Spinnerei Deutschland

Spinnerei Deutschland in Gronau, Westfalen;

Willem en Botto Jordaan

Wanneer men aan de textielzaken van de familie Jordaan denkt, zal men waarschijnlijk een link leggen met de firma D. Jordaan & Zonen te Haaksbergen. Jan Jordaan (1740-1810) ontpopte zich tot een succesvol fabrikeur in linnen, waarna de volgende generaties de fabriek verder uitbouwden. Naast de fabriek in Haaksbergen, waren de Jordaans mede-oprichters van verschillende andere ondernemingen. Een daarvan is de Spinnerei Deutschland net over de grens in Gronau. De oprichter was Willem Jordaan (1845-1914) die later werd opgevolgd door zijn zoon Botto Jordaan (1874-1925)

De jeugd van Willem Jordaan in Enschede

Op 18 juli 1845 werd Willem Jordaan geboren als tweede zoon van Jan Jordaan (1816-1883) en Geertruid Stroink (1819-1882). Hij werd vernoemd naar zijn grootvader van moederskant, Willem Stroink (1783-1845) die twee maanden voor zijn geboorte overleed. Zijn ooms Stroink, firmanten J. Stroink & Zonen te Enschede, verwierven grote bekendheid toen zij in 1855 de eerste stoomweverij van Enschede oprichtten. Ook zijn vader behoorde tot een van de vooruitstrevende notabelen van Enschede, doordat hij sinds 1839 directeur was van de Enschedesche Katoenspinnerij (EKS). De EKS was de tweede stoomspinnerij van Nederland en verkreeg als snel de bijnaam ‘n Grooten Stoom. Deze fabriek werd in 1833 door verschillende Enschedese fabrikanten opgericht om daarmee het risico van deze nieuwe mechanisering te spreiden en droeg daardoor bij aan de omschakeling van de handmatige smietspoel naar de mechanische schiet- of snelspoel. Tot de oprichters van de EKS behoorde o.a. zijn grootvader Willem Stroink. De vader van Willem Jordaan (WJ), Jan Jordaan (1816-1883), stimuleerde tevens zijn vader en broers in Haaksbergen de overstap te maken naar de stoom.



een schilderij van L.J. Bruna rond 1855. Spelende jongens achter de Grote Kerk in Enschede. Willem Jordaan houdt de hand voor de mond van zijn neef Willem Stroink (1843-1893). Jan Herman Stroink zit links achter de pilaar, Jan Blijdenstein houdt de hond rustig. De jongen in het midden is Herman Evers, de zoon van de predikant, en rechts zit IJssel de Schepper.

Door familiebanden met de Stroinks, Blijdensteins en Van Deldens en zijn vaders positie bij de EKS werden WJ en zijn broers en zusters opgenomen in de elite van Enschede. Voor de kinderen betekende dit dat zij op jonge leeftijd werden opgenomen in zogenaamde kransjes en clubs. Deze werden door de moeders samengesteld en resulteerden vaak in levenslange vriendschappen. De clubgenoten waren meestal van dezelfde leeftijd en deelden de sociale status binnen de Enschedese gemeenschap. Voor de meesten – uitgezonderd de zonen van artsen, advocaten en predikanten die eveneens in de clubs werden opgenomen – was een toekomst in de textiel voorbestemd. De jongens ontmoette de meisjes op de verschillende bals en voorstellingen op de Sociëteit. In de winter was schaatsenrijden een geliefde bezigheid en de jongens assisteerden hun vaders graag op jachtpartijen. Het gesloten, doch beminde, wereldje in Enschede resulteerde in veel huwelijken binnen eigen kring waardoor veel clubgenoten aan elkaar verwant waren of geraakten. Door het gebrek aan een spoorwegstation in Enschede was reizen een hele – onplezierige – onderneming. De vader van WJ, Jan Jordaan, behoorde tot een van de drijvende krachten die de oprichting van een spoorwegstation in Enschede tot doel had gesteld. Reeds in de jaren ’50 was Jan Jordaan met enkele andere fabrikanten aan het lobbyen in Den Haag om dit voor elkaar te krijgen. De voornaamste reden was overigens niet het reizen comfortabeler en sneller te maken, maar de transportkosten van kolen uit het Westfaalse Ibbenbüren drastisch te verlagen. In 1857 werd Jan Jordaan benoemd tot lid van de Raad van Bestuur van de aan te leggen spoorweg van Zevenaar naar de Duitse grens.i 18 januari 1858 schreef een neef van WJ, Willem Stroink (1843-1893), aan diens neef Bram Ledeboer: “De aansluiting met Pruissen over den Spoorweg is nu, naar ik van Oom Jordaan gehoord heb, ook voor goed geregeld en zal deze weg nu op de Rheine aansluiten”.ii Dit leek echter wat te voorbarig; het zou nog tot 1865 duren tot Enschede zijn spoorwegstation feestelijk kon openen.



Willem Jordaan op jeugdige leeftijd

WJ bewoonde met zijn ouders en broers en zusters een huis gelegen dichtbij de fabriek ‘n Grooten Stoom. Deze villa lag in de grote, omringende gemeente Lonneker en huurde zijn vader Jordaan van de naamloze vennootschap EKS, waarvan hij tevens aandeelhouder was geworden. Bij de grote brand van Enschede op 7 mei 1862 – WJ was toen bijna 16 jaar oud – werd drie kwart van de stad in de as gelegd. Slechts enkele panden bleven gespaard, waaronder het Schuttersveld van H.A. Van Heek en de villa van Jan Jordaan. Tevens de fabriek ‘n Grooten Stoom bleef gespaard. Bij een bezoek van de toenmalige minister van Binnenlandse zaken, J.R. Thorbecke, aan Enschede, vond een belangrijke conferentie plaats ten huize van Jan Jordaan. Waarschijnlijk was dit de eerste ontmoeting met de grote staatsman, die goed bevriend raakte met enkele Enschedese fabrikanten.

Eind 1863 werd door de aandeelhouders besloten de naamloze vennootschap EKS te liquideren. De onderneming telde na 30 jaren maar liefst vijf spinnerijen; een etablissement in Gronau, twee in Almelo en twee in Enschede. “De fabrijken zijn ingerigt voor grof en fijn garen, zoo wel voor Inlandsch debiet als voor uitvoer naar Oost-Indien.” melde een krant in 1863iii Door de liquidatie verloor vader Jan Jordaan zijn baan. Jan Jordaan kocht van het etablissement van de EKS te Gronau – “de Spinnerij te Gronau met arbeiderswoningen”voor 60.000 gulden.iv Zijn villa in Lonneker werd samen met de fabriek ‘n Grooten Stoom gekocht door fabrikant Gerhard Jannink (1811-1869). Desalniettemin bleef Jan Jordaan tot 1865 de villa bewonen, waarna een zoon van Gerhard Jannink de woning betrok.v Jan Jordaan verhuisde naar de Gronausestraat in Enschede.



Willem Jordaan (1845-1914) op middelbare leeftijd

De eerste Jordaans in Gronau

De heer H.J. Teuteberg stelt dat de vader van WJ de industrialisatie in Gronau op gang heeft gezet. Schon 1840 machten die Niederländer einen Zweigbetrieb in Gronau auf, um die Zoll- und Steuervorteile in Preußen auszunutzen. Die Gronauer Dampfspinnerei “De Groot Stoom” der “Enschede Katoen Spinnery” unter Leitung des Niederländers Jan Jordaan stellte den ersten Industrialisierungsansatz in der Grenzstadt Gronau dar, der wegen der veralteten Maschinen freilich nicht von langer Dauer war. 1850 errichtete die Enscheder Fabrikantenfamilie ten Cate noch drei weitere Baumwoll- und Nesselwebereien samt einer Färberei, die sich aber wegen der Unkenntnis der deutschen Marktverhältnisse ebenfalls nicht lange behaupten konnten. Erst die dann folgende Garnschlichterei Jordaan & van Heeck in Gronau wurde die eigentliche Wurzel der später so berühmten Gronauer TextiIindustrie, die dann in der Person von Mathieu van Delden aus Nordhorn einen vorzüglichen Leiter und Teilhaber fand. Die Firma M. van Delden & Comp. gab fortan nicht nur Gronau, sondern dem gesamten Textilgewerbe im Westmünsterland das Beispiel für einen erfolgreichen Übergang ins Industriezeitalter.”vi

Over de firma Jordaan & Van Heek te Gronau is weinig bekend en staat daarmee op het lijstje ‘nog uit te zoeken’. Deze firma heeft in ieder slechts geval kort bestaan. Ik vermoed dat een oom van WJ, Albertus Jordaan (1822-1917) uit Haaksbergen, enige jaren leiding heeft gegeven aan deze fabriek, hoewel ook geschreven wordt dat hij leiding gaf aan het etablissement van de EKS in Gronau. Hij was in ieder geval tot 1849 textielfabrikant te Gronau en was daarmee de eerste Jordaan die zich daar had gevestigd. Na een affaire, waarover ik in een ander artikeltje zal schrijven, vertrok deze oom naar Amerika. Matthieu van Delden (1828-1904) werd directeur der firma Jordaan-Van Heek en nam de fabriek in 1854 over.vii Hij doopte de firma om in M. van Delden & Co. In 1856 trouwde Matthieu van Delden met een tante van WJ, Maria Geertruida Stroink (1827-1897).

Na de liquidatie van de EKS in 1863 kocht Jan Jordaan het etablissement van de EKS in Gronau. Deze spinnerij zette hij samen met zijn zoon WJ voort onder de naam Jordaan & Co. De ‘Co’ staat voor andere deelgenoten, maar het is mij onbekend welke familie(s) dat zijn. In 1870 werd besloten de spinnerij te verkopen. Op 30 april 1870 schreef WJ aan Bram Ledeboer in Enschede:

Gronau 30 april 1870

Amice!

Door den hoogstwaarschijnlijken overgang onzer spinnerij in vreemde handen ben ik genoodzaakt naar eene betrekking om te zien en neem ik hierdoor de vrijheid bij voorkomen beleefdelijk in uw gunst aan te bevelen. Misschien hebt gij (Van Heek & Co of M. van Delden?) gelegenheid tot plaatsing van een jong mensch. In dit geval zoude ik gaarne van u hooren en beloof ik dan de belangen uwer firma zeer ter harte te nemen. Met een antwoord of een goeden raad zul gij zeer verpligten (…)”

Bram Ledeboer en WJ waren beiden oomzeggers van mijn voorouders Joan Stroink (1815-1879) en Geertruid Bernhardina Ledeboer (1820-1912). Of het verzoekschrift tot een plaatsing bij een van de twee genoemde firma’s heeft geleid is mij niet bekend. In 1870 werd de spinnerij van Jordaan & Co overgenomen door Arend Bremmers; hieruit ontstond de Gronauer Baumwollspinnerei Bremmers & Co.

