Het avontuurlijke plantersleven in Asahan en Bila

Het avontuurlijke plantersleven in Asahan en Bila

Jan Gijsbert Aalders (1872-1957)



Antieke kaart van Sumatra en Bangka, Kuyper 1882

Mijn overgrootvader Jan Gijsbert Aalders (1872-1957) vestigde zich op 23-jarige leeftijd in Asahan, een sultanaat aan de Oostkust van Sumatra. De tabakscultuur floreerde in het naburige Deli waardoor verscheidene Nederlanders – en ook buitenlanders – hun geluk gingen zoeken op Sumatra. In dit artikel zal ik uitweiden over de planterscultuur op Sumatra’s Oostkust en de ondernemingen – waarop Aalders werkzaam was – meer in het bijzonder. Een pioniersbestaan in den vreemde, veel geld en waardering, maar tevens wantoestanden, eenzaamheid en kritiek.

De jeugd van Jan G. Aalders (1872-1957)

Jan Gijsbert Aalders werd 4 mei 1872 geboren op de Oudezijds Voorburgwal 518 te Amsterdam. Op dat moment woonden zijn ouders Willem Jan Goossen Aalders (1837-1900) en Catharina (‘Kaatje’) van der Bom (1838-1882) in bij haar ouders Lambertus van der Bom (1809-1875) en Margaretha Höveker (1811-1878). Kort tevoren had de vader van Jan Gijsbert Aalders (JGA) besloten zijn koopmansbestaan te verruilen voor de studie theologie in Leiden; een zeer grote en kostbare stap voor een vader van vier jonge kinderen. Voor Willem J.G. Aalders moet dit oprecht als een roeping hebben gevoeld. De eerste 5 a 6 jaar bracht JGA zijn jeugd door in Leiden, waar zijn vader zich richtte op zijn studie en zijn moeder zich bezighield met de huishouding en opvoeding van haar vier, en sedert 1876 zelfs vijf, kinderen: Marie (1867-1939), Berthe (1869-1951), Wim (1870-1945), Jan (1872-1957) en Catharina (1874-1894).


De tijd in Leiden was voor het gezin Aalders één van schaarste; weinig geld te besteden, weinig woonruimte en weinig tijd voor leuke dingen. Daarentegen was er een groot vertrouwen in God.

‘t Meest bevreesd was [moeder Kaatje Aalders-van der Bom] God het werk uit hand te willen nemen, zelf te gaan berekenen en afbakenen den weg waarin zij vast geloofde te zijn naar des Heeren raad en wil. (…) ‘Wij hebben met een rijk en verrassend God te doen. Hij zal zorgen’. Die woorden mocht haar man dikwijls horen uit haar mond, en niet minder de vraag: ‘Lieve Kind! Leeft God niet meer, of is Zijn arm verkort?’ Inderdaad! Ene hulp in gehele enige zin was zij voor haar Willem. (…) [Het] 4-tal, waarmede zij uit Amsterdam gegaan was, zag zij nu voorspoedig opgroeien in de Academiestad. Daarenboven! Het kind haar in Leiden geschonken, die lieve naamgenote van haar, hoe getuigde ook dat van de verhoring des gebeds!”i

De families Aalders en Van der Bom waren zeer godsdienstig waren. De beide grootvaders van JGA waren bestuursleden van het Brits-Nederlands Bijbelsgenootschap, een organisatie die zich bezighield met de verspreiding van bijbels en het bekeren van heidenen in bijvoorbeeld Nederlands-Indië. Johan Egbert Höveker (1798-1873), een oudoom van JGA, vertrok als zendeling naar Nederlands-Indië en werd waarnemend-predikant op Ternate. Diens zwager Lambertus van der Bom (1809-1875), de grootvader van JGA, had eveneens de vurige wens om als zendeling heidenen te bekeren. “(…) [In] 1824 deed hij [Lambertus van der Bom] openlijk belijdenis des geloofs, en nu werd zijn innige begeerte, om dien Heiland, dien hij beleed, bekend te maken aan de arme heidenen en de wens uitgesproken en pogingen aangewend om hiertoe te komen. Daar hij in zijn jeugd weinig onderwijs had genoten, legde hij zich nu met ijver toe op het verkrijgen der nodige kundigheden om als zendeling-kwekeling te kunnen worden opgenomen, terwijl hij intussen met handenarbeid in de dagelijkse behoefte van het ouderlijk huis moest blijven voorzien. (…) Daar de toestand zijner ouders voortdurend deszelfs bleef [= armoedig, doordat zijn vader ernstige reumatische klachten had] , meenden Bestuurders van het Nederlands-Zendeling Genootschap hem niet als kwekeling te mogen aannemen en werd hem dus geraden de steun der zijnen te blijven en zijn lievelingsdenkbeeld, om zendeling te worden, geheel te laten varen. Na zeven jaren zich te hebben gevleid, die wens vervuld te zien, viel deze afwijzing hem zeer zwaar.”ii Door de armoedige toestand waarin zijn ouders verkeerden moest hij hen financieel ter zijde staan; hij werkte als courantombrenger en horlogemaker, maar wist zich uiteindelijk op te werken tot agent (directeur) voor Nederland van het Brits-Nederlands Bijbelgenootschap. Door hard te werken en te leren heeft hij alsnog zijn wens vervuld, namelijk de Heer te dienen. In zijn huis werden wekelijks drukbezochte bijbelbijeenkomsten gehouden, waarin de gastheer met zijn gasten ijverig discussieerde over religieuze zaken. JGA werd in dit huis geboren.

Na het voltooien van zijn studie theologie in Leiden, werd Ds. Willem Aalders in 1878 aangesteld tot predikant te Maartensdijk. Aan de zes jaren van schaarste kwam een einde; een zorg minder voor moeder Kaatje Aalders-van der Bom.

Hoe gelukkig en rijk gevoelde zij zich zich op 1 december 1877, den dag van het 12 1/2 jarig huwelijksfeest. Reeds was het beroep naar Maartensdijk aangenomen, en zat zij, de koperen Bruid en tevens de toekomstige Predikantsvrouw nevens haren man, en was het gedurig: ‘De Heere heeft grote dingen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd. (…) ‘Een Helper in de benauwdheden heeft de Heere zich betoond’, hoe luide sprak zij dat uit, en hoe blonk daarbij haar vriendelijk oog, en nu als toekomstige dorpsleraar zijne hand in de hare mocht leggen, en met de lieve kinderen die hulpe uit zovele benauwdheden gedenken.”iii

Te Maartensdijk kregen Ds. Willem Aalders en zijn echtgenote nog twee zonen, te weten Bert (1878-1939) en Elisa/Ee (1880-1950). Het verblijf van het gezin in Maartensdijk was van korte duur; in 1881 werd vader Ds. Willem Aalders beroepen te Kampen. JGA en zijn oudere broer en zusters gingen in Kampen naar de middelbare school en moeder Kaatje Aalders-van der Bom raakte nog eenmaal in blijde verwachting van een 9e kind. Hoe gelukkig en voorspoedig hun eerste jaar in Kampen verliep, des te droever en triester werd het daaropvolgende jaar 1882. Moeder Kaatje Aalders-van der Bom overleed 17 april 1882 in het kraambed van een dochter die niet levensvatbaar bleek. Zij werd slechts 43 jaar oud.

Zag haar man nog eerst zeer tegen Kampen op, zij, die hem nooit influenceerde bij enig beroep, had toch terecht bij het gaan naar Kampen gezegd: ‘Kind, gij zult te meerder de hulpe uws Gods ervaren, de volheid in Hem is onuitputtelijk. Wij weten toch wat wij van Hem mogen verwachten.’ En toen hij 6 november 1881 zijne intrede had gedaan, was het eerste woord bij de thuiskomst: ‘Heeft de Heere nu beschaamd?’ Inderdaad! Wat Luther aan zijne Catharina had, nog veel meer heeft haar Willem aan haar gehad. Wie zal dan ook de diepe rouw schetsen, die daar was in ‘t hart en huis van den Kamper bedienaar des Woords, toen op 17 april 1882 de hem zoo inuitsprekelijk dierbare gade werd weggenomen, omdat de Heere haar in ‘t Vaderhuis eene plaats wilde geven?

Daar zat hij, met het genoemd vijftal en nog een tweetal, geschonken te Maartensdijk, Lambertus en Elisa. Nog weinige dagen geleden had hij de jongste spruit moeten overgeven, en het stof der kleine, die slechts 3 uur levend was gezien, aan de aarde toebetrouwd en zie! Daar stond hij 21 april aan de geopende groeve en zag daarin de hutte nederzetten, waarin zulk ene voorbeeldige vrouw en moeder had getabernakeld. Niet lang heeft zij krank gelegen, doch ernstig en pijnlijk en … geduldig.

Temidden van alles was zij gedurig denkende aan en zorgende voor haren man en de kinderen.”iv

Een zeer treurige getijding die het hele gezin in een zeer droevige rouw achterliet. De tiende verjaardag van JGA was slechts 1,5 week na de begrafenis van zijn moeder, waardoor deze enkel in het teken zal hebben gestaan van het gemis van zijn geliefde moeder. De opvoeding en huishouding kwamen nu noodgedwongen toe aan de inwonende dienstbodes. Ds. Willem Aalders had in Kampen te kampen met een dreigende kerkscheuring. Voor de tweede maal in de negentiende eeuw1 dreigde een afscheiding plaats te vinden binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Abraham Kuyper (1837-1920), de bekende dominee en stichter van de Vrije Universiteit in Amsterdam, was de voorman van deze orthodoxe vleugel.

In 1885 werd dominee Willem Aalders beroepen te Amsterdam. Dit was een promotie die erop duidt dat zijn handelingswijze bij de kerkscheuring in Kampen niet ongezien bleef. Naast zijn aanstelling tot predikant in Amsterdam, volgde hetzelfde jaar tevens zijn aanstelling tot president en scriba der kerkeraadsvergaderingen te Amsterdam. Daarmee was hij op het hoogste niveau verwikkeld in de kerkscheuring. In deze kerkscheuring, alias de Doleantie, vindt de Gereformeerde Kerk haar oorsprong. ‘Dieptepunt’ van de Doleantie was de bezetting van de Nieuwe Kerk in Amsterdam door de Dolerenden begin januari 1886.



Ds. Willem Jan Goossen Aalders (1837-1900)

Het was heden een dag, welke ons deed denken aan die, tijdens het beleg van Parijs.

Het sneeuwde hard en aanhoudend, en het was moeilijk om de Nieuwe Kerk te bereiken, aan de versterking van welker kerkeraadskamer en kosterswoning aanhoudend en met ijver gearbeid werd.

Twee keer vervoegden de niet-oproerige predikanten zich vandaag aan de kosterij, tot het houden hunner gewone vergadering. Om daartoe bijeen te komen in hun eigen lokaal op den gestelden dag en het bepaalde uur hebben zij – al eerbiedigen ze de wet ook – toch zeker recht. Doch de heer Kuyper, die, bijgestaan door den heer Savornin Lohman, bevel voert in de zwaar versterkte vesting, heeft dienaangaande een ander oordeel.

De predikanten begaven zich allen om 12 uur door de dikke sneeuw naar de kosterij. Ze schelden alden een voor een aan, maar hun werd telkens door de kier van de deur kortaf medegedeeld dat het lokaal niet voor de predikanten beschikbaar was. Anderen naar zich zelf beoordelende waren de belegerden blijkbaar beducht, dat de predikanten door de deur zouden dringen. De ketting werd er niet afgenomen. Slechts de deurwaarder werd even toegelaten om zijn dagvaarding te doen aan de opstandelingen.

Toch gelukte het ons, door tussenkomst van een der bezetting, iets te vernemen van de toestand in de vesting. De Nieuwe Kerk is inderdaad afgesloten als een forteres in staat van beleg. Dat de deur der kosterij telkens slechts op een kier wordt geopend, zodat zij, die binnen gaan dit slechts overdwars kunnen doen, mits niet te zwaarlijvig, vindt daarin zijn grond, dat achter de deur een zwaar houten staketsel is opgeslagen. Zij is dus letterlijk versterkt.

De heren Kuyper, De Savornin Lohman en Rutgers verlaten het gebouw niet; in de afgelopen nacht werd de Consistoriekamer voortdurend verlicht.

Streng wordt opgelet, dat niets het gebouw verlaat, wel mag men er zaken inbrengen. Zo werd er gisteren een bed binnen gebracht en nu en dan kwamen er heden manden met levensmiddelen binnen. Hedenmiddag werden ook vele planken en zware balken in het huis gedragen, tot het verder barricaderen van alle toegangen. (…)

Zo algemeen is in onze stad de verontwaardiging over de overrompeling der kerk door dr. Kuyper en zijn volgelingen, dat hij, naar wij vermoeden, weldra een paar der zijnen met een witte zakdoek aan hun paraplu zal uitzenden, om de door hem verongelijkte predikanten tot een samenspreking uit te nodigen. Tot nu toe heeft hij – zover wij weten – nog geen pogingen gedaan om een wapenstilstand te sluiten, doch indien hij het niet doet, komen hij en zijn mede-professoren het kamerlid De Savornin Lohman in een zeer moeilijke positie. (…)” aldus het Algemeen Handelsblad van 9 januari 1886.

Dominee Willem Aalders en zijn rechtzinnige metgezellen stonden lijnrecht tegenover het kamp van Abraham Kuyper. De Dolerenden, de aanhangers van Kuyper, scholden de rechtzinnigen uit voor “verraders der broeders”, “verbrekers van de rechten des Heeren”, “in den strik des duivels gevallen”, “lieden van wie weldra een apologie van Judas verwacht mag worden” en “lieden wier bedrijf herinnert aan het college dat Christus veroordeelde.”.v Daarentegen zullen de rechtzinnigen hard hebben gevloekt over de brutaliteit van Kuyper en de zijnen. Ook op familiegebied liepen de gemoederen zeer hoog op. Zijn zwager Frederik Lambertus van der Bom (1840-1920) sloot zich aan bij de Dolerenden waarna de twee zwagers brouilleerden. De afscheiding van de Nederduits Gereformeerde Kerk (Dolerende) werd in 1886 een feit en daarmee verloor de Hervormde Kerk in één klap ongeveer 10 procent van haar leden. Deze kerkscheuring verdient in een ander artikeltje meer aandacht. JGA heeft deze tumult in Amsterdam als tiener bewust heeft meegekregen.

JGA was 13 jaar oud toen hij met zijn vader, broers, zussen en twee dienstbodes van Kampen naar Amsterdam verhuisde. Zoals aangegeven, was de vader, ds. Willem Aalders, op dat moment verwikkeld in zeer ernstige kerkelijke zaken. Het zou niet verwonderlijk zijn wanneer de oudste zussen Marie en Berthe, bij de verhuizing naar Amsterdam resp. 18 en 16 jaar oud, en de oudste broer Wim, toentertijd 15 jaar oud, het gemis aan een moederfiguur hebben opgevangen; zij zullen zich allicht hebben ontfermt over hun vier jongere broertjes en zusje. De kinderen waren ten tijde van de verhuizing naar Amsterdam tussen de 5 en 18 jaar oud. De inwonende dienstbode(s) zullen geen stabiele factor zijn geweest in het gezin, aangezien zij nauwelijks langer in dienst bleven dan zes achtereenvolgende maanden.vi Toen in 1888 vader Willem Aalders hertrouwde met de 17-jaar jongere Emmetje (‘Emma’) Das uit Hilversum kregen de kinderen wel een nieuwe moederfiguur (opgedrongen?). Naar verluid was de relatie tussen de kinderen en stiefmoeder Emma gespannen. “De kinderen hebben haar nooit geaccepteerd. Er werd, na haar vroege dood, niet meer over gepraat. Geen van de kleinkinderen kende haar naam”.vii

JGA groeide tot zijn dertiende heel beschermd op in achtereenvolgens Leiden, Maartensdijk en Kampen. Door de beroeping van zijn vader in Amsterdam moest hij op 13-jarige leeftijd zijn vertrouwde omgeving in Kampen verlaten. Hoewel JGA in Amsterdam geboren was, kende hij deze stad enkel van familiebezoekjes. Dit was uiteraard heel anders voor zijn vader, die de eerste 35 jaar van zijn leven in Amsterdam had gewoond. In 1885 kreeg dominee Willem Aalders de ‘Oostelijke Eilanden’ als werkgebied toegewezen; dit zijn de eilanden Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg.

In deze drie ‘burgen’ nu [in 1911] wonen vooral bootwerkers, verder vrouwen en kinderen wier kostwinners als zeelieden bij de grote zeevaart dienen. Daar er ook verschillende industriële inrichtingen worden aangetroffen, is het er op zekere uren van de dag door het haastige geloop van het werkvolk een drukte van belang. De Eilanden vormen een van de bedrijvigste stadsgedeelten van Amsterdam, daar eerst wordt men gewaar, wat Amsterdam als handels- en koopstad betekent. De welvaart, maar ook de armoede van de bewoners staat in het nauwste verband met die van Amsterdams handel en scheepvaart. Kwijnen deze of gaat een van beide achteruit, dan wordt dat in de genoemde buurten gevoeld, vooral door de vele neringdoenden, wier bestaan weer geheel is aangewezen op dat van de bootwerkers en zeelieden, in ‘t kort van hen, die op enigerlei wijze brood vinden in de dichtbij gelegen havens en dokken.

Daar de Eilanden niet voor uitbreiding vatbaar waren, is het te begrijpen dat in vroegere tijden, toen er bij het bouwen niet zulke voorschriften in acht genomen behoefden te worden als tegenwoordig, de huizen en huisjes dicht opeen zijn gebouwd. Men vindt er dan ook een uiterst dichte bevolking. Wat een winkels en winkeltjes, vooral langs de grachten. Ja, het gebeurt heel dikwijls, dat men in één perceel twee neringen ziet uitgeoefend, één in de kelderwoning en één in ‘het huis’. Om al die mensen te huisvesten moesten er wel veel personen in een perceel ‘gestopt’ worden, want dat is het juiste woord. De bouw van de woningen is er helemaal op berekend om maar zoveel mogelijk mensen te herbergen.Houten trapjes, door de ‘Eilanders’ heel dichterlijk met de naam ‘hoge stoep’ betiteld, brengen u naar de benedenste ‘étage’; de ruimte onder die trappen wordt gebezigd als kelderwoning. Dat die huizen niet in alle opzichten aan de eisen voldoen, welke de Woningwet stelt, valt licht te begrijpen. Vooral aan de Hoge Kadijk vindt men zeer bekrompen huisjes, die uit een hygiënisch en moreel oogpunt zeer onvoldoende zijn.” aldus een schrijver onder pseudoniem Jolicoeur.viii

Hoewel ds. Willem Aalders als kind was opgegroeid in het centrum en bij de grachtengordel van Amsterdam2, was hij wel een volkse jongen. Zijn vader verdiende een klein inkomen als huisknecht en later als grutter. Desalniettemin zal hij door zijn vaders betrekking bij het Brits-Nederlands Bijbelsgenootschap wel etiquette en verfijnde gedragsregels hebben meegekregen, die waarschijnlijk bij de kinderen op de Eilanden veelal ontbraken. Naast het overdragen van het woord Gods, heeft dominee Willem Aalders met veel overgave getracht de woonsituatie en carrièrekansen van Eilanders te verbeteren. Hij had daarbij speciale aandacht voor de kinderen in deze volksbuurt; hij bracht de Zondagsschool tot bloei en richtte de christelijke Oranje Bewaarschool op.

De 13-jarige JGA had van nature geen binding met Amsterdam, laat staan met volksbuurten als Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg met hun eigenzinnigheden. Volgens het familiealbum Aalders volgde JGA zijn middelbare scholing aan het Stedelijk Gymnasium aan de Weteringschans in Amsterdam (het tegenwoordige Barlaeus Gymnasium). Zijn oudere broer Wim zat eveneens op het gymnasium. Aangezien een middelbare schoolperiode veel invloed heeft op de vorming van een mens, heb ik geprobeerd te achterhalen met wat voor klasgenoten JGA op het gymnasium omging.

Een advertentie in een dagblad bood daarvoor uitkomst; toen in juni 1888 Wim Aalders slaagde voor zijn eind-examen gymnasium, werd hij samen met zijn andere geslaagde klasgenoten eervol vermeld in de krant.ix Deze klasgenoten waren J.P.G. Westhoff, G.J. Boekenoogen, J.H. Bögeholtz, R.J.G. Boissevain en G.M. den Tex. Zij waren zonen van resp. dominee J.P.G. Westhoff, fabrikant L.F. Boekenoogen, winkelier J.H. Bögeholtz, bankier G.M. Boissevain en advocaat mr. N.J. Den Tex. Hierdoor wordt duidelijk dat het een eliteschool betrof.



Het nieuws van den dag 22 juni 1888

De sociale en financiële status van de kinderen met wie JGA op het gymnasium omging verschilde klaarblijkelijk compleet met de kinderen in zijn woonomgeving, op de ‘Eilanden’. Dit klassenverschil, samen met de verhuizing van Kampen naar Amsterdam op 13-jarige leeftijdx en het gemis van zijn moeder, zal van invloed zijn geweest op zijn vorming. JGA zal zich waarschijnlijk als tiener hebben willen conformeren aan het elitaire milieu van zijn klasgenoten. Het ‘conformeren aan de verwachtingen van de vriendengroep’ is adolescenten niet vreemd.xi

Het begin van de carrière van Jan Gijsbert Aalders (1872-1957)

Over de opleiding van JGA bestaan nog wel enkele vraagtekens. Hoewel in het familiealbum staat geschreven dat hij na het gymnasium een kweekschool heeft bezocht, heb ik dit niet bevestigd kunnen vinden. Daarnaast gaat het verhaal de ronde dat hij heeft gestudeerd aan de Tropische Landbouwhogeschool in Deventer. Wat is er wel bekend over zijn laatste jaren in Amsterdam?

Hoewel destijds in kranten werd aangegeven wie voor het eindexamen gymnasium was geslaagd, ben ik JGA daarin niet tegengekomen. Daardoor ontstaat al de onzekerheid of hij daadwerkelijk het gymnasium (met succes) heeft doorlopen. Eén ding is zeker: JGA heeft tot zijn vertrek uit Nederland in 1894, Amsterdam niet verlaten; hij heeft zich tot die tijd nooit laten uitschrijven. Daardoor valt tevens de Rijkslandbouwschool in Wageningen af, die in 1876 werd opgericht. In 1896 werd deze school gereorganiseerd waarna vier geheel op zichzelf staande afdelingen ontstonden waarvan één in Deventer. Deze landbouwschool in Deventer werd in 1912 omgedoopt tot de Middelbare Koloniale Landbouwschool en in 1957 tot de Rijks Hogere School voor Tropische Landbouw. JGA kan daardoor onmogelijk aan deze school gestudeerd hebben.

In 1892 werd de 20-jarige JGA ingeloot voor de Nationale Militie, de ‘dienstplicht’. Dat ik dienstplicht tussen aanhalingstekens plaats heeft daarmee te maken, dat men toentertijd nog een nummerwisselaar kon inzetten. Voor een behoorlijk geldbedrag kon men zo de dienst / ‘plicht’ ontlopen. De vader van JGA, dominee Willem Aalders (1837-1900), werd intertijd ook ingeloot voor de Nationale Militie. Ondanks dat diens vader niet ruim bij kas zat, maakte hij het de jonge Willem Aalders wel mogelijk om zich aan de dienst te onttrekken. Hij kocht de dienst af door het aanstellen van een nummerwisselaar.3

Opvallend is dat JGA geen nummerwisselaar inzette, terwijl zijn vader genoeg financiële middelen had om van dit middel gebruik te maken. Reden hiervoor is dat JGA in dienst wilde. Hij was op dat moment ‘zonder beroep’, had geen betaalde baan en was waarschijnlijk ook geen leerling aan een bepaalde kweekschool. Daarnaast gaf hij zich zelfs vrijwillig op voor de zeedienst. JGA was op dat moment waarschijnlijk zoekende naar een geschikt bestaan en was duidelijk avontuurlijk ingesteld. Daarnaast is uit dit gegeven af te leiden dat hij geen hechte band had met Amsterdam; hij stond te popelen om te vertrekken.

6 mei 1892 werd hij ingedeeld als loteling bij een regiment infanterie. Allesbehalve lang heeft deze militaire carrière geduurd:

Den 19 Mei 1892 uit de sterkte gebracht; zijnde bij herkeuring voor Gedeputeerde Staten ingevolge art. 116 der wet van den 19 augustus 1861 (Staatsblad no. 72) voor de dienst afgekeurd.”xii

Wat de aanleiding is geweest voor de herkeuring tijdens de eerste trainingsdagen, is mij niet bekend. De carrièreplannen van JGA stonden wel weer op lossen schroeven. Een mogelijkheid is dat hij zich heeft laten inschrijven bij de Rijkskweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam, echter heb ik hier geen bevestiging van gevonden. Desalniettemin, anderhalf jaar later is JGA er uit: hij wordt planter in Nederlands-Indië!

De Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij voorheen H. Herrings & Co, onder directie van Van Heekeren & Co



de heer F.L.S. van Heekeren (1839-1914)

In de winter van 1893/1894 trok JGA zijn beste pak aan en snelde naar de Herengracht 582 in Amsterdam. Daar zetelde het handelshuis Van Heekeren & Co. Directeur Fredrik L.S. van Heekeren (1839-1914) hield evenals zijn vader ‘kantoor aan huis’. Dit handels- en bankiershuis in Amsterdam voerde sedert de jaren ’80 van de negentiende de directie over een zestal tabaksmaatschappijen op Sumatra. Daarmee was het één van de grotere spelers wat betreft de cultivering van Sumatra’s Oostkust. De heer Albert W. Wichers Hoeth (1876-1957), mede-directeur van Van Heekeren & Co, schreef in 1928 een gedenkboekxiii over het handelshuis ter gelegenheid van diens 100-jarig bestaan;

(….) Het aandeel, dat onze firma in het laatst der vorige en het begin van deze eeuw gehad heeft in de uitbreiding van de cultuur van tabak op Sumatra, is niet zoo heel gering geweest. Een zestal tabaksmaatschappijen hebben in den loop dier jaren onder onze directie gestaan, terwijl wij ook met tal van particulieren – bijkans allen Duitsers – gedurende vele jaren door middel van consignatie-contracten relatie onderhielden.

Verreweg de grootste dezer maatschappijen was de Nieuwe Asahan-Tabak-Maatschappij, waarvan echter niet onze firma, doch de Heer Van Heekeren zelf Directeur was. Zij kwam voort uit de Nederlandsche Asahan-Tabak-Maatschappij, voorheen H. Herrings & Co, die den 19en Mei 1891 was opgericht, met de Heer van Heekeren als Directeur, en als commissarissen de Heeren Mr. M.C. Van Hall, Directeur van de Amsterdamsche Succursale van de Banque de Paris & des Pays-Bas, B. Heldring, directeur der Nederlandsche Handel-Maatschappij, en H. Th. Herrings, den inbrenger der gronden.”

Deze Hermann Theodor Herrings was de tabakspionier van het sultanaat Asahan op Sumatra’s Oostkust. Hoewel de Nederlanders reeds sinds begin 17e eeuw het gezag voerde in Nederlands-Indië, was dit eigenlijk beperkt tot Java en verschillende kustplaatsen. De Oostkust van Sumatra viel pas onder de aandacht in de tweede helft van de negentiende eeuw. Ten tijde van het cultuurstelsel (1830-1870), trachtte de Nederlandse regering tabak te verbouwen op Java voor Europees gebruik. Tabak werd al wel enkele eeuwen door de lokale Indonesische bevolking geteeld, maar deze bleek van onvoldoende kwaliteit voor de Europese markt. Daarop stuurde de Nederlandse regering in 1834 een man naar Cuba om de bereidingswijze te bestuderen. Ondanks verschillende pogingen bleek Java ongeschikt voor de aanplant van tabak voor de Europese markt (m.u.v. Besoeki).

Na deze mislukte poging van de Nederlandse regering om de tabakscultuur op Java te verbeteren voor de Europese markt, was het de heer Jacob Nienhuys (1836-1928) die in het sultanaat Deli (ten noorden van Asahan) potentie zag voor de tabaksteelt. En met succes!

In [1863] ging een Java-planter, J. Nienhuys, in opdracht van de firma J.F. van Leeuwen naar Deli om daar tabak en peper, die er volgens geruchten in grote hoeveelheden zouden zijn, op te kopen. Dit viel echter tegen, maar Nienhuys vond de tabak die hij er zag zo mooi en de met oerbos bedekten bodem en het klimaat zo geschikt voor de tabakscultuur, dat hij besloot te blijven. Met voorschotten trachtte hij de Maleise bevolking aan het tabaksplanten te krijgen, hetgeen echter niet lukte. Daarna probeerde hij het met Batakkers, maar ook deze bleken voor het verrichten van geregelden arbeid ongeschikt. Intussen was het 1864 geworden. Nienhuys ging nu naar Penang, waar hij een tiental Javaanse Hadji’s voorschotten verstrekte, waartegenover deze zich verplichtten voor hem in Deli met de inlandse bevolking tabak te komen planten. Vier ervan drosten, maar de zes overigen zij hun verplichtingen nagekomen en zo gelukt het Nienhuys 50 pakken naar Europa te zenden. Daar Nienhuys wel inzag , dat er met Maleiers en Batakkers niet veel te bereiken was, besloot hij de cultuur in eigen aanplant met Chinezen te beproeven. Hij ging opnieuw naar Penang, engageerde er 120 chinezen en met deze lieden en nog enkele Maleiers plantte hij oogst 1865, die 182 pakken groot werd en te Amsterdam 149 centen per 1/2 kg. opbracht. (…) Intussen hadden zich nog andere planters in Deli gevestigd en breide de cultuur zich met stijgend succes uit. In 1869 werd de Deli maatschappij opgericht en volgden er in de loop der jaren nog vele andere, terwijl er ook verscheidene weer verdwenen.” aldus D.J. Sanders.xiv

De opkomst en bloei van de tabakscultuur op Deli trok veel gelukzoekers en avonturiers die wilden meeprofiteren van deze hausse. De sultan van Deli vaarde wel bij deze ontginningen; hij verdiende veel geld aan landconcessies (het verhuren van land aan Europese tabaksplanters). Daarmee veranderde tevens de houding van de sultans op Sumatra’s Oostkust jegens de Nederlanders; verzetten zij zich eerder tegen de kolonisator Nederland, na de opkomst van de ondernemingscultuur in het sultanaat verwelkomde zij de Europese entrepreneurs met open armen. Deze eerder nog onbeduidende en traditionele Indonesische vorsten veranderden langzaam maar zeker in meer Europees georiënteerde vorsten; zij verschenen op officiële gelegenheden in Westerse kledij, verschenen op paardenrennen en andere Westerse festiviteiten en ontvingen veel Europese planters en gezagdragers op hun paleizen.

De sultans van de omliggende streken keken ongetwijfeld met enige afgunst naar de florerende tabakscultuur op Deli. Gelukkig voor hen, waren er meer avonturiers die de tabakscultuur wilden uitproberen buiten Deli. In Langkat, Serdang, Batoe Bahroe en Asahan verrezen nu ook tabaksplantages;

1892

Aantal tabaksondernemingen

Produktie (in 1000 kg.)

Deli

59

6904

Langkat

32

3111

Serdang

20

1510

Batoe Bahroe

7

293

Asahan

17

1102

Sumatra’s Oostkust (totaal)

135

12921

Bron: Dr. H. Blink, “Oost en West-Indië”

Asahan

Het sultanaat Asahan was voor de VOC een streek van zeer weinig belang.

(…) De oorsprong ervan verliest zich in de duisternis der legenden. Zo wordt verteld van een Hindoe-Javaanse kolonie in het landschap Tanah Datar, van Asahan uit gesticht. De legende verhaalt van de Batoe Kanihir, een 20 m brede rotsspleet, door welke de Sei. Silau zich een weg heeft gebaand, al zou deze passage het werk zijn van een Javaan Si Lopak Ipon (de wittandige).

Daarop volgt de beter bekende geschiedenis van Asahan, onder de inmenging van Atjeh, toen de Atjehse Sultan Mahkota Alam Aladdin Sjah Djohan zich in Deli een bruid ‘poetri Hidjau’ kwam zoeken, omstreeks 1620, en op dien tocht de Asahan-rivier opvoer en door een Maleis sprekenden Batak Bajak Lengga, in aanraking kwam met den radja Si Margolang, in overleg met wien aan de samenvloeiing van de Silau- en Asahanrivier, ter hoogte van het tegenwoordige Tandjong Balei een nederzetting werd gevestigd.

Uit deze Atjehse bemoeienis, waarbij de Sultan van Atjeh bij een Asahanse prinses, Siti Oengoe, een zoon verwekte, stamt ook de eerste Asahanse Sultan, Abdoel Djalil of Marhoem Tangkahan Sitarak. Zoo werd Siti Oengoe de stammoeder van het Asahanse vorstenhuis (…)

Sultan Abdoel Djalil, de vierde Sultan, kwam via Siak in conflict met de Oost-Indische Compagnie. Onder verschillende zijner opvolgers werden Batak-oorlogen gevoerd, waarvan nog de onderhorige landschappen Haboko en Goenoeng over zijn. Ook Koealoe, Leidong en Paneh werden veroverd of door huwelijk en diplomatie verkregen. Ook in de Batoe Bahroe’se landschappen werd Asahan’s invloed uitgebreid, nadat met succes een aanval van Siak was afgeslagen in 1835, welk rijk Asahan als een onderhorigheid beschouwde.

Onder Sultan Achmad Sjah bereikte Asahan het toppunt van zijn macht en aanzien. Van enige daadwerkelijke onderhorigheid, noch aan Atjeh, noch aan Siak, was meer sprake, terwijl Siak b.v. in 1858 de soevereiniteit van het Ned.-Indische Gouvernement aanvaardde.

Sultan Achmad Sjah verklaarde dan ook niets met Siak4 te maken te hebben en ook niet met het Indische Gouvernement, terwijl hij de Engelse vlag voerde.

