“Eenvoud en Soliditeit”; ode aan de Enschedese stadsarchitect H.P. Timmer (1835-1923)

Eenvoud en Soliditeit”;

ode aan de Enschedese stadsarchitect H.P. Timmer (1835-1923)

Na mijn artikeltje over de Hengelose stadsarchitect Jacobus Moll (1844-1914) en diens werken, is het de beurt aan de Enschedese stadsarchitect Hendrik Pieter Timmer (1835-1923). Hij was een tijdgenoot van Moll, maar minder in de picture als architect voor particulieren. Een geboren Amsterdammer die zich ruim 40-jaar met hart en ziel heeft ingespannen voor een gezonde groei en bloei van Enschede. Een gewezen timmerman, docent aan de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel, lid van de gezondheidscommissie en gemeente-architect van Enschede. Slechts weinig bouwwerken dragen zijn signatuur. Des te opmerkelijker dat twee voorvaderen Jannink hun villa’s hebben laten ontwerpen door de tamelijk onbekende heer Timmer. Een verhaal over een Amsterdams straatschoffie dat persoonlijk veel leed te verduren kreeg in Enschede, maar daar wel veel voorspoed bracht…

Timmer, de timmerman

Op 12 oktober 1835 werd het echtpaar Hendrik Timmer en Lena van Oort verblijd met de geboorte van een zoon: Hendrik Pieter Timmer. Het gezin woonde aan de Prinsengracht in Amsterdam, alwaar vader Hendrik Timmer een timmerzaak dreef. H.P. Timmer werd als timmermansleerling door zijn vader opgeleid. Aan dat traject kwam in 1854 abrupt een einde; Timmer werd toen ingeloot voor de Nationale Militie en moest vervolgens een aantal jaren dienen in het 5e regiment infanterie.i Gelukkig was ons land op dat moment niet verwikkeld in een oorlog. Na voltooiing van zijn dienstplicht werkte hij enige tijd als timmerman in o.a. Den Haag. Hij liet zijn oog vallen op de Haagse schildersdochter Johanna Petronella Cornelia Stortenbeker (1842-1866). Zij trouwden op 11 maart 1863 in haar geboorteplaats. Een van de getuigen op hun huwelijk was haar broer, de bekende kunstschilder Pieter Stortenbeker (1828-1898, ‘Haagsche School’). Kort na het huwelijk verhuisde het jonge echtpaar naar Amsterdam, alwaar zij tijdelijk introkken bij zijn ouders op de Prinsengracht.

In 1839 werd de eerste Nederlandse spoorlijn geopend tussen Haarlem en Amsterdam. De eerstvolgende twee decennia verliep de uitbreiding van het spoornetwerk – vergeleken met omringende landen – tergend langzaam. De regering achtte het daardoor van groot belang om van overheidswege de aanleg van spoorwegen te stimuleren. Het kabinet Van Hall-van Heemstra gaf de aanleg van spoorwegen een flinke impuls. De wet van 18 augustus 1860 bepaalde de aanleg van verschillende spoorlijnen in Nederland, waaronder de lijnen Den Helder-Alkmaar-Amsterdam en Zutphen-Hengelo-Enschede-Glanerbrug. Een hoop Nederlanders konden vervolgens aan de slag bij de Staatsspoorwegen…

In 1864 woonde het jonge echtpaar Timmer-Stortenbeker in Alkmaar; daar werd hun eerste kind geboren. Timmer werd niet meer aangeduid als timmerman, maar als bouwkundige. In 1865 werd het station van Alkmaar feestelijk geopend. In 1865 woonde het echtpaar in Enschede en was hij eveneens werkzaam als bouwkundige. In 1866 werd daar het treinstation feestelijk geopend. De architect van beide stations was (hoogstwaarschijnlijk) de ingenieur Karel Hendrik van Brederode (1827-1897), architect in dienst van de Staatsspoorwegen. De meeste stationsgebouwen van de Staatsspoorwegen werden volgens een standaard model gebouwd.ii Hoewel ik vooralsnog geen direct bewijs heb gevonden, vermoed ik dat Timmer bouwkundig opzichter was van de heer Van Brederode. Dit laatste wordt bevestigd in een krantenartikel uit 1907, waarin werd aangegeven dat de heer H.P. Timmer zich als bouwkundig opzichter bij de lijn Zutphen-Enschede te Enschede had gevestigd.iii Het vermoeden wordt versterkt doordat hij in de jaren ’70 als architect werkzaam was; daarvoor had men gebruikelijk eerder werkervaring opgedaan als bouwkundig opzichter.1 Vermoedelijk hield hij zich niet enkel bezig met de bouw van het standaard treinstation, maar ook met de aanleg van de rails en het egaliseren van de ondergrond.2

Het jonge gezin Timmer-Stortenbeker vestigde zich in 1865 in de Haverstraat, een straat gelegen in het centrum van Enschede. Het was een stad in transitie. Enkele jaren eerder, in 1862, brandde de stad nagenoeg compleet af waarna in een razend tempo de stad weer werd opgebouwd onder leiding van de stadsarchitect Gerrit Doorwaart Niermans (1807-1871). Daarnaast werd gevierd dat de stad in 1866 werd aangesloten aan het spoor, een post- en telegraafkantoor kreeg en in 1865 de deuren mocht openen van de Twentsche Industrie- en Handelsschool. Daarnaast kwam in 1865 een einde aan de Amerikaanse Burgeroorlog en daarmee aan de katoenschaarste in o.a. Twente. De toekomst lachte Enschede en haar inwoners tegemoet! Voor het gezin Timmer-Stortenbeker volgde echter verdrietige jaren. 18 november 1866 overleed de echtgenote Timmer in het kraambed van haar derde zoontje. Zij werd niet ouder dan 24 jaar. Een half jaar eerder was hun oudste zoontje ontvallen. Op 17 maart 1868 kreeg Timmer een derde slag te verwerken; zijn middelste zoontje overleed op 2-jarige leeftijd. Hij bleef over met zijn oudste zoon Leendert Johannes Timmer, die gelukkig wel de volwassen leeftijd mocht bereiken. Timmer zou niet meer hertrouwen; hij richtte zich op het werk en op een gezonde toekomst voor het bloeiende Enschede en haar inwoners.

