Het Loenshof van de familie Roessingh (1856-1912)

Tot op onze dagen hechten de Twentsche fabrikanten, gelijk hun voorvader Berent [Paschen], groote waarde aan het bezit van boerenerven. Een oud gezegde luidt: ‘et laand, door geet ow ruter en peerd oaverhen, meer metnemmen könt ze et nig’. Deze wijsheid zal in oude tijd, vooral tijdens de Munstersche oorlogen, zijn opgedaan.” (Cato Elderink)

De zestiende eeuwse jonker Roelof van Scheven zal de bovenstaande wijsheid hebben onderschreven. Als kind maakte hij mee dat zijn geboortestad Enschede door de Gelderse troepen van hertog Karel in de as werd gelegd (1517) en ook later in zijn leven werd hij geconfronteerd met het gewelddadige begin van de Tachtigjarige Oorlog. Hij was eigenaar van een veelheid aan boerenerven in de omgeving en had zichzelf een nieuwe burcht in de stad aangemeten, ‘de Nije Borch’. Hoe heet het onder de voeten ook werd, die onroerende goederen nam niemand hem af. De Nije Borch vererfde via zijn dochter Margaretha aan de familie Van Loen. Bij de stadsbrand van 1750 ging de adellijke woonstede in vlammen op, waarna de herinnering aan de familie Van Loen tot op heden wordt warm gehouden door de plaatselijke benaming / straatnaam Van Loenshof. In haar boek ‘Twenter laand en leu en leven’ staat Cato Elderink gedetailleerd stil bij de geschiedenis van de Nije Borch en haar bewoners, maar over de latere bebouwing op de Van Loenshof is minder geschreven. Aanleiding voor dit artikel is een foto uit het Archief Twentse Textielfamilies van het Van Loenshof omstreeks 1900. Het was toen eigendom van de Enschedese fabrikantenfamilie Roessingh.

De Nije Borch tot 1750

Omstreeks 1576 stierf de voornoemde jonker Roelof van Scheven, waarna de Nije Borch toekwam aan zijn dochter Margaretha. Zij werd geboren uit zijn huwelijk met de adellijke juffer Anna van Senden. Haar halfbroers, door haar vader verwekt bij de Enschedese burgervrouw Jutte Cost, werden met een bedrag afgekocht. Margaretha van Scheven trouwde achtereenvolgens met de jonkers Gerlach de Bever en Caspar van Loen. Nageslacht Van Loen bleef de Nije Borch tot omstreeks 1709 bewonen. Door een hoge schuldenlast was de familie genoodzaakt de borg te verkopen. Sindsdien raakte niet alleen de familie Van Loen uit beeld, maar kwam ook eigenlijk een definitief einde aan adellijke lieden in Enschede. De nieuwe elite bestond voortaan uit rijke ondernemers, zoals de doopsgezinde familie Paschen. De broers Berent en Abraham Paschen werden in 1717 de trotse eigenaren van de Nije Borch. In de koopovereenkomst werd verklaard:

Het planket aan comparanten hof zal niet hooger gemaakt mogen worden, als het tegenwoordig is, ook geen boomen geplant, die het gezicht van het verkochte huis op het stadhuis belemmeren”

De Nije Borch, voortaan bekend onder de noemer ‘Van Loenshof’, was gelegen op een van de beste punten van de stad. Aan de noordzijde stond een poortgebouw dat met zogenaamde ‘stakettingen’ kon worden afgesloten (dit was een ijzeren of houten hekwerk). Vervolgens betrad men het voorplein, dat was omheind door een (laag) ‘planketzel’ (schutting van planken). Op de binnenplaats stond een waterput en ten zuiden daarvan het ‘dwarshuis’, de Nije Borch. Aan de achterzijde grensde het perceel aan de toen nog tamelijk schone stadsgracht. Een deel van het perceel was afgebakend met een doornenhaag. Ook stond ten zuiden van de Nije Borch sinds 1666 de Roomse schuilkerk (waarvoor de katholieke familie Van Loen indertijd welwillend grond had afgestaan). Dit complex kan men tegenwoordig het beste situeren tussen de straten Van Loenshof, Raadhuisstraat en het Hendrik Jan van Heekplein. Het hoofdgebouw, de Nije Borch, stond op de plaats van het huidige gebouw Esplanade en had vrij én beschermd uitzicht op het oude stadhuis. In 1750 verwoestte een stadsbrand een kwart van de huizen in Enschede, waaronder de Nije Borch met haar poortgebouw. Alleen de waterput wist de dans en heeft tot (begin) negentiende eeuw bestaan.