Dit leidde tot het conflict van 1865. (…)”xv

De resident F.N. Nieuwenhuyzen sloot met [de sultan van Siak] een contract, waarbij zijn suprematie over alle landen, die tot zijn gebied gerekend werden, op het Ned.-Ind. Gouvernement overging. Bij die gelegenheid beweerde Achmad Sjah, Sultan van Asahan, dat zijn staatje geen onderhorigheid van Siak was en hij weigerde botweg in contact te komen met den resident Netscher. Achmad Sjah voerde de Engelse vlag en bejegende den controleur L. Scheemaker, die als vertegenwoordiger onzer Regering tot hem wist door te dringen, zeer onbeschaamd. Het bleek, dat de Atjehse groten sterk op dezen vorst influenceerden en hem tegen ons opzetten. Toen achtte Nederland zich verplicht zijn Soevereiniteit door Asahan met geweld te doen erkennen en zond er den 10e September 1865 een expeditie heen onder majoor Heemskerk met zes oorlogsschepen onder den kapitein-luitenant-ter-zee Van Rees. Deze expeditie had bovendien ten doel, de invloed der Atjeh’ers op Poeloe Kompai te fnuiken. Het eskader verscheen op de rede van Batoe Bahara en nu werd naar Soengei Si Rantau opgerukt. Sultan Achmad Sjah vluchtte op het zicht der Nederlandsche troepen, maar gaf zich later over. Hij werd toen met zijn gehele familie naar Riouw verbannen. De regering stelde in zijn plaats de rijksbestierder aan, bijgestaan door een controleur der 1e klasse; voorts kocht zij in 1879 het recht van belastingheffing van het Inlands Bestuur af tegen een jaarlijkse uitkering van f 16.225.

In 1884 deed de Sultan van Siak afstand van al zijn rechten op de noordelijke gelegen kuststaatjes. Daardoor kreeg het Gouvernement geheel de vrije hand in de regeling van de Asahanse aangelegenheden en maakte daarvan gebruik om den oude Sultan Achmad Sjah van Riouw terug te roepen en met beperkte bevoegdheden als vorst van Asahan te herstellen. Dit was goed door de regering gezien, wijl die Sultan nog altijd een zeer grote aanhang had en zelfs de naburige Battaks hadden reeds om zijnentwil herhaaldelijk opstootjes verwekt. Toen Achmad Sjah stierf [omstreeks 1888] werd hij opgevolgd door zijn neef Mohamad Hoesjinsjah (…)”xvi

Hermann Theodor Herrings

Herrings had zich reeds in de jaren ’70 van de negentiende eeuw in Deli gevestigd; daarmee behoorde hij tot de eerste generatie Deli-planters die met de Deli-tabak fortuin verdiende. Herrings trad in dienst bij de Deli-Maatschappij, die in 1869 werd opgericht als eerste cultuurmaatschappij op aandelen in Nederlands-Indië door de voornoemde Jacob Nienhuys en Peter Wilhelm Janssen. Toen Nienhuys zich in 1871 terugtrok werd Jacob Theodoor Cremer (1847-1923) aangesteld tot administrateur, en later hoofdadministrateur, der Deli-Maatschappij. “Cremer heeft de Deli-Maatschappij groot gemaakt, zoals deze hem heeft groot gemaakt. Toen hij in 1883 definitief naar Nederland repatrieerde – reislustig van aard is hij nadien overigens verschillende malen in Indië terug geweest – was het aantal ondernemingen van deze maatschappij gestegen van 1 tot 11, het aantal pakken tabak (±158 kg.) van 1.315 in 1870 tot bijna 22.000 in 1883, het maatschappelijk kapitaal van f 300.000 tot 2 miljoen gulden, terwijl van 1871 tot 1883 jaarlijks gemiddeld 73 % dividend werd uitgekeerd.” xvii.

Na zijn repatriëring werd Cremer achtereenvolgens Tweede Kamerlid, minister van Koloniën 1897-1901, president van de Nederlandse Handel-Maatschappij 1907-1912 en Nederlands gezant te Washington 1918-1920.5 In 1883 werd Cremer als hoofdadministrateur der Deli Maatschappij opgevolgd door de heren Herrings en Krol. Een conflict tussen Herrings en Krol in 1885 leidde tot het vertrek van Herrings als één van de hoofdadministrateuren der Deli Maatschappij.xviii

In 1885 ging Herrings in gesprek met de zojuist terugkeerde sultan Achmad Sjah van Asahan. Hij wist als eerste Europeaan – met Duits kapitaal – landconcessies in Asahan te verkrijgen voor de verbouw van tabak. De heer Schutte trad op als beheerder van de nieuw te vestigen onderneming in Asahanxix; de tabaksplantage Kisaran. In 1886 volgden meer ondernemingen in Asahan, zoals de Deli-Asahan Tabak Mij., maar Herrings verkreeg de eretitel “The King of Asahan”.xx Herrings wist in de loop der jaren meer landconcessies te verkrijgen, waarop verschillende tabaksondernemingen verrezen.

Er stroomde veel buitenlands kapitaal naar Nederlands-Indië, met name uit Engeland, Duitsland, België en sinds het begin van de 20e ook uit Amerika. “Waar blijft de oud-Hollandse ondernemingsgeest?” schreef een gepikeerde Nederlander hierover in een krant in 1907.xxi Een vergelijkbare noodkreet kwam 100 jaar later de Nederlandse premier Balkenende duur te staan.6 De Nederlands-Indische regering probeerde echter wel buitenlanders enigszins tegen te werken; zo wilde de regering geen buitenlanders toestemming geven tot de aanleg van spoorwegen in Deli in 18837 en verzette de regering zich rond 1890 tegen het uitgeven of overschrijven van landconcessies aan buitenlanders.xxii De eerste jaren waren de resultaten in Asahan gunstig;

Luidens de Deli Courant gaat althans een van de kustlandschappen ten zuiden van Deli, nl. Asahan, ene goede toekomst tegemoet en wordt daarin een geduchte concurrent van Deli gezien.

De doorsneeprijs van de 1887er oogst was zeer bevredigend in vergelijking met die van Deli en die van 1888 belooft zeer veel, zowel in kwantiteit als kwaliteit.

Wij kunnen daaraan toevoegen dat de grootste landhuurder daar de heer Herrings is, een Duitser met Duits kapitaal gesteund, de ondernemer van Hessa Estate en Kisaran een kolossale lap.

Er zijn daar misschien een half dozijn ondernemingen, – denkelijk nog niet zoveel – en ene uitbreiding tot 2000 velden is geen kleinigheid, wanneer men weet dat de meeste ondernemingen daar niet meer dan 200 a 250 velden hebben.”xxiii

Over de Sumatra tabak zegt hetzelfde blad, dat bij de jongste veilingen te Amsterdam het product van Asahan betere prijzen haalde, dan het Delische.

Trouwens, ook de heer Deen roept in zijn blad (de Deli Courant) uit: ‘Wie heeft dat ooit gehoord, f 1,52 voor Asahan-tabak!’

Nu, het is ongehoord en indien men het aantal balen (van 75 a 80 kilo) wist, door die afdeling aan de markt gebracht en den kostprijs op ongeveer 80 cts. per A. stelt, dan zou men denkelijk tot een winstcijfer komen, waarbij de fortuinlijkste Javaanse ondernemingen van den tegenwoordige tijd achterstaan.

Overigens is f 1,52 een buitengewoon cijfer alleen voor Asahan, niet op zichzelf. Voor Deli tabak zijn wel heel andere cijfers gemaakt.

Nu wil men intussen gronden in Asahan zoeken, maar vist daar achter het net. Het meeste, Kisaran Estate, Hessa-estate, enz. behoort [toe aan] de heer Herrings. De Batakgrens nadert daar en vooral in het aangrenzende Batoe Bahra, vrij dicht aan de kust en die grens is voor den tabaksplanter het ‘non plus ultra’.”xxiv

Opgewekte geluiden uit Asahan, dat zelfs als een geduchte concurrent voor Deli wordt gezien.

[Rond 1890] had [de] tabaksteelt zich als een olievlek over het gewest Oostkust van Sumatra uitgebreid en was terecht gekomen in landpalen, waar de tabak wel kon gedijen, maar waar zij niet dat schone gewas werd dat op de markt als Deli-tabak werd en wordt gekocht.

De fraaie winsten van goede jaren hadden aangelokt en men had vorsten en groten des lands bewogen tot het inwilligen van landgunningen, zelfs waar die gunningen weinig of geen kans op gewin gaven. En de vorsten hadden geleerd het kapitaal van de Westerlingen te begroeten als een toverstaf tot hun eigen welgedaanheid en tot welvaart voor het landschap.

Asahan was een vrij groot sultanaat met niets dan een niet geheel onbruikbare rivier, een magere bevolking en een magere teelt van bevolkingsgewassen. En in het grote Asahan kwamen er omstreeks 1885, die het mooie tabaksblad er wensten te winnen. Zij gaven het stille gebied een stoot tot leven en bewegen, maar zagen zich met de tabak teleurgesteld, al was hun teeltwijze goed. Grond en bovenal klimaat bleken voor mooie tabak niet te deugen.”xxv

Rond diezelfde periode, in 1891, ging Herrings ertoe over om zijn ondernemingen onder te brengen in een Nederlandse maatschappij. Herrings ging in zee met het Amsterdamse handelshuis Van Heekeren & Co die voortaan de directie zou voeren vanuit hun kantoor aan de Herengracht. De bedrijfsnaam werd: de Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij voorheen H. Herrings & Co. Het startkapitaal bedroeg f 3.500.000, waarvan f 2.500.000 werden geplaatst door de firma H. Herrings & Co.xxvi Herrings bleef het recht behouden op de landconcessies in Asahan. De heer F.L.S. Van Heekeren werd – op eigen naam – directeur van de naamloze vennootschap en werd voor onbepaalde tijd aangesteld. In de oprichtingsakte werd een clausule opgenomen die het risico voor de aandeelhouders moest beperken: wanneer het kapitaal der maatschappij gehalveerd was, diende de directie de firma te liquideren.

Begin 1892 leidden lage tabaksprijzen tot een crisis in Asahan. “Enige ondernemingen zijn gesloten en de meesten krimpen belangrijk in, zodat in 1892 ook hier veel minder velden beplant zullen worden, dan het jaar tevoren. Het nog kort geleden zoo bloeiende Tandjong Balei8 krijgt reeds een vrij verlopen aanzien. (…) Nu het met de tabak zoo slecht gaat en daarin zulke schatten worden verloren, vestigt men hier de aandacht op meer lucratieve zaken en is men in den laatsten tijd bezig het land bergafwaarts te doorkruisen om naar goud te zoeken, evenwel zonder veel resultaat; men heeft den moed echter nog niet opgegeven en in navolging van den een willen nu ook anderen hun geluk eens beproeven. (…)

Er is dan ook meer dan genoeg voor de djaksa te doen, want moord en doodslag komen hier tamelijk veelvuldig voor en de veiligheid hier te lande is er in de laatste tijd meer dan erg op achteruitgegaan. Sommigen Europeanen reizen dan ook op verre toeren nog slechts gewapend, daar het reeds is voorgekomen, dan een hunner op den openbaren weg werd aangehouden.]

Men vertelt hier dat de Asahanse pionier, de heer Herrings, onlangs te Medan van de resident heel wat onaangename woorden moet gehoord hebben, en naar aanleiding daarvan zijn voornemen heeft te kennen gegeven om desnoods af te treden, daar hij zich met de behandeling van verschillende zaken in Asahan niet kan verenigen. Als zijn opvolger noemt men reeds iemand uit Deli. De persoonsverwisseling moet voor een nieuwe maatschappij uiterst nadelig zijn. En ook voor Asahan in ‘t algemeen zal het, vrezen wij, niet gunstig wezen, daar het allicht kapitalisten afschrikt geld te steken in een land , waar zij aan dergelijke – voor de zaken nadelige – surprises zijn blootgesteld.”xxvii

Herrings trekt zich terug uit de zaak en blijft waarschijnlijk enkel als aandeelhouder verbonden aan de Nederlandsche Asaham Tabak Maatschappij (N.A.T.M.). Herrings verdwijnt van de radar. Op 31 oktober 1892 werden drie ondernemingen van de N.A.T.M. gesloten. Sedertdien telde de N.A.T.M. nog zes ondernemingen: Kisaran, Hessa, Tanah Radja, Goerach Batoe, Bondjey en Serbangan. Ondanks de flinke verliezen die in de jaren ’90 van de negentiende eeuw door de N.A.T.M. werden geleden, bleef men hoop houden…

(…) Is het aanvankelijk verlies te boven gekomen, dan mag de financiële positie der vennootschap ook zeer sterk genoemd worden. Nevens een eigen werkkapitaal van f 1,000,000 heeft zij de steun van de Nederlandse Handel Maatschappij, waarmede zij een consignatie-contract aanging. Ofschoon het onmogelijk is een bepaald oordeel over de toekomst uit te spreken, zo zijn de vooruitzichten voor den verdere loop dezer campagne, als ook voor die van het volgend jaar, bepaald gunstig. Indien de markt willig gestemd blijft, is te verwachten dat ook in 1894 hoge prijzen zullen besteed worden. De berichten toch omtrent de kwaliteit der aanplantingen van dit jaar luiden goed, terwijl kwantitatief de algemene oogst zeker niet groter zal zijn.”xxviii

De assistents-jaren van Jan Gijsbert Aalders 1894-



Jan G. Aalders (1872-1957) rond 1893

JGA zal eind 1893 de pen hebben gevat en een sollicitatiebrief hebben geschreven naar de heer F.L.S. van Heekeren9, de directeur van de N.A.T.M. Ondanks zijn gebrekkige curriculum vitae heeft JGA de hoge baas weten te overtuigen van zijn geschiktheid en gedrevenheid.

Hoevele tientallen van jongelui, in de kracht van hun leven, zagen wij niet jaarlijks naar het land van belofte te trekken, om, als assistent op een der plantages der Nieuwe Asahan-Tabak-Maatschappij, hun beste krachten te schenken aan het heil dezer Maatschappij, ons kantoor gewoonlijk verlatende met meer illusies dan bagage, doch nimmer zonder de zo vaderlijke en welgemeende raad van den Heer van Heekeren, ‘geen wijntje en trijntje, hoor!’ Of de velen, die, bij de N.A.T.M. begonnen, op Sumatra’s Oostkust geslaagd zijn, dit te danken hebben gehad aan dezen raad, is even moeilijk te zeggen, als te beweren dat zij, die minder succes gehad hebben, hem in de wind geslagen zouden hebben! (…)” herinnerde de heer Wichers Hoeth later.xxix

Dat de heer Van Heekeren het gebrek aan diploma’s bij JGA door de vingers zag, is na het lezen van de volgende anekdote beter te begrijpen: “Iedere blanke, die een opleiding in Holland heeft gehad, een betrekking bekleedt en zich fatsoenlijk gedraagt , kan [in Indië] overal komen. Eindelijk merkt de heer De Groot nog op, dat de jongeman zich goed moet kunnen bewegen en vlot moet zijn in de omgang. In vele gevallen moet hieraan veel groter waarden worden gehecht dan aan grote technische boekenkennis. Algemene ontwikkeling, die in staat stelt om toestanden en geschillen zuiver en breed te kunnen beoordelen, is van de grootste waarde.”xxx

Op 7 februari 1894 verscheen de 21-jarige JGA wederom op het kantoor van Van Heekeren & Co aan de Herengracht in Amsterdam. Ditmaal ongetwijfeld geruster en enthousiast, want hij had een afspraak met de heer Van Heekeren om zijn arbeidscontract te komen tekenen!

(…) art. 2

De heer J.G. Aalders verbindt zich, om in zijne voormelde betrekking [als assistent] bij de Maatschappij, onder hare Administratie te Asahan gedurende vijf achtereenvolgende jaren, aanvangende met zijne aankomst ter plaatse, werkzaam te zijn en zulks volgens hem te verstrekken instructies met lust en al zijn ijver en kennis ten bate der Maatschappij, wier belangen hij, zoveel hij kan, zal en moet helpen bevorderen.

Hij zal zich, zonder toestemming van de administratie of van zijn superieuren, niet van de hem voor zijne werkzaamheden aangewezen onderneming mogen verwijderen en verplicht zijn, zijn beschikbare tijd uitsluitend aan zijn betrekking te wijden.

Hij belooft verder zoveel mogelijk zorg te dragen, door inrichting zijner levenswijze, dat hij zijn werkzaamheden geregeld kan vervullen en ziekte wordt voorkomen.

Ook verbindt hij zich om, noch indirect, noch direct, deel te nemen in cultuurondernemingen van welke aard dan ook, ter Oostkust van Sumatra en om alles te vermijden wat tot nadeel der ongetekende ter eenre zijde zou kunnen strekken. (…)

art. 4

De Maatschappij verplicht zich de heer J.G. Aalders te Asahan te verschaffen:

1e vrije woning

2e vrije geneeskundige behandeling en voorgeschreven medicijnen

3e hem voor salaris te betalen tachtig Mexicaanse Dollars per maand, in te gaan met zijn aankomst te Asahan.

De vrije woning en vrije geneeskundige behandeling en medicijnen worden alleen aan de ondergetekende ter andere zijde verstrekt, tenzij hij met toestemming van de hoofdadministratie een wettig huwelijk mocht sluiten, in welk geval zulks ook zijn gezin zal gelden.

Art. 5

De Maatschappij verklaart zich bereid aan de heer J.G. Aalders renteloos voorschot op hetgeen zij hem verschuldigd zal worden te verstrekken.

1e ten behoeve zijner uitrusting tot een bedrag van M$ 125,- in een kredietbrief op de Heeren Behn Meyer & Co te Singapore (…)

2e ten behoeve zijner reiskosten tot Asahan vier honderd zesenvijftig gulden. De reiskosten zijn voor rekening van de ondergetekende ter andere zijde [Jan Gijsbert Aalders]. De Maatschappij vergoedt ze hem echter met één vijfde gedeelte van het verstrekte voorschot, voor elk vol dienstjaar, verlopen na zijn aankomst te Asahan. Ingeval van ontslag ten gevolge van ziekte of van overlijden gedurende de dienst, wordt het per resto op het voorschot voor reiskosten verschuldigde geheel door de Maatschappij voor haar rekening gehouden. Bij ontslag om redenen welke aan de ondergetekende ter andere zijde zijn te wijten of ontbinding dezer overeenkomst door de rechter, worden de voorschotten voorzover nog niet gerestitueerd of vergoed, aanstonds opeisbaar.

Art. 6

De ondergetekende ter andere zijde kent – onder afstand van de wetsbepalingen – der Maatschappij het recht toe, hem onmiddellijk uit haar dienst te ontslaan en hem de onderneming te doen verlaten en dit contract als ontbonden te beschouwen, wanneer hij de verplichtingen niet nakomt, waartoe hij zich bij art. 2 heeft verbonden en alzo ook in het geval van luiheid, onverschilligheid of insubordinatie tegenover hen, die hij als zijn superieuren heeft te beschouwen.

Art. 7

De overeenkomst zal door de Maatschappij als ontbonden kunnen worden beschouwd wanneer na een wettig besluit ter ontbinding der Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij voorheen H. Herrings & Co hare liquidatie zal aanvangen.

Aldus te goeder trouw en in triplo getekend te Amsterdam den 7de februari 1894.”xxxi

Hoewel dit tegenwoordig zou worden gezien als een wurgcontract, was het voor die tijd een standaard arbeidscontract voor koloniale assistenten. Daardoor zal deze aanstelling in de familie zijn gevierd, hoewel het tevens een verdrietig afscheid zal hebben betekend; JGA maakte de eerste 5 jaren geen aanspraak op een buitenlands verlof…

Men ziet enige overeenkomsten met de toenmalige koeliecontracten, die zich eveneens voor een aantal jaren verbonden aan een bepaalde maatschappij. Daarnaast werden voor beiden vrijheden beperkt, zoals het niet toestaan van verlaten van de plantage en de benodigde toestemming van de hoofdadministratie om te mogen trouwen.10 In jaren ’60/’70 van de twintigste eeuw werden dergelijke arbeidscontracten ook gebruikt voor gastarbeiders in Nederland en tegenwoordig worden ze nog gebruikt voor Aziatische contractarbeiders in Arabië. De primaire voorwaarden waren voor een Europese assistent uiteraard veel royaler dan voor een koelie; daarnaast was de Poenale Sanctie – waarover ik later kom te spreken – niet van kracht jegens blanken en konden assistenten zich op één ding focussen en dat was zo snel mogelijk promotie maken! Men kwam naar Indië doorgaans om één ding: veel geld te verdienen.

Een maand na het tekenen van het contract werd JGA opgeroepen zich wederom te melden op het kantoor aan de Herengracht; de heer Van Heekeren had voor JGA een reis geboekt. JGA werd in Amsterdam op de boot gezet door zijn geliefde 19-jarige zus Catharina Aalders.



S.S. ‘Sachsen’, Norddeutscher Lloyd, Bremen

Begin april 1894 arriveerde JGA met de S.S. ‘Sachsen’ van de Norddeutscher Lloyd in Singapore.xxxii De reis – via Genua, het Suez-kanaal en Colombo – duurde enkele weken. De lange zeereis maakte JGA samen met een collega, die net als hem het grote avontuur als assistent op Sumatra’s Oostkust zou beginnen. Deze Paulus Willem van Doorn Jr. (1871-) was een jaartje ouder dan JGA en toevallig ook een zoon van een predikant. JGA en Paulus W. van Doorn zouden goede vrienden worden.11 De beide jongemannen stapten in Singapore over op een kleinere stomer naar Tandjong Balei, de hoofdstad en havenplaats van Asahan gelegen aan de Asahan-rivier.

Een Nederlandse zendeling beschreef een half jaar eerder, in augustus 1893, diens aankomst in Tandjong Balei en zijn korte onderhoud met Sultan Mohamed Hoesjinsjah van Asahan:

(…) Te zeven uur ‘s avonds kwamen we te Tandjong Balei aan, waar ik weldra de gast was van den heer Schwab, bij wie ik acht dagen lang verbleef.

Genoemd plaatsje telde ongeveer twintig Europeanen, meest allen gouvernementsambtenaren en beambten; de minderheid bestond grotendeels uit handelaren; vele Aziatische volkeren, voornamelijk Chinezen, waren daar reeds vertegenwoordigd; ook zij vonden merendeels in handeldrijven een middel van bestaan. Het plaatsje is een betrekkelijk vrij gewichtige handelsplaats ter Sumatra’s Oostkust en is drie of vier uren stomens binnen ‘s lands aan de Asahan-rivier gelegen. Grote zeeschepen kunnen bij vloed zelfs tot nabij die plaats komen.

De plaats-zelve is echter zeer ongezond, evenals de ganse landstreek waarin zij gelegen is, hoewel het wellicht in de hoger gelegen oorden gezonder kan zijn. Bij elke overstroming loopt genoemde plaats onder; de huizen der Europeanen en dat van den Sultan zijn eigenlijk buiten de kom der gemeente gelegen en staan zeer fraai aan weerszijden van den weg; in de Maleise buurt evenwel is het dikwijls niet om uit te houden wegens de drukte.

Op een avond bracht ik den Sultan van Asahan een bezoek, die mij als een godsdienstig-fanatieke Mohammedaan was afgeschilderd; ik moet evenwel [te] kennen [geven] dat mij daarvan, gedurende de twee uren van mijn bezoek, niets gebleken is, hoewel zulks steeds mogelijk is, als men met hem over godsdienstzaken spreekt, hetgeen ik echter vermeden heb.

Het gesprek, hetwelk ik met den Sultan had, werd in de Batakse taal gevoerd, en zulks, omdat ik het Maleis niet machtig ben. Zijn Hoogheid informeerde naar alles; en toen hij van mij vernam dat er ten Zuiden van het meer van Toba ongeveer vijftigduizend mensen woonden, sloeg hij de handen in elkaar van verbazing. Asahan-zelf is nl. zeer dun bevolkt; men kan er dikwijls een gehele dag reizen, zonder meer dan drie of vier woningen onderweg aan te treffen.

Nadat ik hem op zijn verzoek enige aangelegenheden aangaande de Zending ontwikkeld had, bevreemdde het hem niet weinig, dat wij, zendelingsleraars, geen aanstelling daartoe en geen inkomen daarvoor van het Gouvernement bekwamen. ‘Wat krijgt ge dan voor elke Heiden, die Christen wordt?’ vroeg hij mij daarop. Ik antwoordde hem, dat wij daarvoor niets kregen, doch dat het Zendingsgenootschap ons onderhield en dat we alleen uit liefde Gods woord bij den armen heiden brachten. Mijn gastheer ondervroeg mij over nog vele en velerlei zaken en hij luisterde met volle aandacht naar mij. Op een gegeven ogenblik wendde hij zich tot zijn beide overige Europese gasten met de opmerking: Ik begrijp niet, dat de zendelingen niet om geld hierheen gekomen zijn: de Europeanen die ik tot dusver heb leren kennen, zijn gekomen om geld te verdienen. (…)”xxxiii



een foto van JGA in Asahan (coll. JGA)

Tandjong Balei lag afgelegen en was tot het begin van de twintigste eeuw enkel bereikbaar per boot. De eerste weg – en lange tijd de enigste weg in Asahan – was die tussen Tandjong Balei en de tabaksonderneming Kisaran van de N.A.T.M. Begin twintigste eeuw werd een verharde cultuurweg aangelegd tussen Medan (de hoofdstad van Deli) en Tandjong Balei. Deze weg was 195 kilometer lang en was vooral interessant voor hen die een auto ter beschikking hadden. Pas in de jaren ’10 van de twintigste volgde de aanleg van een spoorlijn die de verbinding met Medan verbeterde.



Toestemming van de resident van Sumatra’s Oostkust aan JGA om zich daar te mogen vestigen (coll. JGA)

In Tandjong Balei zullen JGA en Van Doorn zijn opgewacht door de administrateur van Kisaran of één van zijn assistenten. Daar stonden ze dan: twee jongemannen van 23/24 jaar oud in een compleet andere wereld en eigenlijk zonder nog een goed besef te hebben van wat precies het plantersleven zou inhouden. Maar juist die onwetendheid was gewenst: de Sinkeh-tijd brak aan.

Lily Clerx schreef in 1961 een scriptie voor haar studie sociografie genaamd “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de bellettrie”. Aan de hand van 9 Deli-romans12 deed zij onderzoek naar het wel en wee van de planterskolonie op Deli, die vergelijkbaar is met die van het naburige Asahan. Een verschil met Asahan is de omvang van de kolonistenkolonie in Deli en het vertier wat in de hoofdstad Medan wel te vinden was en in Tandjong Balei niet. Zoals uit haar scriptie blijkt waren de Deli-mannen een bepaald slag mens, allen gevormd door èn in de afgelegen planterskolonie aan de Oostkust van Sumatra.

De nieuweling wordt met een zekere geringschatting behandeld. ‘Sinkeh’ wordt dit ‘baar’ genoemd, – ‘het’ Sinkeh – een naam is hij nog niet waard. De baas ziet in hem slechts het ruwe materiaal waaruit een Deliplanter gemodelleerd moet worden. Zo’n Deliplanter, die in het Deli-matjam (term van Gorter) past. Alle schrijvers laten voor onze ogen een dergelijke modellatie proces zich ontrollen.

Kleian geeft een soortgelijke geschiedenis: “’t Is nu eenmaal het systeem, vooral van de oudere bazen, om een sinkeh eerst in elkaar te wringen, je heel klein te maken om je dan later te kunnen vormen naar het voorheen ideale model’.

Zodra het sinkeh goed bevonden is, krijgt hij de verantwoordelijkheid op zich voor een afdeling, dat wil dus zeggen: voor het werk, voor de productie, voor de koelies. Dan wordt hij ingeschakeld in een ‘zenuwslopende werkwijze, waar nooit eens een woord van waardering werd gezegd, doch waar de boven hem geplaatsten steeds weer speurden naar iets wat niet geheel in orde was en dan kreeg je daarover ‘t een en ander te horen alsof je geen cent waard was’ (Gorter). Inspecties van administrateurs of hoofdadministrateurs worden met angst en beven tegemoet gezien; zij vormen in elke roman een dankbaar bellettristisch object. (…)

Door de rubber-hausse [vanaf circa 1908] verdween de Sinkeh, de trainingen door in het bos te lopen, de strengheid jegens assistenten en persing in een planters-keurslijf. Door de verhoogde productie [van rubber] waren veel assistenten nodig.” aldus Clerx.

JGA en Van Doorn ondergingen deze Sinkeh-tijd waarschijnlijk nog wel. Mochten zij moeilijkheden ervaren tijdens deze ontgroening hadden zij wellicht steun aan elkaar. Hoe pijnlijk is het dat JGA kort na aankomst op Kisaran een telegram of briefkaart ontving van het thuisfront; zijn geliefde zuster Catharina (Catrien) Aalders was overleden! Slechts 19 jaar oud werd zij. “Zij was een lief, blond en vrolijk meisje en steeds gezond en vrij vrolijk. We hielden veel van haar en zij van ons. Zij was ons jongste zusje en bleef dit steeds. Ouder wordende ging zij naar een kweekschool om onderwijzeres aan de Frobelschool te worden, een christelijke school. Haar hart ging uit naar de Heer en zij wilde ook graag kleine kinderen van Hem vertellen. Zij kreeg 19 jaar oud zijnde longontsteking en overleed na 9 of 10 dagen. Zij was altijd zo gezond en zulks hadden we nooit gedacht”xxxiv herinnerde een broer. Zij overleed 17 dagen nadat zij JGA op de boot had gezet. Het zal een ‘lobaire pneumonie’ geweest zijn: een vorm van een longontsteking, die je nu – door de uitving van penicilline – niet meer ziet.”xxxv Dit verdriet moest JGA alleen en eenzaam verwerken in het voor hem nog zo vreemde land.



Catharina Aalders (1874-1894)

JGA en Van Doorn kwamen terecht in een jong team. De waarnemend administrateur van Kisaran was de 25-jarige B. Sonnenberg uit Deventer, daarnaast telde men nog drie assistenten: G.F.W. Raven, een 27-jarige Duitser, H. Ketner, een 28-jarige jongeman uit Schiedam van wie wij later nog zullen horen en de 37-jarige F.A.W. Lührs. Het was een goed-werkend team, met als enige rotte appel de oudste assistent Lührs; “wordt ontslagen, zodra hij gemist kan worden” staat achter diens naam op de lijst van Europees Personeel in 1895.xxxvi Na diens ontslag bestond het team uit enkel twintigers. De waarnemend-administrateur, B. Sonnenberg, was voor het eerste jaar werkzaam als administrateur; 1895: “Pas benoemd voor 1 proefjaar. Was onze beste assistent. Als administrateur nog niet te beoordelen.”xxxvii Over Raven werd geschreven “zeer goed assistent”, Ketner “de meest intelligent onzer assistenten, niet serieus genoeg, wordt gebruikt voor opmetingen”, Van Doorn “schijnt een goed assistent te zullen worden” en over JGA “de beste onder de nieuwelingen”.

Wat nu juist een assistent goed of zelfs uitstekend deed functioneren werd in de kanttekening niet opgemerkt. Wanneer de administratie een kanttekening plaatse, was dit over het algemeen een verbeterpunt. Juist die verbeterpunten geven een goed beeld van welk gedrag niet wordt gewaardeerd – of zelfs niet wordt getolereerd – en daaraan spiegelend, welk gedrag juist wel wordt gewaardeerd. In de personeelslijsten van de N.A.T.M. lees ik de volgende kritieken:

niet serieus genoeg”, “wat pedant en rumoerig”, “staat moreel niet hoog”, “moreel laat te wensen over”, “niet zeer energiek”, “voor het werk niet veel waard, niet serieus”, “ietwat stijfhoofdig”, “slordig in zijn werk”, “zwak jegens koelies en jegens Europeanen mensenschuw”, “nog al ruw en onverschillig”, “is zeer corpulent geworden”, “niet flink genoeg tegen de koelies”, “voortvarendheid laat te wensen over”, “iemand zonder veel ambitie, saai en langzaam”, “heeft dit jaar minder goed voldaan, door te weinig ambitie”, “een beetje ruw”, “een middelmatig assistent, die ook moreel niet hoog staat”, “nogal oppervlakkig en bekrompen en door zeer ondoordacht optreden met de justitie in aanraking gekomen. Vroeger te gunstig beoordeeld”, “onverschillig en verwaand, zal spoedig anders moeten worden”, “karakter laat te wensen over”, “een beetje slordig”, “zwak van gestel”.



Lijst van Europeesch Personeel van de Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij 1902

Wanneer men, zoals JGA, een uitstekend assistent was en op goede voet stond met de administratie en directie in Amsterdam, kon men in no-time promotie maken en daarmee zijn inkomen aanzienlijk verhogen. Een assistent begon met $80 a $100 per maand en groeide in vier jaar tijd tot een inkomen van $200 per maand (4 jaarlijkse stappen van $25). Daarentegen verdiende een administrateur vast 400 gulden per maand en deelde tevens mee in de winstdeling. Een aanzienlijk bedrag voor die tijd. Doordat in de jaren ’90 van de negentiende eeuw in Asahan de meest jaren winsten uitbleven – en zelfs flinke verliezen werden genoteerd, viel er voor de administrateurs van de N.A.T.M. weinig te profiteren van tantièmes. Aangezien in Deli wel hoge winsten werden gemaakt, verdiende een administrateur aanzienlijk meer in Deli dan in Asahan.

De blanke , die op een Delische plantage komt werken, begint – uitzonderingen daargelaten – zijn loopbaan als assistent, de laagste economische positie, die een blanke in de planterssamenleving kan innemen. Het aanvangsalaris laat geen bijzondere uitgaven toe.