Timmer timmert aan de weg

In het voor Timmer ‘rampjaar’ 1866 werd hij aangesteld tot docent lijntekenen aan de pas opgerichtte Twentsche Industrie- en Handelsschool in Enschede.iv v Hij was toen dertig jaar oud. De Twentsche Industrie- en Handelsschool was de eerste middelbare school in Nederland die was gespecialiseerd in de textielnijverheid. In 1886 werd de school opgeheven en voortgezet als de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel.vi vii De eerste directeur was dr. Antonius Jacobus van Deinse (periode 1864-1896), de vader van de bekende Twentse historicus J.J. ‘Ko’ van Deinse. Het aantal lesuren van Timmer was beperkt tot 8 a 12 uren per week.viii ix Hij kreeg daarvoor een jaarwedde van 1000 gulden.x Daarnaast gaf hij tekenles aan de Ambachtavondschool (-1899).xi Het lijntekenen was indertijd van groot belang, aangezien technisch tekenaars, architecten en ontwerpers al de tekeningen met de hand moesten maken. Voor dat ambachtelijke werkje was men aangewezen op een trekhaak, driehoeken, passer, trekpen, etc. Veel familieleden hebben zodoende tekenonderwijs ontvangen van Timmer. Met de komst van geavanceerde computerprogramma’s kwam een einde aan het traditioneel technisch tekenonderwijs.xii

In 1872 overleed de Enschedese textielfabrikant Hendrik Jan van Heek (1814-1872). Hij schonk de inwoners van Enschede het landgoed Goolkate hetwelk in 1872 door de erven Van Heek werd ingericht tot het tweede Nederlandse Volkspark.3 Het park werd ontworpen door de bekende landschapsarchitect Dirk Wattez (1833-1906) en het parkgebouw werd ontworpen door de Hengelose stadsarchitect Jacobus Moll (1844-1914). Timmer werd in 1872 ingeschakeld voor “het afgraven, ophoogen, egaliseeren, het daarstellen der waterpartijen, het maken der noodige rij- en wandelpaden, het bezoden van glooijingen en perken, enz.”.xiii Opnieuw trad hij op als bouwkundig opzichter.

Een jaar later (1873) trad hij voor het eerst op als architect. Het was voorvader G.J. ‘Jan’ Jannink (1844-1912), textielfabrikant te Goor, die Timmer de eerste opdracht gunde. Hij had zich in oktober 1872 verloofd met een nichtje van voornoemde Hendrik Jan van Heek4 en wilde voor zijn te stichten gezin een riante villa met parkachtige tuin laten aanmeten. Ten opzichte van de meeste Twentse textielfamilies was zijn woonkeuze vooruitstrevend; de meeste textielfamilies bewoonden namelijk herenhuizen in de stad en hadden daarnaast een (bescheiden) buitenverblijf. Pas vanaf de jaren ’80 van de negentiende eeuw ziet men veel Twentse textielfamilies het voorbeeld van Jan Jannink volgen, namelijk het bouwen van royale vrijstaande villa’s. Veel van de negentiende eeuwse fabrikantenvilla’s in Twente werden ontworpen door de heer Beltman uit Enschede. Hij had begin jaren ’70 echter nog nauwelijks naam gemaakt als mr. timmerman / architect. Sinds het overlijden van de Enschedse stadsarchitect Niermans in 1871 ontbrak het aan bekende, ervaren architecten in Enschede, waardoor de keuze voor tekenleraar Timmer beter te plaatsen valt. In augustus 1874 werd de ‘villa Jannink’ aan de Diepenheimseweg te Goor5 betrokken door het jonge gezin Jannink-Ledeboer. Na het overlijden van de weduwe Jannink-Ledeboer in 1930 werd de villa afgebroken. In 1875 ontwierp Timmer een herenhuis met koetshuis voor Jannink’s broer E.N. ‘Engbert’ Jannink (1845-1914).xiv De villa van Engbert Jannink lag nabij het Stationsplein te Goor.

In 1874 ontwierp Timmer voor de fa. Meerburg & Sepp een ijzergieterij en modelmakerij aan de Parallelweg te Enschede.xv In hetzelfde jaar liet een van haar firmanten, de heer Jan Christiaan Andries Sepp (1849-1916), door Timmer twee woonhuizen ontwerpen aan het Noorderhagen (nrs. 2 en 4).xvi


In 1875 ontwierp hij een stoomweverij, met sterkerij, voorgebouw, machinekamer, ketelhuis, schoorsteen, enz. voor de fa. Blijdenstein & Co.xvii In 1880 lieten zij Timmer eveneens haar kantoor bouwen aan de Oldenzaalsestraat (nr. 4) te Enschede.xviii Ook in 1889 maakte de fa. Blijdenstein & Co gebruik van Timmer’s diensten wegens verbouwingen aan hun fabriek.xix Een van haar firmanten, de heer Herman G. Blijdenstein (1841-1906), liet in 1881 door Timmer een woonhuis ontwerpen aan de Gronausestraat.xx Het huis staat tegenwoordig bekend als ‘
Villa Blijdenstein’ en staat in het huidige Blijdensteinpark in Enschede.