Arend Bremmers (geb. 1818) stamde uit een familie die reeds in de achttiende eeuw werkzaam was in de textiel. Zijn stiefmoeder was Gerharda Bremmers-Planten (1773-1848), die samen met haar neefje – mijn voorvader Theodorus Kosters (1799-1856) – eigenaar was van het bekende logement De Gouden Klomp in Enschede. Op 18 december 1856 stierf deze voorvader Theodorus Kosters ten huize van Arend Bremmers in Gronau.viii

In 1872, twee jaar na de oprichting van Bremmers & Co, trouwde Willem Jordaan (WJ) met een nicht van Arend Bremmers, Cornelia Livia Nauta (1849-1927). Arend Bremmers was in 1854 te Heerenveen gehuwd met haar tante Martha Kinnema Nauta. Zij was 44 jaar oud toen zij trouwde; dit huwelijk bleef kinderloos. In 1879 werd de firma Bremmers & Co voortgezet door WJ en zijn neef Jan Stroink Wz onder de naam J. Stroink & Co.ix



Cornelia Livia Nauta (1849-1927), echtgenote van Willem Jordaan

Oproer op het kantoor 1882

In oktober 1882 ontstond er een gevaarlijke situatie op het kantoor van de firma J. Stroink & Co in Gronau. Verschillende kranten gaven een uitgebreid verslag;

Drie spinners, welke wenschten hun werk te staken verzochten woensdag hun chefs het hun toekomende loon te mogen ontvangen. Deze weigerden hun dit, daar zaterdag eerst werd uitbetaald. Hierop verzochten zij zich een oogenblik te mogen verwijderen om even naar huis te gaan. Nadat de chefs hun zulks toegestaan hadden, kwamen zij eenige oogenblikken later terug, gewapend met groote messen, waarmede ze de chefs, die nog op het kantoor waren, aanvielen. Hierdoor ontstond een worsteling, waarbij den heer [Willem, DJ] Jordaan twee sneden in het been werden toegebracht; een stoot in de zijde schampte gelukkig af. Tot groot geluk der patroons kwam juist de heer [Jan] Stroink binnen, die, gewapend met een stuk hout, een der belhamels zulk een gevoeligen slag op het hoofd toebracht dat hij onmiddelijk neerviel. Met moeite en door tusschenkomst der politie zijn zij daarop in verzekerde bewaring gebracht. De door hem toegebrachte wonden zijn gelukkig niet gevaarlijk. Ware de heer Stroink hun niet toevallig ter hulp gekomen, dan waren de gevolgen niet te voorzien geweest. Twee der daders zijn, naar men zegt, van Almelo, en de andere is te Enschede woonachtig.”x

Brand 1884

Het Rotterdamsch Nieuwsblad van 5 juni 1884 meldde o.a.:

Gisterochtend te half negen is de groote katoenspinnerij van de heeren Stroink & Co te Gronau geheel afgebrand. De belendende perceelen bleven ongedeerd. Aan de spinnerij werkten 180 personen, die thans broodeloos zijn.”

De fabrieken van de Stroinks vielen helaas vaker te prooi aan de vlammen. Ondanks het aanzien dat de firma J. Stroink & Zonen sedert de oprichting van de eerste stoomweverij in Enschede in 1855 genoot, wisten de daaruit volgende firma’s in Enschede, Nordhorn en Gronau zich niet te ontpoppen tot een van de grootste industriële ondernemingen. Over de verschillende Stroink-ondernemingen zal ik in een apart artikeltje schrijven. De fabriek van de firma J. Stroink & Co in Gronau werd na de brand herbouwd, echter lijkt het erop dat WJ zich uit de firma terugtrok.


Oprichting Baumwollspinnerei Gronau 1890

In 1890 richtten verschillende Nederlandse industriëlen een katoenspinnerij op in Gronau. Tot directeuren daarvan werden benoemd Arnold H. Jannink en WJ. De aandeelhouders waren voor een groot deel afkomstig uit Twente, echter waren er ook enkele aandeelhouders van buiten bij betrokken. De grootste aandeelhouders waren de familie Jordaan, Jannink en Scholten.xi Het startkapitaal bedroeg M 800.000.

De aandeelhouders van de familie Jordaan bestonden uit Willem H. Jordaan met 19 aandelen, de firma D. Jordaan & Zonen te Haaksbergen met 10 aandelen, Frits J. Jordaan met 5 aandelen, Hendrik Jordaan met 5 aandelen, de weduwe Kayser-Jordaan met 5 aandelen, Dina Jordaan met 1 aandeel en WJ zelf met 4 aandelen. De aandeelhouders van de familie Jannink bestonden uit Arnold H. Jannink met 17 aandelen, zijn moeder de weduwe Jannink met 4 aandelen, zijn halfbroer H. Henri Jannink met 4 aandelen en zijn neven Gerhard en Engbert Jannink te Almelo met resp. 4 en 2 aandelen. De familie Scholten uit Almelo, schoonfamilie van Arnold H. Jannink, nam deel voor in het totaal 14 aandelen.xii

De familie Jordaan was cumulatief gezien de grootste aandeelhouder van de katoenspinnerij Gronau, ondanks dat van de twee directeuren Arnold Jannink de meeste aandelen in bezit had. Willem H. Jordaan (1828-1902) was de grootste aandeelhouder en nam sedert de oprichting samen met Jan Scholten Bz. (1840-1925) en H.J. Selkers (1841-1914)xiii zitting in de raad van commissarissen.xiv

De investeringsbereidheid van de familie Jordaan uit Haaksbergen zal met verschillende zaken te maken hebben. De familiebanden tussen de verschillende takken Jordaan waren tot ver in de 20e eeuw zeer sterk. Zij zullen zich het lot van hun neef WJ uit Enschede zeker hebben aangetrokken. Daarnaast was de reputatie van de familienaam een groot goed, waaraan de familie Jordaan – evenals andere textielfamilies – zeer gehecht was. De uitbreiding van de naam en faam was zeker gewenst. Maar, gezien de zuinige aard van de Jordaans, zal met name het vertrouwen in de bekwaamheid van WJ en de investeringspotentie de doorslag hebben gegeven om een grote som geld over de grens te investeren. Spreiding van het kapitaal betekende vanzelfsprekend meer zekerheid; het kapitaal was daarmee niet geheel afhankelijk van het reilen en zeilen van één firma.

Mede-directeur Arnold H. Jannink (1844-1906)


Arnold Jannink (1844-1906)

Arnold Jannink was een generatiegenoot van WJ en behoorde eveneens tot een vooraanstaande Enschedese textielfamilie. De textielfabriek van zijn vader, A. Jannink & Co, werd bij de grote brand in 1862 verwoest en hij besloot de fabriek niet weder op te bouwen. Daardoor kon Arnold Jannink zijn vader niet opvolgen als firmant. Hij werkte verscheidene jaren als bedrijfsleider in een textielfabriek in Enschede. De oprichting van een naamloze vennootschap in Gronau kwam hem, evenals WJ, zeer gelegen. Als bedrijfsleider binnen een gesloten familiebedrijf was geen verdere promotie te verwachten, waardoor Arnold Jannink de vrijgekomen positie van directeur der Baumwollspinnerei Gronau te Gronau met beide handen aangreep.

De meeste Twentse fabrieken droegen in de negentiende eeuw de familienaam van de fabrikanten. Dat de aandeelhouders bestonden uit enkel familie was voor de families een groot goed. Dit wordt aangeduid met de term familisme. Wanneer het vermogen enkel werd gedragen door de familie werden de namen als Gerhard Jannink & Zonen, D. Jordaan & Zonen, J. Stroink & Zonen met trots gevoerd. Wanneer de onderneming ontstond door een kapitaalinjectie van twee families, werden beide namen gevoerd. De firma’s Ter Kuile-Morsman en Jannink & Ter Kuile zijn hiervan voorbeelden. Wanneer de familie toch meer kapitaal moest aanwerven werd dit bij voorkeur gedaan bij de koude kant. Wanneer geld van buiten moest worden aangetrokken werd de familienaam vaak gekoppeld met de toevoeging “& Co”. Voorbeelden hiervan zijn Van Heek & Co, Stroink & Co, Blijdenstein & Co en Ter Horst & Co. Bij Van Heek & Co was de “Co” de aangetrouwd familie Ledeboer en bij Ter Horst & Co bestond de “Co” uit de bevriende familie Van Heek uit Enschede. De aandeelhouders bestonden uit een kleine, overzichtelijke groep families. Bij de oprichting van naamloze vennootschappen werd vaak gekozen voor een meer algemene naam, zoals de Enschedese Katoenspinnerij en de Twentse Stoomblekerij. Dit verklaart ook de naam Baumwollspinnerei Gronau. De omzetting van een familiebedrijf in een naamloze vennootschap, zoals in de twintigste eeuw menigmaal geschiedde, werd door de betreffende fabrikanten gezien als een noodzakelijk kwaad.

De eerste jaren van Baumwollspinnerei Gronau 1891-1897

In 1891 werd de katoenspinnerij Gronau in gebruik genomen en kon direct volop profiteren van de gunstige markt. Uit onderstaand overzicht blijken de gunstige ontwikkelingen van de spinnerij en de voor de aandeelhouders genoeglijke dividenduitkeringen.xv De balansen werden jaarlijks op 31 december gemaakt.

Boekjaar

Kapitaal

Winst

Dividend

1891

M 1.517.128

RM 36.578

4,00%

1892

M 1.969.609

RM 110.425

8,00%

1893

M 1.841.138

RM 99.908

7,00%

1894

M 2.111.415

RM 148.478

10,00%

1895

M 2.088.046

RM 202.263

13,00%

1896

M 2.080.106

RM 184.985

13,00%

1897

M 3.442.192

RM 178.634

12,80%, 5,10%

Bron: Jahres-Bilanzen nebst Gewinn- und Verlust-Conten der Baumwollspinnerei Deutschlandxvi

Bij de balans van 1897 wordt aangemerkt: “Vertheilt wurden auf die alten Actien 12,8% Dividende; Vertheilt wurden auf die jungen Actien 5,1% Dividende. Mit Spinnerei I verdient. (Spinnerei II ist noch im Bau begriffen.)” Het aandelenkapitaal werd in 1892 verruimd naar M 1.150.000 en in 1897 naar M 1.500.000 en in 1897 werd het Obligations-Conto verhoogd van M 132.000 naar M 1.086.000.xvii De zaken liepen zo voorspoedig dat Spinnerei Gronau overging tot de bouw van een tweede spinnerij die in 1898 in gebruik werd genomen. ‘The sky is the limit’ was de tendens in de jaren ’90 van de negentiende eeuw.