Promotie betekent een hoger salaris en een groter aandeel in de winst, algemeen is dan ook het streven naar bevordering.”xxxviii aldus Clerx

Met deze algemene drang naar promotie kwam uiteraard ellebogenwerk en hielenlikkerij om de hoek kijken. De hoofdadministrateur en administrateurs stonden op een hoog voetstuk. Kisaran, de tabaksplantage waarop JGA samen met Van Doorn kwam werken, was de oudste tabaksplantage van Asahan. Deze werd nog geen 10 jaar eerder opgericht door Herrings. Aan het hoofd van de plantage stond een administrateur die een stuk of 5 a 6 assistenten onder zich had. Elke assistent had een team van 300 a 400 koelies aan te sturen. Kisaran was daarnaast de standplaats van de hoofdadministratie, dat hield in dat hier tevens de hoofdadministrateur – alias general-manager – met een boekhouder en geneesheer woonde. En dit alles in een samenleving bestaande uit slechts enkele tientallen Europese planters, duizenden Chinese en Javaanse koelies en een lokale vorstelijke familie in een afgelegen sultanaat aan de Oostkust van Sumatra; ver van hun vertrouwde thuis en met slechts enkele Europese vrouwen om hun heen.

Op Kisaran bestond het Europese personeel uit 1 administrateur en een stuk of 5 a 6 assistenten. In de jaren ’90 van de negentiende eeuw was het voor assistenten uitgesloten om te trouwen, dit werd toen nog enkel aan een administrateur of de hoofdadministrateur toegestaan. Daardoor zullen er hoogstens 1 of 2 Europese vrouwen op de plantage hebben gewoond. Hierover later meer.

Over de hiërarchie schrijft Lilie Clerx het volgende:

Bij het binnenkomen van de hoofdadministrateur zwijgt een ieder: “Allen waren opgestaan en mompelden een bescheiden groet, als Stoops langs hen liep en Mevrouw Stoops welwillend knikkend voorbij ruischte naar het tafeltje, dat voor hen gereserveerd was en door een vaas bloemen van de anderen onderscheiden was.” (Rubber)

Mevrouw Manders vertelt, dat men ook bij het binnenomen van een administrateur opstaat en “je had niet het hart in je lijf, dat je weer ging zitten voor hij daartoe een wenk gaf”.

De assistent moet er voor zorgen dat zijn toetoep-jas – in de aanwezigheid van een meerdere (Szekely, Gorter) of van een ‘Mem’ (dit is een blanke vrouw) – tot aan zijn kin toe gesloten is. De meerdere bezit ten opzichte van de mindere het privilege genoemd kledingstuk aan, open of uit te hebben. De angst voor de ‘open jas’ in gezelschap van meerderen schijnt zich diep in de hersenen der planter geworteld te hebben. Er is nog iets bijzonders met die Delische toetoep-jas: een assistent mag aan dit kledingstuk niet evenveel knopen dragen als een administrateur.”

Ondanks deze hiërarchie, speelde afkomst geen rol. Clerx vervolgt: “Wie veronderstelt dat de Duitser in Deli totaal anders leeft dan de Nederlander of de Amerikaan, dat de graaf of de zoon van de Twentse industrieel er geheel andere levensgewoonten op na houdt als de timmerman of de ex-stoker, diens voorstelling is niet in overeenstemming met die van de bellettrie. Deze geeft namelijk het beeld van een bepaald Delisch levenspatroon, waaraan de nieuweling zich aanpast… of niet, om in dat geval uit deze samenleving te verdwijnen: ‘Hier acclimatiseert een mens, acclimatiseert en uniformiseert zich. Je wordt tenslotte een planter. Een Deli-planter. En dat is een apart soort mensen. Hier verliest iedereen zijn karakteristieke persoonlijke eigenschappen, vergeet wat hij een geleerd heeft, wat er thuis aan hem opgevoed is. Dat alles lost hier op, vermengt zich, en er ontstaat een nieuw menstype.”

Naast deze zo waardevolle uitspraak van Szekely staat die van Mevrouw Szekely-Lulofs: ‘Alsof je hier vergroeide tot een ander mens. Tot een mens op zichzelf, zonder familieverband, zonder jeugdverband…” Beide opmerkingen worden ondersteund door talloze uitlatingen van andere schrijvers en schrijfsters.

[een voorbeeld]: “Dat je stoker was in Amerika… dat komt er niet op aan… Hier ben je gentleman… Understood?!”

Vanzelfsprekend bestaan hier – zo goed als overal elders – individuele verschillen, maar dit zijn slechts graduele differentiaties binnen een zeker patroon.”

Van JGA is bekend dat hij wel degelijk waarde hechtte aan afkomst; waarschijnlijk niet op professioneel gebied, maar wel aangaande nieuwe familiebanden. Een voorbeeld hiervan is dat hij een (of meerdere) van zijn schoondochter(s) van een te lage afkomst achtte. Toen een van zijn zonen diens verloving met haar aankondigde, schreef hij dan ook uitgebreid over de (vermeende) adellijke achtergrond van haar moeder. Opvallend is dat deze schoondochter in kwestie een aanzienlijker voorgeslacht had dan JGA zelf; daarentegen waren haar ouders in financiële moeilijkheden gekomen tijdens de crisisjaren ’30. Een passage uit ‘De eeuw van mijn vader’ van Geert Mak viel mij op en verklaart wellicht deze interesse in afkomst van JGA.

(…) Nu kunnen we rustig aannemen dat de ideeën van mijn moeder onder blanken in brede kring gangbaar waren. Het was nog in de nazomer van de standensamenleving, van de drie klassen in de trein, van de dienstmeisjes die niet aan de familietafel mochten mee-eten. Zeker mijn moeder, opgegroeid in een omgeving die pas kort tot welstand was gekomen en die zich daaraan met een zekere krampachtigheid vastklampte, zal voor rassen en standen gevoelig geweest zijn. (…)”xxxix

De moeder van Geert Mak – die met haar echtgenoot eveneens naar Indië was getrokken – en JGA hadden deze achtergrond beiden gemeen. De grootouders van JGA wisten zich door hardwerken en ijver te onttrekken aan armoede; hierdoor kregen hun kinderen wel de gelegenheid om te studeren.

Het leven op de plantages in Asahan en Deli kenmerkte zich door eenzaamheid. Daar moesten de jonge assistenten mee kunnen omgaan. Een uitlaatklep vormde de ‘soos’ of ‘club’. “De assistenten die in de nabijheid van de ‘soos’ of de ‘club’ wonen, brengen daar vele avonden door. Elke avond zijn er mensen in de club te vinden, die drinken en kegelen of bridgen. Soms vormt zich een club, een gezelschap, dat op bepaalde avonden in de sociëteit samenkomt. Op dergelijke bijeenkomsten vormt het nuttigen van alcoholische dranken de voornaamste bezigheid, nu een gecombineerd met een kegelwedstrijd, dan weer met moppen tappen en het zingen van platvloerse dronkemansliederen.”xl



waarschijnlijk de eerste assistentenwoning van JGA op Kisaran (coll. JGA)

De meeste vrije tijd spendeerde de meeste assistenten wel in hun assistenten-woning op de plantage. Deze lagen vaak ver uit elkaar, waardoor bezoeken over en weer meer uitzondering dan regel waren. Clerx: “De beschrijving van de assistentenwoningen is bij de verschillende auteurs van een dusdanig opvallende gelijkvormigheid, dat wij geneigd zijn aan te nemen, dat de assistentenwoningen ook gelijkvormig gebouwd en ingericht zijn.

Het is een middelmatig groot, vierkant huis, gebouwd op ongeveer anderhalve meter hoge palen. Een houten trap voert naar de voorgalerij. De wanden zijn gemaakt van geoliede ruw houten planken of van gevlochten bamboe, het dak bestaat uit atap of uit bladen van de niboengpalm. Een plafond is niet aanwezig, zodat balk- en bintwerk zichtbaar is. Tijdens regen is lekkage in assistentenhuizen een algemeen voorkomend verschijnsel.

De woonruimte is in twee rechthoeken of in vier vierkanten gedeeld door ongeveer twee meter hoge wanden van geoliede ruw houten planken of van gevlochten bamboe. De zitkamer is afgesloten met muskietengaas. Vandaar leidt een pad – vaak is dit een met palmblad overdekt gangpad – naar een lange rij kamertjes: de bediendenkamers, de keuken, de badkamer en de stal.

Gorter schrijft over de badkamer dat het “een donker hok is waarvan de deur op zijn best met een ijzerdraadje om een kromme spijker kan worden gesloten. De vloer is voor de kleinste helft bedekt met half verrotte planken, terwijl de andere helft grond is, die door het vele geplas al spoedig in modder verandert en dan een geliefkoosde verblijfplaats is voor dikke padden, kikkers, duizendpoten, schorpioenen en dergelijk ongedierte.” Het waterreservoir staat, in de vorm van een oud wijnvat gevuld met putwater, in een hoek op de verrotte planken.

Mevrouw Manders en Mevrouw Szekely-Lulofs geven een soortgelijke beschrijving, de laatste voegt er spottend aan toe: “als je je baadde, hing je twee handdoeken langs de reten van de wand, omdat je je toch zoo niet aan je bedienden te kijk wou zetten als je op de wereld was gekomen’. In ditzelfde vertrek bevindt zich de W.C., als het bedoelde voorwerp tenminste waardig is die naam te dragen: het is een ‘soort kist met een rond gat in het midden, daaronder een leeg petroleumblik’.

De over het algemeen schaarse meubilering bestaat voornamelijk uit rotanmeubelen, die in de literatuur meestal voorzien zijn van de epitheta ‘oud’, ‘wrak’ of ‘vol vlekken’., aangevuld met bierkisten, die bijvoorbeeld als schrijftafel dienst doen en een enkele keer enige grotere stukken, zoals een buffet en een tafel in de eetkamer. Ter completering chevelures op hoge bankjes in hoeken van de kamer en aan de muren Indonesische wapenen en kaïns naast als dan niet ingelijste platen uit tijdschriften, voornamelijk uit illustraties als de Vie Parisienne.”

Het interieur is wat betreft netheid, orde en gezelligheid voor een groot deel afhankelijk van het feit of zich een vrouw in huis bevindt. Aangezien er in de eerste helft van de hier behandelde periode vrijwel geen of daarna nog slechts weinige Europese vrouwen in de Delische samenleving zijn; overheerst het beeld zoals wij dat aanvankelijk schetsen.

(…) De woningen zijn door grote afstanden van elkaar en van de dichtstbijzijnde societeit gescheiden, zodat het noodzakelijk is van voertuigen gebruik te maken; uit de belletrie kunnen we opmaken dat, vooral in het begin van deze eeuw, de ‘buggy’ bij de assistenten algemeen was’; dit is een tweedelig wagentje voorgetrokken door een Bataks paardje. (…)

De boedjang (vrijgezel)-assistent beschikt in het algemeen over 1 bediende: de ‘boy’. Een enkele keer ontmoeten wij ook de vrouw van de boy in de bijgebouwen, in welk geval de werkzaamheden tussen de beide echtgenoten worden verdeeld. Tot deze werkzaamheden behoren: het schoonhouden van het huis, het onderhouden van de tuin, het voederen der dieren (paard, kippen, honden, de aap, soms ook een slang), het verzorgen van kleding, eten en drinken voor de assistent. Aangezien de planter het grootste deel van de dag niet thuis is en ‘s avonds na het vermoeiende werk geen oog heeft voor hetgeen door de boy wel of niet gedaan is, voert de boy zijn taak veelal slechts gedeeltelijk uit.

Is er echter ook een njai (huishoudster) in huis, een Aziatische vrouw, die – hoewel niet met de planter in de echt verbonden – zowel zijn bediende als zijn vrouw is, dan worden genoemde werkzaamheden in den regel in de puntjes uitgevoerd en wel door de boy, die nu gecontroleerd wordt door de njai.

De Deli-planter verschijnt bij vrijwel elke gelegenheid in het witte gesteven toetoep-pak. Buitenshuis is hij daarbij nog voorzien van een witte tropenhelm. Alleen de planter, die ‘s avonds of op een hari-besar thuis is en geen bezoek verwacht, zien we het witte uniform – met plezier – verwisselen voor een makkelijker zittend kledingstuk, bv. een sarong of een pyjama. Voor clubavonden verwisselden assistenten/administrateurs zich in zogenaamde “dinner jackets”: een avondkleding, overgenomen uit de Straits. Een zwarte broek, een smoking-overhemd, een stijve boord, een wit vest en een kort, wit linnen jasje, dat achter in een punt eindigde.””xli



waarschijnlijk een andere assistentenwoning van JGA op Kisaran (coll. JGA)

De werkzaamheden van een assistent op een tabaksplantage

De Delische cultures zijn vrijwel gelijkvormig georganiseerd. De directie van de maatschappij, die in Europa (of Amerika) zetelt, wordt in Deli vertegenwoordigd door de hoofdadministrateur (hoofdbaas of tuan matskepy). Vanuit zijn hoofdkantoor worden de instructies aan de ondernemingen (kebons) gegeven en de uitvoering hiervan wordt door deze instantie gecontroleerd. De ondernemingen worden beheerd door administrateurs (baas of tuan besar). Zij geven hun instructies aan assistenten, die ieder verantwoordelijk zijn voor de gang van zaken op een deel van deze onderneming (afdeling). Elke assistent heeft voor het werk op zijn afdeling enige ploegen arbeiders (kuli) ter beschikking. Een ploeg staat onder toezicht van een opzichter (mandur of tandil), die zijn opdrachten van de hoofdmandur of hoofdtandil ontvangt of wel rechtstreeks van de assistent.

De posities van hoofdadministrateur, administrateur en assistent worden door een blanke ingenomen, die van hoofdmandur, hoofdtandil mandur, tandil en kuli door een aziaat.

Wanneer wij weten dat onder een hoofdadministrateur drie a vier administrateurs staan en onder een administrateur vijf a zes assistenten en wanneer wij weten dat een assistent de leiding heeft over drie a vierhonderd koelies, dan zien wij dat in deze samenleving de blanken ten opzichte van de Aziaten in aantal verreweg in de minderheid zijn (…).

De Deliromans geven allen vrijwel eenzelfde indruk van de arbeid, die door de planters verricht wordt. Eenzelfde indruk ten aanzien van werktijden, vermoeienissen, ten aanzien van de gehele werksfeer.

Om vijf uur ‘s morgens, voor zonsopgang, inspecteert de assistent zijn arbeidersploegen. Hij geeft zijn orders aan mandurs en tandils, die direct na dit appel met de koelies de afdeling ingaan. De assistent volgt. ‘s Morgens werkt hij tot elf uur. ‘s Middags gaat hij nogmaals de afdeling in van een tot vijf.

Er wordt geen rekening gehouden met zondagen. Twee maal in de maand – de eerste en de zestiende – is er een vrije dag, de z.g. hari besar. (…)

De assistent heeft – zonder enig voorbehoud – de opdrachten van zijn ‘baas’ uit te voeren, ook al zijn deze soms – in zijn ogen – nog zo onrechtvaardig. Gorter vertelt, hoe een assistent het bevel krijgt, zijn werkvolk op een vrije middag te laten doorwerken. Er bestaat veel kans, dat hij hierdoor groot ongenoegen met de koelies krijgt, daar wordt echter geen rekening mee gehouden. “Je zou d’r wat van beleven; de kerels zouden het natuurlijk verdommen en thuisblijven. Maar dan zou hij er wel eens kunnen uitvliegen; ze hadden assistenten nodig, die orders wisten te doen uitvoeren en een knul die zou zeggen: mijnheer, mijn koelies willen niet, nou die z’n dagen waren geteld!” Hier ligt dus de kern van de zaak: of assistent zijn en dus alle bevelen onverbiddelijk uitvoeren, of…. geen assistent zijn. In de bellettrie is geen planter te vinden, die – omdat hij bepaalde orders niet wilde uitvoeren – zijn ontslag nam. Men was in Deli gekomen om snel carrière te maken, men had vaak een zware sinkeh-tijd doorgemaakt… dan geeft men niet zo snel – in het vooruitzicht van mogelijk promoties en tantièmes – de verworven positie prijs!” xlii

De tabakscultuur

De vervaardiging van tabak is een zeer deskundige en nauwlettend proces. De heer D.J. Sanders beschrijft in zijn boekje “De tabakscultuur in Nederlands-Indië” de vervaardiging uitgebreid. “Tabak is een echt kwaliteits-artikel. Kleine verschillen in klimaat en bodem, de gevolgde werkwijze, de gebruikte soorten, alle zijn van invloed op de eigenschappen van het product. Hiervan is de invloed van het klimaat het grootst. (…) Deli levert het lichte, fijne, zemige rekbare en goed-brandende dekblad, dat om zijn grote dekkracht hoge prijzen opbrengt. Smaak en geur laten weliswaar te wensen over, maar dit is niet zo erg, want door de fijnheid van het blad heeft het weinig invloed op het aroma van de sigaar. (…)

[De] waardevolle, goedbrandende kwaliteitstabak krijgt men toch alleen van rijke, kleihoudende bodem en hiervan is in Ned. Indië genoeg aanwezig. (…) Op Sumatra liggen de beste ondernemingen op de eveneens vruchtbare daciet-gronden, die oorspronkelijk afkomstig zijn uit de Si Bajak. Wel liggen er in de drie gebieden ook nog ondernemingen op minder goede gronden, maar de minder goede tabak daarvan profiteert bij verkoop van de goede reputatie, die de tabak van het gebied als geheel geniet. (…)”

Zoals eerder beschreven, verschilde de kwaliteit van tabak uit Asahan met die uit Deli. Ondanks de minder gunstige bodem in Asahan, trachtten de tabaksplanters op Asahan met hun kundigheid en precisie te tippen aan de kwaliteit van de beroemde Deli-tabak. Om aan te geven wat een deskundig proces dit was, grijp ik terug op het boek van D.J. Sanders:

In Deli werden de gronden als landbouwconcessies van de sultans van de verschillende rijkjes gekregen. De ondernemingen zijn er groot, want men vreesde, dat met het afplanten van het oerbos-terrein de tabakscultuur zou moeten worden stopgezet en dus vroeg men grote uitgestrektheden aan om het zo lang mogelijk uit te zingen. Die vrees is gelukkig ongegrond gebleken, want ook na het verdwijnen van het oerbos kon met planten worden doorgegaan, doordat de handel het lichtere product van de humusarmere bodem evenhoog, ja nog hoger waardeerde dan de donkere tabak van de oerbosgrond. Maar wel bleek spoedig, dat men niet binnen de 8 jaar op dezelfde grond moest terugkomen, wilde men niet de kans lopen, dat het gewas aan ziekten te gronde ging. Wil men dus per jaar op een onderneming 400 velden van 1 bouw planten, dan moet ze minstens 8 x 400 = 3200 bouws, plus nog een uitgestrektheid voor emplacement, gebouwen, wegen en afwateringen groot zijn. Het is dus een geluk, dat de concessies groot waren uitgegeven.

Zo’n onderneming wordt in zoveel mogelijk rechthoekige stroken, z.g. afdeling veredeld. Men groepeert 3 of 4 ervan langs een gemeenschappelijke weg, de plantweg, die op de hoofdweg uitkomt. Langs de plantweg staan het assistentenhuis, de koeliewoningen en de droogschuren, waarin de tabak van de bij dien plantweg behorende afdelingen geborgen wordt. Al deze gebouwen zijn, in tegenstelling met die op het emplacement, niet permanent, maar worden, als de afdelingen van de plantweg zijn afgeplant, afgebroken overgebracht naar een plantweg, die dan aan de beurt is. (…) Een normaal-afdeling is ongeveer 100 velden van 1 bouw groot en in elk veld komt een veldkoelie om het af te planten.

Daar de inlandse bevolking niet geschikt is voor geregelden arbeid, moet het meeste werkvolk worden geïmporteerd. Vroeger waren de veldkoelies meestal chinezen, maar aangezien de werving van deze lieden de laatste jaren grote moeilijkheden opleverde, gebruikt men thans in hoofdzaak Javanen. Als karrevoerders en paret-(sloot) gravers dienen Javanen en Klingen, als bouwlieden en hulpkoelies gebruikt men Javanen, Bandjarezen, Batakkers, Boyanezen en Maleiers. Doordat het meeste werkvolk van buiten moet komen, zijn de kosten voor het engageren hiervan zeer hoog; hierbij komt nog, dat tot voor korte tijd veel van het geïmporteerde welkvolk in contract arbeidde, hetgeen voor de werkgever kostbare verplichtingen meebracht. En ofschoon die contractarbeider sedert enige jaren in vrije arbeid is gewijzigd, zijn de verplichtingen gebleven. Het gevolg van een en ander is, dat de kostprijs van Deli-tabak zeer hoog is. (…)

In elk centrum staat een door de planters zelf bekostigd proefstation, nl. te Medan, Klaten en Djember, waar naast theoretische vraagstukken ook die welke de praktijk voorlegt onderzocht worden. Er is in deze nuttige instellingen in zake bodemonderzoek, bemesting, ziektebestrijding, selectie, oogsten enz. dan ook veel gevonden, dat op de werkwijze van invloed was. (…)


Tabak verdraagt geen stilstaand water. Daarom moeten de afdelingen zo vroeg mogelijk worden drooggelegd en het overtollige regenwater steeds zo snel mogelijk worden afgevoerd. Het gehele terrein wordt daarom doorsneden met een stel kleine en grote goten, die zoveel mogelijk rechthoekig op elkaar staan. (…)

In Indië groeit de tabak snel; ze staat dus slechts korte tijd te velde en in deze periode moeten de regens vallen. Blijven ze uit, dan wordt het een misoogst. (…) Gedurende de groei wordt de tabak bedreigd door plagen en ziekten. Rupsen, sprinkhanen, wantsen, kevers e.a. Insecten komen op het gewas af en moeten worden weggevangen. Een groot aantal vrouwen en kinderen helpen de veldkoelies in de strijd tegen dit ongedierte. Wordt er niet ijverig gezocht, dan ontstaat veel stukblad, hetgeen vooral voor dekblad een groot nadeel betekent. Daarom bespuit men de aanplant te velde ook dikwijls nog met insecticiden. (…)

De tabak te velde wordt intussen groter en gaat bloem vormen. Voordat de bloemknop opengaat, breekt men hem in Deli uit. Men noemt dit toppen. De bedoeling ervan is de sappen, die de stengel aanvoert, ten goede van de bladeren te doen komen. (…) Daar dit voor het dekblad minder gewenst is, topt men zeer hoog (…) In de Vorstenlanden topt men meestal in het geheel niet. De planten bereiken dikwijls een aanzienlijke hoogte; de planters spreken dan ook van tabaksbomen.

Niet alle bomen worden getopt, want men moet ervan aanhouden voor de zaadwinning. De aanplanten in Indië bestonden vroeger uit een mengsel van typen, die niet zaadvast waren. Men koos hieruit de beste exemplaren en won er zaad van. Het gevolg was, dat men door een aanplant van heterogene planten behield. Door selectie en kruising is men er in geslaagd, uitgaande van enkele mooie planten, hieruit onder-variëteiten te kweken, die vrijwel zaadvast zijn. Zo heeft men in Deli en in de Vorstenlanden een aantal z.g. zuivere lijnen verkregen, die uitblinken in bladeren-aantal, bladvorm, fijnheid van blad en nervatuur, goede brand, goede eindkleur van het blad enz. (…)

De tabak is intussen rijp geworden en moet geoogst worden. Dit is in Indië niet altijd op dezelfde wijze gebeurd. (…) [Thans] plukt [men] elk blad op het juiste moment van rijpheid. Om dit goed te beoordelen moet men ervaring hebben. Onrijp blad is waardeloos; het schimmelt in de droogschuren, wordt zwart-vaal van kleur, brandt slecht en stinkt bij het branden. Maar ook rijp blad kan nog in verschillende fasen geplukt worden. Hoe eerder het gebeurt, hoe meer de kleur naar het vale, maar ook naar het donkere neigt. Geschiedt het later, dan wordt de kleur meer bruin en helder, terwijl overrijp blad geel-bruin opdroogt en zijn elasticiteit en egale kleur totaal verliest. Bovendien is gebleken, dat ook valer kleuren verkregen worden, als het blad ‘s morgens heel vroeg geplukt wordt. Nu is de kleur van het dekblad in de loop der jaren aan mode onderhevig geweest: eerst donkerbruin, toen helderbruin en tegenwoordig vaal. En daarom plukken de planters hun bladeren thans op het moment, dat ze juist-rijp zijn en beginnen er ‘s morgens zo vroeg mogelijk mee. (…)

De geplukte bladeren worden in draagbakken (pikolans) of manden naar de droogschuren gebracht, waar vrouwen of ander werkvolk wachten om het blad, in Deli aan touwen, op Java aan kleine bamboe-stokjes (soedjens) te rijgen. Bij dit werk moet er op gelet worden, dat de bladeren telkens om en om gekeerd worden, om te voorkomen, dat ze elkaar tijdens het drogen, waarbij het blad enigszins omkrult, omvatten, waardoor het uitgewassen vocht niet kan verdampen en de bladeren bederven. De touwen en soudjens worden bevestigd aan bamboe- of andere stokken, die tot boven in de schuren op rekken worden neergelegd.

Vanaf dit ogenblik houdt de cultuur van de tabak op en begint de bereiding. Gedurende het drogingsproces, dat als een voorloper van het fermenteringsproces kan beschouwd worden, hebben er in het blad, vooral als het nog groen is, tal van omzettingen plaats, die op de hoedanigheid van de tabak van invloed zijn. In Deli houdt men de kleppen, waarmee de luchttoevoer in de schuren geregeld kan worden, gedurende dien tijd dan ook gesloten; eerst als de groene kleur verdwenen is worden ze overdag opengezet. Is het weer regenachtig, dan blijven ze ook overdag dicht en legt men in de schuren onder de half-droge tabak hout- of houtkool-vuren aan, om te voorkomen, dat de tabak verrot of verschimmelt. (….)

Na 18 tot 25 dagen is het blad, en ook de hoofdnerf, droog en kan de tabak gebundeld worden. Het is van het grootste belang, dat de tabak noch te droog noch te vochtig op stapel komt en daarmee moet men er voor zorgen, dat de tabak tijdens het bundelen de juiste vochtigheidsgraad heeft en dien ook tijdens het transport behoudt. De bundels worden dan ook direct na het bundelen in manden of kisten gestapeld en goed ingepakt naar de fermenteerschuur gezonden. (…)

Nadat de tabak daar enige weken onder lage temperaturen gefermenteerd heeft, waardoor ze reeds merkbaar in kwaliteit is vooruitgegaan, wordt ze weer naar de droogschuren teruggebracht. De bladeren worden van de soedjens afgerist zo goed mogelijk op kleur en kwaliteit gesorteerd en tot bossen verenigd. Elke bos bestaat dan uit zoveel mogelijk gelijke bladeren, die meestal ook na de eindfermentatie nog blijken bij elkaar te horen, zodat hij bij het latere bundelsorteren onder een bepaald sortiment gebracht kan worden. Tenslotte worden de bossen naar de fermenteerschuur gezonden om verder uitgefermenteerd te worden. (…)

Zoals de tabak uit de droogschuren komt is ze nog niet bruikbaar. De gewenste eigenschappen moeten eerst


waarschijnlijk de fermenteerschuur op Kisaran (coll. JGA)

nog ontwikkeld worden en hiertoe dient het fermenteren. Het fermentatieproces is in hoofdzaak een oxydatieproces, waarbij in het blad verschillende omzettingen plaats hebben, waardoor het in eigenschappen verandert. (…)

Als de tabak uit de droogschuren in de fermenteerschuur aankomt wordt nagegaan of de bundels het juiste vochtgehalte hebben en of ze behoren tot de soort, waarvoor ze zijn ingezonden. De verschillende soorten , die in de droogschuren apart gehouden worden nl. in de fermenteerschuur ook afzonderlijk gefermenteerd en men is er steeds op bedacht om verdwaalde bundels op de juiste plaats te brengen. (…)

Hoe meer de tabak uitfermenteert, hoe droger ze wordt en hoe minder gevaar er voor kneuzen en donker-worden bestaat. (…) Het fermenteren van tabak eist grote ervaring. Het hangt van de aard van de tabak, van de omstandigheden waaronder ze gegroeid en de wijze waarop ze behandeld is af, hoe men ze moet aanpakken.

Indien de tabak goed uitgefermenteerd is, verandert ze niet meer van kleur en eigenschappen en kan men ze gaan sorteren. (…) In Deli wordt de tabak gesorteerd in drie hoofdgroepen, nl. goedblad, bont- en stukblad. Deze categorieen worden weer onderverdeeld in bruin en vaal en licht en donker, waardoor men een sortering van ongeveer 20 merken krijgt. (…)

De sorteerders moeten de bladeren, om ze goed te kunnen beoordelen geheel openvouwen en omdat het droge blad uit de stapels hierbij stuk zou gaan, wordt de lucht in de sorteerloods door bestuivingsapparaten op een zekere vochtigheidsgraad gebracht, die op hygrometers gecontroleerd wordt. De bladeren uit de vakjes worden door een koelie, die tegenover de sorteerder zit op lengte gelegd en daarna gebundeld. Elke bundel bestaat dan uit bladeren van één kleur en één lengte. De bundels worden nu naar de opvangkamer gebracht en op sortering en gelijkheid van lengte nagezien; de goedgekeurde bundels worden naar de baleh-baleh gebracht en daar voorlopig, elk merk afzonderlijk, op kleine stapeltjes gelegd. Omdat de tabak onder het sorteren weer vocht aangetrokken heeft, wil ze wel weer oplopen en hiervan maken de planters gebruik om de tabak nog beter uit te fermenteren. De tabak wordt van de kleine stapeltjes daarom weer, merk voor merk, door het inleggen van touwtjes gescheiden, in grotere stapels samengebracht, om na-gefermenteerd te worden. Nadat ze nog twee keer warmte gehad heeft, waarbij men de temperatuur, om te voorkomen, dat de tabak weer te droog wordt, niet te hoog laat oplopen, begint men met het zg. bundelsorteren. (…) Daarna worden de bundels gemeten en in 4 lengten gesplitst. (…)

De tabak moet nu worden afgepakt. Hiertoe dient een pers met bijbehorende perskisten. (…) Op elk pak [in Deli en de Vorstenlanden 80kg en in Besoeki 100kg] komt de naam of het merk van de onderneming, het nummer van de partij en het merk van de soort tabak te staan. Als de partij gereed is, worden de pakken zo spoedig mogelijk verzonden en te Amsterdam of Rotterdam bij inschrijving verkocht.

Het is een grote voldoening voor de planters, als er mooie prijzen behaald worden en dit is, gezien de vele zorg en moeite, die het kost om een oogst goed en wel aan de markt te krijgen, dan ook wel verdiend. Het is in de tabakscultuur hard werken, maar de moeilijkheden van het plantersvak steken toch gunstig af bij die van menigen anderen werkkring. Door de veld- en schuurtijd is er afwisseling in het werk en er heerst onder de veelal nog jongere planters een opgewekte stemming. De meesten, in het moederland teruggekeerd, denken dan ook met erkentelijkheid terug aan de tijd waarin ze werkten in een cultuur, die hun bestaanszekerheid en gelegenheid om vooruit te komen gaf.”xliii

De vermoeienissen die het werk opleveren zijn tot op zekere hoogte afhankelijk van het stadium waarin de afdeling verkeert (ontginning, aanplanting, pluk of tap etc.). De taak van de assistent is in al deze gevallen: controle op het werk. Szekely vertelt over de arbeid in een rubberontginning: “De Europese assistent controleert de werkprestaties, loopt van de ene ploeg naar de andere, klautert van de ene gevelde boomstam naar de andere, en sleept zich ‘s avonds doodmoe naar huis.” (…)

Gorter over “die stoere Hollandsche jongens” zij “lopen heel den dag door de velden, het werk verdelend, controlerend en op hen rust de verantwoordelijkheid….”xliv

Carrière Jan Gijsbert Aalders binnen de N.A.T.M.

In april 1894 startte JGA zijn werkzaamheden als assistent op de onderneming Kisaran, de oudste tabaksplantage in Asahan. In 1885 verkreeg Herrings van de sultan van Asahan zijn eerste landconcessie, waarna in 1886 de eerste aanplant geschiedde. Daarmee was de onderneming nog geen 10 jaar oud. In de eerste 7 jaar (1885-1892) kwamen er 16 plantages bij, waarvan een flink aantal toebehoorde aan de firma H. Herrings & Co. Zoals bekend werden deze plantages in 1891 ondergebracht onder de firma Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij die onder directie stond van Fredrik L.S. van Heekeren in Amsterdam.



Onderneming Kisaran in Asahan

De directe leidinggevende van JGA was het eerste jaar op Kisaran de heer Sonnenberg. Sonneberg draaide een proefjaar als administrateur. In 1896 werd het functioneren van Sonnenberg bestempeld als “nauwgezet en ijverig, maar niet energiek genoeg”. Kort daarna vertrekt hij van zijn post te Kisaran en wordt vervangen door de 38-jarige P. van der Steenstraten uit Breda. Deze Van der Steenstraten was “als ervaren planter een aanwinst voor onze maatschappij”xlv; althans dit was de opinie in 1898. Een jaar later werd hij omschreven als ervaren planter; karakter laat te wensen over.”xlvi Hij had trouwens een interessante connectie: zijn broer was de resident van Sumatra’s Oostkust. Over deze broers Van der Steenstraten kom ik later nog te spreken.

JGA werd in 1895 bestempeld als “de beste onder de nieuwelingen”. Ook de navolgende jaren bleek hij een zeer geschikte assistent; in 1896: (samen met P.W. van Doorn) “beiden geschikte assistenten en degelijke jongelieden”, in 1897: “uitstekend assistent die zeker toekomst hebben zal”, in 1899: “uitstekend assistent, de aangewezen man om manager te worden” (zijn salaris was inmiddels opgeklommen tot f 200,- per maand).

JGA bleef tot 1899 de tabaksonderneming Kisaran trouw. Zijn bevriende collega P.W. van Doorn werd rond 1897/1898 overgeplaatst naar een andere onderneming van N.A.T.M., namelijk Hessa. Hoewel ook Van Doorn in zijn beginjaren naar behoren functioneren (in 1895 “schijnt een goed assistent te zullen worden”), kwamen er later wat meer bezwaren t.o.v. Van Doorn naar voren; in 1898 “een middelmatig assistent die ook moreel niet hoog staat” maar in 1899 “heeft dit jaar meer zijn best gedaan”.