Een andere familie die Timmer wist te waarderen met opdrachten, was de Enschedese textielfamilie Ter Kuile. In 1877 ontwierp Timmer de spinnerij Tubantia voor de pas opgerichtte firma B.W. & H. ter Kuile.xxi Ook die fabriek was gelegen aan de Parallelweg en spoorlijn. In 1879 werd Timmer door voornoemde firma opnieuw in de arm genomen voor het bouwen van een fundering en enige andere werkzaamheden aan de fabriek.xxii Een andere Ter Kuile, Pieter ter Kuile Ezn (1826-1898), zette in 1878 de firma Cromhoff voort onder de fa. Ter Kuile-Cromhoff. Hij liet toen spoedig door Timmer de fabriek vergroten. Ook de fabriek van Ter Kuile-Cromhoff was gelegen aan de Parallelweg.xxiii De familie Ter Kuile was in de negentiende eeuw eigenaar van het landgoed Den Helmer in Usselo. In 1881 werd door Timmer voor dat landgoed een – thans nog bestaande – koepelkamer ontworpen.xxiv

Een andere Van Delden, de geneesheer Jan Berend van Delden (1849-1932), liet in 1891 door Timmer een woonhuis ontwerpen. Het werd gebouwd op de fundamenten van de voormalige Enschedesche Katoenspinnerij aan de Hengelosestraat (nr. 42).xxv

De heren Sepp, Jannink, Blijdenstein, Ter Kuile en Van Delden behoorden zodoende tot de kleine, doch trouwe clientele van de heer Timmer. Timmer heeft niet veel gebouwen voor de particuliere sector ontworpen. Hij verkeert daardoor blijvend in de schaduw van namen als Niermans, Moll en Beltman. Timmer verschilde met voornoemde heren aangezien hij slechts ‘parttime architect’ was; hij was immers een kleine 40 jaar verbonden als docent aan de Twentsche Industrie- en Handelsschool en haar opvolger de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel. Wel heeft hij als stadsarchitect veel voor Enschede en haar inwoners betekend…

Gemeente-architect Timmer 1878-1907

De titel ‘stadsarchitect’ verwijst naar de omstandigheid dat deze architecten voor korte of langere tijd, en niet voor een afzonderlijk project, hun diensten aanbieden aan een stad, in opdracht van het stadsbestuur, met als doel om in overheidsdienst goede openbare gebouwen en stadsuitbreidingen te realiseren en het ruimtelijk beleid ten aanzien van de stadsontwikkeling in brede zin in goede banen te leiden. Er zijn naast de titel stadsarchitect ook andere titels gangbaar, zoals stadsbouwmeester, stadsstedenbouwer en stadsontwerper”xxvi

Door de bloeiende textielindustrie zochten veel mensen hun heil in Enschede. De bevolking groeide gestaag waardoor de stad uit haar voegen groeide. Ter illustratie: in 1850 telde Enschede ongeveer 800 woningen, in 1930 waren dat er 9.000! Enschede had behoefte aan een gemeentearchitect die de groei van de stad in goede banen zou leiden. In 1878 werd Timmer aangesteld als gemeente-architect van Enschede voor de duur van 1 jaar.xxvii In 1879 werd zijn contract met een jaar verlengd en in 1880 volgde een vaste aanstelling.xxviii xxix Timmer is met een kleine 30 dienstjaren de langszittende stadsarchitect van Enschede geweest. Tijdens zijn ‘bewind’ werd de stad Enschede vergroot ten koste van de omliggende gemeente Lonneker (1884). Timmer maakte twee stadsplattegronden van Enschede, te weten in 1884 en (een kleurendruk) in 1907. De stadsplattegronden werden gedrukt bij de bekende Enschedese uitgever M.J. van der Loeff en werden voor resp. f 0,75 en f 1,25 te koop aangeboden.xxx xxxi Ook na Timmer’s pensionering zette de groei van de stad onverminderd voort; jhr. Op ten Noort, directeur van de gemeentewerken (1907-1915), maakte in 1913 een nieuwe plattegrond van Enschede omdat de versie van Timmer uit 1907 zelfs “totaal verouderd” werd bevonden!xxxii In 1934 werd Lonneker door Enschede geheel geannexeerd.

De bevolkingsgroei maakte de bouw (en verbouwing) van scholen noodzakelijk. De eerste opdracht van Timmer, als stadsarchitect, was het verbouwen van de bewaarschool aan het Zuiderhagen in Enschede (1878).xxxiii In 1881 werd onder zijn leiding de Fabrieksschool uitgebreid en al spoedig volgde de bouw en uitbreiding van verschillende andere openbare scholen.xxxiv Ook was Timmer verantwoordelijk voor het onderhoud en het schoonmaken van de openbare gebouwen. De functies gemeentearchitect en directeur van de gemeentewerken werden pas na Timmer’s pensionering in 1907 van elkaar gescheiden.

