Hendrik ter Kuile (1831-1909) en zijn oogoperaties in Gräfrath, 1850-1851

No one, on arriving at Gräfrath, can tell how long he may have to remain there. A lady came to Gräfrath this summer, intending to return by the next train, with medical authority for believing nothing to be the matter with her eyes. Five months have passed away, and she is there still. A gentleman appeared before the Hofrath, conceiving himself on the eve of blindness, he departed that same day, with the assurance that nothing serious what the matter. Of two things let all be certain. They will not be dismissed an hour before the last ray of hope has vanished, they will not be detained an hour beyond.”

Deze tekst is afkomstig uit het boekje ‘The Great Oculist” dat in 1859 verscheen in Groot-Brittanië. Het is een ode aan de meest gevierde oogarts op dat moment, dr. Hermann Friedrich de Leuw (1792-1861). De Leuw, geboren uit Vlaamse ouders, had al op jonge leeftijd een interesse in het ontleden van kleine diersoorten. Met name het ontleden van de ogen trok reeds op jonge leeftijd zijn aandacht. Niet verwonderlijk koos hij voor een medische opleiding in Düsseldorf. Vervolgens streek hij als arts in het Pruisische leger neer te Gräfrath, een onbeduidend plaatsje in de buurt van Elberfeld. Veel van de militairen hadden toendertijd te kampen met de zg. ‘Egyptische oogontsteking’, dat zich sinds Napoleons inval in Egypte met name onder Europese militairen verspreidde. Dit was voor De Leuw een reden om zich verder te verdiepen in de ogen. Zijn bevindingen publiceerde hij in 1823 in het boekje getiteld ‘Ueber die jetzt herrschende contagiöse Egyptische Augenkrankheit’. Zijn studie werd zeer gewaardeerd, onder meer door de Pruisische koning. Hij ontving van hem de titel ‘Hofrath’, waarmee hij zich sindsdien liet aanspreken. Zijn roem oversteeg de landsgrenzen en zorgde niet alleen voor verscheidene ridderorden, maar daarnaast ook voor een internationale clientèle. Onder hen bevond zich de 19-jarige Hendrik ter Kuile uit Enschede. Hij onderging tweemaal een oogoperatie en daarvan getuigt in het Archief Twentse Textielfamilies een uitgebreide correspondentie…

Gräfrath

‘Hoe spoedig kan men toch over de weg komen, [Van Gelder] was zondagmorgen ten 8 uren van Parijs vertrokken en was maandagmiddag ten 1 uren te Munster. De spoorwegen nemen de afstanden weg!’

Dit schreef N.G. ‘Gijs’ ter Kuile (1804-1880) op 21 juni 1851 aan zijn echtgenote M.G. ‘Mietje’ ter Kuile-Blijdenstein (1807-1887). Hij was zojuist teruggekeerd in Enschede, nadat hij zijn vrouw en 19-jarige zoon Hendrik voor de tweede maal had weggebracht naar Gräfrath. Dit citaat geeft het tijdsbeeld goed weer, want halverwege de negentiende eeuw werden in een razendtempo spoorlijnen aangelegd. Kanttekening is wel dat Nederland daarin flink achterliep op de buurlanden. Afhankelijk van hun plaats van herkomst, konden de patiënten van dr. De Leuw (hierna: ‘de Hofraad’) tot het plaatsje Vohwinkel per spoor reizen; de laatste kilometers naar Gräfrath moest men alsnog te voet of per diligence afleggen. Ook de brieven uit Enschede werden geadresseerd aan het treinstation Vohwinkel om vandaar te worden bezorgd aan het adres van de heer Georg Flick in Gräfrath.

Het logement van Flick, van oudsher het ‘Hof von Holland’ geheten, was gelegen aan het knusse marktplein van Gräfrath. Dit was niet alleen het grootste hotel van het dorp, maar ook de locatie waar de Hofraad zijn spreekuur hield. Doordat de Hofraad liever geen tijd kwijt was aan schrijven, was dit ook de eerste locatie waar de gespannen patiënten zich konden melden. Flick’s Hotel, zoals het in het Engelstalige boekje werd genoemd, was vaak volgeboekt waardoor in het dorp meerdere logementen en chambre d’hôtes uit de grond sproten. De oogkliniek bracht de dorpelingen ‘werk aan de winkel’, waardoor de geboortedag van de Hofraad uitgroeide tot een lokale feestdag.