Van Loenshof na 1750

Op 17 augustus 1750 verkocht Berent Paschen “der soo genaamde Loons Hoff en afgebrandde huijsplaatse gelegen binnen dese stad”. De koopsom bedroeg slechts 200 gulden. Van de koop was uitgezonderd het voorplein en de grond grenzende aan de Roomse schuilkerk; dat bleef toebehoren aan broer Abraham Paschen (en diens nageslacht). Eigenaar werd Berend Eelkink die het braakliggende terrein nagenoeg gelijk doorverkocht aan het echtpaar Laurens Greve en Joanna Maria Hoevink. Eelkink pakte een mooie winst, want hij kreeg fl. 295,- voor:

sijn verbrande en verkogte huisplaatze en annexe grondt soo en als dezelve voormaels van Sr. Izak Paschen en desselfs suster Juffr. Christina Paschen heeft aen sig gekogt, geleegen binnen deze stadt, sijtwaerts aen den Hof of Grondt van de Heer Dr. Stokman en de soogenaemde Paapsche Kerke, voorwaarts bij langs den Hof van Sr. Abraham Paschen” (1751)

De ongehuwde richter dr. Joan Stockman liet op het naastgelegen terrein een groot huis bouwen; dat werd namelijk in 1765 door diens erven voor de toen flinke som van fl. 4105,- verkocht aan Engelbert ter Kuile (1740-1808) en zijn halfbroer Jan Queckeboom. Een jaar later kocht hij zijn halfbroer uit, waarna het huis tot begin twintigste eeuw eigendom bleef van de familie Ter Kuile. Dit zg. ‘Windhuis’ (voorheen genummerd Van Loenshof 5) werd in 1922 door de gemeente afgebroken ter verbreding van de Windbrugsteeg. Het was niet gelegen op de grond van de voormalige Nije Borch, waardoor dit huis in dit artikel verder achterwege blijft.

De nieuwe eigenaar van de afgebrande borg was meester-timmerman Laurens Greve. Hij verkocht daarvan een ‘hoekje grond’ aan de katholieke gemeente voor fl. 180,-; dit was alsnog een flink perceel, dat de Roomse kerk nagenoeg geheel (tot aan de stadsgracht) omringde. Op de locatie van de voormalige Nije Borch bouwde hij denkelijk eigenhandig een nieuw huis dat hij doorverkocht aan Barend van Coeverden en zijn vrouw Christina ten Thije. Twee voogden behartigden sinds het overlijden van Van Coeverden in 1800 de belangen van hun minderjarige kinderen. Het Van Loenshof werd door hen in 1807 verhuurd aan de heer Floh.

De bouwplannen van Willem Paschen in 1807

Het oude voorplein van de Nije Borch was nog altijd eigendom van de familie Paschen; in 1807 was dat perceel eigendom van de ongehuwde wijnhandelaar Willem Paschen (1762-1839, achterkleinzoon van Abraham). Hij bewoonde het naastgelegen huis in de Langestraat (met daartussen de zg. Kerksteeg) met zijn huishoudster Wilhelmina Niehaus. Hij had het perceel voorzien van een nieuw hekwerk en een poortgebouw, dat afkomstig was van het huis Het Rode Hert. Dit blokkeerde volgens de erven Van Coeverden het zicht op het stadhuis! Vandaar dat de voogden Willem Paschen voor het gerecht sleepten. Enkele oude inwoners van Enschede werden gevraagd wat zij zich van de oude toestand, voor 1750, konden herinneren. Een van hen was oud-burgemeester Herman Hoedemaker (1728-1818). Hij wist nog te vertellen …

… dat agter die poort, nadat men eene losse plaats van eenige treeden, waarvan getuige het getal niet juist kan bepaalen, was overgegaan, stond het huis of woonhuis op den Loonshof en wel aan de zuidzijde der put daar nog staande, zodat de noordzijde van die poort correspondeerde met het noordeinde van het huis”

Belangrijkste vraag was of ‘het uitzigt van het gemelde huis den Loonshoff over de stadsstraate, naar het stadhuis, merkelijk belemmet is?” Dit werd door de getuigen bevestigd. Vroeger kon men over de oude schutting heen kijken. Paschen had de schutting met een ‘voet’ verhoogd (ongeveer 30 centimer) en ook de nieuwe toegangspoort was zeker drie voet hoger (een kleine meter). Paschen moest dit terugdraaien naar de oude situatie, zodat het Loenshof weer vrij uitzicht had op het oude stadhuis.

De Roessinghs en het Van Loenshof

In 1817 kocht Carel Roessingh (1779-1844) het Van Loenshof voor fl. 1.700,-. Hij was een bakkerszoon uit Enschede, maar wist als fabrikeur al vlug tot grote welvaart te komen. Achter het Van Loenshof bouwde hij een klein fabriekje, dat direct grensde aan de stadsgracht. Ook kocht hij in 1834 de Van Lochemsbleek, dat sindsdien Roessinghsbleek werd genoemd. Ook verschafte hij veel kredieten (tegen 4% rente) en sprong hij financieel in de bres voor zijn schoonzoon Gerrit Jan ter Kuile (1800-1864). Hoe hij zo kapitaalkrachtig is geworden, is vooralsnog een raadsel.