In 1900 telde de N.A.T.M. vier ondernemingen: Kisaran, Hessa, Tanah Radja en Soengei Sikassim. Door het aftreden van de heer Kamerlingh Onnes als administrateur van Soengei Sikassim, kwam diens post vrij. Kamerlingh Onnes werd opgevolgd door de heer Mecke, de administrateur van Hessa. Voor deze post op Hessa kwam de meest veelbelovende assistent in aanmerking: de 27-jarige JGA werd administrateur van Hessa.xlvii Dit betekende gelijk een verdubbeling van zijn inkomen, van f 200,- naar f 400,- per maand.

Kort daarop, in april 1900, werd de N.V. Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij geliquideerd. Na vele achtereenvolgende jaren van flinke verliezen werd besloten die vennootschap te liquideren. Desalniettemin vond een doorstart plaats: alle ondernemingen – met personeel – werden ondergebracht in de nieuwe N.V. Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij, met nog steeds de heer Van Heekeren in Amsterdam aan het hoofd als directeur.

De liquidatie van de Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij stond zeker niet op zichzelf; de tabaksondernemingen in Asahan waren in de jaren ’90 van de negentiende eeuw in zwaar weer gekomen. Op enkele goede jaren, bleven de prijzen voor Asahan-tabak op de Amsterdamse beurs achter. In de periode 1892-1901 sloot maar liefst 65% van de tabaksondernemingen in Asahan! In 1892 telde Asahan nog 17 ondernemingen, in 1901 waren daar nog maar 6 van over. Relatief gezien, daalde de productie aanzienlijk minder (nl. met slechts 20%) wat zal moeten hebben betekend dat de ‘overlevende’ ondernemingen omvangrijker waren geworden en/of efficiënter gingen werken. Gezien het toegenomen aantal assistenten per onderneming van de N.A.T.M. lijkt sowieso sprake van het eerste.xlviii Deze tendens was overigens eigen voor Asahan; Asahan was de enige regio van Sumatra’s Oostkust die zowel in het aantal ondernemingen als in productie in deze periode kromp. Na 1901 lijken de tabakszaken in Asahan weer toe te nemen;

Ook moeten wij er de aandacht op vestigen, dat de Asahan tabakken meer en meer door de Europese en Amerikaanse kopers gewaardeerd worden, als gevolg van verbeterde wijze van bereiding der tabak en meerdere kennis van die gronden op Asahan, welke voor de cultuur van tabak in aanmerking kunnen komen, hetgeen duidelijk blijkt uit het feit, dat de laatste Asahan oogst circa 110 cts opbracht tegen Deli en Langkat respectievelijk 91,5 en 82,5 cts.” aldus De Sumatra Post in april 1901.xlix

1891

1901

1902

Deli

Aantal ondernemingen

59

57

56

Productie (in 1000 kg.)

6904

9868

10855

Langkat

Aantal ondernemingen

32

33

34

Productie (in 1000 kg.)

3111

5824

5315

Serdang

Aantal ondernemingen

20

26

29

Productie (in 1000 kg.)

1510

2997

3619

Batoe Bahroe

Aantal ondernemingen

7

6

4

Productie (in 1000 kg.)

293

624

521

Asahan

Aantal ondernemingen

17

6

10

Productie (in 1000 kg.)

1102

875

937

Totaal Sumatra’s Oostkust

Aantal ondernemingen

135

128

133

Productie (in 1000 kg.)

12921

20190

21250

Bron: Dr. H. Blink, “Nederlandsch Oost- en West-Indië”l

De inkrimping van de tabakscultivering op Asahan tot 1901 had tot gevolg dat de promotiekansen voor de assistenten kleiner werden. Wanneer er juist ondernemingen sluiten in plaats van bijkomen, zijn er logischerwijs minder administrateursposten te verdelen. Desalniettemin kreeg JGA het voor elkaar in 1900 te worden bevorderd tot administrateur. Hij had zich in 5 jaar tijd bewezen. Voor deze administrateurspositie had hij wel zijn vertrouwde plantage Kisaran moeten verwisselen voor het kleinere Hessa-Estate.

Deze overplaatsing bleek slechts van zeer korte duur… Toen in augustus 1900 de voornoemde heer P. van der Steenstraten aftrad als administrateur van Kisaran, werd JGA weer naar voren geschoven. JGA werd diens opvolger; hij werd administrateur van de oudste en grootste tabaksplantage van Asahan. Hessa, waarvan JGA een half jaartje administrateur was, werd daarna gesloten. De N.A.T.M. telde voortaan nog maar drie ondernemingen. Het functioneren van JGA als administrateur werd als volgt gewaardeerd: in 1900 “belooft een puike manager te zullen worden”, in 1901 “voortreffelijk administrateur”. Personeelslijsten van de N.A.T.M. van latere datum ben ik helaas niet tegen gekomen.

1 maart 1900 schreef zijn vader Ds. Willem J.G. Aalders uit Amsterdam aan zijn zoon in Asahan:

Geliefde zoon!

Nog onder de indruk van het gesprek met de Weledele Welgeb. Heer van Heekeren, waardoor ik ook nu het juiste adres van u weet, haast ik mij u een enkel word te doen toekomen. [Zijn Weledelheid] bracht mij ene visite en gaf een indruk van de algemene tevredenheid over uw persoon en werk en verheugde zich in uw promotie. In een woord, hij sprak waarderend en hartelijk, ook bemoedigend. (…) Ik begrijp wel dat je nu nog voorspoedig niet zal overkomen, een geheel nieuwe werkkring en omgeving [in Hessa], doch geduld meer hè? (…)

Nu mijn geliefde Jan, de Heer zij met u. Zeer mis ik die lieve Emma, doch (…) ik heb mijn kinderen nog.

Met hartelijke handdruk en groet,

Uw u liefhebbende vader,

W.J.G. Aalders”li

Het jaar 1900 stond in het teken van twee overlijdens; in januari 1900 overleed zijn stiefmoeder Emma Aalders-Das op 45-jarige leeftijd en in juni 1900 overleed zijn vader dominee Willem J.G. Aalders op 63-jarige leeftijd. Dit zal voor JGA een flinke klap zijn geweest; temeer wanneer men bedenkt dat hij in 1899 recht had op een buitenlands verlof. Hij zal deze kans hebben laten schieten, doordat hij reeds vermoedde binnenkort in aanmerking te komen voor een administrateurspost. Zijn collega Van Doorn had in 1899/1900 wel gebruik gemaakt van zijn buitenlands verlof, maar deze kwam dan ook niet in aanmerking voor een administrateurspost. Opvallend is overigens dat JGA reeds voor 1900 zijn broer Wim Aalders, inmiddels predikant te Beesd, als noodadres had opgegeven. Zijn broer Wim Aalders hield JGA op de hoogte van de verslechterde gezondheid van hun vader; “(…) Ik beloof je niet te schrijven hoe wij jou tegenwoordigheid deze dagen missen. Nooit val t de afstand harder dan in zodanige omstandigheid. (…)”lii JGA heeft zijn vader, stiefmoeder en jongste zusje Catharina sinds zijn vertrek in 1894 niet meer mogen zien…

Op 28-jarige leeftijd stuurde hij op Kisaran 7 assistenten aan en daarmee tevens vele honderden koelies. Dat is natuurlijk een enorme verantwoordelijkheid, die haast onbedenkelijk is voor een man van die leeftijd en slechts 5 jaren planterservaring. Daarentegen was hij was van dit team zelfs de oudste! Zijn assistenten waren tussen de 21 en 28 jaar oud, waarvan 5 korter dan 3 jaar in dienst waren. Een ‘junior’, maar blijkens de personeelslijsten, wel een zeer gewaardeerd team. Hij blijkt tevens goede – en zelfs ‘uitstekende’ – assistenten onder zich te hebben gehad.

Op Kisaran woonde naast JGA en zijn team ook de hoofdadministrateur D.J. Stronck (die JGA beoordeelde), de 26-jarige boekhouder J.A. Oudheusden en “de ervaren medicus” Dr. B. Trouw. Deze heren vielen onder de hoofdadministratie en kregen meer betaald dan de administrateurs. De boekhouder verdiende f 500,- per maand en de geneesheer f 1000,- per maand. De 36-jarige Dr. B. Trouw was trouwens de opvolger van Dr. Jan D.W. Rost van Tonningen (1865-1941), een volle oom van de beruchte NSB-voorman Meinoud Rost van Tonningen.

Onderzoek naar Jan Gijsbert Aalders 1902

Blijkens een krantenartikel uit april 1902 raakte JGA verwikkeld in een onderzoek aangaande de behandeling van koelies. Aanleiding gaf een uitlating van een ontslagen assistent van Kisaran;

Een eigenaardig licht op sommige Oostkustse toestanden werpt het volgende.

De vroegere administrateur van Kisaran, de heer P. van den Steenstraten, een broeder van onze Resident, werd ontslagen door de hoofdadministrateur van de Nieuwe Asahan Tabaksmaatschappij, den heer Stronck. In zijn plaats werd de heer Aalders tot manager aangesteld.

De ontslagene, Piet C., zoals zijne vrienden hem noemen, opende toen de onderneming Tanah Radjah en ging, wanneer hij op zijn doorreis voorbij zijn vroegere estate kwam, wel eens met vrouw en kind bij zijn opvolger rijsttafelen. Doch, op een goede morgen werd dit rijsttafelen aan Aalders verboden en gaf deze aan zijn voorganger belet, tot diens vrij grote en niet geheel ongerechtvaardigde verstoordheid.

Tot dusver is dat een heel gewoon soort van Indisch ruzietje en intrigetje. Maar nu komt het.

Door uitlatingen van een ontslagen employé, de heer D., werd de aandacht van onze Resident gevestigd op de omstandigheid dat de heer Aalders wel eens koelies zou slaan en die liet opsluiten. De Resident gelastte aan den Controleur te Tandjong Balei om die beschuldigingen te onderzoeken en deze ambtenaar voldeed aan die opdracht op consciëntieuze wijze.

Maar naar ik hoor kwam hij bij dat onderzoek tot de bevinding dat niet alleen de heer Aalders, maar ook diens voorganger, de broeder van den Resident, zich aan zulke feiten zou hebben schuldig gemaakt. Wat daarvan aan is moet uitgemaakt worden en ik zal op het oordeel der bevoegde autoriteit niet vooruitlopen. Ik beschuldig niet, ik deel slechts mede wat mij ter oren kwam.

Een feit is het evenwel dat de Resident niet tevreden scheen met de uitbreiding door Controleur Schaank aan het onderzoek gegeven, en als zijn oordeel uitsprak: ‘dat deze ambtenaar zich strikt aan zijn instructie: om over den Heer Aalders gegevens in te winnen, had moeten houden.”

En al ware dit niet zo, het vermoeden dat het wel zoo is wordt versterkt doordat die Controleur enige tijd daarna naar Laboean Batoe werd overgeplaatst.

Het is natuurlijk niet het geval, geen mens zal het denken, maar de schijn bestaat dat familie-invloeden bij die overplaatsing aan het werk zijn geweest. En voor dien schijn had de Resident Van der Steenstraten zich m.i. moeten wachten.

De Heer Schaank heeft zich, te Medan aangekomen, ziek gemeld en is vandaar met binnenlands verlof naar Batavia vertrokken, waar hij, naar men wil, de Gouverneur-Generaal om een gehoor zal verzoeken.

Dat muisje heeft dus wellicht nog een staartje.

Gijs Kebonnicus”liii

JGA wordt verdacht van het slaan en opsluiten van koelies en controleur Schaank stelt dit na een onderzoek inderdaad vast. Wat mij wel intrigeert is het gegeven dat een ontslagen werknemer zulke uitlatingen doet; het heeft de schijn dat hij zijn voormalige baas een hak wilde zetten. Dit laatste lijkt te zijn bevestigd door het feit dat de behandeling van koelies door Aalders niet verschilde van diens opvolger Van der Steenstraten. Een rechterlijke uitspraak zal achterwege zijn gebleven. Een kanttekening van de hoofdadministratie der N.A.T.M. op de personeelslijst van 1898 geeft wel enig inzicht in hoe zij dachten over de behandeling van koelies: “door zeer ondoordacht optreden met de justitie in aanraking gekomen”. Het optreden van planters jegens koelies lijkt een dunne scheidslijn te kennen; men moest zeker niet te licht optreden, maar de hoofdadministratie was ook niet gediend van te ruw en onverschillig optreden. “een beetje ruw”, “jegens koelies vlug driftig”, “staat moraal niet hoog” zijn kanttekeningen die te lezen zijn bij verschillende assistenten, maar niks dergelijks heeft ooit gestaan bij JGA. Daarentegen was “zwak jegens koelies” ook niet de bedoeling.

De Koelie-ordonnantie en de Poenale Sanctie

De gedragsregels van planters jegens hun contractarbeiders / koelies lagen anders dan die van een fabrikant jegens diens fabrieksarbeiders. Bij het slaan of opsluiten van fabrieksarbeiders door een fabrikant zou gelijk worden overgaan tot vervolging van de fabrikant. Dergelijke taferelen pasten dan ook totaal niet in de 19e en 20e eeuwse Nederlandse samenleving. Toen Nederlanders in Holland van dit soort taferelen op Sumatra hoorden, was de wereld dan ook veel te klein. Waardoor gedoogde men in Indië het eigenhandig optreden van de planters? Ofwel, op welke manieren verschilde de relatie met arbeiders tussen fabrikant en planter?

Zoals wij eerder lazen was het Jacob Nienhuys, de tabakspionier van Deli, die voor het eerst geschikte Chinese en Javaanse arbeiders aantrok. De bevolking op Sumatra bleek ongeschikt voor dit werk. Prof. J.H. Boeke verklaart deze ongeneigdheid om te werken op de cultures uit het feit “dat alleen zij die geld nodig hebben in het uiterste geval op de Westerse cultures gaan werken. De Bataks kunnen echter met voedsellandbouw hun behoeften dekken, terwijl zij in die tijd nog nauwelijks met geldhuishouding in contact waren gekomen.”liv Clerx vervolgt: “De steeds sterker wordende invloed van de geldhuishouding op de Javaanse desa-gemeenschap is oorzaak, dat daar wel – een steeds groter wordend – geld- en grondgebrek ontstaat. Zo rekruteren de Deli-cultuur-maatschappijen overwegend uit Java, aangezien daar minder kosten aan verbonden zijn in verband met werving en vervoer.

Als de koelie wegloopt van de onderneming, waar hij in diens staat, is dit een financieel verlies voor de werkgever, deze heeft immers aanzienlijke kosten besteed aan de werving en het vervoer van de koelie naar de onderneming, ook gaf hij hem voorschot op zijn loon. (…) Zo ontstaat in 1880 de Poenale Sanctie, inhoudende – en ik gebruik hier de formulering van Prof Boeke – het strafbaar stellen van bepaalde inbreuken op een arbeidsovereenkomst, speciaal van die, welke van de zijde der arbeiders komen. Nu is het weglopen van de onderneming strafbaar gesteld. De Poenale Sanctie heeft na protesten van de Tweede Kamer niet algemene geldingskracht gekregen, zij is alleen van toepassing op de Buitengewesten, waar deze sanctie – dit tussen haakjes – het meest noodzakelijk is omdat de arbeidskrachten voor de onderneming daar zo veel duurder zijn.”

De Poenale Sanctie in de Buitengewesten ‘was noodzakelijk’ doordat hier een afdoende politiemacht en bestuurlijke macht ontbrak. Daarnaast was de verhouding tussen blanken en hun Aziatische contractarbeiders zo scheef, dat zij zichzelf ‘moesten’ kunnen beschermen tegen opstootjes en ‘ongeoorloofd’ gedrag van hun minderen. Op een afgelegen plantage in de Buitengewesten werkten ongeveer 8 blanken met vele honderden koelies. Op deze afgezonderde plekken was geen politiemacht en de dichtstbijzijnde rechtbank was al snel uren reizen per boot.

In 1880 werd de Poenale Sanctie vastgelegd in de zogeheten Koelie-ordonnantie. Deze ordonnantie gaf de ondernemers in de Buitengewesten het recht om op te treden als politie en rechter bij luiheid, belediging of het weglopen van de plantage. Een zeer vreemd besluit wat eigenlijk niet paste in het tijdsbeeld; dit verklaard de weerstand hierop uit de politiek. Daarentegen was – door het ontbreken van een politiemacht en rechterlijke macht – het cultiveren van de Buitengewesten niet mogelijk geweest zonder de Poenale Sanctie.

In 1902, het jaar dat JGA werd beticht van het slaan en opsluiten van koelies, bracht een advocaat te Medan – mr. J. van den Brand – een brochure uit genaamd “De Miljoenen van Deli”. In dit pamflet stelde hij verscheidene wantoestanden aan kaak. Daarin werd uitgelegd dat de torenhoge dividenden van de comfortabel in het moederland verblijvende aandeelhouders van de tabaksplantages werden betaald in mensenlevens. Dit leidde tot een felle discussie in Nederland en in de koloniën. Met name de vergelijking van koelies met slaven lag heel gevoelig. Een vergelijking met ‘slaven’ was in die periode overigens heel populair; de socialistische strijd werd al enkele decennia in alle hevigheid gevoerd op het continent.

Van JGA heb ik geen documenten gevonden die zijn visie geeft op deze discussie. Wel ben ik een betoog tegengekomen van Dr. Trouw; de geneesheer op Kisaran en daarmee een naaste collega van JGA. Zijn visie zal waarschijnlijk representatief zijn voor de planters aan de Oostkust van Sumatra. Hieronder een groot deel van zijn betoog, die veel informatie verschaft over de aantijgingen, maar tevens over het reilen en zeilen op een onderneming als Kisaran.



Van Kol, kamerlid voor de SDAP tot oud-minister van Koloniën en ex-planter Cremer13: “Wat zegt U daar nu van?” Cremer: “Ja, wij Delimannen… zwijgen liefst daarover”

spotprent uit De Groene Amsterdammer 23 november 190214 (tekening Johan Braakensiek)lv

(…) Het recht om te zeggen, dat de brochure van Mr. Van den Brand een leugenachtig schotschrift is, ontleen ik [Dr. B. Trouw] aan de indruk, die zij in Holland omtrent Deli heeft doen ontstaan, ik voeg erbij een verkeerden indruk. Daarvan getuigt b.v. de in uw blad verschenen plaat van Braakensiek, welke plaat, hetzij men haar letterlijk of symbolisch opvat, in wezenlijke zin de planters een smet aanwrijft die ze niet verdienen, hen dus belastert.

Er bestaat hier geen slavernij, evenmin als in Holland. Het idee de arbeiders alhier ‘slaven’ te noemen is nog minder gemotiveerd, dan wanneer men hen, die in Nederland in handenarbeid hun bestaan zoeken, met den naam van loonslaven bestempelt, immers: hier lijdt geen arbeider armoede, terwijl in Nederland menig arbeider of arbeidster een loon ontvangt, dat hem of haar niettegenstaande aanhoudende inspanning (naaisters) voor armoede niet vrijwaart. (…)

Van ‘slavernij’ is hier zelfs bij benadering geen sprake. ‘En de fameuze advertenties dan?’ Inderdaad wordt in sommige advertenties de kiesheid uit het oog verloren, maar op anderen is noch naar den vorm noch naar den inhoud iets aan te merken. Iemand geeft te kennen, dat hij in staat is werkzoekers op Java in contact te brengen met werkgevers op Sumatra. Dit, en niets anders is de betekenis dezer advertenties. ‘Of de kandidaat-contractanten op Java dan nooit bedrogen worden?’ Ik weet het uit eigen aanschouwing niet, maar men zegt algemeen dat het zo is. Dit is echter zeker: dat het gouvernement doet wat het kan om de rechten der arbeiders te handhaven, misbruiken te voorkomen en c.q. te straffen. De lieden gaan naar geen andere onderneming, dan waarvoor ze zich op Java voorlopig verbonden hebben. Hun contracten zijn niet definitief, dan nadat zij door den plaatselijke ambtenaar alhier zijn geregistreerd. Van kopen of verkopen van mensen is natuurlijk geen sprake. Toen in Nederland het systeem der plaatsvervanging bij de militie nog in zwang was, sprak men algemeen van: ‘een remplacement kopen’.15 De remplaçant was intussen nog geen slaaf, hoewel hij zich voor geld vrijwillig verbond tot een opoffering van vrijheid, onvergelijkelijk veel groter dan zich hier de koelie getroost. Overigens laat ik de bewering, dat de contractanten zeggen ‘zich te verkopen’ geheel voor rekening van den heer v.d. Brand.

(…)

Men mag niet allen en alles over een kam scheren, en ieder onbevooroordeeld toeschouwer zal inzien en toegeven, dat van bestuurswegen onrechtmatige handelingen jegens de koelies niet worden geduld. Onrechtmatige vrijheidsberoving is niet aan de orde van den dag, en dat doodslag veelvuldig zou plaats hebben, is een grove onwaarheid. Dat er soms nog gevallen van vrijheidsberoving voorkomen is juist, maar dit is een gevolg van de vroegere toestand, toen de ondernemers mede met het politie-toezicht waren belast, gelijk ze nu nog allen sub-ontvangers zijn. Deze toestand is bij eenvoudige circulaire van den vorige Resident veranderd, maar het feit, dat men niet meer zoals vroeger gerechtigd is boosdoeners, dieven en dergelijk gespuis vast te houden en aan de justitie over te leveren, is nog niet tot allen doorgedrongen en stelt de administrateur, die in zijn onnadenkendheid handelt als vroeger in dergelijke gevallen, aan zeer strenge straffen bloot. Hoe dit zij, ik durf getuigen dat op de ondernemingen die ik ken, ‘vrijheidsberoving niet voorkomt; en dat geen enkel geval van doodslag mij onder de ogen is gekomen’. (…)

Over het vernieuwen der werkcontracten (sjoekoelien) vertelt de heer v.d.B. dingen, die kant noch wal raken. ‘Geen koelie, die reeds eenmaal de zegeningen der koelie-ordonnantie heeft ondergaan, is bereid voor de tweede maal zijne vrijheid te offeren, zoo hij nog enige kans ziet op andere wijze aan den kost te komen’. Volgens den redacteur van ‘de Standaard’ staat het vast, dat geen koelie dit ooit uit vrijen wil zal doen. Waar haalt de Standaard-redacteur deze onwaarheid vandaan? Zelden maakt een Javaan gebruik van het hem toekomende recht om na afloop van zijn eerste, driejarig, contract naar Java teruggebracht te worden, niettegenstaande hij zijn recht daarop zeer goed kent. Soms verhuist hij van de ene onderneming naar de andere, dat is al. Hij weet wel, dat hij het hier beter heeft dan op Java; immers het zijn juist de treurige economische toestanden op Java die hem hier brachten. Van dwang of slechte praktijken om de Javaan tot blijven te overreden, heb ik nooit vernomen. Hoe staat het in dat opzicht met den Chinese arbeiders? Inderdaad vindt men op iedere onderneming in de schuurtijd gedurende enige dagen een Chinese toneelvertoning, en wordt er in dien tijd officieel – d.w.z. met toestemming en in onderkoop van den gouvernementspachter – gespeeld. Dit gaat echter absoluut niet van de onderneming uit, en niemand wordt verplicht of gedwongen zijn geld te wagen, ja nog sterker, al leent hij schatten van den hoofdopzichter (tandil), daarmee is hij nog niet verplicht zijn contract te vernieuwen. Hij kan of naar een andere onderneming gaan of in het geheel niet bijtekenen: kortom, wettelijk is de man door zijn speelschulden tot niets verplicht. Het schijnt echter met de Chinese moraal samen te hangen zich door dergelijke schulden min of meer gebonden te achten, meer dan dit wel met andere lieden het geval schijnt te zijn. Hoe dit zij, de Chinezen verlangen te spelen; in hunne zeden is het niet immoreel en zij zouden, indien het niet op geregelde wijze kon plaats hebben, toch elders zich ene gelegenheid zoeken. Het is er mee, als met de wettelijke regeling van het opiumgebruik. Ik acht het dringend wenselijk, dat beide worden afgeschaft, uit een ideaal moreel standpunt namelijk, maar in de praktijk zal die afschaffing vooreerst nog wel onmogelijk blijven.

Wat de toelating van vrouwen aangaat, een fatsoenlijk planter doet zoo iets niet. Ik heb er in deze omgeving nooit van gehoord, en verklaar pertinent, dat het hier althans niet zo is. Indien de heer v.d.B. op dit moment nog ondernemingen kent, waar in den schuurtijd beroeps-prostituees worden aangevoerd – wel nu, laat hij ze met name noemen, de publieke opinie zal er spoedig genoeg een eind aan maken. (…)

Ik blijf bij mijne mening dat de koelie-ordonnantie is een uitmuntend stuk, ontworpen door iemand, die het karakter van de Javaanse en Chinese werkman wel kende, en aan dat karakter volle recht heeft laten wedervaren. Bij trouwe navolging harer bepalingen zijn de rechten van beide partijen gewaarborgd, die van den werknemer waarlijk niet minder dan van den werkgever.

Men lette wel op, dat hetgeen ik heb waargenomen, uitsluitend betrekking heeft op het laatste drietal jaren, sinds januari 1900. Vroeger waren er meer ruwe klanten onder de planters, en gebeurden er dus ook ruwe dingen. Welnu, ik behoor niet tot degenen, die misdrijven wensen goed te praten of gering aan te slaan. Een misdaad noem ik een misdaad, en die ze beging behoort exemplaarlijk te worden gestraft. Want waar is het, dat de werknemer [de koeli] een deel van zijn vrijheid opoffert; en juist daarom behoort er volle waarborg te zijn, dat de hem resterende vrijheid zal worden ontzien.

Een behoorlijke en geregelde controle, een inspectie op de ondernemingen, door billijk denkende, rechtvaardige ambtenaren is daartoe gewenst en voldoende. Rechtvaardige ambtenaren leveren de waarborgen van de handhaving van het recht in hun eigen persoon. Men hecht daarom bij de opleiding meer aan karakter dan aan kennis. Hetzelfde geldt van het Europees personeel der ondernemingen, van welks gehalte veel afhangt.

Vermeerdering van het deskundig rechtspersoneel is ongetwijfeld gewenst: het tegenwoordig geldende systeem van rechtspraak door een landraad met controle door een hogere rechtbank is m.i. niet zeer goed. De beslissing komt zodoende wel is waar toe aan rechtsgeleerden, doch die noch personen noch omstandigheden kennen, en dus te goeder trouw ieder ogenblik een onbillijk vonnis kunnen vellen. Bovendien kost dit systeem ontzaggelijk veel tijd, een omstandigheid die hier uiterst vicieus werkt. Vermeerdering van het aantal bevoegde rechters, voor den Europeaan zowel als voor den inlander, schijnt mij alleszins gewenst. Decentralisatie, ook in de rechtspraak, de toepassing van wetten en verordeningen, aan Europese toestanden en begrippen ontleend, zij zijn voor Indië een groot ongeluk. In deze ben ik in het geheel eens met iemand, wiens belangstelling in de inlandse bevolking men waarlijk niet genoeg op prijs kan stellen, ik bedoel den heer Gunning van het Nederlands Zendingsgenootschap.

De invoering der Europese jurisdictie voor inlanders heeft menigmaal de zonderlingste gevolgen. Ik zal een sterk staaltje daarvan noemen. In de nabijheid van een onzer zendelingen in de buitenbezittingen woonde een inlands hoofd, die zich aan moord had schuldig gemaakt. Voor den Landraad gebracht, bekende hij zijn misdaad. Maar nu deed zich het geval voor, dat er geen enkel ander bewijs tegen den beklaagde was aan te voeren, en volgens onze Europese rechtspraak, die naar het mij voorkomt, te vroeg-tijdig is ingevoerd, is in zodanig geval de bekentenis van den beklaagde geen voldoende bewijs. De man werd dus vrijgesproken, en hij keerde nu onder zijne volksgenoten terug, verkondigende dat dergelijke daden kennelijk onder de Hollanders geoorloofd zijn, want hij had de daad gepleegd, had dit bekend en was vrijgesproken. Ik erken, het is een voorbeeld, dat zeker uiterst zelden in dien vorm zal voorkomen. Maar dat neemt volstrekt niet weg dat het den toestand tekent. Van zeer bevoegde zijde werd mij verzekerd, dat wel minder sterk sprekende, maar toch soortgelijke gevallen meermalen voorkomen. Ze kunnen wel niet uitblijven, wanneer maatregelen worden ingevoerd, waarmee het bewustzijn des volks nog niet harmonieert.

Dergelijke staaltjes kan inderdaad iedereen, die hier enige tijd heeft doorgebracht, ten beste geven. Onze rechtspraak deugt niet voor de toestanden hier. Vandaar ook het ongelooflijk groot aantal moorden, dat door koelies – hoofdzakelijk door de Chinezen – gepleegd wordt. Wanneer ik al de zaken, waarin ik in 3 jaren tijds als deskundige betrokken was, wilde beschrijven, ik zou een boekdeel moeten vullen, terwijl de mededeling der bijzonderheden de lezer de haren zouden doen ten berge rijzen: niemand kan zich een denkbeeld maken van de ruwheid en de wreedheid waarmee de Chinezen elkaar om nietigheden naar het leven staan.

In een tijdsbestek van 3,5 maand werden op ‘ene’ onderneming (sterkte 600 zielen) 7 moordaanslagen gepleegd, waarvan 2 den dood van het slachtoffer teweegbrachten. In het eerste geval, waarbij de moordenaar zijn slachtoffer tot een afschuwelijken klomp had vervormd, werd de aanleiding gevonden in ene schuld van $ 2, in het tweede in de toe-eigening – trouwens door een ander dan den vermoorde – van een weinig opium, ter waarde van 15 cent. In maart 1902 hadden in deze buurt (9 ondernemingen) niet minder dan 5 moorden plaats, benevens enige verwondingen. De lezer stelle zich toch deze verschrikkelijke cijfers eens recht duidelijk voor ogen. Indien in Nederland in een of ander plaatsje van 10.000 inwoners in ene maand tijds 5 afschuwelijke moorden plaats hadden, wat zou de publieke opinie daartoe zeggen? ‘Door de slappe rechtspleging, die we hier hebben, laadt het gouvernement de verantwoordelijkheid voor het verlies van vele levens op zich’. De onveiligheid, die hier heerst, strekt een beschaafden en christelijken staat tot ‘schande’.

Dr. B. Trouw”lvi

Dit gevoel voor onveiligheid is reëel, daardoor was het voor de administraties van het grootste belang dat rust en orde heerste onder de grote koeliegemeenschap. Dit verklaart de dunne scheidslijn tussen hard optreden en te hard optreden. Te hard en roekeloos optreden van een assistent kan haat zaaien onder de koelies, maar daarentegen voelde men de noodzaak om misstanden in de kiem smoren om rust en orde te bewerkstelligen. De planters maakten hiervoor veel gebruik van de (hoofd)tandils, Aziatische bazen die toezagen op de orde en rust in hun colonne. Uit het betoog van Dr. Trouw komt duidelijk naar voren dat hij een Europese rechtshandhaving niet uitvoerbaar acht op de plantages in de buitengewesten. Toezicht achtte hij daarentegen wel welkom. Het valt niet te ontkennen dat er wel degelijk erg ruwe planters tussenzaten. Met name de planters van de negentiende eeuw stonden te boek als ruw en hardhandig, terwijl men de planters uit de eerste helft van de de twintigste eeuw omschrijft als zachter van aard.

Het is niet na te gaan of de 22-jarige JGA aan boord van de S.S. ‘Sachsen’ al bewust was van de gevaren van het plantersleven. Gezien zijn eerdere ambitie om toe te treden tot het leger, zal het hem echter niet hebben weerhouden om in Indië zijn geluk te zoeken.

JGA werkte nog geen jaar op de plantage Kisaran toen hij werd geconfronteerd met de kwetsbaarheid van het bestaan op een afgelegen plantage. Een Duitse collega, de 27-jarige assistent G.F.W. Raven, ontsnapte in maart 1896 op het nippertje aan de dood:

Te Medan is bericht ontvangen, dat onlangs de heer R. assistent op de onderneming Kisaran van de Nederlandsche Asahan Tabak-Maatschappij voorheen R. Herrings & Co, door drie Chinezen is aangevallen, die hem met parangs vreeselijk aan het hoofd verwond hebben. Ware een tandil niet te hulp gekomen, die tussen hem en de moordenaars plaatste, zeggende: ‘vermoord mij dan maar liever’, dan was het jonge mens zeker als hun slachtoffer gevallen. Nu is het mogelijk dat hij herstelt, indien geen wondkoortsen intreden.” aldus een Indische krant.lvii G.F.W. Raven ging daarop met buitenlands verlof en keerde niet meer terug bij de N.A.T.M.

In juni 1903 vertrok JGA voor maar liefst 9 maanden naar Nederlanden; dit was zijn eerste buitenlands verlof. Zijn bevriende collega Van Doorn nam zijn post waar. Bij afwezigheid van JGA op Kisaran liepen in november 1903 de gemoederen aldaar hoog op;

Op de onderneming Kisaran in Asahan, is een klein opstootje uitgebroken onder de koelies, waarvan er een aantal het plan hadden opgevat, de administrateur te vermoorden. Door tijdige tussenkomst van den hoofdtandil evenwel werden ongelukken voorkomen en de koelies weer tot kalmte gebracht.”lviii

Naar aanleiding van het pamflet van Van den Brand werd mr. J.L.T. Rhemrev, een officier van justitie, naar Sumatra gezonden om de aantijgingen te onderzoeken. Het Rhemrev-rapport bevestigde het pamflet op veel punten, maar zou geen weinig gevolgen hebben. Er kwam wat meer toezicht op de planters en de politiemacht werd uitgebreid op de Oostkust van Sumatra. Als wij de opmerking “Er waren die dachten, dat deze post een gezondheidsoord was voor politiedienaren” moeten geloven, zal men niet te veel van deze politieposten moeten verwachten. De poenale sanctie bleef gehandhaafd, al zullen de planters voorzichtiger zijn geworden. De laatste koelie-ordonnanties zijn in 1941 ingetrokken. JGA was met buitenlands verlof toen mr. Rhemrev de plantage Kisaran aandeed. Op Kisaran vielen de wantoestanden mee. Er werd enkel gesproken over een eenmalige vrijheidsberoving.

