Kaakproblemen en tandheelkundige ontwikkelingen in Twente in de negentiende eeuw

Waarde oom!
Uw telegram van gepasseerde zaterdag benevens schrijven van 16 dezer heb ik wel ontvangen en feliciteer u van harte met de goede uitslag der zetting van het nieuwe gebit. Ik hoop dat ge er nog lang gebruik van zult maken en meer en meer als een natuurlijk stel kiezen en tanden zal voldoen. Mij dunkt dit zal wel gaan, althans de mensen die het hebben gewennen er allen aan en kunnen er heel best mede terecht. Het is waar dat deze vernieuwing veel geld gekost heeft, vooral de reiskosten, maar het geeft ook weder veel genot, en daarbij arme lui doen zulke dingen niet. Aan de raad van prof. Donders zoude ik mij toch houden; het is van te groot belang.”

Familiedocumenten geven een tijdsbeeld van zaken die soms in de algemene geschiedenis onbelicht blijven. Hoe ervaarde men bijvoorbeeld de tandheelkunde in Twente in de negentiende eeuw? Wanneer men tandklachten ervaarde, tot wie kon men zich indertijd wenden? Uit bovenstaande brief van Gerrit Hendrik ter Horst (1832-1894) uit Sneek aan zijn oom Jan Harmen ter Horst (1812-1877) in Rijssen d.d. 19 juli 1877 blijkt dat men voor een kunstgebit een flinke reis moest afleggen en dat dit niet voor iedereen was weggelegd. Ter Horst stond schijnbaar onder controle van professor Franciscus Cornelis Donders (1818-1889), hoogleraar in de geneeskunde en fysiologie te Utrecht. Hij werd met name geroemd vanwege zijn onderzoek naar oogfysiologie. Het is niet waarschijnlijk dat hij het kunstgebit zelf vervaardigde, dat was specialistisch werk dat van huis uit werd verricht door tandmeesters. Die stonden in het algemeen echter niet in hoge achting. Hun medische kennis was beperkt, vandaar dat waarschijnlijk het zetten en/of de controle door Ter Horst enkel werd toevertrouwd aan een medisch doctor.

Van oudsher konden mensen met tandproblemen terecht bij de barbier. Naast baardscheren en aderlaten behoorde het trekken van tanden ook tot de dagelijkse werkzaamheden. Wanneer een barbiersgezel toegelaten wilde worden tot het barbiers- en chirurgijnsgilde werd het tanden trekken geëxamineerd. In de tweede helft van de achttiende eeuw doken ook de eerste tandmeesters op. Veel van hen waren afkomstig uit het buitenland. De expertise werd meestal van vader op zoon overgedragen. Met name in de grote steden, zoals Amsterdam en Rotterdam, vond men rond 1800 een grote aantal tandmeesters. Opmerkelijk was de oververtegenwoordiging van joodse tandmeesters. Zij bedienden niet enkel de stedelingen, maar reisden ook rond. Met name op jaarmarkten en kermissen kon men terecht voor een tand- of kiesextractie. Door het geschreeuw op straat te volgen, kon men eenvoudig de exacte locatie bepalen. Hoewel zij deskundig waren op het gebied van tanden trekken en het vervaardigen van kunsttanden, lieten zij zich soms ook in met de behandeling van geslachtsziekten en brachten zij dubieuze middeltjes op de markt. Ook het gebruik van mensentanden in kunstgebitten (en de verkrijging daarvan, via lijkenpikkers), gaf het vak van tandmeester weinig waardering.

Bij tandproblemen was tot ver in de negentiende eeuw vaak het trekken van tanden de enige, pijnlijke remedie. Door het gebrek aan achting voor tandmeesters hadden slechts weinig medisch doctoren interesse zich in dat vakgebied verder te bekwamen. Wel waren er halverwege de negentiende eeuw enige medische ontwikkelingen te vieren die het leed konden verzachten, namelijk het gebruik van lachgas bij extractie (1844) en anesthesie d.m.v. ether (1846). In de negentiende eeuw wilde de Nederlandse overheid het medisch onderwijs op een hoger niveau tillen en het toezicht daarop beter reguleren. Idealiter werd ook de tandheelkunde voortaan door heelmeesters of medisch doctoren uitgevoerd, maar door gebrek aan belangstelling en expertise kon men de grote groep traditionele tandmeesters niet zomaar buiten spel zetten. Plannen in die richting, van de staatsman Thorbecke in 1865, bleken daardoor niet goed uitvoerbaar. Curieus is een brief van zijn broer med. doct. Herman Christiaan Thorbecke (1806-1845) uit 1837. Hij schreef aan Johan Rudolph Thorbecke hoe een meisje van 20 jaar hem een kies leerde trekken:

Nu ging ik naar de zolder, trok enige kiezen uit een doodshoofd, en daarop die van de lijderes in een ogenblik, en wel zo dat zij er bijkans niets van gewaar werd, zo schielijk ging het’.
(M.J. van Lieburg)