Spanning tussen de directeuren Jannink en WJ 1895

Ondanks het succes van de firma ontstonden er spanningen tussen de directeuren Jannink en WJ. Eind 1895 stelde Jannink de aandeelhouders voor de keuzeom de fabriek alleen te runnen, waarop een aandeelhoudersvergadering werd gehouden. Er werden 210 stemmen uitgebracht, waarvan 136 stemmen voor en 74 stemmen tegen dit voorstel werden uitgebracht.xviii Door deze stemming werd bepaald dat Jannink als enig directeur de zaken Gronau zou voortzetten. WJ was verrast over deze uitkomst, zeker doordat stond genoteerd dat Wisselink 36 stemmen voor zou hebben uitgebracht. Jan H. Wisselink, een zoon van A.G. Wisselink-Jordaan en daarmee een volle neef van WJ, was enige jaren tevoren door het onverwachts overlijden van de oudste zoon van Hendrik Jordaan (1820-1912) toegetreden tot firmant van D. Jordaan & Zonen. Hij stond op zeer goede voet bij zijn oom Willem H. Jordaan (1822-1904)xix die commissaris was van de Baumwollspinnerei Gronau. Jan Wisselink zal daardoor degene zijn geweest die namens de firma D. Jordaan & Zonen en zijn familie uit Haaksbergen in deze kwestie de stemmen uitbracht. WJ was verbaasd over de uitslag en schreef 23 december 1895 aan zijn neef D.B.H. Jordaan (een van de andere firmanten van D. Jordaan & Zonen):

Zoo deze 36 stemmen ‘tegen’ gestemd hadden was het als volgt:

tegen 74 + 36 = 110

voor 136 – 36= 100.

Jannink was dan doorgevallen. Heeft dan Wisselink wel voor gestemd?”xx

Er waren echter reeds enige onhoudbare spanningen tussen Jannink, commissarissen en WJ. Op 26 november 1895 schreef WJ aan zijn neef D.B.H. Jordaan o.a.:

Waarde Neef! Het verwondert mij ook dat de Heeren Commissarissen het besloten onderzoek niet beginnen. Zij schrijven daar niet veel trek aan te hebben. Eenmaal is Schwergmanxxi het, andermaal Scholtenxxii zich. De nieuwe zaak gaat door.

Definitief ingeteekend M 615.000

Zoo goed als zeker M380.000

[totaal, DJ] M 995.000

Ik reken op de familie M 100.000

[totaal, DJ] M 1.095.000

Onder de zekeren zijn 4 wevers met ene 1500 looms. Onder de nog niet definitieve een grote garenhandelaar uit Schlesien die aan ons 5.000.000 [stuks, DJ] garens per jaar koopt. Waarschijnlijk kom ik deze dagen eens te Haaksbergen om u de teekeningen voor te leggen. Zoo gij mij uwe deelneming kondet noemen, zoude dat misschien invloed hebben op anderen.”xxiii

Neef Derk B.H. Jordaan was zeer ter spreken over de nieuwe spinnerij waarvan WJ de enige directeur zou worden. Hij wist verschillende familieleden met succes te interesseren voor deelneming in deze nieuwe onderneming. Zijn vader Hendrik Jordaan (1820-1912) bleek in 1912 een flinke som geld in de nieuwe firma te hebben gestoken, maar behield tevens een flink aandelenkapitaal in de Baumwollspinnerei Gronau. xxiv Derk B.H. Jordaan spoorde tevens zijn schoonfamilie Martens en de aangetrouwde familie Manschot aan om in deze nieuwe onderneming te investeren.xxv Het enthousiasme is goed te begrijpen wanneer men de positieve resultaten der Baumwollspinnerei Gronau in de voorgaande jaren bekijkt. G.W. Martens (1861-1943) schreef 29 november 1895 aan diens zwager D.B.H. Jordaan o.a.:

Van het brouillement Gronau heb ik niets gehoord, zoodat het voor mij groot nieuws was. Enfin, als ik het wel begrijp, dan blijft de bestaande Gesellschaft zooals ze is, zoodat de aandeelhouders er geen schade van zullen hebben doch gelegenheid krijgen nog meer centen zoo rentegevend te beleggen. Natuurlijk, als de nieuw te stichten naaml. venn.sch. door u en andere zaakkundigen feducie [= vertrouwen, DJ] gepronken wordt, dan ben ik gaarne bereid dankbaar gebruik te maken voor mijn stem in de boedel van de aangeboden gelegenheid. We vonden het destijds jammer in “Gronau” niet meer dan M. 5000 gestoken te hebben. Natuurlijk moet niet alles in een zaak belegd worden, doch me dunkt dat – in hope van gelijk succes – thans wat meer genomen moet worden, bv. voor M 15.000 (…)”xxvi

In een brief van 2 december 1895 waarschuwde WJ zijn neef D.B.H. Jordaan niet vroegtijdig zijn aandelen in Gronau te verkopen: “Is de familie al eens hoever zij mee doen? Zoo gij uw Actien B[aumwollspinnerei] G[ronau] verkoopt, denk er aan dat dit jaar 12% wordt uitgekeerd.” xxvii Deze goede raad werd in Haaksbergen vast met dankbaarheid ontvangen.

Oprichting Spinnerei Deutschland 1896

WJ wist gestaag de financiën rond te krijgen en 15 januari 1896 werd tot de oprichting van de Spinnerei Deutschland overgegaan. Ondanks dat de familie Jordaan een aanzienlijke aandelenportefeuille bemachtigde, was het grootste deel van het aandelenkapitaal (M 1.100.000) afkomstig uit Duitsland.

In 1896xxviii werd de spinnerij in gebruik genomen met circa 300 arbeiders en 27.000 spindels.xxix De fabriek werd aangesloten aan de spoorweg. De eerste Raad van Commissarissen bestond uit de heren Fr. Kistemaker, J.H. Wisselink en W. Kreitz. De heer Kreitz overleed echter spoedig en werd opgevolgd door Hugo Brüninghaus.xxx Opvallend is de keuze voor Jan H. Wisselink (1847-1904) die nog in december 1895 voor Arnold Jannink had gestemd. Blijkbaar is deze kwestie snel bijgelegd. In ieder geval werd Wisselink door diens collega-commissarissen geroemd vanwege zijn grote kennis en Geistesgaben.xxxi Deze opinie wordt versterkt door het vertrouwen dat zijn oom Willem H. Jordaan in hem heeft gehad; Wisselink werd in 1898 de leiding toevertrouwd over de herbouw van de fabriek en kantoren in de Haaksbergen. Deze waren door een brand in de as gelegd.

Spinnerei Deutschland o.l.v. Willem Jordaan 1896-1914

Zoals uit de bovenstaande brief van G.W. Martens blijkt, waren de verwachting van de aandeelhouders der nieuwe onderneming hoog. De jaren 1890-1897 lieten mooie winsten zien bij de Baumwollspinnerei Gronau, waardoor de aandeelhouders konden profiteren van hoge dividenduitkeringen. De textielindustrie beleefde hoogtijdagen waarvan de spinners eveneens optimaal profiteerden.

Verschillende fabrikanten wilden van deze opleving in de textielindustrie profiteren, waardoor in de jaren ’90 meerdere spinnerijen werden gebouwd en uitgebreid; daarin stond WJ met de Spinnerei Deutschland niet alleen. Zijn voormalige collega Arnold Jannink richtte in 1897 een tweede spinnerij op, die luisterde naar de weinig originele naam Germania. Daarnaast waren de firma’s M. van Delden & Co, van een oom van WJ, en Gerrit van Delden & Co, diens broer, reeds enkele decennia een begrip in Gronau. De laatstgenoemde firma wist zelfs uit te groeien tot een van de grootste spinners van Europa. Kortom: de concurrentie op de spinnersmarkt was niet mis, echter was in de jaren ’90 van de negentiende eeuw de vraag zo groot dat alle spinnerijen daarvan wisten te profiteren…



Briefhoofd Spinnerei Deutschlandxxxii

Het eerste boekjaar 1896/1897 kon Spinnerei Deutschland dankzij een redelijke winst een eerste reserve aanleggen van M 11.226.xxxiii Het tweede boekjaar viel tegen.Der Gang des Geschäftes war im verslossenen Jahre unbefriedigend und hat namentlich die andauernde rückgängige Conjunctur das Geschäftsergbnitz sehr ungünstig beeinflusst. (…) Infolge des Spanisch-amerikanischen Krieges wurden die Zufuhren der Baumwolle neuer Erntz anfangs sehr erschwert und daher die in Bremen und Liverpool lagernden Vorräthe nur zu hohen Preisen angegeben, während anderseits das Garngeschäft in jenen so bedeutenden Absatzgebieten, welche vorzugweise für Export arbeiten, gänzlich stockte (…)” verklaarde WJ in zijn jaarverslag over het boekjaar 1897/1898. De Raad van Commissarissen was echter positief gestemd over de toekomst. Zij schreven aan de aandeelhouders “Bei dem niedrigen Preisstand der Baumwolle zu Begin des neuen Geschäftsjahres haben wir uns, mit Ihrem Einverständnitz, auf längeren Zeit gedeckt, so das die Aussichten für das laufende Geschäfstjahr günstiger sind.” Door de positieve verwachtingen voor de toekomst besloten de commissarissen een ruime dividenduitkering toe te kennen aan de aandeelhouders; er werd een winst gemaakt M 23.502 en een dividend van M 33.000 (3%) uitgekeerd. De kleine reserve uit het eerste jaar werd hiervoor aangesneden.xxxiv

De Spaans-Amerikaanse oorlog (1898), ontstaan door een door de Amerikanen gesteunde opstand op Cuba tegen hun Spaanse kolonisator, was gelukkig binnen een half jaar beslecht waardoor de katoenaanvoer vanuit Amerika weer tot stand kwam. Desalniettemin bleef de verwachtte verlaging van de katoenprijs uit, waardoor de marge op garens zeer klein was. “(…) Durch die grosse Anzahl der inzwischen in Betrieb gekommenen neuen Spinnereien wurde das Angebot in Garn derart gross, dass es mit der Nachfrage nicht mehr im Einklang blieb und die Folge war ein dauernder Preisrückgang. (…)” verklaarde WJ in het jaarverslag over 1898/1899. Dank zij een flinke opvoering van de productie van 2.500.000 stuks naar 3.100.000 wist Spinnerei Deutschland een winst te maken van M 36.118. WJ liet zich niet uit over de verwachting voor het volgende boekjaar, maar de commissarissen waren gematigd positief: “Wir erhoffen, dass durch bessere Verkaufpreisse das nächstjärige Resultat günstiger ausfällt.” Zij besloten wederom een dividend toe te kennen van 3 %, waardoor weer een minimaal bedrag kon worden bijgeschreven op de reserverekening.xxxv

In januari 1899 blijken de spinnerijen in Gronau te profiteren van de goedkopere arbeidskrachten uit Nederland. Hierover beklaagde Duitsland zich: “De katoen-spinnerijen te Gronau drukken de prijzen in geheel Duitsland door haar goedkoopere productie, daartoe in staat gesteld door de lage arbeidsloonen van de Hollandse arbeiders. De groote spinnerijen liggen bijna alle in de onmiddelijke nabijheid der Hollandsche grenzen. De arbeiders wonen in Holland, waar men geen invoerrechten heft op tarwe, rogge, mais, veevoeder enz. en dus goedkooper vleesch en brood kan leveren. De hollandsche kapitalist nu, die een verstandig gebruik van het duitsche protectiestelsel maakte, verrent zijn geld tot 50 pct. Was nu voor het minst het hollandsch kapitaal maar zoo net geweest de machinerieen in Duitschland te koopen! Het protectiestelsel geeft ook aan de Regeering te denken over het kunstmatig opdrijven der vleesch- en broodprijzen. Er ontstaan nu verhoudingen, die het mogelijk maken, dat de voordeelen der duitsche industrie naar het buitenland gaan.” liet het Munstersche Tageblatt bezorgd weten.xxxvi

Twee jaar later schreef De Tijd een artikel over de textielindustrie van Twente. Hierin werd over de fabrieken in Gronau het volgende geschreven:

In [Gronau], die de laatste jaren ook zeer welvarend geworden is en even over de duitsche grenzen ligt, hebben nederlandsche kapitalisten, met het oog op de invoerrechten in Duitschland op geweven stoffen, groote spinnerijen en weverijen gebouwd, waarin een groot gedeelte van Lonnekers bevolking arbeidt. Er is nl. in den jongsten tijd, even aan deze zijde der grenzen bij de Glanerbrug, een vrij groot dorp ontstaan. Nog pas enkele jaren geleden verhieven er zich slechts weinige gebouwen, thans vindt men er kerken en een school met vijf a zes lokalen.

