Twee kantonrechters en ‘De Schepping’ van Zorgvlied

Door eene zamenloop van UEd. welligt bekende omstandigheden hebben wij het in ons belang geacht Zorgvlied te verkoopen. Gelijk dit nu heeft plaats gehad, is zulks in overleg met den notaris geschied niet alleen ter bestrijding van kosten, maar hoofdzakelijk ook om de inclinerenden een meer dan bij de veiling in 1866, bepaald goed vooruitzigt te geven en dan tevens om ons reeds zoo lang gewenscht verlangen te kunnen opvolgen, ten einde ons van onaangename verdenkingen te vrijwaren, want toen wij door het resultaat van de verkoop meer dan in staat werden gesteld en van vele zorgen en onaangenaamheden bevrijd, zoodat wij op onzen gevorderden leeftijd onze nog overige dagen te Lochem in den kring onzer familie stil en meer in kalmte kunnen en hopen door te brengen. (…)
Mij Ued. vroegere welwillendheid nog dankbaar herinnerende, waag ik het en neem de vrijheid UEd. beleefdelijk te verzoeken mij voor 1 ½ maand met fl. 300,- te willen adsisteren (…). Zooals UEd. welligt bekend zal zijn, is de betaling van den koopprijs bepaald op primo October e.k., zullende UEd. mij hiermede zeer verpligten en bevrijden van soms onaangenaamheden en kosten. (…)”

In deze brief deed mr. Adriaan Pieter Jacob de Schepper (1799-1881) in 1868 teneergeslagen een beroep op Hendrik Jan van Heek (1814-1872). De Schepper, geboren in Deventer als zoon van een burgemeester en een adellijke Twentse dame, werd in 1839 benoemd tot kantonrechter in Enschede. Hij werd in 1854 ‘eervol ontslagen’, waarna hij in Lonneker (op het huidige adres Hengelosestraat 48) een deftig herenhuis liet bouwen: ‘Zorgvlied’. Hij beproefde zijn geluk in de handel, maar dat liep uit op een fiasco. Dit artikel betreft het ‘zorgelijke’ leven van de eerste twee kantonrechters van Enschede die in Twente niet goed wisten te aarden: mr. De Schepper en zijn voorganger Jan Bruins.

Jan Bruins

In 1814 werd door koning Willem I een commissie in het leven geroepen dat zich moest buigen over het maken van nieuwe Nederlandse wetboeken. Tot die tijd bleef Napoleon’s ‘Code Civil’ van kracht. Mede door de Belgische Opstand liet het resultaat bijna 25 jaar op zich wachten. Het Burgerlijk Wetboek (1838) bepaalde dat voortaan een kantonrechter de ‘kleine rechtspraak’ moest beslechten. De functie verschilde niet veel van de eerdere ‘vrederechter’ (1811-1838), die vooral ‘in alle redelijkheid’ probeerde te bemiddelen bij o.a. burenruzies en erfeniskwesties. Zowel de vrederechter als kantonrechter (alsmede hun plaatsvervangers) hoefden aanvankelijk niet jurist te zijn (in tegenstelling tot de rechters bij de arondissementsrechtbank). De eerste kantonrechter van Enschede was Jan Bruins (1790-1858) uit Heemse.

Jan Bruins was zijn loopbaan begonnen als belastingontvanger, maar was daarna jarenlang actief als vrederechter in zijn geboorteplaats Heemse (hoofdplaats van Ambt-Hardenberg). Groot was zijn teleurstelling toen zijn kanton in 1838 werd opgeslokt door het naastgelegen kanton Ommen. Graag was hij daar kantonrechter geworden, ware het niet dat zijn collega-vrederechter uit Ommen in die functie werd aangesteld. Bruins werd per 1 oktober 1838 aangesteld als eerste kantonrechter van Enschede. Zijn directe collega was griffier Gerardus Larink en als plaatsvervangers traden op Hendrik ten Cate Ozn en Gerrit Jan van Heek. Bruins had nauwelijks zijn koffers uitgepakt toen hij in maart 1839 het nieuws vernam dat de kantonrechter van Ommen, Josephus P.J. de Quay (1785-1839), was overleden. Hij klom gelijk in de pen en wist met succes in diens plaats te worden aangesteld als kantonrechter te Ommen; Bruins woonde sindsdien weer in zijn geliefde dorp Heemse.