De door Timmer ontworpen scholen hebben een vergelijkbaar ontwerp; evenals bij de eerste stations van de staatsspoorwegen, lijkt gebruik te zijn gemaakt van een vast ontwerp waar slechts weinig van werd afgeweken. “Eenvoud en soliditeit kenmerkten de gebouwen en werken die de heer Timmer tot stand bracht”, memoreerde iemand in 1923.xxxv Die eenvoud en soliditeit is niet enkel te herkennen in zijn scholen, maar tevens in de door Timmer ontworpen villa’s. Dat die soberheid werd gewaardeerd, blijkt uit de opening van een door Timmer ontworpen school in 1884: “het flinke keurige, ruime gebouw (…) is een sieraad voor de stad” meldde een krant.xxxvi Hoewel Timmer een paar bescheiden ‘juweeltjes’ heeft nagelaten, ligt zijn belangrijkste werk als gemeentearchitect onder de voeten…

Enschede was in mijn jeugd nog een kleine stad en had toen 15.000 inwoners, was ‘s winters een modderpoel. Het feit dat de meeste wegen buiten – en zelfs binnen in – Enschede nog onverhard waren, bracht met zich mede dat de straten door al het vuil, dat de verschillende karren en wagens die van buiten kwamen medebrachten, op straat erafviel. Ook was het plaveisel van dien aard (kinderhoofdjes) dat niemand ook moeite deed om de straten schoon te houden. Een stadsreiniging bestond toen nog niet. Ook de trottoirs waren slecht, meestal van een slecht soort klinkers. De enige straat die ik mij herinner dat enigszins aanspraak op schoonmaken [deed], was de winkelstraat [Langestraat].” herinnerde zich Paul A. Ledeboer (1889-1980) uit Enschede op latere leeftijd.xxxvii

Timmer maakte de verbetering van de infrastructuur tot een hoge prioriteit. Onder zijn leiding werden de meeste straten van de stad bestraat. Vaak werd tegelijkertijd de riolering vervangen. In 1906 verklaarde Timmer “dat het rioolstelsel van Enschede al bestaat sedert de brand in 1862, dat het allengs is verbeterd en uitgebreid en de laatste groote uitbreiding heeft plaatsgehad in de laatste 8 jaar”.xxxviii De nieuwe riolen waren 2/3 groter dan de oude riolen en werden voorzien van zogenaamde stankafsluiters, waardoor de stankoverlast binnen de stad aanzienlijk werd verminderd.xxxix xl

In mei 1897 ging Timmer samen met de bouwcommissie en burgemeester Bergsma van Enschede op werkbezoek naar Leeuwarden, Nieuwer-Amstel en Utrecht. Reden hiervoor waren plannen om het raadhuis te verbouwen, de reinigingsdienst te verbeteren, een nieuwe begraafplaats aan te leggen en het aanschaffen van een veegmachine. Men bekeek het stadhuis en een kerkhof te Leeuwarden, het raadhuis in Nieuwer-Amstel en inspecteerde vervolgens de reinigingsdienst en een kerkhof te Utrecht.xli Timmer droeg het algemeen welzijn hoog in het vaandel. Hij maakte tussen 1880 en 1900 verscheidene jaren deel uit van de lokale Gezondheidscommissie. Ook pleitte hij in 1900 voor de oprichting van een eerste slachthuis in Enschede.6 xlii

Stank voor dank

Tijdens een gemeenteraadsvergadering op 12 december 1901 ontspon zich een uitvoerig debat “om tot de aanstelling van een vasten architect over te gaan. Door vele leden werd de ijver, de bekwaamheid en de toewijding van den tijdelijken7 architect, den heer H.P. Timmer, ten zeerste geroemd, nochtans wenschte men de aanstelling van een vasten architect, daar bij de vele bouwwerken, die ondernomen moeten worden, de heer H.P. Timmer, die ook leeraar in het teekenen is aan de Nederl. School voor Nijverheid en Handel, niet overal kan tegenwoordig zijn.”xliii Timmer wenste echter aan te blijven als gemeentearchitect en nam daardoor in 1902 ontslag als tekenleraar.xliv Als dankbetuiging voor zijn ongeveer 40-jarige werkzaamheid als leraar in het lijntekenen ontving hij een foto-aquarel van de hoogaangeschreven Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel.xlv In december 1906 bood de inmiddels 71-jarige Timmer alsnog zijn ontslag aan als gemeente-architect.xlvi

Het vertrek van Timmer was aanleiding om alle werkzaamheden rond de Technische Diensten te reorganiseren. Op 15 februari 1907 werd de dienst Gemeentewerken opgericht. De dienst Gemeentewerken werd vervolgens belast met het onderhoud van, en het toezicht op, alle de gemeente toebehorende gronden, gebouwen, wateren en werken. Daarnaast kreeg de dienst de zorg voor het stratenbedrijf, de rioolwater/zuivering en het Bouw- en Woningtoezicht. Directeur van de Gemeentewerken werd jhr. Op ten Noord en K.W. de Wijs werd een aantal jaren later aangesteld als de nieuwe gemeentearchitect.xlvii