Elke morgen trekken honderden, zoowel vrouwen als mannen, de grens over, om in Gronau hun brood te verdienen. Op deze wijze komen ze weinig in aanraking met de lastige pruisische overheid, bewaren ook voor hunne kinderen de nederlandsche nationaliteiten profiteeren tegelijk van de goedkoope levensmiddelen hier te lande, vooral brood en vleesch.

Maar ook uit Enschede arbeiden er velen: eenigen aangetrokken door de hooge loonen, anderen omdat men daar niet meer van hen gediend was. (…)”xxxvii

Rond de eeuwwisseling kregen de spinnerijen het zeer zwaar. Ondanks de aanschaf van een Economiser die het kolenverbruik deed verminderen en Scheerrahmen en Spulmaschinen die de produktie van Warps [= vislijnen, DJ] verhoogde, kon de Spinnerei Deutschland de verhoogde prijzen van ‘Bündelgarne, Cops und Kreutzpulen’ niet verrekenen waardoor een verlies van M 54.238 moest worden genoteerd in het boekjaar 1899/1900. De reserves waren niet voldoende, waardoor een onvoordelige lening moest worden aangegaan. Desalniettemin waren WJ en de commissarissen positief in het jaarverslag: Wir können Ihnen die Mittheilung machen, dass die Conjuncturverhältnisse für die Spinner sich inzwischen wesentlich gebessert haben, und dass die seitens des Vorstandes in Aussicht gestellten besseren Zeiten damit zu begründen sind, dass jetzt schon Ordres bis April/Mai zu lohnenden Preissen vorhanden.”xxxviii Vanzelfsprekend viel er dit jaar geen dividend uit te keren, wat tevens betekende dat de commissarissen geen tantièmes ontvingen. De drie (of enkele jaren tijdelijk twee) commissarissen deelden 5% van de winst.

De korte opleving aan het begin van het boekjaar 1900/1901 bleek van korte duur. De weverijen kregen het moeilijk, waardoor de spinnerijen weinig orders binnenkregen. De benodigde bezuinigingsmaatregelen en productieverlagingen bij weverijen in Enschede resulteerde in een staking onder de arbeiders, waarop de Enschedese Fabrikanten Vereniging het zogenaamde ‘Twentse Stelsel’ in werking stelden om deze staking te breken. Een van de stakende fabrieken was Van Heek & Co, die vervolgens tijdelijk arbeiders aantrok uit Gronau.xxxix


WJ verklaarde in het jaarverslag van 1900/1901 o.a. “(…) War nun im ersten Halbjahre allgemeine Geschäftslage zufriedenstellend, so trat doch mit dem Sinken der Baumwollpreisse mehr und mehr ein Rückgang ein, zumal viele Weber, wegen Mangel an Aufträgen ihre Production einschränkten und Niemand den Muth hatte, mehr als den nothwendigsten Bedarf zu kaufen. Die Folge war, dass viele Spinner um Aufträge verlegen wurden und durch dass grosse Angebot die Garnpreisse dermatzen herunter drückten, dass mit Verluft gearbeitet wurde. (…)” Dankzij de meevallende eerste helft van het boekjaar, viel het verlies van M 11.000 nog mee.xl

Het volgende boekjaar, 1901/1902, viel het verlies met M 20.031 iets hoger uit. “Die in unserem letzten Geschäftsbericht ausgesprochene Besürchtung, dass eine Besserung der Geschäftslage für die Spinner noch nicht erhofft werden könne, hat sich leider bewahrheitet. Ja die Conjunctur gestaltete sich sogar noch ungünstiger als im vorhergegangen Jahre. (…) Ein Hauptgrund für die anhaltend ungünstige Conjunctur der Spinnereien ist weniger in dem schlechten Waarengeschäft zu suchen, worüber manche Webereien klagen, sondern darin, dass Baumwollpreise infolge der knappen Ernten mehr denn je durch die Spekulation getrieben werden und Weber kein Vertrauen haben, auf weitere Terminen ihren Bedarf zu decken. Infolgedessen sind bei diesen nur ganz geringe Vorräthe zu finden und der Spinner ist häusig genöthigt, Spinn-Baumwolle zu kaufen, wofür er keine Gegenordres hat und daher nicht weiss, welchen Garnpreiss er dagegen erzielen wird.” liet WJ zijn commissarissen weten.xli

Reeds voor eenigen tijd vernamen wij, dat de toestand der katoenindustrie in het naburige Westfalen en Rijnland niet rooskleurig kan genoemd worden. Thans is besloten, om de over-productie tegen te gaan en den toestand te verbeteren, de verschillende spinnerijen, voorloopig vanaf 2 tot en met 30 Augustus [1902], ‘s Zaterdags den geheelen dag te stoppen. De spinnerijen van het nabij Enschede gelegen Gronau deelen in dien maatregel. Vele arbeiders uit eerstgenoemde gemeente die daar werken, zullen den nadeeligen invloed er van gevoelen.” schreef het Algemeen Handelsblad op 1 augustus 1902.

Boekjaar

Kapitaal

Winst/Verlies

Dividend

1896/1897

1897/1898

M 2.105.450

M 24.739

3,00%

1898/1899

M 2.279.692

M 36.118

3,00%

1899/1900

M 2.596.425

M 54.238

0,00%

1900/1901

M 2.384.690

M 11.000

0,00%

1901/1902

M 2.483.106

M 20.031

0,00%

1902/1903

M 2.600.049

M 125.344

3,00%

1903/1904

M 2.724.174

M 243.025

17,00%

1904/1905

M 2.502.351

M 185.337

12,00%

1905/1906

M 2.605.401

M 224.454

15,00%

1906/1907

M 3.061.786

M 373.952

20,00%

1907/1908

M 3.260.942

M 445.665

20,00%

1908/1909

M 3.664.995

M 142.631

13,00%

1909/1910

M 3.599.959

M 40.043

7,00%

1910/1911

M 3.304.640

M 224.718

7,00%

1911/1912

M 3.084.055

M 375.509

15,00%

1912/1913

M 3.106.476

M 350.279

15,00%

1913/1914

M 4.099.264

M 151.971

9,00%

1914/1915

M 4.251.270

M 343.010

20,00%

1915/1916

M 4.109.852

M 59.149

10,00%

1916/1917

M 3.810.664

M 84.418

0,00%

Bron: jaarverslagen Spinnerei Deutschland 1898-1917xlii

De eerste jaren zijn moeilijk geweest voor WJ. De hoge verwachtingen van de aandeelhouders konden door de tegenzittende markt, grote concurrentie en hoge katoenprijzen niet worden waargemaakt. Gelukkig kon hij het volle vertrouwen genieten van zijn Aufsichtsrath (Raad van Commissarissen). Daarnaast was de tegenzittende markt voelbaar in de gehele textielindustrie en kampten zijn concurrenten met dezelfde problemen. De Baumwollspinnerei Gronau sloot de jaren 1900-1902 eveneens af met verliezen.xliii

In 1902/1903 keerde het tij; de drie verliesgevende jaren konden worden omgezet in een mooie winst. “Unsere Erwartungen an eine Besserung der Geschäfstlage (…) haben sich erfüllt. Schon in den ersten Monaten wurde es fühlbar, dass die eingetretene Besserung in er Spinnereibranche anhalten würde. Wenn auch die Garnpreise keine volle Marge lietzen, so war doch eine Zunahme des Bedarfs wahrzunehmen und mit den steigenden Baumwollpreisen wuchs auch das Vertrauen der Fabrikanten in eine Besserung der allgemeinen Geschäftslage (…) Die eigenthümliche Situation des Baumwoll-Termin-Marktes unterstützte die Fabrikanten in ihren Unternehmungen dadurch dass die Spinner in der Lage waren, zeitweilig die späteren Lieferungen 6-8 Pfg. per Pfund engl. billiger zu kaufen als Loco-Baumwolle, dagegen hatte sie den Nachtheil, dass man wegen der anhaltenden enormen Hausse die näheren Termine nicht ausreichend eindeckte, weil man angeblich den Ausschlag in Manufacturwaaren nicht erzielen konnte. (…) Die augenblickliche Geschäftslage ist für die Spinner günstiger und berechtigt zu der Hoffnung, dass das Ergebnitz des nächsten Bilanzabschlusses noch besser sein wird.” De katoenspinnerij sloot af met een Reingewinn van M 125.344,72. Daarmee kon de opgebouwde schuld van M 82.790,57 worden omgezet in een overschot van M 42.554,15. Na aftrek van de commissie voor de Aufsichtsrath en een dividenduitkering van 3%, bleef een overschot over van RM 7454.15. Hugo Brüninghaus, lid van de Aufsichtsrath, heeft dit succes slechts ten dele meegemaakt. Hij stierf in 1902 zijn woonplaats Barmen. In 1903 overleed commissaris Jan Wisselink op reis van Menton naar Haaksbergen. Zij werden respectievelijk opgevolgd door August Büningxliv en Derk B.H. Jordaan (1852-1925), de eerdergenoemde neef en goede vriend van WJ uit Haaksbergen.

Vanaf 1902/1903 gaan de zaken zeer voorspoedig door de Konjunktur. De winsten lopen op tot bijna M 450.000, waardoor dividenden konden worden uitgekeerd tot 20%. Het aanhoudende vertrouwen van de aandeelhouders werd beloond; in de eerste 20 jaren werd een kleine 200% dividend uitgekeerd!xlv Daarnaast werd besloten een flink reservefonds aan te leggen en de fabriek en het machinepark flink uit te breiden, ‘soweit die vorhandene Dampfkraft noch ausreicht’.xlvi De Zwirnerei en spinzalen werden uitgebreid waardoor de productie van spindels met 30.000xlvii kon worden vermeerderd.xlviii Doordat de stoommachine zijn limiet bereikte, werd in 1913 besloten nog een (kleinere) stoommachine toe te voegen.