Medio jaren ’40 van de achttiende eeuw werd Bruins het slachtoffer van de ‘scherpe pen’ van de markies van Thouars, George Anne Christiaan Willem le Vasseur de Congnée (1807-1850). Deze edelman, geboren op de havezate Singraven, was in de wieg gelegd voor een militaire carriere, maar de liefde voor de drank maakte hem een ongeleid projectiel en voor de dienst ongeschikt. De markies vestigde zich op een gegeven moment in Heemse en schreef zeer kritisch over de gezeten macht, waaronder kantonrechter Bruins. De markies betichtte hem van o.a. valsmunterij! Ter illustratie Thouars’ laatste smadelijke tekst:

Wel, Jan Bruins, Jij schobbejak!

Nog op ‘t kussen, dat is raar.

Draagt dieverij in grove pij

alléén dan lijfsgevaar”

Jan Bruins spande succesvol een rechtzaak aan. De markies werd wegens laster veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, maar koos het hazenpad. Net over de grens, in een hutje op de heide buiten Emlichheim, stierf de markies op 43-jarige leeftijd (“De Darde Klokke”, 1972). Bruins werd uiteindelijk in 1854 eervol ontslagen als kantonrechter en ontving sindsdien fl. 400,- pensioen per jaar. Hij overleed in 1858. Zijn erven verkochten in 1859 zijn ‘huis, stal en [opmerkelijk:] fabrieksgebouw’.

De Schepper van Zorgvlied

Adriaan de Schepper (1799-1881) was in de jaren ’30 vrederechter te Goor en werd in 1838 aangesteld tot eerste kantonrechter aldaar. Na het vertrek van Bruins uit Enschede (1839), werd De Schepper aangesteld tot diens opvolger. De Schepper betrok vervolgens een huurwoning in de stad. Ook hij werd In 1854 eervol ontslagen als kantonrechter, maar kreeg – in tegenstelling tot Bruins – geen pensioen uitgekeerd. De Schepper zou daarover jarenlang (tevergeefs) procederen. Hij moest daardoor op zoek naar alternatieve inkomsten…

De Schepper zocht allereerst een rustig en permanent onderkomen en kocht daartoe een paar percelen landbouwgrond in Lonneker, aan de straatweg van Enschede naar Hengelo. Hij liet daarop een deftig huis bouwen “met 8 zoo groote als kleinere kamers, alle, behalve eene, behangen en waarvan 2, evenals de ruime gang, geplafonneerd en van stookplaatsen met marmeren schoorsteenmantels zijn voorzien, provisiekamer, keuken met walwaterspomp en regenbak, droogzolder, ruime en watervrije kelder, stalling voor vee.” Hij noemde het huis ‘Zorgvlied’ (het werkwoord ‘vlieden’ betekent ‘snel voorbijgaan’). Hij hoopte klaarblijkelijk op een zorgeloos bestaan buiten de stad.

In een naastgelegen arbeidershuisje creëerde De Schepper vervolgens een ‘ververij’, al zal het weinig hebben voorgesteld. Hij noemde zich afwisselend ‘zonder beroep’, ‘advocaat’ en ‘fabrikant’. Wellicht om zijn bedrijfje een impuls te geven, leende hij in 1862 fl. 4.000,- en in 1865 nogmaals fl. 1.400,-. Hij stelde zijn herenhuis, het ververijtje / arbeiderswoning en de paar percelen grond als onderpand. In 1866 stond het water aan zijn lippen, waardoor hij zich genoodzaakt zag het herenhuis te verhuren. In april 1866 liet hij veel roerende goederen veilen, waaronder een ‘mahonijhouten kabinet en tafels, waaronder een uittrektafel met 6 bladen, ingerigt voor 30 personen (!), mahonijhouten trumeau met spiegel en geslepen marmeren blad, mahonijhouten waschtafel (etc.)”. De Schepper en zijn vrouw namen hun intrek in een huisje te Borculo. In oktober 1866 wilden zij Zorgvlied laten veilen, maar de inzet bleek veel te laag om de schulden te vereffenen. De verkoop werd daardoor uitgesteld, tot 1868.

