The American Dream of George Lamping (1848-1900)

 

Nijeveen

Het dorpje Nijeveen ligt in het zuidwesten van Drenthe en is tegenwoordig een onderdeel van Meppel. Een geruime tijd vormde Nijeveen samen met het naburige dorp Kolderveen een zelfstandige gemeente. Door vervening was de omgeving laag en moerassig, waardoor de huizen van oudsher waren gesitueerd langs de dijk. Men spreekt in zo’n geval van een lintdorp, een langgerekte, aaneengesloten bebouwing langs een dijk, weg of kanaal. De oude veenkolonies, zoals Nijeveen, lagen langs een dijk; nieuwere veenkolonies, zoals Oude Pekela in Groningen, lagen langs een kanaal.i

In de jaren ’40 van de negentiende eeuw, toen Nijeveen als één van de eerste dorpen in de omgeving reeds volledig was ontgonnen, vestigde zich in het dorp Hermanus Frederik Lamping (1817-1851). Deze predikantenzoon uit Dalen heeft waarschijnlijk gestudeerd aan de Hogeschool van Groningen1, naast Leiden en Utrecht één van de drie ‘Klinische Scholen’ die ons land begin negentiende eeuw telde. Hier werd men opgeleid tot heelmeester of vroedmeester cq. vroedvrouw.ii Herman F. Lamping was als genees-, heel- en verloskundige de enige medicus van het dorp; wellicht dat ook het naburige Kolderveen tot zijn werkgebied behoorde. Nijeveen telde in 1846 101 huizen en 650 inwoners, waarvan het merendeel werkzaam was in de landbouw. De afronding van de ontginningswerkzaamheden had tot resultaat dat de bevolking van Nijeveen na 1850 afnam; een tendens die later zou worden gevolgd door de andere veenkolonies.iii

In 1825, een kleine twintig jaar voordat Herman F. Lamping in Nijeveen neerstreek, trof Nijeveen een grote ramp; een stormvloed leidde tot overstromingen die maar liefst 971 koeien, 63 paarden, 78 varkens en 20 schapen het leven kosten. “In de gemeente werden 9 huizen geheel weggespoeld, 33 raakten totaal onbewoonbaar. Maar van 6 van de overige 220, toevallig allen in ‘t dorp Nijeveen, bleven onbeschadigd. Het water steeg tijdens de stormvloed tot 9 voet boven winterpeil. Dagenlang huisden alle bewoners der gemeente op zolder. Toen ‘t water was gezakt vond men daar 9 bejaarde mensen, van koud en ellende gestorven.” iv Ondanks deze ramp hebben de inwoners zich snel weten te herpakken; “Wat daar [rond 1850] aan boerenbedrijf bestond heeft zich kunnen handhaven en uitstekend ook.” schreef dr. Naardink in diens ‘Geschiedenis van Nijeveen’.

De dijk bood duidelijk de broodnodige bescherming. Aan deze dijk, waarschijnlijk de huidige Dorpstraatv, zal het huis van Herman F. Lamping hebben gestaan. In 1851 werd zijn huis als volgt beschreven:

zeer modern ingericht, bestaande uit 3 benedenkamers, 2 bovenkamers, keuken, achterkamer, tevens geheel ingericht voor het bergen ener apotheek (…), verder ruime schuur met alle nodige commoditeiten, uitmuntende pompen en regenwaterbak, alles zodanig ingericht, dat het voor ieder bewoonbaar – maar vooral deelmatig kan worden beschouwd voor degenen die als medisch dokter of als plattelands heel- en verloskundige zich ter dier plaatse zou wensen te vestigen.”vi

Herman F. Lamping was tevens 1e luitenant in de 6e compagnie der rustende schutterij in Drenthe.vii “Op 11 april 1827 vaardigde koning Willem I een wet uit, ‘houdende oprichting van schutterijen over de gehele uitgestrektheid des Rijks’. Deze wet voerde twee soorten schutterijen in, de dienstdoende en de rustende. De dienstdoende schutterijen waren bestemd voor gemeenten met meer dan 2500 inwoners, de rustende voor alle overige. De schutterijen waren ingesteld tot behoud van de inwendige rust in tijden van oorlog en gevaar tegen de aanvallen van de vijand. De dienstverrichtingen van de dienstdoende schutterijen bestonden vooral uit het oefenen in het schieten op schijven. De rustende schutterijen mochten in vredestijd slechts diensten verrichten ‘tot derzelver instandhouding’.viii Doordat er in zijn volwassen leven geen oorlogsdreiging was, zal het enkel bij schietoefeningen zijn gebleven. Wellicht kwamen zijn schietkunsten ten goede bij jachtpartijen.

Borgesius in Oude Pekela

Herman F. Lamping trouwde op 17 augustus 1843 met Helena Harmanna Borgesius (1820-1852) uit Oude Pekela, een Gronings veendorp ruim 80 kilometer ten noordoosten van Nijeveen. Zij trouwden in haar woonplaats, waar haar vader – Ir. Goedhart Borgesius (1787-1852) – stadsveenmeester en assessor (wethouder) was. Nadat haar broer Tjakko Borgesius (1816-1888) in december 1849 werd aangesteld tot burgemeester van Oude Pekela, besloot vader Goedhart Borgesius – na bijna 30 jaar gemeenteraadslid te zijn geweest – zich vanwege te nauwe familiebanden terug te trekken als wethouder.