Aan het ontslag van Timmer in december 1906 hing een ‘geurtje’; eerder dat jaar werd door de kasteelheer van Twickel, dr. R.F. baron van Heeckeren van Wassenaer (1858-1936), namelijk een rechtzaak aangespannen tegen de gemeente Enschede. Door het landgoed Twickel lopen de Oeler- en Azelerbeek, uitlopers van de Twekkelerbeek. De baron verklaarde “dat het water dezer beek van ouds en naar den aard der beek volkomen rein en helder [was] en tot allerhande huishoudelijk gebruik geschikt en bestemd was en bestemd werd, vischrijk versch en drinkbaar, en voorts strekte tot verfraaiing van het park en tot voeding der vijvers en waterloopen; dat sedert eenige jaren een algeheele ommekeer in den toestand van dat water heeft plaats gegrepen, daar ‘t een vreemdsoortige kleur aanneemt, geheel vervuild is en een ondragelijken stank verspreidt, zoodat niet alleen elk gebruik onmogelijk is en alle visch verdwenen is, maar het geheele park en kasteel en omgeving door stank ongenietbaar”.xlviii Dit was te wijten aan het vernieuwde rioolstelsel van Enschede dat door Timmer was aangelegd. Voorheen vloeide een deel van het riool- en verfwater uit over de stadsweiden, waardoor aanzienlijk minder rioolwater in de Twekkelerbeek uitkwam. In de voorafgaande jaren waren veel nieuwe woningen en fabrieken aangesloten op het riool. Daarnaast was het verfwater aanzienlijk toegenomen. Het verf- en rioolwater kwam vervolgens via het riool in de Emmastraat in de Twekkelervaart. In de zomer van 1906 werden verschillende getuigen verhoord, waaronder Timmer. Hij verklaarde “dat nu wel veel meer water wordt afgevoerd, doch het van vuil zooveel mogelijk wordt bevrijd; dat toch thans 153 groote ruimputten en 300 syphons in het rioolnet liggen, die wekelijks worden geledigd, dat de doorsnede der rioolbuizen nu 2/3 grooter is dan vroeger; dat zeer veel nieuwe huizen aan het riool zijn aangesloten; dat de helling der gemeente Enschede van oost naar west, dus in de richting naar de Twekkelerbeek, is ongeveer 15 meter; dat voorschriften worden gegeven van gemeentewege, waaraan fabrieken moeten voldoen om op het riool aan te sluiten; dat sommige fabrieken dientengevolge reservoirs hebben waar veel vuil in bezinkt, terwijl allen roosters hebben waar het water doorloopt; dat ook vroeger reeds een deel van het rioolwater in een open sloot ging naar de Emmastraat.”xlix Kort na zijn verhoor bood Timmer ontslag aan als gemeentearchitect. In november 1909 werd de baron door de rechtbank in Almelo in het gelijk gesteld; de gemeente Enschede moest dadelijk stoppen met het afvoeren van het rioolwater in de Twekkelerbeek.l

In februari 1907 droeg Timmer zijn taak over op jeugdigere schouders. In april 1907 werd hij door gemeenteraadsleden en de bouwcommissie bedankt en geprezen voor diens verdiensten als gemeentearchitect. Door de burgemeester werd hem een huldeblijk aangeboden, ‘een fraaie met leder beklede leunstoel, in de rug waarvan, het wapen der gemeente zal worden gepertst’. li Ook werd Timmer in 1907 vereerd met een portret in het tijdschrift De Prins.lii In oktober 1907 werd de door Timmer vervaardigde nieuwe stadsplattegrond van Enschede uitgeven door Van der Loeff; een mooie afsluiting van zijn lange ambtelijke cariere.

Als gepensioneerde leed hij een rustig bestaan op het Noorderhagen 18.liii Nog een enkele keer werd hem om advies gevraagd, zoals in 1908 bij de aanleg van de tramremise.liv In 1914 was hij aanwezig op de viering van het 50-jarige bestaan van de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel. De laatste twee levensjaren werd hij verpleegd in het ziekenhuis Ziekenzorg alwaar hij 5 juni 1923 op 87-jarige leeftijd overleed.

Wie den overledene hebben gekend, weten dat twee eigenschappen van hem naar voren kwamen: eenvoud en soliditeit. Eenvoud en soliditeit kenmerkten de gebouwen en werken die de heer Timmer tot stand bracht. Eenvoudig en solide was zijn uiterlijke verschijning. Eenvoud en soliditeit sierden ook zijn karakter” aldus de heer C.F. Klaar op de begrafenis. Wethouder Elhorst noemde de werken die Timmer tot stand had gebracht “door eenvoud een sieraad en door degelijkheid sterk”.lv


________________________________________________________________________________

In Enschede begon Timmer zijn carriere waarschijnlijk als bouwkundig opzichter bij de bouw van het eerste treinstation in 1865. Na het vroege overlijden van zijn vrouw en (twee) kinderen stortte hij zich volledig op zijn werk. Een kleine veertig jaren was hij verbonden als docent aan de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel. Daarnaast was hij een kleine dertig jaren gemeentearchitect van Enschede in welke hoedanigheid hij de infrastructuur flink verbeterde. Ook als lid van de gezondheidscommissie diende hij het algemeen welzijn van de Enschedese bevolking. Ondanks zijn drukke werkzaamheden ontwierp hij ook enkele villa’s en fabrieken voor particulieren en bedrijven. Hieronder volgt een lijst van werken die zijn signatuur dragen of droegen. Ongetwijfeld is de lijst onvolledig. Ik houd mij aanbevolen voor aanvullingen en verbeteringen.