In januari 1868 kon de familie De Schepper de rente en aflossing over de fl. 4000,- niet meer opbrengen en liet de Nederlandsche Hypotheekbank beslag leggen op hun bezittingen. In het voorjaar van 1868 werden de onroerende goederen succesvol geveild. Nieuwe eigenaar van het herenhuis werd voor fl. 4.475,- fabrikant Everwijn Melster (1819-1872). Het ververijtje en de omringende lapjes grond werden aan andere mensen verkocht. In het totaal bracht de veiling fl. 6.845,- op; genoeg om de schulden te vereffenen. Doordat de uitbetaling (blijkens de brief) nog enkele maanden op zich zou laten wachten, hoopte De Schepper dat Hendrik Jan van Heek hem nog een paar honderd gulden wilde lenen. Hij heeft daarin indirect voorzien; Van Heek leende het geld aan De Schepper’s zoon Barthold (dat werd veiliger geacht). Barthold de Schepper (1843-1926), werkzaam bij de Staatsspoorwegen, schreef op 6 juni 1868:

Hedenmorgen van Wolvega terugkomende is mij UwEdGeb brief geworden, en ben U hartelijk dankbaar voor de hulp en goedheid aan mij betoond, hopende het vertrouwen door UwEdGeb in mij gesteld steeds waardig te blijven, door mij stipt aan bijgaand geteekend stuk en als man van karakter te gedragen”

Een jaar later, op 15 juni 1869, kon Barthold de Schepper, conform de afspraak, zijn laatste termijn afbetalen. Zijn ouders, het echtpaar De Schepper-Raedt, hadden inmiddels een paar turbulente jaren achter de rug; verhuizingen van Lonneker naar Borculo, van Borculo naar Laren (Gld.) en van Laren naar Lochem. In Lochem woonde het echtpaar sinds 1868 in een bescheiden huis, zonder inwonende dienstboden, maar voelde zich gelukkig wel gesteund door vrienden en familie in de buurt. Zij waren tevens gezegend met een goede gezondheid; mr. Adriaan P.J. De Schepper stierf in 1881 op 82-jarige leeftijd en zijn echtgenote Johanna A.W. Raedt stierf in 1885 op 83-jarige leeftijd.

Zorgvlied na De Schepper

Na het overlijden van Everwijn Melster (1819-1872) ging het huis Zorgvlied over op zoon Albertus Everwijn Melster (1849-1930). De familie Melster verhuurde het huis Zorgvlied aan Germain Jacques van Stipriaan Luïscius (1809-1871, gepensioneerd legerofficier uit Oost-Indië) en zijn echtgenote Elisabeth Hendrina Bosch (1819-1876). In 1870 trouwde Albertus Everwijn Melster met een van hun dochters, Maria Adriana Geertruida (1848-1925). De familie Melster bewoonde het huis vervolgens tot 1908; toen verkochten zij het pand aan de gemeente Lonneker. In het statige huis werden achtereenvolgens de burgemeester van Lonneker, de administratie van politie en de afdeling onderwijs gehuisvest. In 1922 verkocht de gemeente het pand aan fabrikant Gerrit Jan van Heek Jr. (1880-1958), die reeds het naastgelegen pand Hengelosestraat 50 in eigendom bezat. Beide huizen werden vervolgens eigendom van zijn dochter A.E. ‘Liedje’ Crol-van Heek (1918-1995). Zij betrok het herenhuis Hengelosestraat 50 en liet het naastgelegen (en inmiddels vervallen) Zorgvlied in 1958 afbreken. Het perceel (met twee grote kastanjebomen) werd daarop gebruikt ter vergroting van haar tuin. De twee palen van het toegangshek (met de woorden ‘Zorg’ en ‘Vlied’) liet zij later overbrengen naar het landgoed Het Lankheet bij Haaksbergen, alwaar zij nog steeds staan…
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

  • De havezate Singraven bij Denekamp verkocht de familie Le Vasseur de Congnée (de Thouars) in 1829 aan de steenrijke Johannes Theunis Roessingh Udink (1805-1858, erfgenaam van de Amsterdamse bankier Theunis Udink). Hij was pas gehuwd met jkvr. Christina Bernardina Kemper (1804-1844), dochter van een van de meest invloedrijke ontwerpers van het Burgerlijk Wetboek (1838), jhr. mr. Joan Melchior Kemper (1776-1824). Sinds 1966 is de Stichting Edwina van Heek eigenaar van Singraven. Het Archief Twentse Textielfamilies valt onder dezelfde stichting.
  • De vrederechters in Enschede waren achtereenvolgens fabrikeur Othmar ten Cate (1757-1815, periode 1811-1815), mr. Maurits Dolleman (1766-1840, periode 1815-1819) en wijnhandelaar Willem Paschen (1762-1839, periode 1819-1838).
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Van Heek, inv.nr. 1169

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*