Op 8 september 1850 vierde Hendrik ter Kuile zijn 19e verjaardag in Flick’s Hotel. Hij was ruim een week eerder met zijn ouders in het dorp aangekomen en meldde zich daar allereerst in de dichtbepakte hal van Flick’s Hotel. Daar bevond zich een grote verscheidenheid aan mensen, van arm tot rijk en van oud tot jong, maar allen hopende op hetzelfde: genezing. Er waren op dat moment meer Nederlanders in het dorp, zoals de oude postdirecteur Warnaars uit Enschede, de oude heer en mevrouw Modderman-van Gelder uit Utrecht en de weduwe Busch-Bonnike uit Amsterdam. Dat zal een vertrouwd gevoel hebben gegeven, want van de laatste twee dames zijn ook brieven aan de familie Ter Kuile bewaard gebleven.

Dankzij de Engelse boekjes ‘The Prussian Oculist’ (1853) en ‘The Great Oculist’ (1859) is de praktijkruimte van de Hofraad gedetailleerd te beschrijven. Men stapte een kamer binnen waarin een grote tafel stond met daarachter de stoel van de Hofraad, bekleed met paardenhaar. Bij binnenkomst werd de patiënt met zijn of haar begeleider verwelkomd door de Hofraad en zijn kanarie, papegaai en hond. Aan de muur hing het portret van de blinde koning Georg van Hannover, al zal dat de patiënten niet zijn opgevallen. Dit portret was een persoonlijk geschenk geweest van de koning, evenals het commandeurskruis in de Orde van Welfen dat hij de Hofraad toekende.

Op 4 september 1850 schreef Mietje ter Kuile-Blijdenstein aan het thuisfront over hun eerste ervaringen in Gräfrath:

Ik neem de pen op om u met een paar regels te schrijven dat alles zeer goed is afgeloopen, nadat wij maandag en dingsdag den geheelen dag op eene boodschap van den Hofraad hadden zitten wachten, wierdt Hendrik dezen morgen om 11 uur bij hem geroepen nadat wij een paar pijnlijke uuren op onze kamer hadden doorgebragt, mogten wij binnen komen. De operatie aan het regter oog was afgeloopen (het linker blijft vooreerst nog zitten) doch daar de cataract week is kan hij er dadelijk nog niet met zien. De hofraad verzekerd ons echter dat alles goed [is]. De cataract moet nu door middelen welke ons zullen worden voorgeschreven worden opgelost. Dit zal zeker wel langer ophouden dan wij ons hadden voorgesteld, doch is, zooals ons gezegd wordt, geen reden tot ongerustheid. (…) Ik herhaal nogmaals dat alles tot nu toe goed gaat en het zich goed laat aanzien.
Vaart allen wel,
Uwe liefhebbende dogter en moeder,
M.G. ter Kuile”

Het (lange) herstel in Flick’s Hotel

Hendrik ter Kuile werd geopereerd aan staar, een vertroebeling van de ooglens. Dit is tegenwoordig de meest verrichte chirurgische ingreep van het land, maar in de negentiende eeuw was dit een uiterst ingewikkelde en vervelende operatie. Hendrik’s moeder liet de exacte operatietechniek in de brieven achterwege, al schetste zij wel een uitvoerig beeld van het herstel. En dat herstel duurde zowel in 1850 als in 1851 langer dan verwacht; in 1850 verbleven moeder en zoon ongeveer twee maanden in Flick’s Hotel en in 1851 duurde het verblijf vermoedelijk iets korter, een kleine anderhalve maand. De meeste weken verbleven zij in een donkere kamer omdat Hendrik na de operatie geen licht kon verdragen.

Op 15 september 1850 schreef Mietje aan haar inmiddels in Enschede teruggekeerde echtgenoot Gijs o.a.:

Mogelijk denkt gij dat ik al gauw zal schrijven dat gij ons moet terughalen. Dit moet gij u nog zoo schielijk niet voorstellen; wij zitten hier nog altoos op onze kamer, welgemoed omdat wij alle reden hebben om ons in de toekomst te mogen verheugen. Wederom hebben wij gisterenmiddag eene visite van den Hofraad gehad. Hij zeide tegen mij: ‘iemand, die het niet kent, zal denken dat het oog er lelijk uitziet, doch het is superbe en de cataract lost zich bijzonder goed op.’ Hoe lang dit nog zal aanhouden, kan men schijnt het niet bepalen. Wanneer men in het oog ziet, is hetzelve geheel met wit overtrokken en men kan goed zien dat de cataract er boven op zit.”

