van Heek en zijn 18-jarige schoolvriend Willem J. Blijdenstein naar Lancashire. Dit was een turning point! Voortaan werd een stage in het vooruitstrevende Engeland een ‘must’ voor nagenoeg alle Twentse fabrikantenzonen. Ook werden fabrikantenzonen voortaan gestuurd naar de Polytechnische Schule in Hannover. Het slaperige ging er vanaf, al was niet iedereen even vooruitstrevend. Bij de firma H.J. van Heek & Zonen kreeg men al vlug de neuzen niet meer dezelfde kant op. De uit Engeland teruggekeerde (en meerderjarig verklaarde) Jan van Heek maakte zijn oudere broers Hendrik en Herman enthousiast voor de stoom en een grootse aanpak, terwijl hun neven (de andere firmanten) Piet en Hein van Heek die noodzaak niet deelden. Dit leidde eind 1858 tot liquidatie van de fa. H.J. Van Heek & Zonen, waarna de firma door Hendrik, Herman en Jan werd voortgezet als Van Heek & Co en hun neven voortgingen onder de fa. Gebrs. Van Heek (Schuttersveld). 

Voorbeeldig

Niet alleen de buitenlandse stageplaatsen voor fabrikantenzonen zijn direct te danken aan de wake-up call van Muller, maar ook de verbetering van het onderwijs komt uit zijn koker. In 1859 werd de Twentsche Vereeniging tot Bevordering van Nijverheid en Handel opgericht, met als doel verbeteringen te treffen ten aanzien van de handel en nijverheid, alsmede het oprichten van een Industrie- en Handelsschool in Twente. Tot het bestuur daarvan behoorden o.a. de 30-jarige Albert J. Blijdenstein en zijn 21-jarige pientere zwager Jan van Heek. Het draagvlak voor het geleidelijk afschaffen van de differentiële rechten in Indië vergrootte zodat in 1874 daar geheel een streep door kon worden gezet. Ook werden andere buitenlandse markten door de Tukkers ontdekt, waardoor de industrietak razendsnel verder kon groeien. Twente bleek de internationale concurrentie door innovatie voortaan goed aan te kunnen! Toch waren er niet enkel winnaars. Niet alle fabrikanten konden of wilden de overstap naar stoom maken en die kwamen daardoor snel in de verdrukking door de grote jongens in Twente, Duitsland en Engeland. Dit resulteerde in een kleiner aantal textielfamilies die voortaan de toon bepaalden. 

Muller sprak in zijn brief specifiek met lof over zijn vrienden Ter Horst in Rijssen. “Met gróót genoegen bracht ik in de vorige week een dag door bij onze vrienden Ter Horst; dat zijn wakkere lui en flinke (…) Hollanders!”. Zij hadden zich sinds enkele jaren toegelegd op de vervaardiging van jute en hadden daardoor weinig binnenlandse concurrentie te vrezen. Dit was precies wat Muller graag zag: een grotere diversiteit aan stoffen en kwaliteiten. Misschien had Twente honderd jaar later opnieuw een nieuwe ‘Muller’ nodig, want nagenoeg alleen de gespecialiseerde en vernieuwende textielbedrijven wisten de cruciale dans te ontspringen, zoals de paardenhaarweverij A.C. ter Kuile, de elastiekfabriek Scholten & Van Heek en de Koninklijke Ten Cate. Ook de jutefabriek van de familie Ter Horst heeft het opvallend lang volgehouden. 
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

–Hendrik Muller heeft als buitenstaander een zeer positieve, verfrissende invloed gehad op de koers van de Twentse textielindustrie. Misschien mag hij in de geschiedschrijving worden toegevoegd aan het rijtje invloedrijke vrömden Ainsworth, De Clercq en De Maere.

–in de familiearchieven Jannink, Van Heek, Ledeboer en Ter Horst (Archief Twentse Textielfamilies) bevinden zich verschillende brieven van, en verwijzingen naar, Hendrik Muller. In het stadsarchief Rotterdam bevindt zich het familiearchief Muller, waarin zich onder meer correspondentie bevindt tussen Hendrik Muller en de familie Stork. 

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

Bronnen:

Archief Twentse Textielfamilies, correspondentie Hendrik Jan van Heek

J.E. Van der Pot, “Huibert van Rijckevorsel, 1813-1866”

H. Muller, “De Nederlandsche katoen-nijverheid en het stelsel van bescherming in Nederlandsch-Indië”, 1857

C.T. Stork, “De Twentsche katoennijverheid; hare vestiging en uitbreiding: herinneringen en wenken”, 1888

Delpher, krantendatabase Koninklijke Bibliotheek

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*