De middelste zoon van WJ, Botto Jordaan (1874-1925), werd in de firma opgenomen en werd ingewerkt als opvolger van zijn vader. Door diens trouwplannen werd diens huis – in eigendom van de Spinnerei Deutschland – verder uitgebouwd in 1904/1905.xlix Tevens ging de fabriek over tot het bouwen van arbeiderswoningen en werd des Heinrich’schen Wohnhauses an der Epestrasse overgenomen in 1907/1908.l Rond 1910 overleed Fr. Kistemaker die sinds de oprichting in 1896 commissaris was. Hij werd opgevolgd door Wilhelm Schulte Haumann. Rond 1912 werd August Brüning opgevolgd door Franz Crone.li

Gezin Willem Jordaan (1845-1914)

WJ trouwde in 1872 – op 27-jarige leeftijd – te Gronau met Cornelia Livia Nauta (1849-1927), een nicht van compagnon Arend Bremmers. Haar vader, Botto Nauta (1812-1856), verliet zijn geboorteplaats Heerenveen om zich als koopman te vestigen in Gronau. Daar trouwde hij met Johanna Sophia Höpink (1816-1874). Door het vroegtijdige overlijden van haar vader zal zij waarschijnlijk onder de vleugels van haar oom, de eerdergenoemde fabrikant Arend Bremmers, en de ondernemersfamilie Höpink zijn opgegroeid. De Höpinks waren afkomstig uit Enschede waar zij in de eerste helft van de negentiende eeuw voorkwamen als fabrikeurs. De overstap naar de stoom hebben zij niet gemaakt, maar bleven desalniettemin verdienstelijke kooplieden. Barend Höpink (1854-1907) behoorde sedert 1890 tot een van de grootste aandeelhouders der Spinnerei Gronau, waarvan WJ directeur was. Diens broer Joan Höpink (1864-1942) had een kassierskantoor te Enschede en fungeerde tot de Eerste Wereldoorlog als accountant voor de Spinnerei Deutschland. De relatie tussen WJ en de Höpinks zal dus goed zijn geweest.

Uit het huwelijk van Willem Jordaan en Cornelia Livia Nauta werden drie kinderen geboren:

  • Jan Jordaan (1873-1935) x 1907 E.A. (‘Bertha’) van Heek (1876-1960)

  • Botto Jordaan (1874-1925) x 1906 Aenne Schulte Haumann (1883-1968)

  • Herman W. Jordaan (1879-1918) x 1914 J.M.C. (‘Jula’) Knoth (1887)



in het midden Cornelia Livia Jordaan-Nauta en haar echgenoot Willem Jordaanlii

Voor de oudste zoon Jan Jordaan was een toekomst in het bankwezen weggelegd. Reeds op jonge leeftijd trad hij in dienst bij zijn oom D. Bernard Jordaan (1844-1909), die oprichter was van de bankiersfirma Jordaan, Cohen & Wennink in Parijs. Na diens kinderloze overlijden zette Jan Jordaan (1873-1935) diens zaken voort als Banque Jordaan & Cie.liii Bij de oprichting van Banque Jordaan & Cie in 1909 kon hij rekenen op financiële steun van zijn schoonfamilie Van Heek.

De twee broers van Jan Jordaan werden beiden lid van de Commissie van Controle der Banque Jordaan & Cielivlv, maar waren voorbestemd een carrière in de textiel te maken. De jongste zoon Herman W. Jordaan (1879-1918) overleed op 38-jarige leeftijd en was werkzaam als handelsagent te Gronau. Uit zijn huwelijk met Jula M.C. Knoth werd een dochter C. Livia Jordaan geboren die in 1939 trouwde met de Duitse advocaat Franz P.G.A. Kaiser.

16 april 1914 overleed Willem Jordaan op 68-jarige leeftijd. Dit was twee maanden voor de moordaanslag op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand (1863-1914) wat het begin zou inluiden van de Eerste Wereldoorlog. Zijn weduwe Cornelia Livia Jordaan-Nauta overleed 10 januari 1927 op 77-jarige leeftijd.

Gezin Botto Jordaan (1874-1925)

Botto Jordaan trouwde in 1906 met Aenne Schulte Haumann (1883-1968). Zij groeide op in Westfalen als dochter van Wilhelm Schulte Haumann en Anna Kolter. Hij was Gutsbesitzer en eigenaar van een destilleerderij te Hamminkelnlvi (gelegen tussen Bocholt en Wesel). Haar broer Fritz Schulte Haumann was een ruiterlvii en een jeugdvriend van Gerhard Jordaan (1888-1951), een zoon van de eerder genoemde commissaris Derk B.H. Jordaan (1854-1925). Haar andere broer Walter Schulte Haumann sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog.lviii In 1910 of 1911 werd Fr. Kistemaker als commissaris in de Aufsichtsrat van Spinnerei Deutschland opgevolgd door haar vader Wilhelm Schulte Haumann, wat moet betekenen dat hij eveneens tot de aandeelhouders van Spinnerei Deutschland behoorde. Achteroom Derk B.H. Jordaan bleef tot zijn overlijden in 1925 commissaris.

Botto en Aenne Jordaan bewoonde een villa nabij de fabriek gelegen, die voor zijn huwelijk was uitgebouwd. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren, Wilhelm Jordaan (1907-1991).



Botto en Aenne Jordaan in 1906lix

Spinnerei Deutschland o.l.v. Botto Jordaan 1914-1925

Botto Jordaan (BJ) nam kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog het stokje over van zijn vader. De imperialistische buitenlandse politiek zorgde reeds voor 1914 voor grote spanningen tussen de verschillende wereldmachten, echter was de moord op aartshertog Frans-Ferdinand van Oostenrijk op 28 juni 1914 de directe aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog. Nederland bleef neutraal in deze strijd. De Kamer van Koophandel in Enschede constateerde in het eerste oorlogsjaar dat ‘zowel de uitvoer der industriële producten als de aanvoer der grondstoffen om het zeerst aan avontuurlijkheden onderhevig’ zijn. Sedert midden 1917 kwamen er helemaal geen grondstoffen, zoals garens en katoen, meer binnen en kon eveneens niet meer worden verscheept naar Azië of Afrika.lx Dit was de situatie voor Twentse fabrikanten, die ondanks deze onzekerheden en aan- en uitvoerproblemen wel goede winsten wisten te behalen. De vraag naar textiel bleef, het aanbod werd schaarser waardoor aan het einde van de oorlog hoge prijzen konden worden gevraagd. Daarnaast kwamen er orders binnen van defensie.

BJ sloot eind september 1914 zijn eerste boekjaar als directeur van de Spinnerei Deutschland. Ondanks de onlangs uitgebroken oorlog, kon hij afsluiten met een winst van M 151.971. In zijn jaarverslag is hij kort van stof. “Auf das Ergebnis des verslossenen Geschäftsjahres können wir – wenn man die ungünstigen Konjunkturverhältnisse, unter denen das abgelaufene Jahr stand, berücksichtigt – mit Befriedigung zurückblicken.”lxi Over de toekomst werd door BJ niet gesproken.

Het tweede oorlogs-boekjaar 1914/1915 werd afgesloten met een aanzienlijke winst van M 343.010. “Das abgelaufene Geschäftsjahr war äusserst bewegt und arbeitsreich. Der Umsatz erreichte gegenüber den Vorjahren eine bedeutende Erhöhung. Besonders waren wir im ersten Halfbjahre für indirekte Heeresaufträge äusserst stark beschätigt und mussten mit Ueberstunden arbeiten. (…) In Anbetracht der gegenwärtig Verhältnisse haben wir es für notwendig erachtet, aus dem diesjährigen Gewinn einen Kriegs-Reserve-Fonds zu bilden und zu diesem Zwecke [M] 100.000 bereitgestellt. Desondanks werd gekozen om een dividend uit te keren van maar liefst 20 %. “Ueber die Aussichten und die weitere Entwicklung der Geschäftslage lässt sich infolge des schwebenden Weltkrieges garnichts sagen. Einstweilen ist unser Betrieb mit Ruhstoffen noch versehen und wäre die Beschäftigung durch vorliegende, reichliche Aufträge gesichert, wenn nicht der freie Handel mit Garnen durch die verschärften Bestimmungen ganz aufgehört hätte, sodass nur noch für Heeresaufträge gearbeitet werden darf.”. Ondanks de oorlog kon het dividend aan de in Nederland wonende aandeelhouders worden uitgekeerd via Barend Höpink in Enschede.lxii Hoewel in het jaarverslag nog gesproken wordt over voldoende grondstoffen, was dit wel aan een flinke onzekerheid onderhevig. Dit had ten gevolge dat fabrieken in Gronau tijdelijk moesten sluiten of minder dagen werken.lxiii

Het boekjaar 1915/1916 werd iets teleurstellender winst afgesloten. “Das am 30. September abgelaufene Geschäftsjahr 1915/1916 stand ganz unter den ungünstigen Einwirkungen des Krieges. Infolge Schwierigkeiten in der Beschaffung von Baumwolle und Einschränkung der Produktion konnten wir den Betrieb nurzum Teil ausnutzen. Hierdurch haben sich unsere Herstellungskosten wesentlich erhöht. Die veränderte Betriebsweise sowie die Verarbeitung von teilweise geringerem Spinnmaterial hat eine beträchtliche Inanspruchnahme und Abnutzung der Maschinen zur Folge und machen uns in diesem Jahre verstärkte Abschreibungen zur Pflicht. An der 4. und 5. Kriegsanleihe haben wir uns mit [M] 100.000,- beteiligt.” Ondanks een winst van slechts M 59.149 werd besloten een dividend van 10% uit te keren (M 110.000), waarvoor een deel van de reserves werd gebruikt. “Ueber die weitere Entwickelung des Geschäftsganges lässt sich unter den gegenwärtigen Verhältnissen ein Urteil nicht abgeben. Mit Rohstoff sind wir noch für einige Zeit versorgt.” aldus BJ.lxiv

Boekjaar 1916/1917 werd afgesloten met een verlies van RM 84.418. “In unserem vorjährigen Bericht wiesen wir bereits auf die ungünstigen Einwirkungen des Krieges hin. Leider ist inzwischen noch eine weitere Verschlechterung in unserem Geschäfte zu verzeichnen. Die Verarbeitung von teilweise sehr schlechtem Spinnmaterial sowie Papier veranlassten uns, eine gleiche Abschreibung wie im Vorjahre vorzunehmen. (…)”lxv

Met uitzondering van één jaarverslag, die van 1922/1923, is het jaarverslag van 1916/17 de laatste die ik ben tegengekomen in het Familiearchief Jordaan. Daardoor is het voor mij – op dit moment – nauwelijks mogelijk verder uit te weiden over de fabriek. Door het kolengebrek, de gestaakte toevoer van katoen vanuit Amerika en de duikbotenoorlog zal de fabriek minimaal hebben geproduceerd in het laatste jaar van de oorlog.