De onzekerheid van de verblijfsduur spreekt ook uit de brieven van Mietje ter Kuile-Blijdenstein. Op 5 oktober 1850 schreef zij aan haar familie in Enschede:

Hendrik is weer beter, doch heeft tot nu toe de kamer nog gehouden. Ik denk dat hij morgen bij den Hofraad zal geroepen worden en verwacht dan ook goed berigt van het oog. Indien ik vooraf had kunnen weten dat het zich met zijne ziekte zoo spoedig zoude schikken, ik zoude er u zeker niet over verontrust hebben, doch na reeds zoo lang op onze kamer gezeten te hebben en denkende van toen af alle dagen te zullen uitgaan en wandelen, sloeg mij dit te neer en deed mijnen moed zakken. Hendrik heeft zich ondertusschen met geduld in zijne ziekte gedragen.
Met het oog is het goed en men zegt dat het vooruitgaat. Ondertusschen men bepaald geen tijd en wij hebben hiervan reeds eene geheel andere voorstelling dan in het begin. Wij weten dat die vooruitgang langzaam is en dat wij ons hierin moeten schikken. Dat gij ons komt bezoeken zal ons zeer aangenaam zijn, ondertusschen twijfel ik of het zoo gauw zal afloopen, dat gij hier tot onze tehuiskomst zult kunnen begeven. Ik weet dit zal u nog te lang duren.”

Ondanks de onzekerheid besloot Gijs ter Kuile zijn vrouw en zoon op te zoeken. Op 11 oktober 1850 schreef hij aan zijn oude vader in Enschede:

Sedert maandag is Hendrik dezen morgen voor het eerst eens weer bij den Hofraad geroepen. Het oog staat zeer goed. Het witte vlies is zoo te zeggen geheel opgel[ost]. In den oogappel zit nu nog een stuk van de cataract. De Hofraad zegt mij dat dit moet wegvallen en dat het zich daartoe reeds begint te zetten; alsdan zal hij dadelijk kunnen zien. (…) Zoodra hij zien kan, kunnen wij van hier vertrekken. De verdere opklaring behoeven wij hier niet aftewachten; daartoe worden ons de middelen medegegeven. Ik vroeg den Hofraad of ik met eenige dagen hier te blijven, niet met hen zou kunnen afreizen. Dit zal nog niet kunnen en het zal nog wel 14 dagen aanhouden voor wij kunnen vertrekken. Gij begrijpt dat het moeijelijk ook voor den Hofraad is om een vaste tijd te bepalen, daar den genezing zeer ongelijk gaat.
Wij zitten den geheelen dag opgeruimd en vrolijk bij elkaar. Sedert ik hier ben eten wij weer op de groote zaal. De maag van Hendrik wordt daar veel beter gevuld dan vroeger op hunne eigen kamer, waar zij het niet te best hebben gehad.”

Op 21 oktober 1850 klom Mietje ter Kuile-Blijdenstein wederom in de pen:

Hedenmiddag hebben wij wederom blijde tijding van den Hofraad gekregen. Hij dacht dat Hendrik in een paar dagen zoude kunnen lezen, wijl het onderste vlies dun begon te worden en als het zoo voort ging wij wel in acht dagen zouden kunnen vertrekken. Op de vraag of wij ook naar huis zouden schrijven, dat men ons afhaalde, zeide hij dat wij hiermede tot overmorgen zouden wachten, daar hij het dan zekerder zoude kunnen bepalen. De cataract kan men in stukken in het oog zien liggen. Hendrik heeft nieskruid gekregen op dat dezelve er met niezen zoude uitspringen. Dat wij met deze tijding regt blij zijn, kunt gij wel denken, daar wij nu met rasche schreden onze tehuiskomst naderen; iets waarna wij reeds zoo lang verlangd hebben.”

In het Engelstalige boekje werd verder genoemd dat de Hofraad na de operatie de patiënt de volgende tekst liet lezen: “Thank God”. Dit is in lijn met een eerdere brief van Mietje uit Gräfrath:

“Het schijnt dat de Hofraad de geopereerden, wanneer zij voor het eerst uit den donkeren komen, bij zich in de kamer het licht het eerst laat zien, om zich in hunne verrukking te verheugen. (…) Wat zal Hendrik wel zeggen, die van zijn vroegste jeugd af zoo slecht heeft kunnen zien! Hoe mooi zal hem alles voorkomen!”

Moeder en zoon werden eind oktober 1850 opgehaald door Gijs ter Kuile. De operatie zal geslaagd zijn, want in het volgend voorjaar (eind mei 1851) vertrok Hendrik voor een tweede maal naar Gräfrath. Half juni bezocht ook Gijs ter Kuile zijn vrouw en kind. Op 14 juni 1851 schreef hij vanuit Gräfrath aan de familie in Enschede:

“Ik haast mij u medetedelen dat ik gisterenavond bij mijne aankomst alhier alles boven verwachting heb aangetroffen. Hendrik was dien morgen geopereerd en volgens den Hofraad zoude de genezing, zoo er geene inflamanten bijkomen, veel spoediger volgen dan de vorige keer, daar reeds eenige stukjes van de cataract onder het opereren waren afgezakt. Hij was zeer opgeruimd en had van de bewerking vrij minder gevoeld dan de vorige keer. Ook kon hij reeds iets zien. Slechts een paar minuten heb ik op hunnen geheel donkere kamer vertoefd om Hendrik geen gelegenheid te geven tot vertellen. De meest mogelijke stilte dient hem in de eerste dagen.”