Wanneer ik een optelsom maak, lijkt het mij aannemelijk te kunnen vaststellen dat JGA – voor zijn tijd – zeker geen ruwe en agressieve planter is geweest. Wel kan hij worden gerekend tot de oudere planters die middelen als slaan en vrijheidsberoving toepasten, zoals tevens is vastgesteld door controleur Schaank. Dit behoorde echter tot de toen geldende vrijheden van de Poenale Sanctie. Voor eenentwintigste eeuwse begrippen spreekt men dan wel over ruw gedrag, echter vind ik deze normering niet interessant. Gangbare handelswijze is namelijk vergankelijk en daarom moet je gedrag uit het verleden in een kader plaatsen. Je kind slaan is tegenwoordig uit den boze, maar enkele decennia geleden achtte men dit nog noodzakelijk om slecht gedrag af te leren. Als JGA te boek stond als een ruwe planter was dit naar voren gekomen in de personeelslijsten. Niks over ruwheid of immoreel gedrag heeft ooit achter zijn naam gestaan. Zijn meerderen hadden niks op hem aan te merken. Hij zal ook niet in aanraking zijn gekomen met justitie, anders had ik dit waarschijnlijk wel gevonden en had dit zijn carrière in de weg gestaan.



Plattegrond van de onderneming Kisaran

Verlof 1903-1904

In juni 1903 ging JGA met zijn eerste buitenlandse verlof. Aan zijn bevriende collega Van Doorn viel de eer te beurt JGA te mogen vervangen als administrateur; dit was voor Van Doorn uiteraard de uitgelezen kans zich te bewijzen om zodoende ook in aanmerking te komen voor promotie. Administrateurs hielden zich voornamelijk bezig met de administratie, het controleren van de assistenten en rapporteren aan de hoofdadministrateur. De hoofdadministrateur, de heer Stronck die eveneens woonde op Kisaran, rapporteerde als enigste man op Sumatra rechtstreeks aan directeur Van Heekeren in Amsterdam. Op zijn beurt, organiseerde en leidde Van Heekeren aandeelhoudersvergaderingen in Amsterdam en onderhield de commissarissen.

Tijdens zijn verlof kreeg JGA de helft van zijn salaris doorbetaald. Daarnaast betaalde de N.A.T.M. zijn eerste klas bootreis. Het is mij niet bekend waar JGA zijn verlof heeft doorgebracht. Waarschijnlijk verbleef hij in een pension, bezocht hij familie en enkele Europese plaatsen. Daarnaast stond zonder twijfel een bezoekje aan de heer Van Heekeren op de agenda. Dit was hét moment om bij Van Heekeren in de gratie te vallen en dat was broodnodig om in aanmerking te komen voor promotie: de post van hoofdadministrateur.

Daarnaast hield JGA in Nederland ongetwijfeld zijn ogen open voor het vrouwelijk schoon. Op Kisaran waren de enige twee dames de echtgenotes van de heer Stronck en geneesheer Trouw. In heel Asahan en Deli waren überhaupt maar weinig huwbare, Europese dames te vinden. Op Kisaran liepen een handje vol kinderen rond, die van Stronck en Trouw. Naar verluid werd JGA door een van hen op pad gestuurd om voor die kinderen een geschikte onderwijzeres te vinden, want op de plantage was geen school aanwezig. Op deze manier zou JGA in contact zijn gekomen met Tine Schaafsma, een 24-jarige onderwijzeres uit Harlingen. In maart 1904 keerde JGA terug op zijn post.lix



Jan Gijsbert Aalders met zijn kersverse echtgenote Tine Schaafsma, rond 1906

Tine Schaafsma (1879-1953)

Tine werd op 5 april 1879 geboren in Harlingen als Christina Helena Harmanna Schaafsma. Haar vader, Pier Schaafsma (1844-1916), was een reder en commissionair aldaar. Haar moeder, Elisabeth Anna Lamping (1845-1885), overleed toen Tine zes jaar oud was. In 1887 hertrouwde haar vader met Boudina Sickens (1852-1929), een dochter van een Amsterdamse cargadoor. Haar broers en zus Lize waren avontuurlijk ingesteld; oudste broer Herman Frederik Schaafsma (1876-1913) vertrok in 1892 – op 16-jarige leeftijd! – naar zijn oom George Lamping in Amerika om door hem te worden opgeleid tot apotheker. Broer Pier Schaafsma (1877-1945)16 verhuisde toen hij 17 jaar oud was naar Kampen om daar een officiersopleiding te volgen om vervolgens in dienst te treden in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. Zus Lize Schaafsma (1880-1962) vestigde zich op 20-jarige leeftijd als onderwijzeres in Zwolle. Tine Schaafsma was haar zus in 1898 voorgegaan; zij vestigde zich toen op 19-jarige leeftijd als onderwijzeres of kinderjuffrouw te Haringkarspel. Naar haar verblijf in Harenkarspel moet ik nog wat onderzoek verrichten.

Tine Schaafsma vertrok in mei 1904 naar Nederlands-Indië, enkele maanden na het vertrek van JGA. Op 21 mei stapte zij in Amsterdam aan boord van de S.S. Koning Willem II – van de Stoomvaart Maatschappij Nederland – met bestemming Batavia. Deze jonge Europese dame reisde alleen, maar zal voldoende aanspraak hebben gehad met de andere Europese passagiers aan boord. Samen dineren was gebruikelijk, al wisselde men regelmatig van tafelgezelschap. Eerste klasse passagiers voelde zich vereerd wanneer de kapitein bij hen aanschoof. Wanneer de zee onrustig was, kon het gebeuren dat de eetzaal praktisch leeg was; zeeziekte was een algemeen ongemak. Wanneer Tine Schaafsma in het lentezonnetje op het dek verbleef, zag zij de Franse kust voorbij strijken, zag zij in de drukke en nauwe Straat van Gibraltar aan haar linkerkant Spanje en aan haar rechterkant de noordkust van Marokko. In Genua maakte de S.S. Koning Willem II een stop om meer passagiers op te pikken. Misschien had Tine Schaafsma geluk en kon zij voor het eerst voet op Italiaanse bodem zette. Daarna voer de boot voort langs Egypte – door het Suez-kanaal – en bereikte via Colombo en misschien Singapore haar eindbestemming Batavia. De reistijd bedroeg enkele weken en zal veel indruk hebben gemaakt. In Singapore of Batavia zal zij zijn overgestapt op een kleinere stomer naar Asahan, waar zij waarschijnlijk – door bemiddeling van JGA – aan de slag ging als onderwijzeres op de plantage Kisaran.

Haar jongere zuster Lize Schaafsma had zich in 1904 verloofd met Jan Evert Edie (1875-1964), een Oost-Indisch ambtenaar. Hij woonde op dat moment in Sarolangoen in Ned. Indië. Zij trouwden 10 oktober 1904 bij volmacht in Harlingen; dit hield in dat Lize Schaafsma trouwde ‘met de handschoen’. Zij vertrok op 22 oktober 1904 met de S.S. Koningin Wilhelmina uit Amsterdam met bestemming Batavia.lx Na haar vertrek bleven haar vader Pier Schaafsma, stiefmoeder Boudina Sickens en haar halfzusje Etha Schaafsma (1891-1962) alleen achter in Harlingen; de rest van de kinderen was letterlijk ‘uitgewaaid’.

Tine Schaafsma zal in juni 1904 door JGA – of een van zijn collega’s van Kisaran – zijn opgehaald uit de haven van Tandjong Balei (de hoofdstad van Asahan). Veel zal het aanzien van Tandjong Balei en Asahan niet hebben verschilt met tien jaar daarvoor, toen JGA voor het eerst voet aan wal zette. In 1907, drie jaar na de aankomst van Tine Schaafsma in Asahan, lezen wij:

[Het stond voor elke Deliaan paalvast], dat een reis door Asahan zonder modderbezoekingen een onmogelijkheid moest heten. Daar leven in de plantersmond alderhand ontstellende verhalen van wagenbreuken met kniediepe verzakkingen in de smerige Asahanse bodem; van zielige trekossen, die gelijk marsepijn-vormen [van] hun lijfindrukken lieten in het modderdeeg; van vele tientallen kar-skeletten, die in meer of minder vergane staat onder de oppervlakte der Asahanse aarde begraven liggen. En ‘t refrein van vele dier legendarische modderzangen vertolkt de klacht van mensen, die niet aankomen konden en over ‘barang’ [= goederen] die hem nooit bereikte.

Dat is nu alles verleden – weemoedig verleden. De B.O.W. heeft vele honderdduizenden kubieke meters zand in ‘t drassig terrein gestort, heeft moerasstroken zolang opgevuld met vastigheden, tot er stevigheid kwam in de bodem, heeft door bewerkelijke drainage al-tijds-doorweekte wegen drooggelegd. Een motorend man van de Waterstaat voltooide dit titanswerk en zijn opzicht houdende ogen konden hem niet beter de resterende oneffectheden verraden dan zijn stomme, maar voor zulke dinsigheden bijster gevoelige machien. Ook verkondigde zij hem telkens, wanneer er hier of daar valse bochten in den weg mochten voorkomen of een kilometer of wat konden afgesneden door ‘t trekken ener rechte lijn waar het al te zeer zigzagde. En nu is er dan van Tandjong Balei tot Tebing Tinggi toe een flinke heirbaan, grotendeels zandweg, en verhard slechts daar, waar druk verkeer het dienstig en nodig maakte; een weg, die op enkele punten nog maar te wensen [over] laat – maar ook een weg, die geen ogenblik mag missen de wakende zorg van onze B.O.W., omdat in dat lage land en bij uitbundige tropenregens telkens weer aanvallen op zijn stevigheid worden gedaan.



De haven van Genua, 1926 (coll. JGA)



Het Suez-kanaal, 1926 (coll. JGA)

Asahan kan nu wel zeggen, hierdoor wat uit zijn isolement te zijn verlost. Aan een reisje naar dat zuidelijk oord behoeft geen innig afscheid van vrienden en verwanten meer vooraf te gaan, alsof het een roekeloze excursie over drijfzand gold. Wie zich opmaakt naar Asahan, kan, onder altijd noodzakelijk voorbehoud, er zeker van zijn, dat hij heelhuids en overigens zonder al te veel van zijn zenuwen vergende avonturen tot de zijnen wederkeert. Tijgers? Nu ja, maar die trekken zich toch allengs voor de toenemende beschaafdheid langs de grote wegen in hun eigen duister interieur terug.”

Desalniettemin blijft de honderd kilometer tussen Tebing Tinggi en Tandjong Balei een flinke afstand.

Er moest maar een spoor zijn van Tebing Tinggi naar Tandjong Balei. Daar wil, naar verluidt, de Deli Spoor niet aan en ze gunde gaarne een jaar preferentie voor een tram-concessie tusschen Tandjong Tiram en Tandjong Balei aan een tweemanschap. (…)

En dan de telefoon! Het Delische net reikt nu al tot Tandjong Koba, niet minder dan 110 km.ver, en de ondernemingen der N.A.T.M., waarvan Soengei Sikassim de noordelijkste is, hebben onderling en met Tandjong Balei al telefoonverbinding. Als dat net en dit netje worden saamgeknoopt, dan is Asahan zowaar geannexeerd. Nu, de telefoon zal er, denk ik, wel eerder dan de andere verkeersmiddelen wezen.17 (…)

Er zijn er in Deli, die menen, dat ‘t daar ‘beneden’ in Asahan eigenlijk een prutsterig boeltje is waar de royaliteit der Delische ondernemingen ver te zoeken moet zijn. Hen zou ik wel zoo plots midden op ‘n emplacement als bijvoorbeeld Kisaran of Soengei Sikassim willen zetten – en dan mij over hun wijdgesperde verbazingsogen vermaken. Want zulk ‘n grootse aanleg van gazons en perken en bamboehagen en lanen, zulke hechte gebouwen en aanlokkelijke plantershuizen, vindt men in Deli toch werkelijk niet allerwegen ‘in de tabak’.”lxi

De plantershuizen in Asahan deden dus zeker niet onder voor de plantershuizen in Deli, waar meer geld werd verdiend. Over huizen van de administrateurs en hoofdadministrateurs wordt in de door Clerx bestuurde Deli-romans minder geschreven dan over die van de assistenten. Wat zij wel heeft gevonden:

Het beeld dat Kleian geeft [over de woning van een administrateur] is gelegen in een mooi aangelegde en goed onderhouden tuin. Ruime, geschoren gazons met bedden rode lelies en hier en daar bougainvilles. Een brede oprijlaan leidt naar de woning, waar kleinere gebouwen in een grote halve cirkel omheen staan gegroepeerd. De woningen der hoofdadministrateurs lijken op die der administrateurs, alleen zij zijn groter en grootser. Een nieuweling zegt bij het zien ervan: ”t lijkt wel een paleis’. Kleian laat een planter de volgende toelichting geven: ‘Het huis van meneer Seggeli kost maar eventjes ruim honderdveertigduizend gulden en waar is dat goed voor? De hoofdbaas zou zich in een huis van laten we zeggen 25 mille veel gelukkiger voelen dan in zoo’n paleis. Maar neen, het moet een overdadig groot en duur gebouw zijn om hiermede op de voorpagina van het prospectus der maatschappij te kunnen geuren. Verder wil de ene maatschappij niet voor de andere onderdoen. Bouwt A. voor zijn hoofdbaas een huis van een ton, wacht zegt B. ik bouw er een van anderhalve ton, ‘t is compleet een wedstrijd geworden… en dat kost kapitalen.”lxii

Op de meeste plantages was de woning van de administrateur het grootste en overdadigste huis. Op Kisaran bewoonde JGA het riante administrateurshuis wat – blijkens de hierboven geplaatste plattegrond van Kisaran – zuidwestelijk van de onderneming was gelegen. Doordat Kisaran tevens de standplaats was van de hoofdadministratie der N.A.T.M. werd dit huis in aanzien overtroffen door ‘het paleis’ van hoofdadministrateur Stronck die in het midden van de plantage – tegenover de grote fermenteerschuur – was gelegen. Deze woningen stonden in schril contrast met de woonplaatsen van de Javaanse en Chinese koelies. Deze compounds lagen ten noorden van de ondernemingen. Het contrast was waarschijnlijk even groot als tussen de twee plantage-ziekenhuizen waaraan dr. Trouw leiding gaf; één voor de Europeanen, en één voor de koelies. Deze ziekenhuizen lagen geheel zuidelijk op de onderneming. Wat betreft de ziekenhuizen is er in 100 jaar overigens weinig veranderd; het contrast tussen de ‘gewone’ Indonesische ziekenhuizen en de privéklinieken voor de Indonesische elite en westerlingen is nog steeds gigantisch. Nederlandse ziekenhuizen kunnen waarschijnlijk zelfs niet eens tippen aan de privéklinieken van Indonesië, terwijl de ‘gewone’ ziekenhuizen uit elkaar vallen van ellende. Enfin, dit contrast in healthcare is kenmerkend voor tweede- en derde wereldlanden.

Tine Schaafsma vond in de echtgenotes van hoofdadministrateur Stronck en geneesheer Trouw haar vriendinnen en metgezellen. Zij zullen de komst van een Hollandse onderwijzeres hebben toegejuicht, wat meer vrouwelijke touch in deze mannenwereld was welkom!



Het administrateurshuis van JGA, waarschijnlijk Kisaran ca. 1906 (coll. JGA)

Na de opheffing van het zogenaamde trouwverbod, als in de Delische samenleving meer blanke vrouwen een plaats innemen, verandert er in de mentaliteit der planters (zij het voor de rubberassistenten tijdelijk) wel iets in gunstige zin. Wij zien, dat aanvankelijk de gehuwde planters minder uithuizig zijn, om thuis de plaats van echtgenoot en vader in te nemen. De blanke vrouw tracht met allerlei hulpmiddelen van die ene woning in de uitgestrekte plantage een Europees wereldje te maken, zij tracht er sfeer te scheppen, zoals zij die thuis gewend was. Pogingen die mislukken, want ook haar overweldigt… de eenzaamheid.

(…) Mevrouw Szekely beschrijft hoe men in de blanke gemeenschap – vooral tijdens de hoogconjunctuur – steeds losser geraakt van de normen, die uit het oorspronkelijke milieu werden meegebracht. (…)

Wat kan de genoemde directies er toe bewogen hebben een dergelijk trouwverbod uit te vaardigen? Gorter vertelt: ‘Ze hadden liever die vrije, ongebonden knapen, die geen huiselijke zorgen hadden en die zonder meer ontslagen konden worden, dan getrouwden, die met hun gezin veel meer eisen zouden stellen aan huisvesting, werktijden, enz.” aldus Clerx.

In 1905 vroeg JGA Tine Schaafsma ten huwelijk. Zij reageerde duidelijk enthousiast, want op 8 januari 1906 trouwden zij te Tandjong Balei, de eerder omschreven havenstad en tegelijkertijd hoofdstad van Asahan. Met haar ja-woord zei zij tevens ja tegen het eenzame plantersbestaan. Een moeilijke keuze, tenzij Tine Schaafsma prima wist te gedijen in Asahan. Al met al, de liefde zal groot zijn geweest. Het huwelijk zal voornamelijk zijn bijgewoond door planters en bekende bestuursambtenaren. Met een beetje geluk zagen haar broer Pier Schaafsma, kolonel in het K.N.I.L., en haar zus Lize Edie-Schaafsma gelegenheid om voor het huwelijk over te komen. Het huwelijk zal op de plantage Kisaran tevens gevierd zijn. Misschien brachten de honderden koelies nog een ode aan het bruidspaar of werden ze getrakteerd op een inlandse dans. Dit is enkel gissen. Het huwelijk bleek vruchtbaar; in november 1906 beviel Tine Aalders-Schaafsma van haar eerste kind: Lies. Hierna volgde een reeks jongens18: Pier 1909, Jan 1910, Kik 1913, Wil 1915 en Gijs 1917.


Twee maanden na het huwelijk van JGA en Tine Schaafsma, in maart 1906, werd het nieuws wereldkundig gemaakt dat “door de Nieuwe Asahan Tabak-Mij. een drietal scholen voor koeliekinderen worden opgericht, en wel op de ondernemingen Kisaran, Tanah Radja en Soengei Sikassim.”lxiii Het is mij niet bekend of de pas gehuwde onderwijzeres Tine Aalders-Schaafsma één van de drijvende krachten hierachter is geweest, maar dat zou natuurlijk wel heel leuk zijn. Haar opinie zal bij de beraadslagingen door de administraties en hoofdadministratie wel zeker op prijs zijn gesteld. Het zou trouwens ongebruikelijk zijn geweest, wanneer Tine Aalders-Schaafsma na haar huwelijk bleef lesgeven. Waarschijnlijk moesten haar voormalige werkgevers in 1906 op zoek naar een nieuwe onderwijzeres…



Jan en Tine in een koetsje, 5 september 1905 (coll. JGA)



Jan Gijsbert Aalders met waarschijnlijk dochter Lies (1907). Links: Tine Aalders-Schaafsma



Tine Aalders-Schaafsma met een van haar kinderen (coll. JGA)

Kort voor het einde van het jaar, in december 1906, vond een wisseling van de wacht plaats. De heer Ketner, administrateur van de onderneming Tanah Radja der N.A.T.M., diende zijn ontslag in. Daarop volgde de overplaatsing van JGA tot administrateur der plantage Tanah Radja. JGA werd als administrateur van Kisaran vervangen door de administrateur van de plantage Soengei Sikassim, de Amsterdammer Frije.lxiv

Het is mij niet bekend of de overplaatsing als promotie moet worden gezien. Wanneer wij de plattegronden van de plantages Kisaran en Tanah Radja vergelijken, heeft het de schijn dat Tanah Radja kleiner is geweest dan Kisaran. Daarentegen is het personeel kwantitatief nagenoeg gelijk. Opvallend is dat de beschrijving op de plattegrond van Kisaran in het Nederlands is, terwijl de plattegrond van Tanah Radja in het Duits is toegelicht. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat de plattegrond van Tanah Radja uit de tijd is van de Duitse N.A.T.M.-oprichter Herrings, en daarmee van een eerdere datum is dan die van Kisaran. Hoewel de achternaam Ketner anders doet vermoeden, betreft dit een Nederlander. Dat de hoofdadministratie van de N.A.T.M. overigens een voorkeur had voor Nederlands personeel blijkt uit de kanttekening uit 1900: “Oudste assistent, zeer geschikt, helaas geen Hollander”.lxv

Het is goed mogelijk dat de plantage Tanah Radja in 1904 is uitgebreid. In dat jaar, toen de N.A.T.M. een flinke winst draaide van f 126.414,-, kocht de N.A.T.M. de plantage Oud Tanah Radja. Dit zal waarschijnlijk de plantage zijn die werd opgericht door de eerder genoemde ontslagen N.A.T.M.-administrateur Piet van der Steenstraten. Wellicht zijn de plantages Tanah Radja en Oud Tanah Radja sindsdien samengevoegd. De onderneming Tanah Radja telde sowieso een onderafdeling Goerache Batoe, dat in de jaren ’90 van de negentiende nog een zelfstandige onderneming der N.A.T.M. was geweest.



Tine Aalders-Schaafsma met haar dochter Lies (*1906)

Culturele leven in Asahan

Het is inmiddels duidelijk dat Asahan een zeer afgelegen gebied in Nederlands-Indië vormde. Het iets noordelijker gelegen Deli lag eveneens afgelegen, maar door de bloeiende en zeer uitgebreide tabakscultuur19 aldaar wist de hoofdstad Medan uit te groeien tot de regionale hoofdstad van Sumatra’s Oostkust. Geert Mak schrijft in zijn boek “De eeuw van mijn vader” heel leuk over Medan:

Deli gold als het Wilde Westen, met Medan als een Las Vegas in het klein. Tegen de dames zei men er ‘miss’, een inheemse huisbediende heette er ‘boy’, een wat grotere onderneming was een ‘estate’, een koelie-opstand een ‘row’ en tot de Eerste Wereldoorlog werd er voornamelijk in Singapore-dollars betaald. De winkels stonden vol Engelse producten. Je reisde er makkelijker naar Penang en Singapore (‘de overwal’) dan naar Batavia, en dat was te merken. Deli was eerder Engels dan Hollands.

Medan en Deli waren jong. Omstreeks 1870 was de Deli-Maatschappij er met de eerste tabaksplantages begonnen, grootschalige ondernemingen die al snel hun eigen wegen, havens, spoorlijnen en telefoonverbindingen aanlegden. Rondom het hoofdkantoor van de eerste Deli-Maatschappij werd een kleine stad gebouwd: Tuin Medan.

De grote hausse kwam na 1910, toen er door de opkomst van de auto en de dreigende wereldoorlog een soort goldrush op rubber ontstond. Via Malakka was de Hevea brasiliensis ingevoerd, een rubberboom uit het Amazonegebied, die het op Sumatra uitstekend bleek te doen en al snel voor enorme opbrengsten zorgde. Medan ontwikkelde zich als een Amerikaanse boom-town. In 1905 woonden er nog geen vijftienduizend mensen, in 1920 waren het er driemaal zo veel, en toen mijn ouders [in 1928] aankwamen, had de stad zo’n zeventig duizend inwoners.”lxvii

In de beginjaren van de twintigste eeuw telde – volgens Mak – de stad nog geen 15.000 inwoners. Dat lijkt weinig, maar was aanzienlijk groter dan het het modderige en aan overstromingen onderhevige Tandjong Balei in Asahan. In Medan was er vertier in de vorm van een sociëteit of het levendige hotel De Boer. In Tandjong Balei stond een club waar de planters elkaar konden ontmoeten, al was dit tot de jaren ’10/’20 slechts een eenvoudige keet.

Ook voor praktische zaken moest men in Medan zijn. Daar vond men naast de agenten van verschillende handels- en distributiebedrijven tevens justitie, de hoge bestuursambtenaren en bijvoorbeeld een tandarts. De tandarts Jan Jacobus Griffijn uit Medan kwam af en toe per boot over naar Asahan, waar hij dan enige tijd praktijk hield. Daarentegen spreekt het tot de verbeelding dat hij niet Tandjong Balei verkoos als tijdelijke residentie in Asahan, maar de plantage Kisaran van de N.A.T.M. Hij voerde zijn werkzaamheden uit in het Europees hospitaal van Dr. Trouw.lxviii Ter illustratie: Griffijn begon in 1901 zijn werkzaamheden als tandarts in kamer no. 38 in het Medan Hotel.lxix De oudste zoon van JGA, Pier Aalders, woonde in 1924 enkele maanden in bij de inmiddels gerepatrieerde tandarts Griffijn en zijn gezin. In een brief sprak Pier Aalders over ‘oom en tante Griffijn’ wat duidt op een innige vriendschap met de familie Aalders-Schaafsma.



De Sumatra Post 24 oktober 1904

In 1907 kreeg Tandjong Balei voor het eerst een soort van hotel. “[In] Tandjong Balei kan hij sinds weinige weken pleisteren en overnachten in de Club. De nieuwe club, moet ge weten, een gul en genoegelijk ingericht gebouw met biljarten, kegelbaan en verder bijbehooren, en waarin ook een vier- of vijftal logeerkamers werden gebouwd en gemeubeld.”lxx Dit gebouw, later luisterende naar de naam Asahan Club, was het eerste neutrale gebouw in Asahan waar de planters elkaar konden ontmoeten. Hier werd ontspannen, eindeloos “gerijsttafeld”, gekegeld en gebiljart. Daarnaast ontving men hier af en toe Nederlandse kunstenaars, waarop half ‘Europees-Asahan’ naar Tandjong Balei trok. Zo kwamen in juni 1907 de zusters Wijgers20 langs: “De zusters Wijgers, dichteres en zangeres, maakten een toer door Sumatra en deden daarbij tevens Kisaran aan alsmede de club in Tandjong Balei. Clasine Wijgers hield daar waarschijnlijk een van haar kinder-liederen-avonden.”lxxi Het volgende krantenartikeltje uit januari 1908 spreekt tevens tot de verbeelding: “Dankzij de verbeterde postverbinding met ‘t Zuiden, konden wij gisteravond al een bericht ontvangen over het optreden van Albert Vogel op Woensdagavond te Kisaran. Een zestigtal planters, van heinde en ver gekomen, sommige meer dan 4 uur rijdens ver,bevonden zich als gasten van de familie Stronck onder het gehoor van den declamator. Gegeven werd: Starkadd, dat goede indruk op de aanwezigen heeft gemaakt. Aan het einde is aan Vogel onder daverend handgeklap een lauwerkrans overhandigd.

Het is voor het Asahanse publiek, dat zoo zelden gelegenheid heeft van kunst te genieten, een mooie avond geweest.”lxxii Vanaf de jaren ’10 lijkt het culturele leven in Asahan iets meer te verbeteren; af en toe zijn er toneelvoorstellingen.lxxiii

Begin mei 1909 werd de geboorte van Prinses Juliana in het hele land en haar overzeese gebieden uitgebreid gevierd. “De eerste feestelijkheden in ‘t Asahanse hadden zaterdagavond 1 mei te Kisaran plaats, waar een aanzienlijk aantal planters verenigd was in de woning van de hoofdadministrateur der N.A.T.M.

Maandagochtend 3 dezer had een receptie plaats bij de Assistent-Resident, gevolgd door een feest in de Asahan Club en een grote optocht met vlaggen gehouden door de Inlandse bevolking. Van het Sultanspaleis af, waar de Sultan zich bij de stoet aansloot, ging het naar de Misigit,waar een feestmaaltijd was aangericht en gebeden voor ons Vorstenhuis werden gelezen. Ook de rondgang der schoolkinderen ontbrak niet.”lxxiv

De Sultans van Asahan

De bevolking van Asahan kende uiteraard wel hun eigen traditionele festiviteiten. Hierbij stond de sultansfamilie centraal. De Europeanen in Asahan, met name de administrateurs, hoofdadministrateurs en bestuursambtenaren, behoorden tot de hooggeëerde gasten. In april 1902 waren er in Asahan grote feesten ter gelegenheid van de bevestiging van de 17-jarige zoon, Toengkoe Amir (alias de Toengkoe Besar), van de Sultan als troonopvolger.

Op 16 maart had de openingsfestiviteit plaats, het diner aangeboden door den Sultan van Asahan in het paleis. Reeds den vorigen dag waren tal van tengkoes en verscheidene Batakse hoofden naar de hoofdplaats gekomen om aan den zoon van hun gebieder geschenken aan te bieden en bij die geschenken waren er, die gezien mochten worden. Zoo waren daar tal van gouden sieraden, schalen, sirihtoestellen, gouden en ook zeer fraaie met diamanten en robijnen bezette knopen, terwijl de Bataksche hoofden een geheele kudde van karbouwen ten geschenke hadden aangeboden; ook de mindere tengkoes en onderhorigen boden geschenken aan, bestaande uit met goudblad en goud papier vaak zeer artistiek versierde siertempeltjes van papier, vruchten, enz.

Te 7 ure kwamen de gasten binnen en werden ten paleize aan den ingang welkom geheten door den Sultan en den Kroonprins; de sultan was in klein tenue. Op het laatst kwam de resident van S.O.K., de heer Van der Steenstraten en bij diens binnenkomst speelde de muziek het volkslied. De resident was eveneens in gewoon tenue, de controleurs in rok, vele andere Europeanen in het wit.

Alvorens men zich aan tafel zette werd een kostbaar vuurwerk afgestoken, hetwelk uitstekend slaagde en daarna zette men zich aan den met smaak gemonteerden disch.

Ruim 80 personen namen de hun aangewezen plaatsen in, de resident aan de rechterzijde van den Sultan gezeten, hield een bondige speech, welke enige tijd daarna door den Sultan van Asahan werd beantwoord, daarna voerde nog de hoofdadministrateur der Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij, de heer Stronck het woord, eveneens in keurig Hoog-maleis. (…)”lxxv

Over de sultans van Asahan was aan het begin van dit stuk al enig woord gerept. In de jaren ’60 van de negentiende eeuw werd Asahan onderworpen aan Nederlands gezag, waarbij de sultan Achmad Sjah (1830-1888) werd verbannen naar Riouw. In 1884 werd hij door de Nederlands-Indische regering in zijn functie hersteld, waarna hij de Europeanen beter leerde waarderen; hij kon goed geld verdienen aan de landconcessies van Herrings en andere tabakspioniers. Na diens overlijden in 1888 werd hij opgevolgd door zijn neef: Sultan Mohamad Hoesjinsjah (1862-1915). Sultan Mohamad Hoesjinsjah onderhield een goede band met de Nederlandse regering en met de planters. De sultan moest ook wel een goede band onderhouden met de Nederlanders, want hij was voor een groot deel financieel afhankelijk van de tabakscultuur. Daarnaast rustte op hem de zware financiële verplichting zorg te dragen voor zijn talrijke familieleden.lxxvi Hoewel er rond de eeuwwisseling veel ontevredenheid heerste over de ontwikkeling van de lokale Indische vorsten, was men zeer te spreken over Sultan Mohamad Hoesjinsjah. Men wilde een verbetering van het gehalte van de districts- en dorpshoofden “opdat niet, zoo als nu hier en daar, zelfs inlanders worden aangesteld, die niet lezen en schrijven kunnen. Treurig noemde spreker te dezen opzichte vooral den toestand ten oostkust van Sumatra; een gunstige uitzondering: de Sultan van Asahan, bevestigt den regel.”lxxvii Een jaar eerder, in 1903, merkte het Bataviaasch Nieuwsblad op: “De sultan van Asahan behartigt de belangen van zijn land en volk naar behooren. Zijn verhouding tot de leden van den rijksraad is thans goed te noemen.”lxxviii

Het oud-lid van den Raad van Indië, G.A. Scherer, getuigde eens openlijk van dezen, dat [Sultan Mohamad Hoesjinsjah] van alle vorsten in de archipel de schranderste en intelligentste is. Onder zijn bestuur is Asahan vooruitgegaan: in 1890 bijvoorbeeld waren er al 23 contracten uitgegeven loopende over 77.000 bouws tabak-aanplantingen en werden er 11.600 pakken tabak uitgevoerd. Intussen heeft de hoofdplaats Tandjong Balei een maandelijkse stoomvaartverbinding met de andere kustplaatsen van Oost-Sumatra en Batavia gekregen, en concessie is aangevraagd voor het aanleggen van een spoorweg langs de Silau-rivier, die een groot deel van het jaar onbevaarbaar is.”lxxix

Sultan Mohamad Hoesjinsjah mag men – voor regionale begrippen – zeker aanduiden als een vooruitstrevende vorst. Enkele maanden nadat hij zijn zoon Toengkoe Amir feestelijk had aangewezen als troonopvolger, maakte hij bekend zijn zoon Toengkoe Amir en jongere halfbroer Toengkoe Moesa naar Nederland te sturen voor hoger onderwijs. In 1903 vertrokken de jonge prinsen naar Nederland. Aan de voormalige Resident van Sumatra’s Oostkust Van der Steenstraten vroeg de sultan om een geschikt gastgezin te zoeken in Nederland. Deze vond hij in de familie Volten21 te Amsterdam. De kinderen leerden o.a. Nederlands en Engels en maakten verschillende reizen door West-Europa. Een hoogtepunt was de audiëntie bij de jonge Koningin Wilhelmina. Van hun verblijf in Nederland werd in verschillende Nederlandse kranten uitvoerig verslag gedaan.lxxx

In 1910 kwam voor de 48-jarige Sultan Mohamad Hoesjinsjah een grote wens in vervulling; hij bracht eveneens een maandenlang bezoek aan Nederland. Met name de ontmoeting met Koningin Wilhelmina maakte veel indruk. Het bezoek aan Nederland was echter niet enkel leisure and pleasure. De inlandse vorsten ontvingen van overheidswege traktementen die ten dele bestemd waren voor de lokale bevolking en het onderhoud van de landschappen. Doordat de Nederlands-Indische regering ervoer dat slechts – algemeen gezien – slechts een zeer klein deel van dit traktement daadwerkelijk ten goede kwam aan de bevolking en de landschappen, besloten zij de traktementen voor de inlandse vorsten te verlagen. Het afgetrokken bedrag kwam ten bate van de zogenaamde Landschapskassen. De inlandse vorsten, waaronder de Sultan van Asahan, voelde zich gekwetst en tekortgedaan. Het onderhoud van de Sultan van Asahan met verschillende mediators en politici in Den Haag heeft voor hem helaas nauwelijks iets opgeleverd. Daarentegen viel de financiële schade voor de sultan uiteindelijk wel mee, dankzij de opbloeiende rubbercultuur in zijn gewest.