(…) Aanvankelijk kon men alle Hollandsche arbeiders en arbeidsters nog gebruiken. Maar reeds in 1916 begon de misére en ze werd erger, naarmate de Entente er in slaagde Duitschland af te sluiten van de landen, waaruit het zijn grondstoffen moest betrekken. Eenigen tijd behielp men zich met papier als grondstof, maar dat was niet van groote betekenis. Op de spinnerij van Jordaan maakte men granaten en daarbij waren ook een aantal Hollandsche arbeiders behulpzaam, maar dat alles nam toch niet weg, dat er voor duizenden Hollandsche arbeiders geen werk meer was. In de gemeente Losser werd op vrij ruime schaal aan werkverschaffing gedaan, terwijl een niet onbelangrijk deel der bevolking vrij wat geld verdiende met het smokkelen van levensmiddelen, manufacturen, enz. Dat was een winstgevend bedrijf, maar het was niet zonder risico; een deel van de Lossenaren zat geregeld in het gevang. (…)

Toen de wapenstilstand kwam, zetten de Duitsche fabrieken al spoedig weer aan en de inwoners van Losser vatten hun oude handwerk weer op.”lxvi

De oorlog kwam op 11 november 1918 ten einde. De grootmachten Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Rusland en het Romaanse Rijk verloren veel gebieden en nieuwe landsgrenzen werden gemaakt. Precies 5 jaar na de moord op Frans-Ferdinand werd het Verdrag van Versailles gesloten, waarbij Duitsland zeer hard werd aangepakt. Duitsland moest veel gebied afstaan aan Duitsland, Polen, België en Denemarken en verloor daarnaast al haar koloniën. Daarnaast werd het Duitsland niet toegestaan een beroepsleger te hebben van groter dan 100.000 militairen en het bezit van bepaalde wapens verboden. De herstelbetalingen, die in 1920 werden vastgesteld op het fabelachtige bedrag van 269 miljard goudmark, te betalen in 42 jaar, legden een zeer zware druk op Duitse economie. De Duitsers konden dit niet betalen en stribbelden op allerlei manieren tegen. Als reactie bezetten Frankrijk en België in 1923 het Ruhrgebied. In 1924 en 1930 werden de herstelbetalingen herzien en door het uitbreken van de economische crisis in de jaren ’30 werd in 1932 een punt gezet achter de herstelbetalingen. De Bondsrepubliek Duitsland hervatte in 1950 de herstelbetalingen die in 1989 waren voldaan.lxvii De herstelbetalingen werden niet enkel uitbetaald in geld, maar tevens in goederen zoals kolen en hout. In november 1919 leverde dit problemen voor de textielindustrie in Gronau; “(…) Naar wij vernemen zijn de meeste textielfabrieken in Gronau i.W. wegens kolengebrek stopgezet en zou er groote kans bestaan dat dezen winter geen kolen zouden worden verstrekt voor die industrie.” schreef het Algemeen Handelsblad bezorgd. lxviii

De economische crisis bereikte in 1923 en hoogtepunt, toen het Ruhrgebied werd bezet. De Duitse regering reageerde met een passief verzet, wat betekende dat ambtenaren en mijnwerkers niet mochten meewerken met de Franse en Belgische bezetter; Duitsland bleef hun lonen doorbetalen tot het vertrek van de bezetter in 1924. De regering betaalde in het binnenland met nieuw gedrukte bankbiljetten, wat leidde tot een hyperinflatie. Op het dieptepunt, in november 1923, kostte één Amerikaanse dollar één biljoen mark. Daarna ging het langzaam beter. lxix

Het laatste jaarverslag wat ik ben tegengekomen van de Spinnerei Deutschland is van deze tijd: 12 december 1923. “Durch den Uebergang der Papiermark zur Goldmark gestaltete sich die Ausstellung sehr schwierig. Das abgelaufene Geschäftsjahr stand besonders zum Schluss unter der denkbar ungünstigen Einwirkung der rapiden Markentwertung. Die Bilanz zeigt nach Vornahme sämtlicher Abschreibungen, einschl. des Vortrages einen Reingewinn von M. 128.542.967.800. In Goldmark ausgestellt würde dieselbe Bilanz einen wesentlichen Rückgang unserer Substanz ausweisen und können wir aus diesem Grunde keine Dividende in Vorschlag bringen. Wir empfehlen den Reingewinn auf neue Rechnung vorzutragen. Es ist uns gelungen, mit einem Auslandskredit unser Werk in 1922/1923 voll in Betrieb zu halten. Ueber die Aussichten des neuen Geschäftsjahres irgendetwas zu sagen, ist unter den augenblicklichen Verhältnissen unmöglich.”lxx

Enkele jaren tevoren, in december 1921, werd door presiderend commissaris Derk B.H. Jordaan een aandeelhoudersvergadering georganiseerd waar onder meer de verhoging van het aandelenkapitaal op de agenda stond. Het voorstel was het aandelenkapitaal te verhogen van M 1.100.000 naar M 3.600.000.lxxi Uiteindelijk werd besloten het kapitaal te verhogen met M 2.200.000 tot M 3.300.000.lxxii Ondanks de financiële crisis die in Duitsland heerste, zal het de Spinnerei Deutschland rond 1920 niet slecht zijn vergaan. In het volgende jaar werd de fabriek uitgebreid met Ringspinnmaschinen und Twinern en in 1927 – na een nieuwe aandelenemissie – werd een nieuwe fabriek gebouwd.

De lage wisselkoers van de Duitse mark had ten gevolge dat de Nederlandse arbeiders in Gronau een zeer onvoordelig loon kregen. Daarnaast waren de kosten van levensonderhoud in Duitsland veel lager dan in het aangrenzende Nederland. Dit werd door de Nederlandse fabrikanten in Duitsland opgelost door via de gemeentebesturen in Losser en Glanerbrug een toeslag uit te keren aan de Nederlandse arbeiders. Toen in november 1921 de Duitse arbeiders in Gronau doorkregen dat zij minder betaald kregen dan hun Nederlandse collega’s, leidde dit tot een staking die eveneens voor werkloosheid zorgde voor de Nederlandse arbeiders in Gronau. De fabrikanten besloten toen de toelage te stoppen, waardoor de Nederlandse arbeiders een loon ontvingen dat voor Nederlandse maatstaven niet toereikend was. Aangezien een zeer grote groep Nederlanders werkzaam was in Duitsland – ongeveer 1500 mensen uit Losser – besloot de Nederlandse regering aan hen een toelage uit te keren zodat zij niet in armoede zouden verkeren; hun loon werd aangevuld tot het bedrag dat hun collega’s in Twente kregen betaald.

In december 1921 beklaagden de katoenspinnerijen Bamshoeve (van de familie Blijdenstein) en Oosterveld (van de familie Ledeboer) te Enschede, de Nederlandsche Katoenspinnerij te Hengelo (O.) en de Stoomspinnerij “Twenthe” te Almelo zich hierover bij de Nederlandse Minister van Arbeid;

(…) Juist over de Duitsche grens, in de Pruisische gemeenten Gronau en Epe, zijn groote katoenspinnerijen gelegen, als: Baumwollspinnerei ‘Eilermark’, ‘Deutschland’, ‘Gronau’, ‘Westfälische’, ‘Germania’, ‘Gerrit van Delden & Co’ en ‘M. van Delden & Co’.

Op deze fabrieken werken een groot aantal arbeiders uit de Nederlandsche gemeenten Losser en Lonneker (resp. 1000 en 700).

Al deze Nederlandsche arbeiders ontvangen reeds sinds geruimen tijd geregeld een belangrijken bijslag op hun weekloon van de Nederlandsche Regeering, omdat hun Duitsche werkgevers niet bereid zijn hun de loonen te betalen, die op de Twentsche fabrieken aan dergelijke arbeiders betaald worden. Het meerendeel dezer fabrieken heeft ten behoeve van den verkoop harer garens in Nederland vaste vertegenwoordigers in Twente en Brabant en voert een niet onbelangrijk deel harer garens in Nederlands in, waartoe zij door haar gunstige ligging aan de grens beter in staat zijn dan de verder afgelegen fabrieken in Duitschland en waardoor wij reeds een scherpe concurrentie ondervinden.

Deze fabrieken zijn vooralsnog geheel afhankelijk van hare Nederlandsche arbeidskrachten en onvangen in den vorm van Markenbijslag aan haar arbeiders een subsidie van de Nederlandsche Regeering, waardoor wij niet in staat zijn met hen te concurreeren.

Het is zeer te vreezen, dat, indien de handelstoestand voor deze fabrieken in Duitschland slechter wordt, zij zich geheel op den export naar Nederland zullen toeleggen, en wijl haar productie minstens het dubbele bedraagt van die van alle Nederlandsche spinnerijen te zamen, ontstaat dan een toestand, die tot stopzetting der Nederlandsche fabrieken moet leiden en tot zeer groote werkloosheid. (…)”lxxiii

De Nederlandse spinnerijen drongen aan op toezicht – en het liefst afschaffing – van de ‘Marken-toeslag’. Deze volgde; de door de Nederlandse regering uitgekeerde toelage werd teruggetrokkenlxxiv, met alle gevolgen van dien;

De Duitsche Mark ging met sprongen naar beneden en ondanks de toeslag, die de Hollandsche werkkrachten van de fabrikanten ontvingen, was de Nederlandsche regeering genoodzaakt een Marken-toeslag te geven, die in de papieren liep. Aanvankelijk was de regeering royaal: er werd een bijslag verleend tot het maximum gezinsinkomen f 32,- bedroeg. Naarmate het echter langer duurde en naarmate de regeering zich onttrok aan de hypnose van de Novemberdagen [1922, DJ], daalde de toeslag en leefden de grensbewoners voortdurend op de grens van armoede. (…) Van de ongeveer 1500 arbeiders uit Losser die eertijds in Gronau werkten, vinden er nu nog 20 werk. Men kan zich voorstellen, dat dit een vreeselijke catastrophe beteekent. Van die 1500 menschen zijn er ongeveer 500, die werk hebben gevonden in Enschede, Oldenzaal, Hengelo, Borne, Veenendaal en Tilburg. Voor de andere menschen is echter nergens werk en evenmin een woning te vinden. De gemeente doet aan werkverschaffing, maar alles gebeurt, op order van de regeering, zoo krenterig mogelijk. (…)”lxxv

Na jaren was het tij gekeerd; het werd voor Duitsers voordeliger om juist net over de grens in Nederland te gaan werken. 23 augustus 1922 schreef Het Volk; dagblad voor de arbeiderspartij bezorgd:

In den Zuid-Oosthoek van Twente, met Enschede als middelpunt, begint een toestand in te treden, die bij den dag onhoudbaarder wordt. Elken morgen komen langs de Glanerbrug, Alstede en Overdinkel honderden en honderden Duitschers over de grens, die in Enschede en omliggende plaatsjes werken. Ik ben er niet in geslaagd met nauwkeurigheid het juiste getal aan de weet te komen, maar het schijnt om en nabij de 1200 te zijn. Eenige maanden geleden kwamen alleen bij Glanerbrug tusschen de 800 en 900 personen over de grens. Zij komen van heinde en ver, zelfs uit Bielefeld, Bremen, Spandau (bij Berlijn) en Saksen. Zij vestigen zich in de Duitsche grensplaatsen en gaan op Hollandsch grondgebied werk zoeken. Dat is zeer profijtelijk: in Enschede bedraagt het kostgeld per week 10 a 12 gulden, in Gronau (een Duitsche grensstad) 500 a 600 Mark: dat is ongeveer f 2,-. Vele van deze menschen vinden op de textielfabrieken werk en voor zoover zij verder uit Duitschland komen (en met de textielindustrie niet bekend zijn) in de bouwvakken en op de kantoren. (…)”