Pas sinds 1913 is de titel ‘tandarts’ beschermd en stond het garant voor een gedegen opleiding. In de negentiende eeuw werd die term ook gebezigd, maar het had niks te maken met een afgeronde medische opleiding. In de negentiende eeuw waren tandartsen met een medische graad tamelijk schaars, maar men kwam wel steeds vaker (‘rondtrekkende’) tandartsen tegen. Ook in Twente…

BERIGT
De ondergetekende, die in Enschede, Deventer en Zwolle, ene aanmerkelijke praktijk verworven heeft, beveelt zich bij dezen ook ter dezer plaatse [Almelo] het geëerde publiek minzaam aan. Hij maakt de ingezetenen bijzonder opmerkzaam, dat hij zowel kunsttanden als geheel nieuwe gebitten vervaardigd en inzet, naar de laatste methode, welke hij bij zijn terugkomst eerst betaalt neemt, en zo dezelve dan niet voldoen, zoals hij ze heeft ingezet, verlangt hij geen beloning; zijnde gelogeerd bij Mej. de Wed. Harwig, alwaar hij 4 dagen vertoeft.
Almelo, 18 september 1852.
Carl Gerke, Doctor en Hof Dentist”
(Twentsche Courant, 18 september 1852)

De eerste ‘waardige’ tandarts in Enschede was med. dr. Carl August Heinrich Gerke (1826-1907). Hij woonde aanvankelijk in Münster, maar verhuisde medio jaren ’50 naar Amsterdam. Hij bleef zijn clientèle in Overijssel en Gelderland trouw en bezocht hen ook in de navolgende decennia met enige regelmaat. In tegenstelling tot de tandmeesters op jaarmarkten, hield hij deftig praktijk in gerenommeerde hotels, zoals De Gouden Klomp in Enschede en De Gouden Leeuw te Almelo (van mevr. Harwig). Men kon bij hem terecht voor het zetten van kunsttanden, gehele ‘rateliers’ (kunstgebitten), het ‘plomberen’ van holle tanden, consulten voor alle mond- en tandziekten en heilzame middeltjes als rozen-mondwater en tandpoeder (‘mild en aromatisch, maakt de tanden blinkend wit’). Ook was hij bekwaam met de nieuwe anesthesie methoden, zodat hij kon adverteerden met ‘Operatiën zonder pijn’. Voor mondmiddeltjes kon men in Enschede overigens alle werkdagen terecht in de winkel van de weduwe Willemina Stevens-Kaldewaay (1797-1872); zij verkocht sinds de jaren ’60 mondwater, tandpasta, plantaardig tandpoeder, tandenborstels, tandplombeersel en aromatische handzeep van de buitenlandse hof-tandarts dr. J.G. Poppe. Later werd die winkel met alle mondverzorgingsprodukten voortgezet door haar dochter en schoonzoon Baarslag.

Tot begin twintigste eeuw werden de meeste plattelandssteden gevisiteerd door rondreizende tandartsen. Aan het eind van de negentiende eeuw kon men in De Gouden Klomp te Enschede en De Gouden Leeuw te Almelo regelmatig terecht bij de tandartsen Harris Kisch (1835-1900) en Eduard Pinkhof (1844-1900) (beiden uit de joodse tandmeesterstraditie). Sinds 1893 was er zelfs een tandarts die elke eerste zaterdag van de maand praktijk hield in De Gouden Klomp, te weten: dr. Wilhelm Jacob ter Kuile Lemker (1859-1930) uit Amsterdam. Hij pakte het gestructureerd aan; voor zijn tarieven kon men zich zelfs alle dagen vervoegen bij de hotelier Du Crocq. Ter Kuile Lemker was geboren in Enschede als zoon van een textielfabrikant, maar koos voor de studie tandheelkunde in Berlijn en Philadelphia. Na afronding keerde hij terug naar Nederland en vestigde zich als ‘Amerikaansch tandarts’ te Amsterdam. De bevolking van Enschede kon echter nog jaren kiezen tussen de verschillende rondreizende tandartsen. In januari 1897 vestigde zich voor het eerst een tandarts in Enschede, mej. Ida Johanna Kooiman (1870). Zij had geen universitaire opleiding genoten, maar dat was indertijd voor een tandarts ook nog geen vereiste. Als dochter van een geneesheer verkreeg zij vermoedelijk tandheelkundig onderwijs van haar vader. Haar praktijk was gevestigd aan achtereenvolgens de Zuiderhagen en in de Langestraat en deed zij – wegens haar huwelijk – over aan de heer Daniël Snijder (1871-1936). Hij hield aldaar praktijk tot 1907. Zij waren de eerste permanente tandartsen van Enschede.