Toen ‘Sultan Mohamad Hoesjinsjah] dan ook kort na de invoering voldeed aan een lang gekoesterd voornemen om naar Holland te gaan om daar aan Koningin Wilhelmina zijn betuigingen van hulde en aanhankelijkheid te brengen, maakte hij van de gelegenheid gebruik om mondeling bij de minister van koloniën zijn bezwaren tegen het nieuwe contract voort te brengen, nadat deze van te voren reeds schriftelijk waren ingediend. De sultan werd wel zeer hartelijk ontvangen en zelfs gevierd, vooral om zijn aangename, voor een Oosterling zeer hoffelijke manieren, en overal rondgeleid, maar wat zijn bezwaren tegen het contract betreft, de regering kon daaraan op slechts enkele, en dan nog zeer ondergeschikte, punten tegemoetkomen; de hoofdbeginselen van het contract, de scheiding van persoonlijke en landschapsinkomsten, bleven onherroepelijk intact. De sultan heeft zich tenslotte , hoe ongaarne ook, bij deze beschikking neergelegd. Het geldelijk nadeel, dat uit het nieuwe contract voortsproot, is echter niet heel groot geweest, want de verdere ontwikkeling van Asahan, het uitgeven van nieuwe concessies, heeft de tijdelijk gedaalde inkomsten spoedig weer op het oude niveau teruggebracht.”lxxxi

Een jaar na zijn bezoek aan Nederland viel het volgende in de krant te lezen: “De sultan van Asahan doet pogingen om een uitgestrekte alang-alang-vlakte in zijn landschap voor de rijstbouw geschikt te maken, welk werk hij uit eigen fondsen behartigd.”lxxxii Het zou mij niet verbazen dat de sultan dit initieerde om te tonen dat hij wel degelijk zorg droeg voor zijn bevolking. Hij voelde zich door de Landschapskassen waarschijnlijk in zijn eer aangetast. Dat hij overigens positief verschilde met veel andere inlandse vorsten, was al eerder duidelijk. Deze sociale geste doet mij denken aan een gift van 75 gulden van de ‘de Heeren van Kisaran’22 ten goede komende aan de ‘noodlijdende Javanen’ in mei 1902.lxxxiii Een maand tevoren werd JGA, de administrateur van Kisaran, in de krant nog beticht van het mishandelen van Javaanse koelies. Dit kan natuurlijk niks met elkaar te maken, maar het heeft toch ook wel de schijn van reputatie-herstel. Enfin.

In juli 1915 overleed Sultan Mohamad Hoesjinsjah op 56-jarige leeftijd. Zijn moderne, Europese inslag kwam op diens begrafenis naar voren: “Als een eigenaardigheid valt op te merken dat al de leden van het Sultansgeslacht in Europees kostuum gekleed gingen, terwijl bij vroegere dergelijke gelegenheden (…) allen de Inlandse klederdracht droegen, zelfs ongeschoeid waren. Zo wordt reeds met het verleden gebroken.”lxxxiv De laatste jaren waren voor de sultan een aaneenschakeling van trieste getijdingen; in april 1910 overleed zijn tweede zoon Toengkoe Ibrahim, in 1913 overleed de troonopvolger Toengkoe Amir en in 1914 legde een grote brand een deel van Tandjong Balei in de as.23

Na het overlijden van Sultan Mohamad Hoesjinsjah werd diens minderjarige zoon Toengkoe Saiboen als troonopvolger geïnstalleerd. Diens oom Toengkoe Alang Jahja, Bandahara van Asahan, werd als regent van het landschap aangewezen. In 1933 werd Saiboen geïnstalleerd als nieuwe Sultan van Asahan. Hij was één van de weinige sultans in zijn regio die de middelbare school heeft doorlopen.lxxxv

In 1946 was de Tweede Wereldoorlog in Indië afgelopen, echter brak door het gebrek aan gezag een periode van chaos en gevaar aan. Het revolutionaire Indonesische volksleger had het niet enkel gemunt op de Nederlanders, maar tevens op o.a. de pro-westerse sultansfamilies. In maart 1946, tijdens de “Sociale Revolutie”, werden 40 familieleden van de Sultan van Asahan vermoord; de eerdergenoemde Tengkoe Moesa24 was één van hen. Sultan Saiboen wist te vluchten, maar werd kort daarop alsnog gearresteerd. Een oud-schoolgenootje van de Mulo in Batavia, KNIL-sergeant Heyermans, wist de sultan uit handen van de revolutioneren te redden.lxxxvi In 1948 was Sultan Saiboen bij de jubileumfeesten en inhuldig van Juliana in Nederland.lxxxvii



Toengkoe Alang Jahja, regent van Asahan 1915-1933

Wildlife in Asahan

In tegenstelling tot Deli, is over Asahan opvallend weinig geschreven. Het enige boekje dat ik in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag heb gevonden wat zich richt op Asahan is van de assistent-resident M. Hamerster. Hij schreef in 1926 het boekje “Bijdrage tot de Kennis van de Afdeeling Asahan” wat door het Oostkust van Sumatra-instituut werd uitgegeven. Ik zal hieronder verschillende fragmenten uit zijn werk citeren. Hij beschrijft het landschap in 1926:

Asahan wordt ongeveer voor drie vierde gedeelte ingenomen door laagland en heuvelland. De grens tussen laagvlakte en heuvelland loopt ongeveer over Boenoet, Kisaran, Telok Dalam, Poelau Radja en Aek Loba. Wat beoosten daarvan ligt is laagland, terwijl het land bewesten van die grenslijn tot een lijn over Bandar Poelau, Bandar Pasir Mandogai, Hoeta Padang als heuvelland kan worden aangemerkt.(…) De laagvlakten in Asahan kenmerken zich door uitgestrekte moerassen (paja), die in de onderafdelingen Asahan en Laboean Batoe met bossen zijn bedekt. De grote cultuurondernemingen liggen – door de vele overstromingen – gewoonlijk niet in de laagvlakten. Waar zulks wel het geval is, zijn zij door een dijkenstelsel in polders herschapen, teneinde de wateroverlast te keren.

De kustlijn van Asahan is 159 km. De kust is laag en kenmerkt zich door uitgestrekte modder- en zandbanken, die zich soms kilometers ver in zee uitstrekken. In die banken bevinden zich min of meer diepe geulen die toegang geven tot de rivieren. Op die voor de kust liggende banken wordt de zeevisserij beoefend middels zogenaamde sero’s, De meeste rivieren zijn alleen bij hoog water vanuit zee toegankelijk en kunnen ook alleen bij dat getij door zeeschepen verlaten worden. Asahan is rijk aan riveren, waaronder machtige stromen zijn aan te wijzen. Met de Asahan-rivier begint het grote rivierengebied van Sumatra, dat zich onafgebroken voortzet tot de Moesi in Palembang. De verschillende ondernemingen aan de rivier [zoals Kisaran en Tanah Radja] hebben hun eigen motorboten en ‘sagors’, terwijl chinezen van Laboehan Bilik (Bila) geregelde diensten op de rivier tot Kota Pinang onderhouden. De Asahan-rivier als waterweg is zeer goed bruikbaar. Tot Bandar Poelau in Boven-Asahan is zij het gehele jaar bevaarbaar voor flinke motor- en stoomschepen en sagors van 20 ton laadvermogen en meer. De belangrijkste zijrivier van de Sei. Asahan is de Sei. Silau,, die echter vanuit Tandjong Balei in het geheel niet voor motorboten en sagors bevaarbaar is. [De soengei Silau is de rivier die langs de ondernemingen Kisaran en Tanah Radja loopt].

De waterstaatkundige toestand van Asahan is niet gunstig te noemen, mede door het ontstaan van de cultuurondernemingen, de ontbossing van gehele streken en het clean-weeding-systeem der ondernemingen.

Het klimaat in Asahan is warm en vochtig. Alleen in het bergland van Boven-Asahan en Boven-Laboehan Batoe is het koel, dikwijls guur te noemen, vanwege de felle winden, die daar kunnen waaien. Qua regen valt het in de delen Kisaran en Negeri Lama [Bila] wel mee. Het maximum van de regenval wordt gewoonlijk bereikt in de maanden september en oktober. Ook november is een zware regenmaand.

Een groot gedeelte van Asahan is nog met bos bedekt. Ongerept oerwoud wordt echter alleen nog aangetroffen in de bovenstreken van Asahan en Laboehan Batoe. Naast de bossen komen ook uitgestrekte alang-alang-velden voor, hier en daar afgewisseld met plukjes jong bos. Deze alang-alang-velden zijn de kentekenen van de roofbouw der inheemse bevolking. In de benedenstreken (vooral in Batoe Bahra) treft men uitgestrekte moerassen aan, bijna zonder enige boomgroei alleen bedekt met een dichte laag moerasplanten. Bamboe wordt weinig gezien, rotan daarentegen veel. Tenslotte hebben de talrijke cultuurondernemingen in de afd. Asahan, meest met hevea-rubber beplant, een eigenaardig cachet gegeven aan het uitzicht dezer streken. Uren- en urenlang rijdt de reiziger onafgebroken door hevea-bossen.”25

Over zoogdieren vervolgde Hamerster in 1926:

De olifant wordt in Asahan nog aangetroffen, zij het in gering aantal. Naast de olifant komt nog voor de badak, of eenhoornige rhinoceros, die in de bovenstreken van Koealoe wordt aangetroffen, en de tapir. Onder de voorkomende verscheurende dieren speelt de tijger een grote rol. Jaarlijks worden tientallen van die ongure dieren neergelegd. Er is van landschapswege in Asahan een premie van f 25,- op het doden van een tijger gesteld. De huid moet echter worden ingeleverd. Aan de premies voor het doden van tijgers werd uitbetaald (in het landschap Asahan)

1922: 375,- (15 huiden)

1923 f 225,- (9 huiden)

1924 f 300,- (12 huiden).

Vele gedode tijgers worden echter niet aangegeven, omdat men gaarne de premie opoffert om de huid te kunnen behouden. Men vangt den tijger gewoonlijk in stalen klemmen of valkooien. Tijgers van een lengte van 2,5 tot 3 meter (koningstijgers) komen voor.

De apensoorten: orang oetan (in boven-Laboehan Batoe), de gibbon, de siamang, de Lampong aap, de gewone grijze Javaanse aap en enkele kleinere soorten. Herten en varkens komen in overvloed voor en veroorzaken veel overlast aan de bevolkingsaanplantingen en de cultuurondernemingen.

Onder de reptielen verdienen speciale vermelding de krokodillen, waarmede zonder uitzonderingen alle enigszins bevaarbare rivieren dichtbevolkt zijn. Ook de zeegaten krioelen ervan. Monsters van 4 tot 5 meter zijn geen zeldzaamheid. Er wordt druk jacht op gemaakt in het landschap Asahan, zonder dat noemenswaardige vermindering van het aantal wordt waargenomen. Een premie van f 3,- op het doden van een krokodil (groot of klein) is in Asahan ingesteld. Aan premie is uitbetaald in

1922: 267 ,- (89 staarten)

1923: 414,- (138 staarten)

1924: f 798,- (266 staarten)

De staart van het dier moet worden ingeleverd. Vele zwaar gewonde krokodillen weten nog aan de jagers te ontkomen om enige tijd later te sterven.

Onder de slangensoorten verdient vermelding de ‘oelar sendok’, een cobra-soort, een zeer vergiftigde slang, en de sawah-slang (niet vergiftig). De oelar-sendok wordt ongeveer twee meter lang en heeft dan een dikte van de helft van de menschelijke pols. De kleur is lood- of tinkleurig. Verder treft men aan zee- en rivier-schildpadden.

Voor de grote riviermondingen treft men in zee haaien en zaagvissen aan. Van de laatste soort komen reusachtige exemplaren voor met een zaaglengte van anderhalve meter. Onder de vogelsoorten verdient vermelding de neushoornvogel, die veel voorkomt.”lxxxviii

Ik ben geen krantenartikelen tegenkomen die spreken van aanvallen van tijgers op planters op Sumatra. De tijgers blijken schuwe dieren te zijn, die moeilijk zijn te vinden. Zeker vandaag de dag is de kans om er een te treffen bijna nihil. Er leven nog maar een kleine 400 Sumatraanse tijgers op Sumatra. De Sumatraanse tijger is de kleinste nog levende ondersoort van de tijger. Door de slinkende regenwouden krijgen zij het steeds moeilijker.lxxxix

Slechts weinigen is het gelukt de tijger in de wildernissen te midden van de dichte glagahvelden te verrassen, waar hij zich liefst schuil houdt; zelden vertoont hij zich aan de mens. Alleen wordt zijn nabijheid dikwijls verraden door de vrees der paarden, die reeds op grote afstand de tijger bespeuren en dan hun oren van angst en vertwijfeling spitsen, de adem uit de wijdgeopende neusgaten blazen, en als het ware onder de berijder trillen en sidderen. Alleen des nachts rooft en moordt de tijger, en slechts bij uitzondering wordt hij gedwongen ook bij dag op roof uit te gaan. Op Sumatra moet de tijger schuw en vreesachtig zijn voor de mens, als die rechtop loopt, zodat hij er zich angstig voor verbergt. (…) Echter als hij reeds mensenvlees geproefd heeft, wordt de tijger gevaarlijk. (…) Mede door de premien, welke het gouvernement op het doden van tijgers uitlooft, verdwijnen zij meer en meer, maar toch vallen op de eenzame velden jaarlijks nog vele inboorlingen aan tijgers, panters enz. ten offer. In 1897 bedroeg dit aantal volgens officiële opgaven nog 48. De gestreepte Koningstijger komt alleen op de eilanden Sumatra, Java en het westelijk gedeelte van Bali voor.”26 aldus Dr. H. Blink in 1905xc

JGA vertelde zijn kinderen en kleinkinderen spannende verhalen over de tijgers op Sumatra. Eén verhaal is een kleindochter goed bijgebleven: “In hun vrije tijd fietsten opa en oma over de paden van de grote plantages en zo gebeurde het dat oma een tijger in de velden zag lopen. Zij schrok, waarop opa zei: “rustig doorfietsen, als hij gegeten heeft, is er niks aan de hand” en dat was het geval. De wilde dieren waren gewend aan de vele mensen op de plantage en andersom.”xci

De tijgers werden gevangen in tijgerkooien. Jacob Heesbeen schreef in 1900 in de Sumatra Post over de plaatsing van een tijgerval in Asahan. In dat jaar waren er 6 ondernemingen in Asahan, ofwel 6 administrateuren. Op het moment van schrijven was JGA reeds administrateur, wat de kans 1 op 6 maakt dat de hoofdpersoon JGA betreft.

Een administrateur in Asahan, laat ons zeggen Meneer N.N., had lust een tijgervel te bezitten. Hij verlangde ernaar, hetzij om naderhand voor een kooi in Artis te lezen: ‘Felis Tigris’ (Deli), geschenk van den heer N.N.’, hetzij om zich te Amsterdam in zijn slaapkamer de weelde te permitteren, zijn laarzen uit te trekken op de huid van het koninklijke dier, en de meid te horen zeggen: ‘Gruns Meheir, en het Uwe dat beist zellif geschoute?’ om dan te kunnen zeggen, ‘Ja meisje, hij zat voor de brandkast juist toen ik mijn cheque-boekje wou halen en dus…’

Nu dan, Meneer N.N. zette een val op, juist zoals veel mensen die een maatschappij willen maken, en zoals genen hopen op dikke kruideniers droomde deze van een volwassen tijger.

Maar, zou de val wel werken? Zouden ‘die stomme koelies’ dat zaakje wel goed hebben opgeknapt? Even kijken.

En hij ‘ging’ kijken, met nog een ander bij zich, hij ging zelfs in den val, om zich te overtuigen dat er geen gaatjes waren waardoor een koningstijger heen zou kunnen sluipen; … toen de deur door een ongelukkig toeval losschoot en naar beneden kwam. Daar zat hij nu, de zware balk was er voor geschoten en de ene man daarbuiten kon die onmogelijk alleen openmaken, daargelaten dat hij haast niet kon zien van het lachen om het benauwde gezicht van den ander. Weggaan en hulp halen!!

‘Ja, goede God, maar dan blijf ik hier alleen in het bos, en het wordt al avond…’

‘Nu, voor wilde dieren behoef je waarlijk niet bang te zijn, amice, je zit hier veiliger dan thuis. Nou, saluut, ik kom zoo gauw mogelijk terug.’

De tijgervanger werd tenslotte verlost, na een hele tijd wachtens, waarin hij zich telkens verbeeldde dat een tijger thuis kwam en met zijn huissleutel de voordeur van den val opendeed.’xcii

Planters stonden inderdaad bekend om het schenken van kunstschatten en wilde dieren. In 1883 schonk Herrings, de oprichter van de N.A.T.M., enige Batakse kunstschatten aan een museum in Leipzig. “A desire to contribute to a ‘greater scientific project’ also led a significant number of Germans and non-Germans to go to great efforts to support a museum they had never visited and would probably never see. Hermann




Planters met een gevangen tijger. Bovenste foto: uiterst rechts JGA. Onderste foto: tweede van links JGA (coll. JGA)

Herrings, for example, a well-known collector living in the Dutch colonial areas around Sumatra, agreed during the 1883 Colonial Exhibition in Amsterdam to give Leipzig a ‘unique’ collection from the ‘unknown Batas’ valued at 14,000 Marks, despite the fact that he had never visited the museum.”xciii

De aanleidingen voor deze genereuze schenkingen zullen verschillend zijn. In sommige gevallen zal inderdaad sprake zijn geweest van ijdelheid en prestige, maar er zullen ook schenkers geweest zijn die kennis wilden overdragen aan zijn landgenoten. Van JGA is mij geen directe schenking bekend.

In 1902 schonk de heer D.J. Stronck, de hoofdadministrateur van de N.A.T.M. en daarmee directe leidinggevende van JGA, “een jonge olifant aan de Rotterdamsche Diergaarde. Een jonge Javaan, die als verzorger de reis meemaakte, blijft ook gedurende de zomer in de Diergaarde met de verzorging belast.’ ‘De olifant welke luistert naar den naam Gemoq d.w.z. Dikkertje, werd toen hij nog zeer jong gevangen in het batak-landschap Tenah Djawa, afdeeling Batoe Bahra Oostkust van Sumatra.’ Het dier werd vervoer met het ss. Malang van de Rotterdamsche Lloyd.”xciv JGA vertelde zijn kinderen en kleinkinderen over deze schenking, zo herinnerde een kleindochter. “Opa was met veel collega’s ook jager. Zo ving hij in een kuil een jonge olifant en schonk hem aan Artis.”xcv JGA heeft zijn baas Stronck duidelijk geholpen met het vangen van de olifant.



Planters met een jonge olifant, vermoedelijk Gemoq (coll. JGA)

In 1907 schonken de Sultan van Asahan en de luitenant der marechaussee W.A. Hoogers “een tweetal, jonge van Sumatra aangevoerde mannetjes-olifanten aan Artis, die het aan een mannelijke Indische olifant ontbrak. “Toen de jonge dieren op het terrein van Artis aankwamen en in de stallen werden gebracht, barstte er een langdurig gejubel uit van de wijfjes-olifanten, afgewisseld door oorverdovend gebrul en luidklinkende snuitslagen tegen den bodem.”

Over andere dieren gaan in de familie meer verhalen de ronde. Zo bleek het gezin van JGA ook huisdieren te hebben. “Zij hielden honden, waarvan er één ‘s nachts gepakt werd door een tijger. Hij waakte onder het huis. De jongens kregen aapjes, kleine met grote ogen, maar dat ging al gauw fout. De vlooien bleken onvermijdelijk en het bleken bijterige beestjes. De jongens zijn ‘s nachts een keer gered door het personeel. Toen zij een grote, giftige slang hun slaapkamer zagen binnengaan, wisten zij de slang op tijd te vangen.”xcvi



Een plantersgezelschap poserend bij een gedode Sumatraanse tijger. Uiterst links: Jan Gijsbert Aaldersxcvii

Verlof 1909/1910

Begin 1907 verliet JGA met zijn vrouw en dochter Lies de plantage Kisaran waarop hij al ruim 12 jaar woonde en werkte.27 Reden voor deze wisseling van de wacht was het aftreden van de administrateur van de tabaksonderneming Tanah Radja der N.A.T.M. in december 1906. De hoofdadministrateur der N.A.T.M., D.J. Stronck, bleef voorlopig nog op zijn post in Kisaran. In juli 1908 werd Stronck publiekelijk aan de schandpaal genageld door een ontevreden assistent. Deze assistent liep – volgens eigen zeggen – tantièmes mis die hem wel door de administrateur waren beloofd. De assistent schreef o.a.:

In Deli wordt hard gewerkt, maar men wordt over het algemeen ook goed betaald. En wie onbevangen oordeelt, zal erkennen dat hier veel goeds is.

Echter, de medaille heeft hare keerzijde en zelfs eene zeer leelijke keerzijde: men heeft hier geen publiek leven, men heeft hier geen publieke opinie, men ‘leeft’ hier te weinig. Evenals overal elders wordt ook hier geleden, is ook hier niet elke chef een engel in menschen-gedaante, heeft men ook hier willekeur en autocratie. Toch hoort men er zoo weinig van. Men is hier bang, in het openbaar zijne meening te zeggen, de Delische samenleving is zoo klein. Altijd wordt in stilte gemopperd en geduldig wordt onrecht gedragen. Slechts bij uitzondering wordt hardop gesproken en dan nog bij zeer hooge uitzondering.

De Javaan, de Chinees heeft rechten en het Gouvernement zorgt, dat aan die rechten niet te kort wordt gedaan; heeft de Europeaan, de assistent, ook rechten? Nemen wij voor een oogenblik aan dat hij ze heeft, wie waakt hier dan voor die rechten? Hijzelf!? Dat weten wij wel beter,want wie hier voor zijn recht opkomt, is onherroepelijk verloren.”xcviii

Enkele maanden hierna hield Stronck het voor gezien; hij repatrieerde. Dit betekende voor JGA een prachtige promotiekans. De heer Ketner, die zich in 1907 in Amsterdam had gevestigd, wist zich hiervoor in november 1908 echter te schaken.xcix Daarmee werd Ketner de nieuwe hoofdadministrateur der N.A.T.M. met als standplaats Kisaran.

Op 2 juni 1909 ging JGA met zijn vrouw en inmiddels twee kinderen (Lies 2 jaar oud en Pier 5 maanden oud) met 9 maanden verlof. Zij reisden ditmaal met de S.S. Rembrandt. De N.A.T.M. betaalde een half salaris door en betaalde de bootreis voor het gehele gezin.

Vaak werd een verlof gebruikt om op goede voet te komen met de directeur in Amsterdam om zodoende de promotiekansen te vergroten. Door de aanstelling van Ketner tot hoofdadministrateur – een half jaar tevoren – was promotie binnen de N.A.T.M. voorlopig bekeken.

In 1909 of 1910, toen JGA met zijn gezin in Nederland op verlof was, vroeg Van Heekeren aan hoofdadministrateur Ketner op Kisaran om een functioneringsrapport betreffende JGA. Hij schreef daarop: “Bekwaan, vertrouwbaar administrateur, kon iets ijveriger zijn; regelt zijn optreden tegenover ondergeschikten te zeer naar mate zij hem sympathiek of dit niet zijn. Bezit niet veel intiatief, doch voert de hem gegeven opdrachten consciëntieus uit. Aangenaam in de omgang, goed mens en huisvader, bezit niet veel levenservaring en is daardoor in zijn optreden dikwijls wat onzeker.”c 28 januari 1910 werd JGA gemachtigd om als plaatsvervangend-hoofdadministrateur op te treden wanneer de hoofdadministrateur door ziekte, afwezigheid of andere omstandigheden verhinderd was. In het verleden trad de boekhouder op als plaatsvervanger van de hoofdadministrateur, waardoor dit een mooi gebaar jegens JGA was. Daarentegen lijkt het ook op een zoethoudertje.

13 maart 1910 kwam JGA terug van verlof en nam weer het beheer over van de plantage Tanah Radja. Hij kwam echter alleen; zijn echtgenote en twee kinderen Lies en Pier bleven achter in Nederland. Uit een schrijven van 7 februari 1910 van Ketner aan Van Heekeren blijkt de achterliggende reden:

Wij namen er nota van dat de heer J.G. Aalders per S.S. Koning Willem III alleen naar hier zal terugkeren en dat wij hem omstreeks 10 maart a.s. hier verwachten kunnen. Met veel leedwezen vernamen wij dat zijne echtgenote wegens ziekte in Holland achterblijft; wij hopen van harte dat zij spoedig weder geheel hersteld naar Asahan zal kunnen terugkomen. Indien de heer Aalders ons tijdig verzocht had om een korte verlofsverlenging om dan tezamen met Mevrouw Aalders te kunnen terugkeren, dan zouden wij er geen bezwaar in gezien hebben, hem die verlofsverlenging toe te staan. Ketner”ci



Het stoomschip Willem III van de Stoomvaart-Mij. Nederland

(olieverfschilderij door Arnold de Lange)cii

Tine Aalders-Schaafsma was op dat moment zwanger van haar derde kind en bleef nog een aardig lange tijd achter in Nederland. Op 13 juli 1910 beviel zij in Amsterdam van zoon Jan. Haar man was toen alweer enige maanden aan de slag op Tanah Radja. Rond 20 oktober 1910 kwam Tine Aalders-Schaafsma aan te Asahan. Tine Aalders-Schaafsma reisde samen met een mejuffrouw Steensma, mogelijk haar kindermeisje of gezelschapsdame.



De Sumatra Post 7 oktober 1910

Verwarrend in dezen is een mededeling van Ketner aan Van Heekeren: “Wij hebben den heer J.G. Aalders een verlof verleend van 5 tot 18 oktober naar Colombo om zijn echtgenote en kinderen vandaar af te halen.”ciii JGA zal zijn zoontje Jan voor het eerst in de handen hem gehad op de rede van Colombo of Tandjong Balei.

Tanah Radja bleek een te grote onderneming geworden. Ketner overwoog de afdeling Goerach Batoe af te splitsen. Deze afdeling was al in de jaren ’90 van de negentiende eeuw een zelfstandige onderneming binnnen de N.A.T.M. geweest. In oktober 1910 schreef Ketner aan Van Heekeren: “De aanplant krijgt nu te grote uitbreiding om die als afdeling van Tanah Radja of als zelfstandige afdeling onder een hoofd-assistent onder mijn direct toezicht te kunnen drijven”civ Goerache Batoe werd weer een zelfstandige onderneming binnen de N.A.T.M. met een eigen administrateur aan het hoofd.

In Augustus of September 1911 werd de N.V. Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij (N.A.T.M.) geliquideerd. De ondernemingen gingen over op de General Rubber Company, welke deze ondernemingen weer heeft ingebracht in de te Amsterdam gevestigde N.V. Hollandsch-Amerikaansche Plantage Maatschappij. De heer H. Ketner bleef hoofdadministrateur der ondernemingen aan de Oostkust van Sumatra en voor de rest bleef het beheer ook hetzelfde. cvJGA bleef voorlopig administrateur van Tanah Radja.

JGA heeft slechts 9 maanden voor de N.V. Hollandsch-Amerikaansche Plantage Maatschappij gewerkt. Juli 1912: “Hollandsch-Amerikaansche Plantage Maatschappij. De administratie deelt ons mede, dat zij den heer J.G. Aalders op zijn verzoek eervol ontslag als administrateur der onderneming Tanah Radja heeft verleend.”cvi JGA werd hoofdadministrateur der N.V. Asahan Rubber Maatschappij, onderdeel van het Insulinde Cultuur Syndicaat in Amsterdam. Daarmee maakte JGA de overstap van tabak naar rubber! Of was dit al eerder het geval?



Gezin Aalders-Schaafsma aan tafel (coll. JGA)

Rubbercultuur

Rubber, beter gezegd natuurrubber, ontstaat uit een emulsie in het sap van een aantal plantensoorten, zoals de Braziliaanse rubberboom (Hevea Brasiliensis) en de Indische rubberboom (Ficus Elastica). Dit sap is bekend als latex. Ongeveer 33% van dit sap bestaat uit rubber. Dit latex wordt vervolgens gefiltreerd en verdund met water. Het resultaat hiervan wordt met zuur behandeld om de rubberdeeltjes te doen stollen. Het resultaat hiervan, ook rubber genoemd, wordt tot dunne plakjes gerold en gedroogd.cvii

Rond 1800 werd rubber gebruikt als vlakgom en werden de eerste rubberen banden geïntroduceerd. Door de industriële revolutie nam de vraag naar rubber aan het einde van de negentiende eeuw reusachtig toe. De belangrijkste leverancier van latex (het voornoemde sap van de rubberbomen) was de Amazone. De Brazilianen beschermde daardoor de handel streng. Het verhaal gaat zelfs dat men het uitvoeren van rubberzaden met de dood moest bekopen. In 1876 was het de Engelsman H.A. Wickham echter gelukt om 70.000 zaden van de Hevea Brasiliensis het land uit te smokkelen. Hij verkocht het door, waarna de Heve snel op plantages in Maleisië werd gekweekt. Binnen enkele decennia lukte het om op plantages in Azië de rubberboom op te kweken. Niet alleen was de latex van deze plantages goedkoper, de kwaliteit was ook beter dan de rubber uit Brazilië. Na 1910 stortte de Braziliaanse rubbercultuur in. De rubberbaronnen in Brazilië zagen hun inkomsten dalen tot nul en de ooit glorieuze Braziliaanse rubberhoofdstad Manaus verpauperde.cviii

In de eerste jaren van de twintigste eeuw drong het succes van de rubbercultuur in Maleisië door tot Nederlands-Indië. De grote winsten waren voortaan met rubber te behalen. Teleurstellende resultaten van verschillende tabaksplantages werkten de overstap naar de rubber in de hand. Aan de Oostkust van Sumatra en op Java gingen plantages langzaam maar zeker Ficus Elastica en vooral Hevea Brasiliensis aanplanten. De planters op Sumatra’s Oostkust reserveerden tevens grond voor andere culturen, zoals koffie en kinabast.

De Indische rubberboom, de Ficus Elastica, bleek echter minder geschikt;

(…) Er waren er, die dat zonde en jammer vonden. Er was maar een gewas, dat [in Asahan] in het groot kon gaan en dat tevens een markt had! In de eerste jaren van deze eeuw waren er juist de aanwijzingen voor: de rubber. De in Indië inheemse rubberboom was de Ficus Elastica en inderdaad werden voor 1910 de aanplantingen van Ficus Elastica in de Oostkust van Sumatra vermeerderd. Toen evenwel vast stond, dat de Hevea Brasiliensis zoveel meer rubber opleverde, werd de Ficus Elastica vervangen hier, losgelaten daar en over heel Java en Sumatra ging de roep van de Hevea.”cix

Reeds in september 1907 waren er 44 ondernemingen ter Oostkust van Sumatra waar rubber werd verbouwd. “Van deze ondernemingen beoefenen [in 1907] 14 uitsluitend de rubbercultuur. Op 19 ondernemingen wordt de caoutchouc28 verbouwd te zamen met koffie, op 4 tezamen met tabak; op 2 tezamen met koffie en klappers; op 2 tezamen met tapioca; op 1 tezamen met katjang tanah; op 1 tezamen met koffie en tabak; op 1 tezamen met klappers.

Te betreuren blijft het, dat het Hollands kapitaal in de Delische caoutchouc-cultuur slechts een ondergeschikt aandeel heeft, intussen is het een heugelijk feit dat de bloei van ons gewest steeds minder afhankelijk wordt van een enkele grote cultuur, die van het ‘dekblad’.”cx

Het waren inderdaad niet de Nederlanders die voorop liepen in de overgang naar rubber in Nederlands-Indië . Dat de overgang vooral door buitenlands kapitaal in werking werd gezet viel verschillende Nederlanders op. In augustus 1907 liet een Nederlander kritisch van zich horen in het Algemeen Handelsbladcxi:

Ondanks de rooskleurige vooruitzichten is het den schrijver opgevallen hoe weinig geld er nog door Hollanders in de rubbercultuur op Java wordt gestoken. ‘Verreweg de meeste in exploitatie zijn de rubberondernemingen op Java zijn in handen van vreemdelingen. In westelijk Preanger werkt men hoofdzakelijk met Frans en Belgisch kapitaal, in Bandjard worden de ondernemingen meest door Engelsen geëxploiteerd terwijl in Bantam vele percelen aan Duitsers toebehoren. (…) In West-Java, waar zowel bodem als klimaat gunstig zijn voor Hevea Brasiliensis en Ficus Elastica, terwijl de werkkrachten in vergelijking met andere landen zo overvloedig en goedkoop zijn, zal de gemiddelde kostprijs der rubber, die in de Straits en Ceylon slechts 60 cts. per pond bedraagt, stellig eerder lager dan hoger wezen.

‘Waar blijft de oud-Hollandse ondernemingsgeest?’.”