Op hetzelfde ogenblik liet de fabrikantenvereniging in Oost-Nederland weten dat de situatie in de textielindustrie zo slecht is dat ze genoodzaakt zijn in de toekomst de lonen te verlagen, tenzij de arbeiders akkoord gaan met een verlenging van de werktijd. Dit werd door de bonden niet geaccepteerd, wat leidde tot de staking in oktober 1923. Deze werd gevolgd door een uitsluiting, Het Twentse Stelsel, door de aan de Fabrikantenvereniging in Enschede gelieerde bedrijven. Deze uitsluiting duurde tot 23 juni 1924 en was daarmee de grootste staking in de Nederlandse textielindustrie.lxxvi

Het ziet ernaar uit dat het sedertdien voorbij was met de grote hoeveelheid Nederlandse arbeiders in Gronau. Hoewel de halfjaar-durende staking/uitsluiting in Enschede ongetwijfeld een negatieve invloed had op de spinnerijen in Gronau, zagen de spinnerijen de toekomst sedert 1924 met goede moed tegemoet. Door het plan-Dawes van 1924 werd de betaling van Duitslands schulden aangepast, waardoor de Duitse munt – de Reichsmark (1924-1949) – weer gezond kon worden.lxxvii Door de omschakeling van de Mark naar Reichsmark werd het aandelenkapitaal van Spinnerei Deutschland omgezet van M 3.300.000 naar RM 990.000 (10:3). In 1927 werd het aandelenkapitaal verhoogd naar RM 1.500.000 om vervolgens een nieuwe fabriek te bouwen.lxxviii

Overlijdens in 1925: commissaris Derk B.H. Jordaan en directeur Botto Jordaan

Na een operatie in Enschede overleed 23 maart 1925 commissaris Derk B.H. Jordaan uit Haaksbergen. Hij werd 71 jaar oud. Behalve commissaris van Baumwollspinnerei Deutschland was Derk B.H. Jordaan oudste firmant der firma D. Jordaan & Zonen in Haaksbergen. In eerste instantie stond hij samen met G.W. (‘Willem’) Wisselink aan het hoofd van D. Jordaan & Zonen. Het boterde echter niet goed tussen de twee neven, waarop Derk B.H. Jordaan besloot zijn neef Wisselink uit te kopen. Wisselink vertrok daarop naar Enschede. Opvolger werd zijn zoon J.G.H. (‘Gerhard’) Jordaan en in de jaren ’20 traden ook de overige twee zonen J.G. (‘Jan’) Jordaan en H.W. (‘Hennie’) Jordaan toe als firmant.

Het flinke aandelenkapitaal in Spinnerei Deutschland ging over op de drie zonen van wijlen Derk B.H. Jordaan. Zoon Gerhard Jordaan (1888-1951) volgde zijn vader op als oudste firmant. In januari 1925 werd reeds het idee geopperd door diens achteroom, de bankier Dirk Jordaan F.J.zn, om Gerhard voor te dragen als commissaris der Spinnerei Deutschland als opvolger van zijn vader Derk B.H. Jordaan.lxxix

In september 1925 volgde echter een noodlottig ongeluk:

De heer Botto Jordaan, directeur der Spinnerij Deutschland te Gronau, is hedennacht met zijn auto waarin vier heeren uit Gronau waren gezeten, tegen een boom gereden op den weg tusschen Epe en Rienborg, met het gevolg dat de auto geheel werd vernield, waarbij de heer Jordaan, die aan het stuur zat, gedood werd. De inzittende heeren kwamen er met lichte verwondingen af.”lxxx

Op het moment dat Botto Jordaan overleed, woonde zijn enige kind Wilhelm Jordaan tijdelijk te Haaksbergen.lxxxi Hij was vermoedelijk aldaar op stage. Doordat zijn zoon Wilhelm Jordaan – in familiekring ‘Willa’ genoemd – nog te jong was om zijn vader op te volgen, nam zijn oom Jan Jordaan, de bankier in Parijs, de zorg voor de zaak in Gronau op zich. Jan Jordaan kwam daarvoor over uit Parijs en verbleef enige tijd op zijn villa Rodenberge in Westfalen.

11 september 1925 schreef Jan Jordaan aan zijn achterneef Gerhard Jordaan in Haaksbergen:

Beste Gerhard,

Ik heb de laatste dagen veel nagedacht over de beste oplossing, die er met het oog op de spinnerij te vinden is voor ons allen. Waar het eene zaak is, waaraan mijn vader en broer hun heele leven gewerkt hebben en die in enge verbinding staat met onze familie, begrijp ik dat op mij de moreele plicht rust mij persoonlijk met de verdere leiding te bemoeien, ook al om voor Willem (…) eene positie vrij te houden.

Ik heb derhalve aan Crone en Dirk [Jordaan F.J.zn] voorgesteld, dat ik voorloopig candidaat ben voor de derde plaats in den Aufsichtsrat, welke plaats eigenlijk voor jouw gereserveerd was en die je ook stellig zou zijn aangeboden, ware Botto niet op zulk opgelukkigen wijze uit ons midden gehaald. Zooals je weet, heb ik tot dusverre voor eene benoeming steeds bedankt, omdat ik meende dat anderen er meer geschikt voor waren.

Wat nu de verdere plannen betreft, meen ik dat de zaak het best gediend is, de leiding in handen te geven van Botto’s beproefde medewerkers Windhorst, Anshelm en Franzbach, die ik alle drie sinds hun prilste jeugd ken, die beslist betrouwbaar en eerlijk zijn en die door en door met de zaak en den gang van zaken bekend zijn.

Een nieuwe directeur zou mijn inziens glad verkeerd zijn en dat was ook Crone’s meening, want ruzie met bovengenoemde personen zou wel onvermijdbaar zijn. Bovendien loopt men risico dat men goed en ook slecht kan bevallen. Nu zullen de drie medewerkers van Botto echter vaak raad en ruggesteun moeten hebben en zullen zij dien niet kunnen vinden hetgeen speciaal gewenscht zal zijn wanneer ikzelf in Parijs ben.

Ik heb het ten zeerste op prijs gesteld , dat jij je zoo spontaan bereid verklaard hebt mij te willen helpen de zaak voor Willem warm te houden. Daar wij echter tevens het belang der aandeelhouders ter harte moeten nemen en moeten trachten de zaak op even hoog pijl te houden als zij thans is, meen ik dat mijn ommestaand ontworpen plan het beste is. Crone en Dirk [Jordaan F.J.zn] gaan ermee accoord in de driemaandsche vergaderingen van den Aufsichtsrat.

Vandaar dat ik mijzelf , mocht ik tot commissaris gekozen worden, disponibel stel voor een gestadig in contact blijven met de nieuwe directie, en ook heeft Dirk [Jordaan F.J.zn] mij beloofd, ter wille van Willem, uitsluitend en om de familie te helpen, mij hierbij ter zijde te gaan. Ik apprecieer dit ten zeerste van Dirk en is hij toevallig juist de eenige van ons allen die over veel vrijen tijd beschikt, die hij zooals reeds gezegd, geheel belangeloos ter wille van Willem wil opofferen zoovaak zulks noodig is en twijfel ik niet of jij zult er ook je goedkeuring aan kunnen geven. Zooals gezegd, ik heb er lang over nagedacht en alles gewikt en gewogen.

Voor dit plan moet nu een kleine statuten wijziging plaatshebben, omdat die slechts 1 directeur kennen. Crone heeft daarom eene algemeene vergadering gemeend te moeten oproepen, die dan ook den derden commissaris moet kiezen.

In deze voor mij zoo uiterest droevige dagen is toch voor mij een prettig gevoel van onze familie en van Botto’s vrienden zoo spontane en hartelijke medewerking te mogen ondervinden, en behoef ik je wel niet te zeggen, dat mocht ge eens mijn hulp noodig hebben, ik steeds gaarne bereid zal zijn je met raad en daad bij te staan. Ik hoop je in den loop der volgende week nog eens te spreken.

Met hartelijke groeten,

steeds je,

Jan J.”lxxxii

Gerhard Jordaan toonde zich bereid met dit plan in zee te gaan en zag af van de aanstelling als commissaris. Daarentegen werd wel besloten het grote aandelenkapitaal van Spinnerei Deutschland, dat sedert het overlijden van Derk B.H. Jordaan in handen was gekomen van Gerhard Jordaan, te verkopen aan de bankiers Jan Jordaan en Dirk Jordaan F.J.zn. In oktober 1925 werden de 740 aandelen, groot ieder 300 Goudmark, voor 235.320 gulden verkocht aan Jan en Dirk Jordaan. Het werd Gerhard Jordaan toegestaan desgewenst 180 aandelen terug te kopen, echter “neemt hij de verplichting op zich deze eenhonderden tachtig aandeelen Spinnerei Deutschland niet aan anderen te verkoopen dan welke in de rechte lijn van den oorspronkelijken bezitter (wijlen den Heer D.B.H. Jordaan) afstammen. Mochten die nazaten de aandeelen aan anderen wenschen te verkoopen dan zijn ze verplicht deze aan comparanten [Jan Jordaan en Derk Jordaan F.J.zn] aan te bieden voor denzelfden prijs, als comparant [J.G.H. Jordaan] op een der bovengenoemde verkoopdata hiervoor betaald heeft.”lxxxiii Op deze manier werd verzekerd dat de familie Jordaan – hoe dan ook – een meerderheidsbelang zou behouden in de spinnerij. De verkoop van de aandelen zou de familie Jordaan in Haaksbergen niet ongelegen zijn geweest, doordat de drie broers Gerhard, Jan en Hennie Jordaan besloten de firma om te zetten in een Naamloze Vennootschap; een overgang waarvan vader Derk B.H. Jordaan niks van moest weten.lxxxiv

Het meerderheidsbelang der Jordaans in Spinnerei Deutschland tot 1965

De relatie tussen de Jordaans uit Gronau en Haaksbergen bleef zeer goed. Bankier Dirk Jordaan F.J.zn, oprichter van de Bank Jordaan N.V. te Haaksbergen, was een goede vriend en adviseur van onder andere Gerhard Jordaan en later ook van diens zoon Dick Jordaan (1913-1989). Daarnaast liepen twee zonen van Gerhard Jordaan in de jaren ’30 stage bij zowel de Banque Jordaan & Cie in Parijs als bij Spinnerei Deutschland in Gronau.

Ondanks dat het de bedoeling was van de bankiers Jan Jordaan en Dirk Jordaan F.J.zn om de directiepost van Spinnerei Deutschland warm te houden voor de zoon van Botto Jordaan, ziet het er niet naar uit dat dit gelukt is. Desalniettemin werd Willa Jordaan (1907-1991) directeur van de Baumwollspinnerei Eilermark te Glanerbrug. Deze fabriek werd in 1888 opgericht door de broers B.W. en H. ter Kuile uit Enschede.