Wanneer men in de negentiende eeuw accuut tandproblemen had moesten de inwoners van Twente kiezen: of de pijn weerstaan en wachten op een bezoek van een rondreizende tandarts of afreizen naar een plaats waar een tandarts gevestigd was. Beklagenswaardige brieven zijn in het Archief Twentse Textielfamilies bewaard gebleven van Christine Ledeboer-Nordbeck (1851-1879). Zij schreef op 15 februari 1878 aan haar echtgenoot Bram Ledeboer “of in Amsterdam ook een geschikte tanddokter was, dan kan ik het daar laten doen. Ik [acht] het voor nodig dat er iets aan gedaan wordt.” De pijn was aanhoudend en een oplossing niet gemakkelijk. Op 8 juli d.a.v. schreef zij aan haar echtgenoot:

“Mijn beste mannetje!
Ik zal maar vast een brief aan u beginnen, daar ik niets beter te doen weet. Het is mij toch zo eenzaam in huis. Ik kan u niet zeggen, ieder ogenblik komen de tranen weer. Ik ben geheel van streek. Daarbij komt ook dat het gezicht deze middag weer dikker is en ik ook reeds de dokter weer hier heb gehad. Hij heeft er mij weer wat uitgedunkt en komt morgen half tien terug om te zeggen of ik reizen mag. Ik wilde het maar hopen.”

Dr. A. ‘André’ Kosters, goede vriend van het echtpaar, gaf gelukkig toestemming om te mogen reizen. Tezamen met haar zwager J.B. ‘Bernard’ Ledeboer, die op dat moment in Enschede was, reisde zij af naar haar zwager en schoonzuster Ledeboer in Almelo. “Het gaat mij echter nog altijd niet goed, mijn gezicht wil niet dunner worden en de pijn is niet over. Het is erg vervelend, mijn schat.” Haar echtgenoot schreef gerustgesteld uit Kissingen op 23 juli d.a.v. “Ik denk uw kinnebak zal nu wel haast weer beter zijn”. Helaas bleef de pijn aanhouden. Een klein jaar later, op 7 april 1879, schreef zij urgent:

“Mama [M.G. Ledeboer-van Heek] vindt het noodzakelijk dat wij een dag naar Arnhem gaan om mijn tanden na te laten zien. Het zou nu noch even durven, en maakt hij ze dan ook maar schoon. (…) Nu dacht ik, als het met de zaken uitkomt, dat gij dan deze avond nog zo goed zou wezen om aan de tanddokter te schrijven of wij woensdag of donderdag kunnen komen, of hij dan tijd heeft. Kan hij niet, of het dan goed is de volgende week woensdag of donderdag, omdat gij dinsdag na de feestdagen zeker nog eerst op het comptoir moet wezen. Vind gij het goed, dan vraagt gij hem om spoedig te antwoorden, niet waar? En krijg ik dan wel bericht van u, ook daarbij of ik voor ons het nachtgoed moet medenemen als wij een nacht moeten blijven, als hij het wellicht niet in een dag kan. Ik zie er wel tegen op, het is naar, maar later altijd kiespijn te hebben is toch ook niet alles.”

In Arnhem was op dat moment een vaste tandarts gevestigd, te weten Joseph Jacobus Levison. Hij hield praktijk in de Ketelstraat en was gespecialiseerd in kunstgebitten, “die door zelf-attractie zich volkomen in den mond bevestigen (zonder haken of veeren), zich kenmerken door buitengewone soliditeit en volmaakte natuurlijkheid, zowel in gebruik als uiterlijk aanzien”.

De inmiddels 28-jarige Christine Ledeboer-Nordbeck was op het moment van behandeling zwanger van haar tweede kindje. Helaas openbaarden zich in september 1879 “de eerste verschijnselen ener borstkwaal, die door haar bevalling zodanig verergerde, dat geen geneeskundige hulp mocht baten en zij reeds hedenochtend [28 december 1879] voor acht uur overleed”, aldus de rouwkaart.

Het portrettenalbum afkomstig van de familie Van Heek bevat een foto van een jongedame met een gecompliceerd kaaktuig. Hoogstwaarschijnlijk is dit een van de laatste foto’s van Christine Ledeboer-Nordbeck. Wij mogen in ons handjes knijpen met de huidige tandheelkundige en geneeskundige mogelijkheden!
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

  • Ook Jan Harmen ter Horst heeft slechts enkele maanden mogen ‘genieten’ van zijn op maat gemaakte kunstgebit; hij overleed op 16 oktober 1877 op 65-jarige leeftijd te Rijssen.
  • voor dit artikel is veelvuldig gebruik gemaakt van de krantendatabase www.delpher.nl. Daarnaast heeft het artikel ‘Het tandheelkundige beroep in Nederland voor 1865’ van dhr. M.J. van Lieburg (in: Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde, 1991) geholpen bij het vormen van een kader.
  • helaas ontbreekt een naam bij het damesportret. Gelukkig hebben wij in het archief meer gelijkend materiaal, zodat toeschrijving alsnog met redelijke zekerheid mogelijk is. Advies: mocht u in de familie oude foto’s en portretten hebben, schrijf – met hulp van de oudste generaties – de namen (bijvoorkeur) op de achterzijde! Het is ontzettend jammer wanneer mensen in de toekomst niet meer de namen kunnen achterhalen.
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ter Horst, inv.nr. 939

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*