Eind 1907 bleek nog geen onderneming van de N.A.T.M. overgestapt te zijn op de rubber.cxii Hieruit blijkt de gereserveerde houding van hoofdadministrateur Stronck die een jaar later zijn aftreden bekend maakte. Even gereserveerd zal JGA zijn geweest, want tot de eerste aanplant van rubberbomen op de onderneming Tanah Radja werd in augustus 1909 besloten door diens plaatsvervanger In ‘t Veld. JGA was van 2 juni 1909 tot 13 mei 1910 met verlof in Nederland.

Verder wordt medegedeeld, dat de landconcessie ‘Tanah Radja’ door goede hoedanigheid van de grond en de mooie regenval bij uitnemendheid geschikt is voor de cultuur van rubber en koffie. Het voornemen bestaat in de loop van het eerste jaar 1000 bouws met hevea-rubber te beplanten en robustakoffie als nevencultuur te benutten. Het tweede jaar worden op gelijke wijze nog 500 en het derde jaar wederom 500 bouws in exploitatie gebracht, zodat alsdan totaal twee duizend bouws beplant zijn.”cxiii

De opmerking van Ketner aan Van Heekeren m.b.t. het functioneren van JGA, “Bezit niet veel initiatief, doch voert de hem gegeven opdrachten consciëntieus uit”, zal in dit kader geplaatst moeten worden. Over de gereserveerde houding van tabaksplanters schrijft Clerx het volgende:

De tabakkers zien met een zekere minachting neer op de rubberplanters. Veersema laat een tabakker zeggen: ‘Rubber kan iedereen planten en tappen. Rubber kan de grootste ezel tot sheets en crêpe verwerken. De fabriek doet al het werk. En de koelies de rest.” Zo was de verhouding tenminste voor de periode der stijgende rubberprijzen. In het begin van die periode zien we enkelen en later velen van de tabak in de rubber gaan. Mevrouw Szekely-Lulofs licht dit als volgt toe: “toen de historie van Deli nog in haar kinderschoenen stond, was de tabaksassistent een veel meer te respecteren soort assistent dan de rubber dito, omdat tabak het eerste en oudste gewas op de Oostkust van Sumatra was. Maar toen de rubber met goud betaald werd en de rubberassistent in een auto reed, waar zijn tabakscollega nog altijd in een buggy rondsjokte, daar rees natuurlijk de rubberassistent in aanzien en zelfbewustzijn.”cxiv

In 1911 werd – zoals eerder geschreven – de N.A.T.M. geliquideerd. De ondernemingen waren – onder leiding van hoofdadministrateur Ketner – inmiddels gedeeltelijk overgegaan tot de aanplant van Hevea Rubber. Amerika was de grootste wereldeconomie met dito industrie, maar bezat in tegenstelling tot veel Europese landen geen koloniën waar zij rubber konden verbouwen. Rubber kent een zeer zwarte geschiedenis aangaande de productie van latex. In Brazilië overleefden maar weinig rubbertappers het verblijf in de Amazone, maar de situatie in de Kongo Vrijstaat spande de kroon. In dit privébezit van Koning Leopold II van België werd tussen 1890 en 1910 belasting geheven onder de bevolking in de vorm van latex. Belastingontduiking werd gestraft met verminkingen (afhakken van ledematen) of zelfs moord.cxv

Het gebrek aan koloniën van Amerika verklaart de investeringsbereidheid van de Amerikanen in cultuurondernemingen in Nederlands-Indië. Het uitblijven van Nederlands kapitaal werkte deze investeringen in de hand. In mei 1911 bracht de president van de Nederlandse Handel-Maatschappij, de oud-Deli-man J.T. Cremer29, een bezoek aan Amerika. Hij sprak aldaar met enige bestuursleden van de United States Rubber Company en de General Rubber Company.cxvi

Gelijktijdig met het bezoek van Cremer aan de General Rubber Company in Amerika kreeg de Nederlandse media reeds lucht van een aanstaande verkoop der N.A.T.M.;

Naar wij uit goede bron vernemen is de verkoop van de ondernemingen der Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij aan de General Rubber Company thans een voldongen feit. Reeds in het begin van het vorige jaar werden hierover onderhandelingen tussen de beide maatschappijen gevoerd, die echter in oktober jl. weder werden afgebroken. In maart van dit jaar werden de onderhandelingen weder hervat met het bovenvermeld resultaat.

De General Rubber Company zal, na afwerking van de tabaksoogst 1911, de cultuur van tabak staken en zich uitsluitend en op zeer grote schaal bezighouden met de cultuur van rubber.”cxvii

De ondernemingen werden door de General Rubber Company ondergebracht in een Nederlandse naamloze vennootschap, de Hollandsch-Amerikaanse Plantage-Maatschappij. Cremer zal dit waarschijnlijk hebben bedongen en het zal mij niet verbazen ‘zijn’ Nederlandse Handel-Maatschappij één van de grootaandeelhouders daarvan werd. “De Hollandsch-Amerikaansche Plantage Maatschappij verkeert in de eigenaardige positie, dat haar mettertijd te produceren rubber niet aan de markt gebracht, doch tot eigen gebruik door de industriëlen eigenaren der Maatschappijen in Amerika, zal aangewend worden.”cxviii

N.V. Asahan Rubber Maatschappij

Wij zijn reeds op de weg der onderneming. Links en rechts staan de licht-bruine rubberbomen hun witte bloed te bloeden in kleine kommetjes, die om den stam gebonden zijn. De tap is reeds begonnen, reeds bijna geeindigd. De laatste tappers pikollen hun opbrengst naar de fabriek in grote emmers, zoals de melkmeisjes het in Holland deden met haar melk.

En ge zoudt ook zweren, wanneer het landschap Hollands was, de tappers blank, dat het melk was, wat in de emmers zit, fris-gemolken melk, met de luchtbellen der versheid er nog bovenop.

Maar het is latex, de rubber-materie, die in de fabriek wordt gezeefd, in de bakken geplaatst, vermengd met een chemische oplossing, gedroogd en bewerkt.”cxix

In 1911 werd nog een andere Asahanse tabaksmaatschappij verkocht. De Asahan Tabak Maatschappij “Silau”, bestaande uit de ondernemingen Soengei Silau30, Soengei Meradja en Poelau Mandi, werden in dat jaar verkocht aan het Insulinde Cultuur Syndicaat (ICS) te Amsterdam. In 1910 werd het ICS opgericht:

Een nieuw, Nederlands rubber-syndicaat, met een kapitaal van 5 miljoen! Met de gereserveerde houding van het Nederlands kapitaal ten opzichte van onze kolonie schijnt het werkelijk gedaan.

De nieuwe onderneming, waarvan wij de oprichting kunnen berichten, het Insulinde Cultuur Syndicaat is te Amsterdam opgericht. Zij wil in den geest van den Engelse syndicaten werkzaam zijn en zich o.m. tot taak stellen financiële en zedelijke steun te verlenen bij de oprichting en de verkoop van particuliere ondernemingen. Uit het prospectus blijkt, dat ze een soort ‘contre-poids’ tegen Harrisons & Crosfield en gelijksoortige ondernemingen vormen wil. Het streven is o.m. om, terwijl Londen en Antwerpen reeds een rubbermarkt hebben, ook in Nederland een belangrijke markt voor dit artikel te scheppen. De oprichters zijn bovendien van oordeel dat er nog alle reden is om de succesvolle oprichting van nieuwe maatschappijen te verwachten. Rubbercultuur in Indië en rubberhandel in Nederland zullen aldus hand aan hand gaan, evenals met de tabak en andere artikelen reeds het geval is. Ook wil het nieuwe Syndicaat de nodige aandacht wijden aan de thee-cultuur, deze uitbreiden, de beleggingen in theewaarden populariseren en de theehandel zoveel mogelijk naar Nederland verleggen.

De Oostkust-cultuur blijkt goed vertegenwoordigd in de nieuwe onderneming.”cxx

In juli 1912 had JGA, zijnde administrateur van de onderneming Tanah Radja, eervol ontslag gevraagd en gekregen van de Hollandsch-Amerikaansche Plantage-Maatschappij. Hij werd diezelfde maand door de directie van het ICS aangesteld tot nieuwe administrateur van de Asahan Tabak Maatschappij Silau.

Op 27 november 1913 werd door het ICS de naamloze vennootschap Asahan Rubber Maatschappij opgericht. Daaronder vielen de plantages Soengei Silau en Silau Meradja. Ditmaal viel JGA wel de eer te beurt: hij werd aangesteld tot hoofdadministrateur van de N.V. Asahan Rubber Maatschappij! Deze aanstelling had hij waarschijnlijk voor een deel te danken aan zijn voormalige baas Stronck. Deze oud-hoofdadministrateur der N.A.T.M. was inmiddels directeur van de Linkungan Borneo Rubber Maatschappij en één van de mede-oprichters van de N.V. Asahan Rubber Maatschappij. Hij was sedert de oprichting aan de laatstgenoemde naamloze vennootschap verbonden als commissaris.



Algemeen Handelsblad 2 december 1913

De post van hoofdadministrateur van de Asahan Rubber Maatschappij heeft JGA slechts kort waargenomen. Hij was al spoedig in onderhandeling met een grotere rubberonderneming op Sumatra: de Sennah Rubber Company!

Sennah Rubber Company in het sultanaat Bila

Het sultanaat Bila lag nog meer afgelegen dan het sultanaat Asahan. Bila lag ten zuidoosten van Asahan, eveneens aan de kust, en behoorde toe aan de afdeling Laboean Batoe, residentie Sumatra’s Oostkust. Het vlakke, lage en moerassige landschap van Bila wordt doorsneden door de Bila-rivier. Deze rivier was voor stoombootjes met een geringe diepgang voor een groot deel goed bevaarbaar. Door de jaarlijkse overstromingen ontbraken in de benedenstreken wegen en voetpaden. De gemeenschap tussen de kampongs onderling heeft steeds door middel van de sampans te water plaats. De havenplaats van Bila was Laboean Bilik31. Een bezoeker beschreef deze havenplaats als volg:

De smerige haven van Belawan [in Deli] was in vergelijking met deze plaats een paradijselijke plek. De nederzetting bestond uit enkele bamboehuisjes op palen, een paar uit bilik opgetrokken loodsen en enige gerieflijke uitziende bungalows waarin de vertegenwoordigers van de hier gevestigde handelmaatschappijen woonden. De bestuursambtenaren, de marechaussee en de tolbeambten huisden op een andere plek, waar ook de sociëteit, een schuur met een dak van palmblad, stond. De haven lag aan de monding van een brede rivier. Een paar Maleise prauwen, wat Chinese jonken en de roestige Dandy was alles wat er aan schepen lag. Een drukkende stilte lag over de verlaten plaats. De inlanders lagen in hun hutten te luieren en de Europeanen hadden achter hun gesloten luiken een toevlucht gezocht tegen de schroeiende zon. Van hieruit moest ik nog twee dagen stroomopwaarts naar Laboean-Batoe. Hoe moest het er daar wel uitzien, als het hier al zo verschrikkelijk was, met die stank van rotte vis en die zenuwslopende stilte, waar welgeteld tien Europeanen woonden. Als planter was ik geen luxe gewend, maar dit oord met zijn visdrogerijen en moddergassen had een deprimerende uitwerking op mij. Ik bracht de nacht in de logeerkamer van de sociëteit door. Zwermen malariamuggen zoemden hun slaapliedjes in mijn hoofd; enkele vonden de weg onder de klamboe. (…)”

In 1906 werd de N.V. Verenigde Hevea Plantagen der Bila-landen opgericht. Daaronder vielen drie rubberondernemingen: Kaloendang, Byawak en Calixberge.cxxi Daarmee behoorde deze maatschappij tot een van de eerste rubberondernemingen aan Sumatra’s Oostkust, uiteraard met buitenlands kapitaal. De Belgische firma Bunge & Co was een van de mede-oprichters. In november 1913 werd de N.V. Verenigde Hevea Plaantagen der Bila-Landen geliquideerd. De ondernemingen werden door het Engelse Sennah Rubber Company Ltd. in Londen overgenomen.cxxii

The estates are situated on the Bila and Kaloendang rivers; the former being navigable communication is easy with the port of Laboean Bilik, from whence the steamers of the Royal Dutch Packet Company run to Singapore in about 30 hours, and to Tandjong Balei, Asahan, in about 8 hours.”cxxiii

In oktober 1911 berichtte de Sumatra Post het volgende over Bila:

Met genoegen hebben destijds de postambtenaren in Bila vernomen, dat het postkantoor van Rantau Prapat naar Marbau (Brussel Estate) zal worden verplaatst. Rantau Prapat is een waar malaria-oord. Men kan het er niet lang uithouden. In enkele jaren kwamen en gingen er 4 postchefs en de huidige postchef heeft om gezondheidsredenen ook al weer overplaatsing gevraagd.

Zo worden zelfs in Bila, dat lange tijd een zeer ongunstige naam had en als ‘n ware wildernis werd voorgesteld, de toestanden langzamerhand zoals zij wezen moeten. Maar er blijft nog zeer veel te doen. In de eerste plaats moet ook hier gezorgd worden voor goede wegen. Het vervoer van voedingsmiddelen en van alle materialen en producten heeft nu door middel van de Bila-rivier plaats, maar ook hier levert het vaak de grootste moeilijkheden op door de vaak zo lage waterstand van de rivier. In Paneh is de aanlegsteiger levensgevaarlijk, zo rot en wankel is hij. De wegen zijn daar haast onbruikbaar. Men had in 6 maanden tijd geen doktor djawa in Paneh. Toch heerste daar, en nog, de cholera.

Het binnenland van Bila heeft ‘n goed klimaat, zowel voor Europeanen als voor koelies. Bila ontwikkelt zich meer en meer en er is veel vooruitgang te bespeuren. Er zijn nu reeds een 8-tal grote rubberondernemingen geopend: Calixbergen, Byawak, Kaloendang, Pangkattan, Milano, Brussel, Parnantian en Panigaran. De rubber staat er prachtig. De 2 a 3 jarige bomen zien er net zo goed uit als in Deli. Vooral de ondernemingen van de Sennah Rubber Company zijn flink aangepakt.”cxxiv



woonhuis van de familie Aalders in Bila (coll. JGA)

JGA werd in 1914 aangesteld tot hoofdadministrateur der Sennah Rubber Company. Daarmee was hij verantwoordelijk voor het reilen en zeilen der drie ondernemingen Kaloendang, Byawak en Calixberge. Hij nam zijn vrouw en vier kinderen (inmiddels was ook zoon Kik geboren) mee op avontuur. Als er überhaupt al sprake was van een geciviliseerde omgeving in Asahan, dan kwam daar door de verhuizing weer een einde aan. Daarentegen zal het woonhuis van JGA op de plantage Calixberge niets te wensen hebben overgelaten. Dit betreft immers hoofdadministrateurs-huis, wat tevens een visitekaartje was van de maatschappij.

Een jaar na zijn aanstelling werd JGA – en waarschijnlijk ook zijn echtgenote – opgeschrikt door een moord op een van zijn ondernemingen. En nog verontrustender, deze moord stond niet op zichzelf.

De moord op Byawak-Estate

Omtrent de oorzaak van den moord op den assistent Gunz op Byawak-Estate valt, volgens ‘De Planter’ nog te vermelden, dat de assistent de dag te voren een contractvrouw een klap had gegeven, welke afstraffing haar echtgenoot klaarblijkelijk zodanig verbitterd en met wraakgevoelens bezield heeft, dat de aanval er het gevolg van was.

Deze lezing wordt althans door de moordenaar zelf gegeven.

De Sennah Rubber Compagnie, waartoe de in het Bila’sche gelegen onderneming Byawak behoort, is niet erg gelukkig op het punt van assistenten-aanrandingen met dodelijke afloop.

In november 1910 werd haar assistent Darke op het werk door de koelies vermoord.

In januari 1912 bracht een Javaanse contractant den assistent Hollmann, in dienst der zelfde Maatschappij, op het terrein der werkzaamheden om ‘t leven.

En nu heeft een derde hetzelfde lot getroffen.

De in de beide eerste gevallen aan de moordenaars opgelegde straffen, 15 en 20 jaar aan die van Darke, 20 jaar aan die van Hollmann, schijnen niet bepaald aan hun doel: het stellen van een afschrikwekkend voorbeeld, te hebben beantwoord.”cxxv

JGA was de gehele Eerste Wereldoorlog (1914-1918) hoofdadministrateur van de Sennah Rubber Company in Bila. Hoewel Nederland neutraal wist te blijven in de Eerste Wereldoorlog, hadden ze wel te kampen met grondstoftekorten. Het zeevaartverkeer was ernstig bemoeilijkt. Wellicht waren de transport- en communicatiemogelijkheden tussen Engeland en Indië beter dan die van Nederland met Indië. De eerste jaren wist JGA mooie winsten te behalen in Bila; de eerste jaren verdubbelde de omzetcijfers zelfs. Wellicht is dit te danken aan de oorlog, waarbij de vraag naar rubber flink toenam. In januari 1916 werd een dividend van 10% uitgekeerd aan de aandeelhouders. Dit betekende voor JGA tevens een mooie winstuitkering! JGA werd geprezen door de aandeelhouders:

[Chariman the Hon. Everard Feilding] said: (…) The proceeds of the sale of the rubber, less freight and sale charges, amounted to L 100,295 , as compared with L 72,284 in 1914 and L 56,377 in 1913. (…) In concluding I would like in your name to express our thanks to our visiting agent, Mr Blick, our general manager, Mr. Aalders, and all the staff, among whom deserving of special mention are the medical officer, Dr Smits, and our accountant Mr Van der Laan, for their excellent pilotage of our affairs through the troubled waters of this anxious year.”cxxvi

Vanuit het clubgebouw van de Sennah Rubber Company werden de planters bij tijd en wijlen op de hoogte gehouden van de oorlog in Europa. Daarnaast was dit ook de plaats voor vertier en ontspanning.

Tournée-Arbous

Wie Zaterdagavond langs het gezellige, helder verlichte clubgebouw van de Sennah Rubber Cie. gewandeld had om van den heerlijke tropische avond te genieten, zou zeker niet verder gegaan zijn, maar, evenals ik, gevraagd hebben of er voor hem ook nog een plaatsje was tusschen al die vrolijke gezichten en, zeker, de vriendelijke gastheer zou ‘t niet geweigerd hebben.

Immers, daar traden op de heer en mevrouw Arbous en de heer Marchand om ons van hunne declamaties te doen genieten.

Genieten – soms dat ons de tranen in de oogen kwamen, dan weer om ‘t uit te schateren. ‘t Staat niet aan mij – ik die zoo brutaal ben binnengeloopen – een recensie over dezen welgeslaagden avond te geven, maar even toch wil ik enkele dingen ophalen;

‘de Kurassiers…’ hoe wel werd ons geschilderd het verschikkelijke van den oorlog, hoe duidelijk zagen we allen en alles voor ons. We zagen ze draven en vallen de rossen met hunne helden.

Hoe eenige vertolkte de heer Arbous:

‘Een heerenhuis te koop’ van Heyermans. Daarna zagen we de Hègsche studentjes voor ons, Rembrant’s ‘Nachtwacht’ bewonderd. Verder deed de heer Marchand ons o.a. genieten van : ‘Brave Marin’, Bonsoir, Madame la Lune, ‘Het Taschje’, ‘Zijn eerste’, enz.

En zoo zou ik verder kunnen gaan.

Nog een hartelijke woord van dank aan den heer en mevrouw Aalders, dat ik wel uit naam van allen, die dien avond aanwezig waren in ‘t clubgebouw van de Sennah-Rubber Cie., mag uitspreken, is zeker hier op zijn plaats.

Einsamer Wanderer.”

In januari 1917 was er een lezing van Dr. Rutgers in het clubgebouw van de Sennah Rubber Company:

In het ruime en gezellig ingerichte Clubgebouw der Sennah Rubber Co Ltd. te Bila, werd op den 9en Januari jl. een zeer interessante lezing gehouden over ‘voeding en tappen van Hevea in verband met het tappen en winteren van de bomen’, door Dr. Rutgers, directeur van het algemeen proefstation van de A.V.R.O.S.

Van het begin tot het einde der lezing wist de heer Rutgers de aanwezigen te boeien, wat wel bleek uit het feit, dat men over verschillende gedeelten, na afloop der voordracht, vragen had te stellen, die door den heer R. op doeltreffende wijze werden beantwoord.

Onder het gehoor bevonden zich, behalve alle heren en zelfs 4 dames van de Sennah Rubber Co Ltd., nog enkele heren van naburige ondernemingen.”cxxvii

Dat de omstandigheden in Bila nog primitiever waren dan in Asahan blijkt uit het feit dat Tine Aalders-Schaafsma tijdens haar zwangerschap gedeeltelijk in Medan verbleef. Zij beviel in september 191532 van zoon Wil en in mei 1917 van zoon Gijs te Medan. Haar oudste zoon, Pier, was in 1917 en 1918 leerling aan de lagere school in Medan. Daarmee woonde hij tijdelijk niet bij zijn ouders. Zijn zus Lies was al enkele jaren eerder naar haar grootouders in Harlingen gestuurd. Asahan en Bila waren duidelijk geen geschikte plaatsen voor onderwijs.

In 1918 werd JGA getroffen door een beroerte. Hierop diende hij zijn ontslag in als hoofdadministrateur van de Sennah Rubber Company en als administrateur van de onderneming Calixberge. Daarmee kwam een einde aan zijn plantersleven. In juli 1918 vertrok het gezin per S.S. Treub naar Bataviacxxviii, waarna zij zich voor een jaar te Bandoeng vestigden. In Bandoeng zaten hun oudste kinderen op de lagere school met den bijbel. Het gezin repatrieerde in 1919.

Een oud-planter: “Sparen! Welnee! Je komt hier om te verdienen! Je moet zoveel tantièmes verdienen, dat je het geld niet op kunt… en dan ga je daarmee later fijn luilakken in Holland.”

Maar of men nu door “sparen” of “verdienen” geld bijeen wil brengen, het doel van hen die in Deli aankomen is “geld”; of zoals een planter zegt: “Niemand komt hier om een mooi werk te leveren, maar om mooi geld te verdienen.cxxix

Het gezin van Jan Gijsbert Aalders in Europa

In 1919 verliet JGA met zijn gezin het geliefde Nederlands-Indië. Desondanks koesterde JGA ook een grote liefde voor Nederland. Hij hield zeer veel van Nederland, aldus zijn zoon.cxxx Sir Henri Deterding (1866-1939) zei ooit dat in Indië een dubbele les te leren valt: “Namelijk die, dat Indië veel voor ons betekent en ook die, dat wie Nederland gedurende enkele jaren op een afstand ziet, onze Hollandse enghartigheid33 verliest.”cxxxi Of JGA Nederlanders eveneens als ‘bekrompen’ zou typeren is niet meer na te gaan, maar het lijkt mij niet onwaarschijnlijk. Het mag duidelijk zijn dat het contrast tussen de werelden van Asahan en Bila enerzijds en Holland anderzijds gigantisch geweest moeten zijn. De arbeidsethos op Sumatra’s Oostkust was extreem prestatiegericht. De uitzonderlijke ondervertegenwoordiging van vrouwen in de Oostkust-samenleving – met name tot aan het begin van de twintigste eeuw34 – deed de planters vervreemden van hun Hollandse normen en waarden. Daarnaast heerste op Sumatra een strakke discipline, zeer veel vrijheid zonder tussenkomst van ambtenaren, gehoorzaamheid van minderen en een typische hiërarchie met daarbij behorende omgangsvormen. Daarnaast kwamen veel geslaagde planters, zoals JGA, als miljonairs terug in Nederland. Dit leidde tot eigenaardig gedrag; typerend voor Deli-mannen.

Oud-planters waren zeer veeleisend, zeker bij terugkomst in Nederland. Ter illustratie een voorbeeld van een oud-Indiëganger: “Ook de bediening [in Nederlands-Indië] is schitterend en daardoor is het zeer begrijpelijk, dat menig oud-Indischman zich ergert aan de toestanden hier te lande.”cxxxii Wellicht was het gedrag voor oud-Indiëgangers zelf begrijpelijk, maar voor veel Nederlanders was het gedrag niet te begrijpen. De Nederlanders konden dit gedrag niet plaatsen, doordat een wereld zoals de Oostkust van Sumatra voor hen totaal vreemd was. De aparte omgangsvormen en mentaliteit van deze oud-planters werd door hen aangeduid als tropenkolder. Ze vielen voortaan onder de noemer: Deli-mannen.

Ook JGA en zijn echtgenote hadden enkele aparte trekjes, zo herinneren zich enkele kleinkinderen. Een kleindochter schreef: “Zij hadden wat kleine – in mijn ogen – feodale trekjes. Bij de afwas in Bosch en Duin werden in het afwaswater eerst de borden van de familie des huizes, daarna de bakken van de honden en als laatste de borden van ‘t personeel afgewassen. Ik stuurde, ongeveer 8 jaar oud zijnde, aan opa en oma een verjaardagskaart. Deze kreeg ik terug met een streep door de fouten. Ik heb ze nooit meer een kaart gestuurd.” Desondanks heeft zij wel warme herinneringen aan haar grootouders. “Oma Christien was een vrolijk mens met een luidruchtig, harde lach. Zo hebben [een nicht] en ik genoten van een bezoek aan het circus in Almelo, waarbij wij het meest plezier hadden van de onbedaarlijke lach van oma, die niet te stuiten was.”cxxxiii

In 1919 nam het gezin Aalders hun intrek in de charmante villa ‘Siebengewald’ aan de Vossenlaan 8 in Bosch en Duin (tussen 1966 en 1980 vond een hernummering plaats, waardoor het tegenwoordige adres is: Vossenlaan 20). Het huis zal hebben toebehoord aan de Maatschappij ‘Siebengewald’ uit Rotterdam en stond enige jaren leeg. Slechts korte tijd (begin 1919) werd de villa bewoond door de Oostenrijkse pianist S.J. Osenegg. Ook de familie Aalders had plan slechts enige jaren in Bosch en Duin te door te brengen.
In 1921 vertrok het rentenierende gezin voor een kleine drie jaar naar Heidelberg. Het gezin vestigde zich aldaar vanwege het zachte klimaat, wat ten goede moest komen aan de gezondheid van JGA. Hij had last van hartklachten. “Het eerste huis aldaar beviel niet qua akoestiek, waarna opa het schonk aan een studentenvereniging aldaar. Het volgende huis werd al gauw verlaten, daar opa de Duitsers niet mocht. Hij paste daar natuurlijk niet; de Duitsers waren zo arm en dan komt daar ineens een schatrijke Nederlander” herinnert een kleindochter.cxxxiv In mei 1924 keerde het gezin terug naar Nederland; JGA werd aangesteld tot onderdirecteur van De Wit & Co’s dekenfabrieken te Helmond




De twee huizen van JGA in Heidelberg. Het bovenste huis zou naar verluid door hem zijn geschonken aan een studentenvereniging en het onderste huis zou hij hebben gebouwd. (coll. JGA)


woonhuis van de familie Aalders te Helmond, Warandelaan 13 (1924-1926) (coll. JGA)
In de Warandelaan woonden verschillende notabelen van Helmond, zoals de adelijke familie Wesselman van Helmond en de industrieel Van Thiel. De straat ligt in de nabijheid van Warandepark. Helaas is dit huis inmiddels afgebroken.

De Wit & Co’s dekenfabrieken te Helmond 1924/1925

Op de één of andere manier kwam JGA voor zijn werk altijd terecht in de meest bizarre oorden: achtereenvolgens in het modderige Asahan, het desolate Bila en nu in Helmond. Er zijn maar weinig steden in Nederland waarvan de eigen inwoners hun stad als de lelijkste stad van Nederland bestempelen. Deze ‘eer’ viel Helmond wel te beurt. Rond 1900 hield notaris August Sassen, gemeenteraadslid en geschiedschrijver, zijn collega’s in de raad mistroostig voor: ‘Laten we bekennen, dat we wonen in één der lelijkste steden van het land. Daar valt een vreemdeling, die ons bezoekt, eenvoudig van om.’ De Helmondse auteur Jef de Jager, die in 2006 een interessant boek schreef over de markante directeur Piet de Wit, gaf in zijn boek een voorbeeld van een buitenstaander die Helmond bezocht. De kunstschilder Isaac Israëls reisde per spoor naar Helmond om zijn vriend te bezoeken. Eenmaal op het Stationsplein schrok hij zo van alle stank en kabaal dat hij, zonder zich af te melden, rechtsomkeert maakte. “Bij dit gevoel van lelijkheid voegden zich [bij de inwoners] gevoelens van achterstelling en ongemak” aldus De Jager. Hoewel de inwoners veel zelfspot kennen en de stad in de loop van de tijd veranderd is, blijven de naweeën – volgens De Jager – tot op heden wel voelbaar.

De firma De Wit & Co in Helmond was opgericht door Piet de Wit (1869-1947). Piet de Wit was – en is nog steeds – een begrip in Helmond. Hij wist het kleine textielbedrijf van zijn vader te laten uitgroeien tot één van de grootste fabrieken aldaar. Zijnde één van de rijkste mannen van Helmond liet hij in 1914 het overdadige Pea-park bouwen; een villa gebouwd op een kunstmatig aangelegde heuvel (op acht meter dik gewapend beton) omringd door trappen, gazons en een landschapspark. De villa, bijna met de allure van een paleis, verwierf landelijke bekendheid. De villa telde 45 kamers, waaronder een grote- en kleine eetzaal, een feestzaal, biljartzaal en meerdere liften.cxxxv Begin jaren ’20 kwam Piet de Wit echter in grote financiële problemen terecht. “[In oktober 1923 kreeg hij] botweg te horen dat de Nederlandsche Bank in overweging had genomen de dekenfabriek op te heffen, wat zij louter met het oog op de werkgelegenheid nog ontraadde.”cxxxvi. De banken hadden geen vertrouwen in zijn leiderschap, waarna zij hem verzochten diens aandelen aan de bank te willen verpanden. “Nu Piet [de Wit] zijn aandelen niet wilde verpanden trokken de bankiers het net rondom hem strakker aan. Naast [een] accountant kreeg hij door hen in juni 1924 een onderdirecteur toegewezen, [Jan Gijsbert Aalders], die zich voordien in Nederlands-Indië had beziggehouden met [tabak en rubber]35. In januari daarop volgde een ingenieur voor het technisch gedeelte, Hendrik Hesselink. Ook privé werd er meer en meer van [Piet de Wit] verlangd. Gaandeweg moest hij drie lijfrentes die hij als pensioenvoorziening had aangeschaft overdragen, evenals een ‘sautoir’ met 334 parels van [zijn echtgenote] Anna.”cxxxvii

Deze betrekking was voor JGA slechts van korte duur. In augustus 1925 besloten de banken alsnog de stekker uit het bedrijf te trekken, waardoor de fabriek werd stilgelegd. Een kleine duizend arbeiders raakten daardoor werkloos. Voor Piet de Wit betekende dit een persoonlijk faillissement. Hieraan ontleende hij al snel zijn nieuwe bijnaam: ‘Piet Failliet’. Door zijn faillissement verloor hij eveneens zijn Pea-park. In 1928 viel in de kranten te lezen dat het in den lande bekende prachtige landgoed Pea-park met het monumentale op een hoge kunstmatige berg gelegen kasteel, gelegen aan de grote Aarle-Rixtelseweg te Helmond, zal worden gesloopt.”cxxxviii. Er bleken geen kopers bereid het inmiddels vervallen landgoed op te knappen en te bewonen. Het paleis van Helmond heeft slechts 14 jaar bestaan. Piet de Wit leeft nog steeds voort in een Helmondse uitdrukking: “Da’s nogal Piet de Wit”. Dit betekent “Dat is logisch, vanzelfsprekend, voor de hand liggend.” Het Helmonds Woordenboek van Wim Daniels geeft als verklaring voor deze uitdrukking dat wat Piet de Wit deed, voor hem heel gewoon was, maar voor anderen verbazingwekkend.cxxxix



Pea-park in 1920cxl

In 1914 door Piet de Wit gebouwd, in 1928 afgebroken. De naam Pea-park verwijst naar Piet de Wit en zijn echtgenote Anna Arts.

Voor JGA betekende het faillissement van De Wit & Co in Helmond uiteraard ook dat hij zijn baan in Helmond verloor. Nadat zijn dochter Lies in 1926 slaagde voor het eindexamen gymnasium in Helmondcxli, verhuisde het gezin terug naar Bosch en Duin. Zij namen weer hun intrek in hun villa aan de Vossenlaan 8. Tine Aalders-Schaafsma verzorgde de gehele verhuizing, want haar echtgenoot ging in 1926 voor enkele maanden naar Indië. “Ik hoop zo ongeveer 25 november ons huis weer te hebben. (…) [De kinderen] verlangen ook erg naar Bosch en Duin, om weer echt zichzelf te kunnen voelen. Nu, je begrijpt ik niet minder. De tuin is heerlijk [met] ‘t mos onder de dennen. Erg mooi, maar de paden zijn dicht gegroeid.” schreef Tine aan haar echtgenoot in Indië.cxlii Dat ook de kinderen inderdaad verlangden naar Bosch en Duin blijkt o.a. uit een briefje van Willy aan zijn vader: “Waar is het leuker? Op de Bintang of op de Insulinde? Het is echt leuk hier in ‘t nieuwe huis. Gelukkig dat we niet meer in dat zwakke huis van mevrouw Van Engen [zitten].” Dochter Lies voegde daar aan toe: “[We] zijn erg verheugd dat we Mevr. v.E. niet horen stoffen en alles potdicht moeten doen voor haar nieuwsgierigheid.”cxliii Blijkbaar was het gezin tussen Helmond en Bosch en Duin voor een korte tijd ingetrokken bij een mevrouw in Zeist. Tine koesterde duidelijk warme herinneringen aan Indië: “Niets is ‘t warme Batavia, maar Buitenzorg en dan Tjiseroepan, heerlijk. Wat zie je veel moois toch, al kan ik begrijpen dat ‘t reusachtig vermoeiend is en eigenlijk te veel. Als wij ‘t eens doen, dan zullen we ‘t kalmer aandoen, he?”cxliv

De Napoleon van de Olie” en zijn vereniging Jan Pietersz. Coen



Sir Henri Deterding, 1936 (coll. Shell)

Sir Henri Deterding (1866-1939) behoorde tot één van de rijkste en machtigste Nederlanders van zijn tijd. Deterding was zijn carrière begonnen bij de Twentsche Bank in Amsterdam. In 1889 stapte hij over naar de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM) en vertrok daarop naar Nederlands-Indië. “Mijn eigen vooruitzichten waren bij mijn aankomst te Medan niet al te rooskleurig. Een boekhoudersbaantje in Deli – wat zat daarin? Maar ik heb gehandeld naar mijn beginsel, dat luidt: dat een baantje is wat de man die het bekleedt ervan maakt. En dat trachtte ik daarginds ook te bereiken.” Na een conflict bij de NHM stelde hij zich in Penang in verbinding met August Kessler, de directeur van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij (Koninklijke Olie). Na het overlijden van Kessler in 1900 kwam Deterding alleen aan het hoofd te staan van de machtige Koninklijke Olie. Hij was de motor achter een Europese coalitie tegen de Amerikaanse oliemaatschappij Standard Oil. In 1907 wist hij een nauwe samenwerking te bewerkstelligen tussen de Koninklijke Olie en het Britse Shell Co. Koninklijke Olie werd voor 60% aandeelhouder van de Koninklijke/Shell Groep; het huidige Royal Dutch Shell.