De terugreis liet nog een paar weken op zich wachten, maar begin juli 1851 leek het einde in zicht:

Bij het schrijven van onzen vorigen had de Hofraad er reeds van gesproken om in het laatst dezer week te vertrekken, doch hij wilde niet hebben dat wij dit zouden schrijven, daar er mogelijk nog iets in de weg zoude kunnen komen. Het oog van Hendrik is nog gedeeltelijk bedekt doch de Hofraad verwacht dat het nog voor vrijdag zal afvallen. Hij kan er al ordentelijk goed mede zien en het is zoo wat voor een derde deel ontbloot.
Dit gaat buitengewoon spoedig. Van al die hier reeds vier, vijf weken voor omgekomen zijn is tot nu toe nog niemand vertrokken en heeft ook nog niemand het vooruitzicht van nog vooreerst te kunnen vertrekken”.

Toekomst in de wijn

De slechte ogen van Hendrik ter Kuile zorgden ervoor dat hij ‘wegens lichaamsgebreken’ voor de nationale militie werd vrijgesteld. Gelukkig bleken de operaties in Gräfrath succesvol. Dit blijkt niet alleen uit zijn handschrift, maar ook uit zijn succesvolle loopbaan. Hij volgde allereerst als fabrikant in de voetsporen van zijn vader, maar na het overlijden van zijn oom Jan ter Kuile in 1864 nam hij vermoedelijk diens wijnhandel over. Naast wijnkoper was Hendrik ter Kuile een kleine dertig jaren actief in de gemeenteraad van Enschede, waarvan vijf jaren als wethouder. Minder gelukkig was hij in de liefde; hij trouwde op 3 augustus 1864 met Marie Udink ten Cate die al een half jaar later stierf. In zijn in memoriam werd hij geprezen als gemeenteraadslid en commissaris van verschillende industriële ondernemingen en werd hij zelfs een van de ‘verdienstelijkste burgers’ van de stad genoemd. Hij stierf op 27 juni 1909 op 77-jarige leeftijd.

  • Toelichting op de operatie. In de negentiende eeuw werd met een speciaal mes het hoorvlies (cornea) geopend, waarna met een naald het lenskapsel werd geopend en vervolgens, met behulp van een spatel en druk op de oogbol, de lens door de pupil naar buiten werd geduwd. Dit was althans de methode die in 1745 door de Franse oogheelkundige Jacques Daviel werd ontwikkeld en zeer lange tijd werd toegepast. Blijkens de brieven maakte dr. De Leuw ook gebruik van niespoeder, zodat de lens schijnbaar uit het oog werd getrild. Doordat pas in 1865 voor het eerst het hoornvlies werd gehecht, duurde het herstel voor Hendrik ter Kuile nog lang. Ook viel er weinig van pijnbestrijding te verwachten; in 1884 werden voor het eerst cocainedruppels toegepast als lokaal anestheticum. Deze informatie is ontleend aan het artikel ‘De ontwikkeling van de cataractchirurgie na 1745’ van C.A.M. Pouw en R.H.C. Zegers in: Ned Tijdschr Geneeskd 2013: 157, A5980 (https://www.ntvg.nl/artikelen/de-ontwikkeling-van-cataractchirurgie-na-1745).
  • Voor dit artikel is (naast de correspondentie ) gebruik gemaakt van de boekjes getiteld ‘ The Prussian Oculist’ (1853), ‘The Great Oculist or All about Graefrath’ (1859) en de krantendatabase delpher.
  • Mietje ter Kuile-Blijdenstein en haar zoon Hendrik werden door de brieven ook op de hoogte gehouden over de thuissituatie in Twente. Zo werd Gijsje ter Kuile (1834-1910) geportretteerd door haar tante Lida Blijdenstein, ging vader Gijs ter Kuile op jacht, verhuisde grootvader B.W. Blijdenstein in oktober 1850 van het Amelink terug naar de stad, was er een goede tandmeester uit Keulen in Enschede en werd het huis van Käyser op de markt afgebroken. Interessante informatie die wij in onze beschrijvingen hebben opnemen (zie onze online inventaris).
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Jannink, inv.nr. 6013. Graag houden wij ons aanbevolen voor betere scans van de brieven (of het orgineel).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*