De meerderheid van de aandelen in Spinnerei Deutschland bleef nog wel een lange tijd in handen van de Jordaans. Dirk Jordaan F.J.zn heeft daardoor nog jarenlang zitting genomen in de Raad van Commissarissen van de spinnerij. Na het kinderloos overlijden van bankier Jan Jordaan (1873-1935) en diens weduwe Bertha Jordaan-van Heek (1876-1960), kwamen diens aandelen Spinnerei Deutschland in handen van zijn nicht Livia Kaiser-Jordaan. In de jaren ’60 bezaten bankier Dirk Jordaan F.J.zn en Livia Kaiser-Jordaan een meerderheidsbelang in Spinnerei Deutschland. Dirk Jordaan F.J.zn resideerde wegens gezondheidsredenen afwisselend in Westfalen en Monte Carlo en had een heel nauwe band met Franz en Livia Kaiser.

De textielindustrie in zwaar weer

In de jaren ’60 zag de toekomst voor de textielindustrie in West-Europa er slecht uit. Twentse textielbedrijven gingen noodgedwongen over tot verschillende fusies, waarvan de Koninklijke Nederlandse Textiel Unie (K.N.T.U.) de grootste werd. De Jordaans in Haaksbergen waren een van haar mede-oprichters. Bankier Dirk Jordaan F.J.zn (1886-1970) heeft de firma D. Jordaan & Zonen in zijn leven zien overgaan in een Naamloze Vennootschap in de jaren ’20, een fusie tot de Koninklijke Textielfabrieken Jordaan-Ter Weeme in de jaren ’50 en de fusie K.N.T.U. in de jaren ’60. 13 juni 1962 schreef Dirk Jordaan F.J.zn aan Dick Jordaan, mede-directeur van de K.N.T.U. “En zoo is dan nu de aloude firma Jordaan opgegaan in een andere combinatie. Ik hoop dat deze stap de juiste zal blijken te zijn. Kleinere eenheden hebben het moeilijk. Zoo zitten we in Gronau ook te worstelen met onze spinnerij. Dat is een veel te eenzijdig bedrijf maar van fusioneren hoort men in Duitsland nog weinig.”lxxxv

De textielindustrie kwam in zeer zwaar weer. 2 januari 1966 schreef Dirk Jordaan F.J.zn uit Monte Carlo aan Dick Jordaan in Haaksbergen o.a.: “De textielindustrie is het zorgenkind der economie. Ik geloof graag dat het voor de K.N.T.U. een zware worsteling is om de eindjes aan elkaar te krijgen en dat zal ook jou en je mededirecteuren veel zorgen geven. Ik ben nog altijd overtuigd dat het goed gezien was om het vorig jaar het meerderheidsbelang in de Spinnerei D[eutschland] af te stoten. (…) Dat jaarlijkse geldverliezen, zonder uitzicht op verbetering, heeft ons doen besluiten ermede op te houden. Bovendien zijn familie vennootschappen uit de tijd en ook niet in het belang van het bedrijf daar de expansiemogelijkheden afhankelijk waren van het verder investeren. Bovendien hebben Livia en ik geen opvolgers en zou het aandelenbezit binnen korte tijd door onze erven worden verminderd. Daarom hebben we ons pakket zelf geliquideerd. Daar ik in mijn 80ste levensjaar sta, had ik geen lust meer nog meerdere magere jaren mee te maken. Maar het is niet prettig om oude familiezaken te liquideren.”lxxxvi

De textielindustrie in Duitsland heeft het langer volgehouden dan die in Nederland. Het doek voor de K.N.T.U. viel reeds in jaren ’70. Daarentegen sloten veel textielfabrieken in Gronau pas in de jaren ’90 de deuren. In de jaren ’90 moest ook de Spinnerei Deutschland – na een kleine 100 jaar bestaan te hebben – haar deuren sluiten. De verlaten fabriekspanden in en rondom Gronau hielden nog enkel een grote aantrekkingskracht op urban explorers. In oktober 2013 was het gedaan met de voormalige fabriek Deutschland; de sloophamers maakten de fabriek met de grond gelijk. Het kantoorgebouw van de Spinnerei Deutschland en “Die weisse Dame”, een voormalig, groot fabriekscomplex van Van Delden in Gronau, herinneren nog aan de ooit zo bloeiende textielindustrie in Gronau.



Een voormalige fabriekshal van Spinnerei Deutschland (fotograaf: Michiel Karnebeek)lxxxvii

iNieuwe Rotterdamsche Courant 27 februari 1857

iiArchief Edwina van Heek, Familiearchief Ledeboer (LA00387)

iiiNieuwe Rotterdamsche Courant 21 december 1863

ivAlgemeen Handelsblad 1 februari 1864

vBert en Jans Jannink-ter Kuile namen 19 juni 1866 de woning van Jan Jordaan over. Later betrokken zij zijn ouderlijk huis aan de Langestraat, het zogenaamde Janninkshuis. (Bevolkingsregister Enschede)

viH.J. Teuteberg, “Der Niedergang des Leinengewerbes und der Aufstieg der Baumwollindustrie in Westfalen im 19. Jahrhundert”

viiiAlgemeen Handelsblad 23 december 1856

ixDr. W.H. Nijhoff, “Heeren en helden van Haaksbergen”

xDe standaard 17 oktober 1882

xiFamiliearchief Jordaan, AJ01-03-31

xiiFamiliearchief Jordaan, AJ01-03-31

xiiiH.J. Selkers was in de verte familie van Arnold Jannink. Hij was een fabrikant te Lonneker en nam met 5 aandelen deel in de katoenspinnerij Gronau.

xivTilburgsche Courant 30 maart 1890

xvJahres-Bilanzen nebst Gewinn-und Verlust-Conten der Baumwollspinnerei Gronau in Gronau in Westfalen 1891-1897, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-20)

xviJahres-Bilanzen nebst Gewinn-und Verlust-Conten der Baumwollspinnerei Gronau in Gronau in Westfalen 1891-1897, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-20)

xviiJahres-Bilanzen nebst Gewinn-und Verlust-Conten der Baumwollspinnerei Gronau in Gronau in Westfalen 1891-1897, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-20)

xviiiBrief WJ aan D.B.H. Jordaan 23 december 1895, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-33)

xixNadat de fabriek van D. Jordaan & Zonen in 1898 afbrandde, trad Willem H. Jordaan zich terug uit de firma en vertrouwde de wederopbouw toe aan zijn neef Jan Wisselink.

xxBrief WJ aan D.B.H. Jordaan 23 december 1895, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-33)

xxiDe heer Schwergman uit Delden behoorde met 10 aandelen tot een van de medeoprichters der Baumwollspinnerei Gronau.

xxiiJan Scholten Bzn (1840-1925) uit Almelo was sedert de oprichting een van de drie commissarissen der Baumwollspinnerei Gronau.

xxiiiBrief WJ aan D.B.H. Jordaan 26 november 1895, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-24)

xxivBoedelscheiding Hendrik Jordaan 1912, Familiearchief Jordaan, AJ02-20A-01

xxvBrief A. Martens aan D.B.H. Jordaan 30 november 1895, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-26)

xxviBrief G.W. Martens aan D.B.H. Jordaan 29 november 1895, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-27)

xxviiBrief WJ aan D.B.H. Jordaan 2 december 1895, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-32)

xxviiiJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1897/1898, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-04)

xxxJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1897/1898, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-04)

xxxiJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1903/1904, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-10)

xxxiiFamiliearchief Jordaan, AJ01-03-36

xxxiiiJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1897/1898, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-04)

xxxivJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1897/1898, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-04)

xxxvJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1898/1899, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-05)

xxxviSumatra-courant 17 januari 1899

xxxviiDe Tijd 8 maart 1901

xxxviiiJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1899/1900, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-06)

xxxixHet Volk 17 april 1902

xlJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1900/1901, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-07)

xliJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1901/1902, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-08)

xliiJaarverslagen Baumwollspinnerei Deutschland, Familiearchief Jordaan (AJ01-03)

xliiiJahres-Bilanzen nebst Gewinn-und Verlust-Conten der Baumwollspinnerei Gronau in Gronau in Westfalen 1891-1897, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-20)

xlivJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1902/1903, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-09)

xlvJaarverslagen Baumwollspinnerei Deutschland, Familiearchief Jordaan (AJ01-03)

xlviJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1905/1906, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-12)

xlviiJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1903/1904, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-10)

xlviii“Spinnerei Deutschland”, A. Gieseler (http://www.albert-gieseler.de/dampf_de/firmen4/firmadet42564.shtml, 2014)

xlixJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1904/1905, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-11)

lJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1907/1908, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-14)

liJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1911/1912, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-18)

liiCollectie Harkema (2014)

liiiNieuwsblad van het Noorden 28 mei 1935

livBrief Commissie van Controle aan commanditair vennoten Banque Jordaan & Cie 1913 (AJ01-02-06)

lvBrief Commissie van Controle aan commanditair vennoten Banque Jordaan & Cie 1914 (AJ01-02-07)

lviiLandwirtschaflicher Reiterverein Kalthof e.V. (http://www.lrvkalthof.de/historie.htm, 2014)

lviiiBrief J.G.H. Jordaan aan A. Schulte Haumann-Kolter 23 april 1951, Familiearchief Jordaan (AJ07-02-056)

lixHuwelijkskrant Botto Jordaan en Aenne Schulte Haumann, Familiearchief Jordaan (AJ01-09-01)

lxDr. W.H. Nijhof, “Troebelen in de Twentse Textiel” (2012)

lxiJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1913/1914, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-40)

lxiiJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1914/1915, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-39)

lxiiiTilburgsche Courant 18 oktober 1915

lxivJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1915/1916, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-38)

lxvJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1916/1917, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-37)

lxviVoorwaarts 23 maart 1923

lxviiiAlgemeen Handelsblad 21 november 1919

lxxJaarverslag Baumwollspinnerei Deutschland 1923, Familiearchief Jordaan (AJ01-03-42)

lxxiBrief D.B.H. Jordaan aan aandeelhouders Spinnerei Deutschland 15 november 1921 (AJ01-03-19)

lxxiiiAlgemeen Handelsblad 12 december 1921

lxxivDe Tribune 15 februari 1922

lxxvVoorwaarts 23 maart 1923

lxxviDr. W.H. Nijhof, “Troebelen in de Twentse Textiel” (2012)

lxxixBrief van Dirk Jordaan F.J.zn aan J.G.H. Jordaan 23 januari 1925 (Familiearchief Jordaan, AJ06-02-08)

lxxxLimburgsch Dagblad 9 september 1925

lxxxiAlgemeen Handelsblad 8 september 1925

lxxxiiBrief Jan Jordaan aan J.G.H. Jordaan 11 september 1925 (Familiearchief Jordaan, AJ06-02-06)

lxxxiiiBevestiging overeenkomst tussen de heren Jan Jordaan, Derk Jordaan F.J.zn en J.G.H. Jordaan betreffende verkoop aandelen Spinnerei Deutschland, 26 oktober 1925 (Familiearchief Jordaan, AJ06-02-02)

lxxxivDr. W.H. Nijhof, “Heeren en Helden van Haaksbergen”

lxxxvBrief Dirk Jordaan F.J.zn aan Dick Jordaan 13 juni 1962 (Familiearchief Jordaan, AJ01-11-35)

lxxxviBrief Dirk Jordaan F.J.zn aan Dick Jordaan 2 januari 1966 (Familiearchief Jordaan, AJ01-11-43)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*