1872

opdrachtgever: de erven Hendrik Jan van Heek (1814-1872)

project: het afgraven, ophoogen, egaliseeren, het daarstellen der waterpartijen, het maken der noodige rij- en wandelpaden, het bezoden van glooijingen en perken enz., alles tot het daarstellen van het Volkspark, p.m. groot 11 bunder, in het Goolcate nabij Enschede , met alle de daartoe benoodigde leverantien en arbeidsloonen”lvi

1873

opdrachtgever: Gerrit Jan Jannink (1844-1912), textielfabrikant te Goor

project: de bouw van een villa aan de Diepenheimseweg te Markelo (later gemeente Goor).lvii

overige: de villa werd na het overlijden van de wed. Jannink-Ledeboer in 1930 afgebroken.

foto: beeldbank historisch Goor

1874

opdrachtgever: de fa. Meerburg & Sepp, machinefabriek te Enschede.

project: de bouw van een ijzergieterij en modelmakerij op het terrein bij de stoomsmederij en reparatiefabriek aan de Parallelweg te Enschede.lviii

overige: de fabriek werd in 1941 door de fa. Van Heek & Co overgenomen.lix

foto: beeldbank Enschede.

opdrachtgever: Jan Christiaan Andries Sepp (1849-1916), machinefabrikant te Enschede

project: de bouw van twee woonhuizen aan het Noorderhagen (nrs. 2-4) te Enschede.lx

overige: de heer Sepp verkocht de twee herenhuizen in 1905 aan zijn zwager mr. E.H.K.J. ter Kuile. Ter Kuile verhuurde beide panden aanvankelijk aan de tandarts Hofkamp en de familie Menko. In 1913 werden de panden door Ter Kuile te koop aangeboden. “Deze flinke, wel doortimmerde huizen, bevatten elk beneden gang met marmeren vloer, groote voorkamer, tusschenkamer, keuken, bijkeuken en groote kelder; op de eerste etage twee groote kamers en suite en kleinere voorkamer; op de tweede etage een groote en twee kleinere kamers, benevens badkamer; boven groote zolder met beschoten dak en twee dienstbodenkamers, en zijn van electrisch licht, gas en waterleiding voorzien.”lxi Het Noorderhagen 2 werd vervolgens omgebouwd tot garage. De eigenaar van de garage Tubantia, de heer Gassner, woonde vervolgens tot 1933 op nr. 4. Tussen 1922 en 1933 hield de architect De Wijs kantoor op nr. 4. Na 1933 was nr. 4 enige jaren in gebruik door N.V. Van Schaick’s Goederenhandel. Tegenwoordig is het Noorderhagen 4 een studentenhuis.

1875

opdrachtgever: de fa. Blijdenstein & Co, textielfabriek te Enschede

project: de bouw van een stoomweverij met sterkerij, voorgebouw, machinekamer, ketelhuis, schoorsteen, enz.lxii

overige: de fabriek, gelegen op de hoek van de Oosterstraat / Oldenzaalsestraat, werd in 1885 uitgebreid met een spinnerij.lxiii

opdrachtgever: Engbert Nicolaas Jannink (1845-1914), textielfabrikant te Goor

project: de bouw van een woon- en koetshuis op een terrein gelegen aan de grindweg te Goor, nabij het stationsplein. lxiv

1877

opdrachtgever: de fa. B.W. & H. ter Kuile, textielfabriek te Enschede

project: het verbouwen en tot spinnerij inrichten der bestaande gebouwen op het terrein, genaamd Tubantia, benevens het bouwen van een machinekamer met ketelhuis, schoorsteen, enz.

foto: beeldbank Enschede

1878

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het verbouwen van de Bewaarschool aan het Zuiderhagen.lxv

1879

opdrachtgever: de fa. B.W. & H. ter Kuile, textielfabriek te Enschede

project: het maken der fundamenten voor de tweede cilinder, benevens enige werkzaamheden aan de fabriek.lxvi

opdrachtgever: Pieter ter Kuile (1826-1898), textielfabrikant te Enschede

project: het vergroten der fabriek aan de Parallelweglxvii

overige: Pieter ter Kuile zette in 1878 de firma Gerrit Cromhoff voort als fa. Ter Kuile-Cromhoff.

1880

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het vergroten van een schoollokaal aan de Bewaarschool te Enschede.lxviii

opdrachtgever: de fa. Blijdenstein & Co, textielfabriek te Enschede

project: bouw van een een kantoor en het vergroten van het magazijn aan de Oldenzaalsestraat te Enschedelxix

overige: het kantoor van de fa. Blijdenstein & Co lag op het adres Oldenzaalsestraat 4.lxx Het kantoor werd later omgebouwd tot stadsvilla voor firmant Willem Joan Blijdenstein (1839-1921).lxxi Het gebouw is mogelijk verwoest door een bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog.

1881

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: bouw van een schoollokaal bij de bestaande Fabrieksschool.lxxii

opdrachtgevers: Theunis Pieter Scholten (1841-1909) en Gerrit van Delden (1842-1925), textielfabrikanten

project: het bouwen van een koepel op het landgoed Den Helmer.

overige: de heren Scholten en Van Delden waren schoonzonen van ds. Hendrik ter Kuile (1801-1880). Het landgoed Den Helmer werd in de achttiende eeuw eigendom van de Enschedese familie Hoedemaker. Gijsbertha ter Kuile-Hoedemaker (1773-1807) bracht het fraaie buiten toe aan de familie Ter Kuile. In 1892 werd Den Helmer met ‘nieuwe koepel’lxxiii verkocht aan de familie Menko.