Hij was een tycoon van mythische proporties, maar zijn dubieuze vriendschap met het fascisme overschaduwt nog altijd zijn zakelijke prestaties. Zijn biograaf noemde hem in 1938 ‘the most powerful man in the world’.”cxlv

Er zit in zijn wezen veel dat aan een man als Coen doet denken. Maar dan een Coen die niet belemmerd is door de Heeren van de Compagnie, maar die voluit en vrijuit kon werken.”cxlvi

Tienduizenden Nederlanders hadden hun baan te danken aan Deterding. Maar hij wilde daarnaast ook Nederlanders de kans bieden om hun horizon te verbreden. Waarschijnlijk om de eerder aangehaalde ‘enghartigheid’ te ondermijnen. Met dit doel voor ogen besloot hij in 1925 tot de oprichting van de Vereniging Jan Pietersz. Coen. In juni 1925 gaf hij in De Industriële Club te Amsterdam nadere uitleg over deze organisatie. Hij maakte overigens niet zelf deel uit van het dagelijks bestuur36, maar werd wel aangesteld tot ere-voorzitter van de vereniging.cxlvii In zijn tafelrede voor de leden van de Industriële Club ontvouwde hij het plan om de belangstelling in Nederland voor Nederlands-Indië te vergroten door aan jongelui tussen de 18 en 24 jaar en aan leraren van lager-, middelbaar- en hoger onderwijs de gelegenheid te openen Nederlands-Indië door eigen ogen te gaan zien. Sir Henri Deterding deed daarbij de toezegging voor de helft in de onkosten te willen bijdragen, welke nodig zouden blijken om gedurende drie jaren ongeveer 72 jongens en 12 leraren per jaar naar Nederlands-Indië uit te zenden.”cxlviii

In 1925 werd bij wijze van proef een groep van een zestal jongelieden, onder begeleiding van de heer Jur. Haak, naar Nederlands-Indië gezonden. Daarnaast reisde een oud-gouverneur van Celebes, de heer F.C. Vorstman, mee naar Indië “teneinde het Bestuur van de Vereniging Jan Pietersz. Coen in Indië te vertegenwoordigen en diverse regelingen voor de volgende jaren te treffen.”cxlix In 1926 werd JGA aangesteld als begeleider van een groep oudere jongens.37

Het Nieuwsblad van het Noorden schreef in 1926 o.a.:

De vorige week spraken wij in een artikel al onze mening uit, dat er in Indië nog wel plaats was voor de jongelui, die hier tevergeefs naar ene betrekking zoeken als gevolg van het feit, dat de markt overvoerd is. De ouders zenden hun kinderen naar school, naar gymnasium of H.B. School, zonder zich meestal af te vragen, of ze wel geschikt zijn voor het beroep, waarvoor ze bestemd zijn, of dat ze later wel behoorlijk aan de kost kunnen komen. Met het gevolg, dat teleurstelling niet uitblijft. Men wil de kinderen bovendien meestal graag dicht bij huis houden, maar bedenkt niet, dat het beter is elders een ruim stuk brood te kunnen verdienen, dan in eigen land juist rond te kunnen komen. Jongens, die gezond zijn, flink wat in hun mars hebben en niet bang zijn om aan te pakken, zullen natuurlijk graag de wijde wereld in gaan, wanneer er in eigen omgeving geen behoorlijke plaats voor hen is. De uitnemende stichting van Sir Henri Deterding, de Jan Pietersz. Coen-stichting, help daarbij een handje, door jaarlijks verschillende groepen Nederlanders naar Indië te zenden, teneinde daar een samengevatte, doch juiste indruk van land en volk op te doen. Dezer dagen is de derde en laatste groep van dit jaar, bestaande uit jongelui van 18 tot 22 jaar, vertrokken voor een verblijf van 2 1/2 maand, in welke tijdsruimte speciaal de Oostkust van Sumatra en Java zullen worden bezocht. Teruggekeerd in ons land, zullen ze hun keuze kunnen doen.”cl

Rond 20 juli 1926 vertrok JGA met de zes jongemannen voor enkele maanden naar Indië.cli Hij liet daarbij zijn vrouw en kinderen achter in Bosch en Duin. JGA zal optimaal hebben genoten van de reis. Hij reisde door een groot deel van Indië; o.a. Sumatra’s Oostkust, de Bataklanden, het Tobameer, Batavia, de ‘s Lands Plantentuin in Buitenzorg, de Zuidkust van Java, vulkaan Papandayan, de Boroboedoer en de Ciwa tempel bij Djokjakarta, de Vorstenlanden, Soerabaja, Tosari en de Bromo-vulkaan en via Semarang en Atjeh weer terug naar huis. In 1929 en 1931 vertrok hij nogmaals als begeleider met de Vereniging Jan Pietersz. Coen naar Nederlands Indië waarbij een vergelijkbare route werd afgelegd. In 1929 maakte JGA met zijn reisgezelschap een rondvlucht vanaf het militair vliegveld te Bandoeng.

Het gezin Aalders was na terugkomst in Nederland overigen niet erg reislustig. Het gezin ging in de zomers van 1922 en 1923 naar resp. Ueberlingen am Bodensee en Interlaken (Zwitserland). In juni 1925 ging JGA met zijn vrouw nogmaals op vakantie naar Zwitserland. “[De] overige vakanties altijd in Nederland doorgebracht, waar hij bijzonder veel van zijn land hield.”clii








enkele foto’s van de reis van 1926. Het landschap Tosari, de overtocht te Solo, het reisgezelschap en vier foto’s van de tocht naar de Papandayan-krater (coll. JGA)




Twee foto’s van de reis van 1929; boven de S.S. Singkep en daaronder het reisgezelschap (coll. JGA)




Huize ‘Siebengewald’, later Huize ‘Bintang’ genoemd, van de familie Aalders aan de Vossenlaan in Bosch en Duin (gem. Zeist). (coll. JGA) Het tegenwoordige adres is Vossenlaan 20. Het huis werd later bewoond door de families G.C. de Bruyn (1904-1982, periode ca. 1947-1951) en C.W. Wolfswinkel (1900-1983, vanaf ca. 1951) 



Jan Gijsbert Aalders met drie van zijn zonen

Laatste jaren

Over de periode na zijn laatste reizen naar Nederlands-Indië is mij weinig bekend. Wel is bekend dat JGA op den duur veel vermogen had verloren. Mogelijk zal hij te royaal zijn omgesprongen met zijn vermogen. Bekend is dat JGA veel geld heeft geïnvesteerd in de Russische Spoorwegen die in de jaren ’10 heel hoge rendementen leverde. Na de Russische revolutie in 1917 werden deze aandelen niks meer waard, al bestond nog wel enige jaren de hoop dat dit weer zou aantrekken. JGA had op een gegeven moment geen vertrouwen meer in deze aandelen en verscheurde woedend al zijn aandelen van de Russische Spoorwegen.cliii Zijn broer Ee Aalders, cargadoor te Rotterdam, adviseerde zijn broer JGA diens resterende vermogen onder te brengen in een lijfrente. Zo geschiedde. 

Desondanks woonde JGA van 1926 tot 1948 rustig en comfortabel met zijn echtgenote en kinderen in de villa aan de Vossenlaan te Bosch en Duin. Overgrootmoeder Aalders-Schaafsma werd door in- en uitwonende dienstmeisjes het meeste huishoudelijk werk en koken uit handen genomen. Ditmaal betrok de familie Aalders de villa met het idee om daar voor lange tijd te wonen. Daardoor heeft JGA in 1927 de naam van de villa, ‘Siebengewald’, veranderd in ‘Bintang’ (wat ‘ster’ betekent in het Indonesisch).
In 1948 verhuisde het echtpaar naar de villa ‘Hilvertshof’ in Hilversum.38 Dit was een kleinschalig, particulier rusthuis waar zij de benodigde verzorging kregen. In januari 1951 kreeg zijn echtgenote Tine Aalders-Schaafsma een beroerte waarna zij meer verpleging nodig kreeg. Nog eenmaal doet de Deli-man JGA van zich spreken; hij bleek een zeer lage pet op te hebben van de Nederlandse verpleging. Hij wenste niet in hun bijzijn te telefoneren en vond “die zusters toch maar leken”.cliv Op 14 juni 1953 overleed Tine Schaafsma-Aalders op 74-jarige leeftijd; Jan Gijsbert Aalders overleed op 7 april 1957 op 84-jarige leeftijd.

Over de opleidingen van de kinderen schreef een kleindochter: “Oma, onderwijzeres, gaf haar kinderen en waarschijnlijk ook andere kinderen van Nederlanders gezamenlijk les, waardoor de jongere jongens van alles oppakten en zij al jong schoolrijp waren. Gevolg dat Jan en Kik al met 21 jaar afstudeerden, beiden cum laude, resp. in geneeskunde en Nederlands en Indisch recht. Dochter Liesje, de oudste, werd (…) naar opa en oma Schaafsma in Harlingen gestuurd en kwam aldaar bij de nonnen. Zij studeerde biologie. Oudste zoon Pier liep met 15 jaar weg van huis. Hij wilde naar zee.”clv

Het avontuurlijke en reislustige bestaan ging over op de meeste kinderen. De meesten keerden als volwassenen voor kortere of langere periode terug naar Nederlands-Indië. Oudste zoon Pier blijkt – zoals gezegd – reeds op jonge leeftijd naar zee te willen. Hij begon zijn carrière als stuurman bij de Rotterdamse Lloyd. Daarnaast was hij luitenant-ter-zee 3e kl. bij de marine-reserve. Met de Rotterdamse Lloyd reisde Pier over de hele wereld. In 1936 stapte hij over naar de Rijkspolitie, waarna hij zijn grote liefde vond in Friesland. Zijn broers Kik en Willy vestigden zich, resp. adjunct-referendaris bij het departement van justitie en handelscorrespondent, in Nederlands-Indië. Zij werden tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Japanners krijgsgevangen gemaakt en naar Japan gezonden. Kik kwam in 1945 om het leven door de atoombom op Nagasaki.39 Willy overleefde de bom en vestigde zich in Nederland. De broers Jan en Gijs werden resp. chirurg-kolonel b.d. en kolonel der genie b.d. Dochter Lies vestigde zich met haar echtgenoot Drs. William Adam in Brussel, alwaar hij hoogleraar in de biologie was.



Jan en Tine met drie van hun kinderen te Bosch en Duin (coll. JGA)

Herinnering van zoon Pier Aalders

Vader was iemand, wiens persoonlijkheid zich toespitste naar twee geheel verschillende, ja zelfs uitgesproken tegengestelde richtingen. Opvallend kentekenend voor elk der beide richtingen was zijn volledige overgave , die deed denken aan een voortgestuwd worden door een innerlijke roeping. Een op roeping gelijkende innerlijke overtuiging, die zijn denken en handelen bepaalde, aan zijn leven inhoud gaf en daaraan tevens een rustpunt verleende.

Zo was hij aan de ene kant een nuchtere, soms harde realist en materialist, aan de andere kant viel waar te nemen een uitgesproken neiging tot een bijna middeleeuwse devotie, tot soberheid, tot afzondering, tot meditatie en terugtrekking uit het leven. Gevolg: naar binnen toe soms conflicten en naar buiten toe stellig soms het wekken van de indruk van onduidelijkheid en tegenstrijdigheid.

Deze gespletenheid, deze tegengesteldheid was hem niet alleen eigen, misschien wel in sterkere mate, dan het geval was bij zijn broers en zusters.

Doch deze toespitsing naar twee totaal verschillende richtingen vinden wij ook terug in het geslacht zelf. Zo was de grootvader van vader een zakenman en waarschijnlijk een goede zakenman, die gehoopt heeft, dat zijn zoon hem in zaken op zou volgen en hem daarvoor dan ook, misschien wel tegen diens zin, voorbestemd schijnt te hebben. Maar vader’s vader gooide op middelbare leeftijd, tot volledige rijpheid gekomen, toen hij al een flink gezin te zijnen laste had, het roer volledig om, keerde het zakenleven de rug toe, werd predikant en was op zijn beurt waarschijnlijk ook weer een goed predikant, omdat hij tenslotte zelfs in Amsterdam beroepen werd.

Van het gezin waartoe vader zelf behoorde, zochten twee broers het zakenleven en twee anderen werden geestelijken; een der zusters vond bevrediging in het huishoudelijke , terwijl de andere zuster diacones werd. En van ieder hunner merkt men diezelfde toegespitstheid op, datzelfde als het ware door een roeping voortgedreven worden, een weldadige stabiliteit en innerlijke verzekerdheid opleverend, mede als gevolg waarvan ieder hunner zich in zijn of haar leven naar grote hoogte en diepte heeft kunnen toebewegen. (…)

Zo heeft vader, na voor goed in Nederland te zijn teruggekeerd, enerzijds zijn bezittingen, zijn buitenhuis in Bosch en Duin, met dezelfde overgave en met dezelfde toewijding lief gehad als voorheen zijn werk en het land met zijn inwoners in Indië. Maar anderzijds neeg hij naar afzondering, terugtrekking uit het gezelschapsleven en bezinning, waardoor hij als gevolg van zijn eigen toegespitstheid minder toegankelijk werd voor denkbeelden die van de zijne afweken en, waarschijnlijk zonder het zelf te beseffen, misschien zijn gezin, overige familieleden, vrienden- en kennissenkring wel eens te kort heeft gedaan. Vooral met een vrouw naast zich, die grote behoefte had aan gezelligheid en aan gulle, spontane en warme deelneming zonder enig voorbehoud aan het leven van haar kinderen, familieleden, vrienden of kennissen. Vader stelde grenzen, hij hield van soberheid, correctheid, goede vormen, verantwoordelijkheidsgevoel en plichtsbesef; hij was zeer vaderlandslievend, hield ook bijzonder veel van zijn land en van het landschap dat zijn land biedt, ook van zijn gezin, ouders (moeder vooral) en familieleden, vrienden en kennissen, maar wilde dit alles toch verantwoord weten door een afgewogen en door een min of meer door logische beredenering verkregen overtuiging. Op dezelfde manier was hij ook oprecht gelovig en godsdienstig.

Zo eiste hij enerzijds voor zichzelf op, naar buiten toe, de staat en een leven van een man van standing; maar tegelijkertijd anderzijds van zichzelf, naar binnentoe, eveneens een leven van standing. Als oud-gymnasiast met een levenslang volgehouden verering voor de klassieken hierin waarschijnlijk geschraagd.

Voor dit alles mogen wij hem, naast datgene waarvoor wij hem en moeder overigens dankbaar zijn, hier met recht en dus oprecht eren.

Vader en zijn broers en zusters leefden een leven van stijl, omdat zij aan hun leven een wezenlijke inhoud hadden gegeven. Zij behoorden zeker niet tot de reuzen die ons volk heeft voortgebracht, maar toch wel tot de groten onder de groten.”

Zoo waren en zijn er velen, vooral onder hen, die op de eenzame posten zitten. Bij vroeger vergeleken is natuurlijk ook dit verbeterd. Men heeft de hulpmiddelen van radio, telefoon en auto. Vroeger werd alles te paard of in het rijtuigje gedaan en er waren er, die een dag moesten reizen, om hun naasten buur te bezoeken. Soms ging men elkaar tegemoet, om maar even, in de schaduw van wat bomen, te kunnen praten.

Men mag hen waarlijk wel eens hulde brengen, die hier leven in de rimboe, de eenzamen. Na hun zware, vermoeiende dagtaak geen gezelligheid, geen conversatie. De dreigende stilte wacht hen, iederen avond, iederen nacht.

En dat jaren en jaren lang.”

(1945)clvi

1De eerste kerkscheuring van de negentiende eeuw was de zogenaamde Afscheiding van 1834.

2Willem J.G. Aalders woonde tot 1851 in de Driekoningenstraat bij de Dam en vanaf 1851 met zijn ouders in de Runstraat tussen de Prinsen- en Keizersgracht.

3Ds. Willem J.G. Aalders (1837-1900) werd vervangen door de Amsterdamse timmerman Daniel Gerrit Jan Petersen. Willem Aalders was op dat ogenblik overigens nog werkzaam als gruttersbediende.

4De industrie en landbouwcultuur in Siak bleef echter ver achter bij de andere vorstendommetjes in zijn regio, zoals Deli, Langkat en Asahan. Desalniettemin bleef Siak hoger in het vaandel staan.

5De Nederlandse Handel-Maatschappij nam voor 50% deel in de Deli Maatschappij

6“Ik wil weer een VOC-mentaliteit”, uitspraak van Jan Peter Balkenende in 2006

7Desalniettemin verkregen de heren Herrings en Krol, administrateurs der Deli Tabak Maatschappij, in 1883 toestemming van de Nederlands-Indische regering tot de aanleg van de Deli-Spoorweg Maatschappij. Reden dat de Duitser Herrings hiervoor wel toestemming kreeg, is dat hij handelde uit naam van een Nederlandse maatschappij.

8De havenstad van Asahan. Tandjong Balei ligt ter hoogte van Kuala Lumpur.

9In het familiealbum Aalders wordt F.L.S. van Heekeren abusievelijk aangeduid als “Baron van Heeckeren”; dit is een andere familie.

10Toestemming van een meerdere om te mogen trouwen was overigens in het leger, voor minderheden bij de Nationale Militie, ook een vereiste.

11In 1903 liet JGA, inmiddels administrateur der plantage Kisaran, zich bij diens verlof vervangen door P.W. Van Doorn.

12Romans van de schrijvers Szekély-Lulof, Szekély, Manders, Veersema, Kleian en Gorter

13Dit is de eerder genoemde Jacob Theodoor Cremer (1847-1923) die de Deli Maatschappij groot heeft gemaakt. Hij werd in 1883 als hoofdadministrateur opgevolgd door Hermann Theodor Herrings, de “King of Asahan”

14De reactie van Dr. B. Trouw werd slechts gedeeltelijk opgenomen in De Groene Amsterdammer. Het eerste deel van zijn betoog, tot het door mij dik gedrukte ‘Een misdaad’, werd niet opgenomen in De Groene Amsterdammer.

15Dit is de eerder in het artikel aan bod gekomen “nummerwisselaar”.

16Pier Schaafsma (1877-1945) trad in de voetsporen van zijn neef Willem van Oppen die in 1894 sneuvelde bij de Lombok-expeditie.

17In de jaren ’10 van de twintigste volgde de aanleg van een spoorlijn in Asahan

18Hier volgen enkel de roepnamen

19Ter indicatie: in 1902 telde Deli 56 tabaksondernemingen en Asahan 10 (een jaar daarvoor telde Asahan zelfs maar 6 ondernemingen)

20De zusters Wijgers maakten een toer door Indië. Na Asahan zouden ze nog enkel Singapore aandoen; daarna keerden zij terug naar Europa.

21H. Volten was eerder directeur van het te Batavia bestaande instituut Beck & Volten.

22De zusteronderneming Tanah Radja schonk voor dit goede doel 77,50 gulden

23Bij deze brand gingen 79 pintoe’s in de as. De totale schade werd beraamd op 150.000 gulden. Tot overmaat van ramp bleken de getroffenen niet verzekerd.

24Tengkoe Moesa was een oom van Sultan Saiboen. Tengkoe Moesa vertrok in 1903 samen met zijn neef Toengkoe Amir voor scholing naar Nederland.

25De rubbercultuur komt later in het artikel aanbod.

26Onder Koningstijger wordt tegenwoordig verstaan de Bengaalse tijger. Deze tijger komt enkel nog voor in West-Myanmar en op het Indische subcontinent (Bhutan, Nepel, Zuid-China, Bangladesh en India)

27Met uitzondering van een half jaar in 1900; toen was hij administrateur van de onderneming Hessa in Asahan

28Caoutchouc was het sap van de rubberboom. Opvallend is de betekenis van caoutchouc in 1864: “veerkrachtig gom, gom-elastiek, verderhars”. In 1864 bleek de rubberindustrie nog niet bekend, terwijl enkele decennia later dit een ware hausse beleefde!

29De man die de Deli-Maatschappij groot had gemaakt

30Sungei = rivier

31Tegenwoordig Labuhan Bilik geschreven

32Dit was een maand voor de moord op assistent Gunz

33bekrompenheid

34Totdat het huwelijksverbod door de meeste maatschappijen werd opgeheven. Dit viel samen met de komst van de rubbercultuur.

35Auteur De Jager spreekt foutief over “Johannes Aalders, die zich voordien in Nederlands-Indië had beziggehouden met thee en koffie”. Dit waren uiteraard net de twee cultures waar hij zich niet mee bezighield.

36 Het dagelijks bestuur bestond uit de heren Mr. C.H. Guepin, J.F. Van Hengel, D. Goedkoop Dz., E.S. Kerkhoven en W.F. Nyland.

37L. de Block uit Den Haag, A.D. Bouma uit Sneek, P.F.J.A. Julien uit Utrecht, J. Oosterhof uit Den Haag, L.J.N. Smits van Burgst uit Beek bij Breda en C.J. de Vos uit Utrecht.

38Graaf Florislaan 17 te Hilversum

39Deze zeer trieste gebeurtenis verdiend een apart artikel

iH. Höveker, “De erfenis der familie Höveker”

iiH. Höveker, “De erfenis der familie Höveker”

iiiH. Höveker, “De erfenis der familie Höveker”

ivH. Höveker, “De erfenis der familie Höveker”

vAlgemeen Handelsblad 13 januari 1886

viBevolkingsregister Amsterdam (stadsarchief.amsterdam.nl, 2014)

viiBrief A. van de Beek 13 maart 1990

viiiNieuwsblad van het Noorden 22 juli 1911

ixHet nieuws van den dag 22 juni 1888

x Verhuisconsulente Hannie Vink: “Bij kinderen in de leeftijd van 11 tot 14 kan een verhuizing veel impact hebben en voor verwarring zorgen. Ze moeten afscheid nemen van de vertrouwde omgeving en krijgen tegelijkertijd te maken met veranderingen op lichamelijk en geestelijk gebied. Dit kan te veel zijn. Ik raad daarom af met een puber een verhuizing aan te gaan

xiiMilitair Stamboek (Centraal Bureau voor Genealogie)

xiiiA.W. Wichers Hoeth, “Van Heekeren & Co en hunne voorgangers 1720-1929”

xivD.J. Sanders, “De tabakscultuur in Nederlandsch-Indië”

xvHet nieuws van den dag 24 juni 1933

xviDe Sumatra Post 21 maart 1905

xviiBiografisch Woordenboek van Nederland, ‘Cremer, Jacob Theodoor (1847-1923)

xviii‘Goerach Batoe plantation token’ (http://www.worldofcoins.eu/forum/index.php?topic=11456.0, 2014)

xixDe locomotief 22 september 1885

xxG. Bennet, “The Pepper Trader”

xxiAlgemeen Handelsblad 29 augustus 1907

xxiiA.W. Wichers Hoeth, “Van Heekeren & Co en hunne voorgangers 1720-1929”

xxiiiSoerabaysch Handelsblad 28 januari 1889

xxivSoerbayasch Handelsblad 19 september 1889

xxvDe Sumatra Post 14 augustus 1925

xxviOprichtingsakte Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij 1891 (Nationaal Archief, Den Haag)

xxviiJava-Bode 26 maart 1892

xxviiiBataviaasch Handelsblad 15 juli 1893

xxixA.W. Wichers Hoeth, “Van Heekeren & Co en hunne voorgangers 1720-1929”

xxxNieuwsblad van het Noorden 20 oktober 1926

xxxiArbeidsovereenkomst tussen de Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij voorheen H. Herrings & Co en Jan Gijsbert Aalders 7 februari 1894 (bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, Stadsarchief Amsterdam, 2014)

xxxiiThe Straits Times 28 maart 1894

xxxiiiSumatra Courant 23 augustus 1893

xxxivFamiliealbum Aalders (part.col.)

xxxvBrief A. van Beek 13 maart 1990

xxxviLijst van Europees Personeel bij de Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij voorheen H. Herrings & Co, in dienst december 1895 (bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, Stadsarchief Amsterdam, 2014)

xxxviiLijst van Europees Personeel bij de Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij voorheen H. Herrings & Co, in dienst december 1895 (bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, Stadsarchief Amsterdam, 2014)

xxxviiiL. Clerx, “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de bellettrie” (1961)

xxxixG. Mak, “De eeuw van mijn vader” (1999), p. 140/141

xlL. Clerx, “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de bellettrie” (1961)

xliL. Clerx, “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de bellettrie” (1961)

xliiL. Clerx, “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de bellettrie” (1961)

xliiiD.J. Sanders, “De tabakscultuur in Ned. Indië”

xlivL. Clerx, “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de bellettrie” (1961)

xlvLijst van Europees Personeel bij de Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij voorheen H. Herrings & Co 1898 (bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, Stadsarchief Amsterdam, 2014)

xlviLijst van Europees Personeel bij de Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij voorheen H. Herrings & Co 1899 (bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, Stadsarchief Amsterdam, 2014)

xlviiSumatra Post 13 februari 1900

xlviiiPersoneelslijsten Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij voorheen H. Herrings & Co 1895-1901

xlixDe Sumatra Post 22 april 1901

lD.J. Sanders, “De tabakscultuur in Ned. Indië”

liFamiliepapieren Aalders

liiBrief van W.J. Aalders aan JGA, Amsterdam 6 juni 1900 (familiepapieren Aalders)

liiiHet nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië 23 april 1902

livL. Clerx, “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de bellettrie” (1961)

lviDe Sumatra Post 10 januari 1903

lviiDe locomotief 26 maart 1896

lviiiDe Sumatra Post 9 november 1903

lixDe Sumatra Post 21 maart 1904

lxHet nieuws van den dag 24 oktober 1904

lxiDe Sumatra Post 7 juni 1907

lxiiL. Clerx, “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de bellettrie” (1961)

lxiiiDe Sumatra Post 21 maart 1906

lxivDe Sumatra Post 7 december 1906

lxvPersoneelslijst Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij 1900/1901

lxviarchief Nederlandsche Asahan Tabak Maatschappij (bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, Stadsarchief Amsterdam, 2014)

lxviiG. Mak, “De eeuw van mijn vader” (1999), p. 125/126

lxviiiDe Sumatra Post 24 oktober 1904, De Sumatra Post 18 maart 1902

lxixDe Sumatra Post 4 februari 1901

lxxDe Sumatra Post 7 juni 1907

lxxiDe Sumatra Post 22 juni 1907

lxxiiDe Sumatra Post 24 januari 1908

lxxiiiDe Sumatra Post 31 december 1914

lxxivDe Sumatra Post 7 mei 1909

lxxvDe Telegraaf 18 april 1902

lxxviBataviaasch Nieuwsblad 26 september 1902

lxxviiDe Sumatra Post 16 januari 1904

lxxviiiBataviaasch Nieuwsblad 15 oktober 1903

lxxixDe Sumatra Post 21 maart 1905

lxxxDe Sumatra Post 21 maart 1905

lxxxiDe Sumatra Post 8 juli 1915

lxxxiiDe Sumatra Post 14 oktober 1911

lxxxiiiDe Sumatra Post 10 mei 1902

lxxxivDe Sumatra Post 9 juli 1915

lxxxvHet nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië 7 januari 1931

lxxxviHet dagblad; uitgave van de Nederlandsche Dagbladpers te Batavia 15 augustus 1947

lxxxviiHet dagblad, uitgave van de Nederlandsche Dagbladpers te Batavia 25 september 1948

lxxxviiiM. Hamerster, “Bijdrage tot de Kennis van de Afdeeling Asahan” (Oostkust van Sumatra-Instituut, mededeling no. 13, 1926)

xcDr. H. Blink, “Nederlandsch Oost- en West-Indië” (1905)

xciBrief CBA aan mij december 2014

xciiDe Sumatra Post 23 juni 1900

xciiiH. Glenn Penny, “Objects of culture; Ethnology and ethnographic museums in imperial Germany” (2002)

xcivDe Telegraaf 5 juli 1902

xcvBrief CBA aan mij december 2014

xcviBrief CBA aan mij december 2014

xcviiFotoarchief Aalders (part.col.)

xcviiiDe Sumatra Post 6 juli 1908

xcixAlgemeen Handelsblad 12 november 1908

cIng. Conf. Stukken van het kantoor te Asahan 1905-1911, A25629000182 (Archief Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij, Bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, stadsarchief.amsterdam.nl, 2014)

ciIng. Conf. Stukken van het kantoor te Asahan 1905-1911 (Archief Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij, Bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, stadsarchief.amsterdam.nl, 2014)

ciiiIng. Conf. Stukken van het kantoor te Asahan 1905-1911 (Archief Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij, Bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, stadsarchief.amsterdam.nl, 2014)

civIng. Conf. Stukken van het kantoor te Asahan 1905-1911 (Archief Nieuwe Asahan Tabak Maatschappij, Bedrijfsarchief Van Heekeren & Co, stadsarchief.amsterdam.nl, 2014)

cvDe Sumatra Post 30 augustus 1911

cviDe Sumatra Post 3 juli 1912

cixDe Sumatra Post 14 augustus 1925

cxAlgemeen Handelsblad 11 september 1907

cxiAlgemeen Handelsblad 29 augustus 1907

cxiiDe Sumatra Post 29 november 1907

cxiiiHet nieuws van den dag 14 augustus 1909

cxivL. Clerx, “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de bellettrie” (1961)

cxviHet nieuws van den dag 11 mei 1911

cxviiDe Sumatra Post 11 mei 1911

cxviiiDe Sumatra Post 30 september 1912

cxix“Het land van de eenzamen” in: L. de Bourbon, “Nocturne, proza en Poëzie” 1945 (http://resources21.kb.nl/gvn/EVDO02/pdf/EVDO02_NIOD05_8258.pdf, 2014)

cxxDe Sumatra Post 12 augustus 1910

cxxi‘Oostkust van Sumatra’, number 2, 1 January 1922, p. 32 (colonial.library.leiden.edu, 2014)

cxxiiDe Sumatra Post 31 maart 1911

cxxiii‘Rubber Compagnies in the Netherlands East Indies’ (Commissie ter bevordering eener Nederlandsche en Koloniale Inzending op de Internationale Rubber Tentoonstelling, p. 180-1, 1911)

cxxivDe Sumatra Post 6 oktober 1911

cxxvHet nieuws van den dag voor Ned. Indië 12 oktober 1915

cxxviThe Straits Times 12 januari 1916 (eresources.nlb.gov.sg , 2014)

cxxviiDe Sumatra Post 15 januari 1917

cxxviiiDe Sumatra Post 13 juli 1918

cxxixL. Clerkx, “Mensen in Deli, een maatschappijbeeld uit de Bellettrie” (1961)

cxxxGrafrede P.J.G. Aalders 1957

cxxxiDe Telegraaf 5 februari 1939

cxxxiiNieuwsblad van het Noorden 20 oktober 1926

cxxxiiiBrief CBA aan mij december 2014

cxxxivBrief CBA aan mij december 2014

cxxxviJ. de Jager, “De hemel van Helmond” (2006)

cxxxviiJ. de Jager, “De hemel van Helmond” (2006)

cxxxviiiDe Tijd 6 oktober 1928

cxxxixhttp://www.rhc-eindhoven.nl/artikel/927/“Da’s-nogal-Piet-de-Wit” (2014)

cxliNieuwe Rotterdamsche Courant 18 juni 1926

cxliiBrief Tine Aalders-Schaafsma aan Jan Gijsbert Aalders Zeist 7 november 1926 (familiepapieren Aalders)

cxliiiBrief kinderen aan vader Jan Gijsbert Aalders 1926 (familiepapieren Aalders)

cxlivBrief Tine Aalders-Schaafsma aan Jan Gijsbert Aalders Zeist 25 oktober 1926 (familiepapieren Aalders)

cxlvM. Metze, “De Napoleon van de Olie: Henri Deterding (1866-1939)” (http://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/6732/de-napoleon-van-de-olie-henri-deterding-1866-1939.html, 2014)

cxlviDe Telegraaf 5 februari 1939

cxlviiDe Indische Courant 5 juli 1926

cxlviiiDe Indische Courant 5 juli 1926

cxlixDe Telegraaf 28 juni 1925

clNieuwsblad van het Noorden 20 oktober 1926

cliDe Indische Courant 5 juli 1926

cliiFamiliealbum Aalders

cliiiNJA december 2014

clivFamiliepapieren Aalders, AA-025

clvBrief CBA aan mij december 2014

clvi“Het land van de eenzamen” in: L. de Bourbon, “Nocturne, proza en Poëzie” 1945 (http://resources21.kb.nl/gvn/EVDO02/pdf/EVDO02_NIOD05_8258.pdf, 2014)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*