In 1841 kwam de St. Jacobuskerk aan de Oude Markt gereed. Dit leidde tot de verkoop van de oude schuilkerk en gronden ten zuiden van het Van Loenshof. De Rooms-Katholieke gemeente verkocht de voormalige pastorie voor fl. 1.800,- aan Carel Roessingh. Dat was gebouwd op de in 1753 door Laurens Greve verkochte grond. Die huizen waren aan elkaar verbonden. Voortaan woonde de weduwe Bertina Roessingh-Hegerink (1781-1870) naast haar zoon Wijnandus Roessingh (1818-1890).

In 1856 werd Wijnandus Roessingh voor fl. 3.100,- ook eigenaar van het voormalige voorplein en het ten zuiden daarvan gelegen huis (bestaande uit drie kleine woningen). Vanaf dat moment was hij eigenaar geworden van het gehele Van Loenshof, ofwel de grond waarop voorheen de Nije Borch stond. De drie kleine huisjes werden omgebouwd tot een fabriekje. In 1862 maakte opnieuw een stadsbrand een einde aan het Van Loenshof-complex.

De familie Roessingh liet een nieuw woonhuis opbouwen (Van Loenshof 3), een nieuwe stoomblauwdrukkerij (Van Loenshof 1) met daartussen een magazijn. Achter het woonhuis werd omstreeks 1873 een ververij gebouwd, dat door een gang vanuit het woonhuis te bereiken was en via een steeg verbonden was aan de Zuiderhagen (de stadsgracht werd na de brand in 1862 gedempt). Zo was het Van Loenshof weer een overzichtelijk ‘woon-werkgeheel’ voor de familie Roessingh.

Omstreeks 1880 werd de fabriek der fa. C. Roessingh & Zonen verplaatst naar de wijk De Bril, buiten het oude stadscentrum. De familie Roessingh liet vervolgens de oude fabriek aan het Van Loenshof (nummer 1) ombouwen tot woonhuis. Op het oorspronkelijk Loenshof (nummer 3) woonde tot hun overlijden het echtpaar Wijnandus Roessingh (1818-1890) en Gezina Gerharda Kosters (1824-1904) en in het naastgelegen herenhuis werd hun oudste zoon Carel Roessingh (1849-1913) de eerste bewoner. Na het overlijden van de weduwe Roessingh-Kosters in 1904 werd het Van Loenshof 3 betrokken door schoonzoon Herman Stroink (1848-1922) en dochter H.J. ‘Rika’ Stroink-Roessingh (1857-1934). Zij huurden het huis van haar drie broers, die in 1912 de radicale keuze maakten hun complete textielfabriek te verhuizen van Enschede naar Veenendaal (N.V. Mij. voor Textielindustrie v/h C. Roessingh & Zonen). Al hun onroerend goed in Enschede werd door hen verkocht. De huizen aan het Van Loenshof werden opgekocht door de gemeente Enschede en werden voortaan gebruikt als gemeentesecretarie, verkeersbureau en deels verhuurd aan een sigarenhandelaar. Na de Tweede Wereldoorlog werd een ‘Wederopbouwplan Binnenstad’ gemaakt, waarbij besloten werd o.a. de voormalige Roessingh-huizen te slopen en tot nieuwbouw over te gaan. Sigarenwinkelier G. Winkels, die sinds 1933 een van de panden (Van Loenshof 1) huurde, weigerde te vertrekken:

Het pand waar W. thans woont staat op prachtige stand en zoiets krijgt hij nooit weer”

In 1952 verloor Winkels de strijd en kon alsnog tot sloop worden overgegaan. Daarmee kwam een einde aan het rijke verleden van het Van Loenshof, al was het de oude borg natuurlijk al tweehonderd jaar eerder afgebrand. Tijdens rioleringswerken werd, naar men meende, het verloop van een kasteelgracht op enkele punten aangetoond. Of dat werkelijk een kasteelgracht is geweest of een zeer oude loop van de stadsgracht, dat is echter nog steeds een mysterie….
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

  • de laatste bewoners van Van Loenshof 3, Herman en Rika Stroink-Roessingh, verhuurden kamers aan leerlingen van de Nederlandsche School voor Niijverheid en Handel. Misschien diende het naastgelegen huis, nummer 1, ook als onderkomen voor de studenten en dienstboden. De achterkant van Loenshof 1 keek op dat moment uit op de Electriciteitscentrale (alwaar voorheen, tussen 1666 en 1841, de Roomse kerk was gelegen)
  • de online Beeldbank Erfgoed Enschede bevat duizenden foto’s, tekeningen en kaarten van Enschede en haar directe omgeving. Bijgaande kaart dateert van 1900 en toont de kadastrale percelen. Een zeer bruikbare bron bij onderzoek.
  • in 2018 ontving het Archief Twentse Textielfamilies een paar documenten van de heer E.W. Roessingh. Ook bezitten wij via de Stroinks enkele oude familiepapieren Roessingh, maar het is ons nog onbekend waar het oude bedrijfs- en familiearchief Roessingh (hopelijk) bewaard wordt… Wie het weet, mag het zeggen 🙂
  • Familiearchief Jordaan, inv.nr. 834 (foto Van Loenshof 3, ca. 1900)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*