foto: Architectuurgids Enschede, Gemeente Enschede, 2018

opdrachtgever: de gemeentelijke gasfabriek te Enschede

project: het bouwen van een zuiveringshuis en verdere annexe werkenlxxv

opdrachtgever: Herman Gijsbert Blijdenstein J.B.zn (1841-1906), textielfabrikant te Enschede

project: de bouw van een woonhuis op een terrein gelegen aan de Gronauscheweg te Enschede.lxxvi

overige: in 1958 werd het landgoed door de familie Blijdenstein geschonken aan de gemeente. De villa ligt sindsdien in het Blijdensteinpark. In de villa werd enige jaren het textielmuseum gehuisvest en is sinds lange tijd in gebruik als kunstruimte.
foto: beeldbank Enschede

1882

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het doen van enige herstellingen aan de toren, met het verplaatsen en versterken van de klokkenstoel en verdere annexe werkenlxxvii

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het plaatsen van een afscheiding in een der lokalen van de eerste openbare school te Enschedelxxviii

1889

opdrachtgever: de fa. Blijdenstein & Co

project: het maken van een fundering van een stoommachine, een bijbouw achter de machinekamer, een portiersgebouwtje, het vergroten van het reservoir, benevens verschillende diverse werken. lxxix

1890

opdrachtgever: A. Th. du Crocq

project: verbouwing aan een koetshuis aan de Gronauschestraatlxxx

opdrachtgever: de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel te Enschede

project: het bouwen van een technisch laboratorium, een mechanische weverij en verdere uitbreidinglxxxi

1891

opdrachtgever: Jan Berend van Delden (1849-1932), geneesheer te Enschede

project: de bouw van een woonhuis op een terrein aan de straatweg naar Hengelo.lxxxii

adres: Hengelosestraat 42, Enschede

overige: de villa is gebouwd op de fundamenten van de Enschedesche Katoenspinnerij

foto: google maps

1893

opdrachtgever: de wed. Meijer

project: verbouwing van het huis aan de Noorderhagen te Enschedelxxxiii

1895

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het aanbouwen van twee schoollokalen en verdere annexe werken aan de 4e openbare lagere school op ‘De Heurne’ en het leveren van alle meubelen in de aan te bouwen schoollokalenlxxxiv

1897

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het verbouwen van de openbare school B aan de Veenstraat en annexe werken.lxxxv

1898

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het aanbouwen van twee lokalen en de annexe werken aan de 3e lagere school aan de Haaksbergerweg te Enschede.lxxxvi

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het aanbouwen van twee lokalen en bijbehorende werken aan de 5e openbare lagere school aan de Brinkstraat te Enschede.lxxxvii

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het aanbouwen van twee lokalen en bijbehorende werken aan de 6e openbare lagere school aan de Minkmaatsteeg te Enschede.lxxxviii

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: bouw van een openbare lagere school met acht lokalen en twee tekenzalen te Enschede.lxxxix

1899

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: bouw van een school voor openbaar lager onderwijs op een terrein aan de Kottendijk te Enschede.xc

foto: beeldbank Enschede

opdrachtgever: de nieuwe algemene begraafplaats te Enschede

project: bouw van een wachtkamer, een lijkenhuisje, een dubbele grafkelder, het verbouwen van de bestaande woning, enige bestrating, enz.xcii

1900

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: bouw van een school voor openbaar lager onderwijs op een terrein aan de Emmastraat.xciii

adres: Emmastraat 164, Enschede

foto: beeldbank Enschede

1902

opdrachtgever: Volkspark Enschede

project: het vernieuwen, restaureren en herstellen der verschillende gebouwen met toebehoren in het Volkspark.xciv

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het maken van drie tekenzalen en verdere diverse werken op de zolderverdieping van school C aan de Molenstraat te Enschede.xcv

1903

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: bouwen van een politiewachtpost met een bergplaats voor een slangenwagen aan de Gronauschewegxcvi

1904

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: bouw van een openbare lagere school aan de Javastraat te Enschedexcvii

adres: Javastraat 6, Enschede

foto: beeldbank Enschede

1905

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: bouw van een kantoor bij de electrische centrale Achter ‘t Hofje en het afbreken van de woning van de machinistxcviii

opdrachtgever: gemeente Ensche

project: bouw van de openbare lagere school no. 8 aan de Lipperkerkstraatxcix

opdrachtgever: onbekend

project: het uitbreken en voor laboratorium inrichten van twee woningen aan de Beltstraatc

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het maken van enige voorzieningen tot uitbreiding van het getal leslokalen aan de openbare lagere school B aan de Brinkstraatci

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: het verbouwen van een politiewachtpost met toebehoren aan de Hengeloschen overwegcii

1906

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: bouw van een politiewachtpost met bergplaats van een slangenwagen aan de Haaksbergerwegciii

opdrachtgever: gemeente Enschede

project: bouw van een paardenstal, voermanswoning, wagenloods, enz. op het terrein der gemeentereinigingciv

1Zie het artikel over Jacobus Moll

2Gezien de eerste opdracht om het Volkspark o.a. te egaliseren.

3Na het Vondelpark in Amsterdam, 1865

4Maria Geertruid ‘Mietje’ Ledeboer (1850-1930), dochter van Abraham Ledeboer en Maria Geertruid van Heek (een zuster van Hendrik Jan van Heek)

5De villa werd gebouwd in het kerspel Goor dat tot de twintigste eeuw viel onder de gemeente Markelo.

6Het slachthuis werd pas in 1922 geopend.

7De term ‘tijdelijke’ is vreemd aangezien hij sinds 1880 in vaste dienst was.

iStadsarchief Amsterdam; Militieregisters, Alfabetische namenlijsten van de ingeschrevenen, archief 4132, p. 147 (archief.amsterdam.nl, 2018)

iiiHaagsche Courant, 20 februari 1907

ivOverlijdensakte Cornelis Leendert Timmer, Enschede 17 mei 1866, akte 46 (zoekakten.nl, 2018)

vTubantia, 30 mei 1903

viTubantia, 16 juni 1886

viiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 20 juli 1886

viiiTubantia, 27 februari 1889

ixTubantia, 25 februari 1891

xDe Tijd, 21 juli 1886

xiAlgemeen Handelsblad, 7 september 1899

xiiSjaak Jansen, “Meer dan 40 jaar tekenonderwijs…”, 2014 (http://www.sjaakjansen.nl/2014/02/04/nog-een-keertje-lijntekenen/#.Ws3aKjOYNp8, 2018)

xiiiTubantia, 11 mei 1872

xivTubantia, 14 augustus 1875

xvTubantia, 11 april 1874

xviTubantia, 27 juni 1874

xviiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 13 mei 1875

xviiiTubantia, 28 augustus 1880

xixTubantia, 19 juni 1889

xxTubantia, 17 augustus 1881

xxiBeeldbank Enschede; zicht op Spinnerij Tubantia met op de voorgrond de tram remise, 1919/1921 (https://enschedepubliek.hosting.deventit.net/resultaten.php?nav_id=10-0, 2018)

xxiiTubantia, 14 juni 1879

xxiiiTubantia, 23 juli 1879

xxivTubantia, 21 mei 1881

xxvTubantia, 2 september 1891

xxviArchitectuur Lokaal, “Stadsarchitecten en stadsbouwmeesters, onafhankelijke adviseurs van gemeentebesturen over ruimtelijke kwaliteit”, 2010

xxviiTubantia, 29 juni 1878

xxviiiTubantia, 3 september 1879

xxixTubantia, 28 augustus 1880

xxxTubantia, 9 mei 1885

xxxiTubantia, 1 oktober 1907

xxxiiTubantia, 20 november 1913

xxxiiiTubantia, 21 september 1878

xxxivTubantia, 26 maart 1881

xxxvTwentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant, 9 juni 1923

xxxviProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 7 maart 1884

xxxviiArchief StEvH, LA02349

xxxviiiTubantia, 29 november 1906

xxxixTubantia, 26 november 1898

xlTubantia, 29 november 1906

xliTubantia, 15 mei 1897

xliiAlgemeen Handelsblad, 28 oktober 1900

xliiiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 16 december 1901

xlivHaagsche Courant, 26 april 1902

xlvTubantia, 8 juli 1902

xlviTubantia, 10 juli 1906

xlviiM.J.J.G. Rossen, “Het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid in Nederland; een comparatief onderzoek in Tilburg en Enschede (1900-1925)”, 1988 (http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/113142/mmubn000001_313023069.pdf, 2018)

xlviiiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 26 januari 1906

xlixTubantia, 29 november 1906

lHet nieuws van den dag, 17 november 1909

liTubantia, 9 april 1907

liiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 26 februari 1907

liiiTilburgsche Courant, 31 maart 1917

livArnhemsche Courant, 4 juli 1908

lvTwentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant, 9 juni 1923

lviTubantia, 11 mei 1872

lviiTubantia, 19 juli 1873

lviiiTubantia, 11 april 1874

lixT. Wiegman, “De fabrieksgebouwen van Van Heek en Co 1859-1966”, (http://cultuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=478398, 2018)

lxTubantia, 27 juni 1874

lxiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 29 maart 1913

lxiiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 13 mei 1875

lxiii“De familie Blijdenstein”, op de website “Enschede; stad van toen” (http://www.shsel.nl/canon/20-de-familie-blijdenstein/, 2018)

lxivTubantia, 14 augustus 1875

lxvTubantia, 21 september 1878

lxviTubantia, 14 juni 1879

lxviiTubantia, 23 juli 1879

lxviiiTubantia, 30 juni 1880

lxixTubantia, 28 augustus 1880

lxxiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 25 april 1921

lxxiiTubantia, 26 maart 1881

lxxiiiTubantia, 29 oktober 1892

lxxvTubantia, 13 augustus 1881

lxxviTubantia, 17 augustus 1881

lxxviiTubantia, 8 februari 1882

lxxviiiTubantia, 8 februari 1882

lxxixTubantia, 19 juni 1889

lxxxTubantia, 29 januari 1890

lxxxiTubantia, 30 april 1890

lxxxiiTubantia, 2 september 1891

lxxxiiiTubantia, 4 maart 1893

lxxxivHet nieuws van den dag, 23 maart 1895

lxxxvTubantia, 26 juni 1897

lxxxviTubantia, 30 april 1898

lxxxviiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 10 mei 1898

lxxxviiiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 10 mei 1898

lxxxixHet nieuws van den dag, 31 augustus 1898

xcTubantia, 4 februari 1899

xciiTubantia, 29 maart 1899

xciiiTubantia, 5 mei 1900

xcivTubantia, 15 juli 1902

xcvTubantia, 16 augustus 1902

xcviTubantia, 7 maart 1903

xcviiTubantia, 12 juli 1904

xcviiiTubantia, 10 juni 1905

xcixTubantia, 15 juni 1905

cTubantia, 1 juli 1905

ciTubantia, 5 augustus 1905

ciiTubantia, 7 oktober 1905

ciiiTubantia, 13 oktober 1906

civTubantia, 23 oktober 1906

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*