Tjakko Borgesius (1816-1888), burgemeester van Oude Pekela 1849-1888

Oude Pekela was de eerste veenkolonie in het noordoosten van Nederland. “Het was een weinig aantrekkelijke streek, bestaande uit moerassige, onheilzame, voor de mens gevaarlijke (hoog)venen.” Een compagnie van Friezen en Hollanders besloten in 1599 het veenstroompje de Pekel A te verbreden en te verdiepen en het veen af te graven. Later verkochten de deelgenoten hun belangen aan de stad Groningen, een groot afnemer van de turf. Op hun beurt kocht de stad Groningen nieuwe veengebieden bij, waardoor de gehele streek werd ontgonnen. Rond 1800 was het iets noordelijker gelegen Nieuwe Pekela reeds grotendeels ontgonnen.ix In Nieuwe Pekela blijkt voorvader Jurrien Koerts (1719-1802) een belangrijk man te zijn geweest. De schoolmeester van Nieuwe Pekela rapporteerde in 1828 aan de Commissie van Onderwijs o.a. “Als een zeer verdienstelyk man verdiend hier genoemd te worden: Jurjen Koerts den ouden, die in 1802 in het 83ste jaar is overleden, welke zoo veel heeft toegebracht tot den bloei dezer Veenkolonie. Zelf een aanzienlyk veeneigenaar zynde, verzorgde hy een menigte mensen van brood, en die hem als hunnen vader eerden. Als ryk man, was hy door zone eerlykheid, zedigheid, Godsdienstigheid en meerdere deugden, een leerryk en stichtend voorbeeld voor deze Gemeente; waarvan hy tot aan zynen dood Kerkvoogd en Ouderling was. Door zyne braafheid en kunde van de veenen, stond hy by de Regering der Stad Groningen steeds in de blakendste gunst en genoot dezelve volle vertrouwen. Eene fraaye zerk dekt zijn graf en dat zijner Echtgenoote, waarop wylen de schoolopziener H. Wester het volgend grafschrift vervaardigde:
‘Een grijsaard, van zijn vroege jeugd aan werkzaamheid gewoon; die door oud Nederlandsche deugd een schat verkreeg ten loon; de veenkolonie bloeijen deed; getrouw was in zijn stand; zijn vlyt en krachten heeft besteed tot heil van stad en land; die nuttig bleef voor velen tot zijn dood, ligt hier begraven naast zgn Echtgenoot.” (Schoolmeesterrapporten, Groninger Archieven, 2017). 
Een kleindochter van Jurrien Koerts, Wendeltjen Aapkens (1789-1825), trouwde in 1814 met Ir. Goedhart Borgesius. 

Goedhart Borgesius (1787-1852) was, evenals zijn schoonzoon Herman F. Lamping, een predikantenzoon. “Als oudste en veelbelovende zoon eens predikants, werd hij voor den geestelijken stand bestemd, en genoot alzoo het voorbereidend onderwijs in levende en doode talen, enz. Doch door eene tijdelijke doofheid hierin belemmerd, besloten zijne ouders hem voor den werkkring op te leiden, welken hij later 43 jaren met eere heeft bekleed. Tot dat einde werd hij besteld bij zijnen waardigen grootvader E.J. Eltjens, te Oude Pekela, wiens onderrigt en opleiding hij genoot, en wien hij in het jaar 1809 werd toegevoegd als stadsveenmeester, welke betrekking toen reeds meer dan eene eeuw door zijne voorouders was uitgeoefend. (…) Bij het overlijden van den heer Eltjens was hij in zijne functien als stadsveenmeester bevestigd, in welke betrekking hij dikwerf de belangen der stad, zoowel als die der gemeente op eene gepaste wijze wist te vereenigen en te bevorderen, en, waar deze belangen in strijd waren, onaangenaamheden trachtte voor te komen. (…)”x Naast stadsveenmeester was Goedhart Borgesius ingenieur, landmeter, vestingbouwkundige, lid van de gemeenteraad (1811-1850) en assessor van Oude Pekela en president-kerkvoogd der Nederlands-Hervormde Kerk aldaar. Zoals in het krantenartikel werd aangehaald, werd de functie van (stads)veenmeester te Oude Pekela reeds meer dan eeuw vervuld door familieleden; zijn grootvader Ir. Eltjo Jacob Eltjens (1732-1818), overgrootvader Jacob Eltjes (1687-1756) en diens vader Eltjo Jacobs (1655-1720).

De veenmeester hield toezicht op de venen en had tevens daarover de dagelijkse leiding. Een belangrijk aspect van zijn werk betrof het toezicht op de afwatering. Wanneer de veenderijen in eigendom toebehoorden aan een stad, zoals het geval was in Oude Pekela2, sprak men van een stadsveenmeester. In het geval van Oude Pekela kan men bijna spreken van een erfelijk ambt, aangezien deze functie ruim 150 jaar werd toevertrouwd aan de families Eltjens en daarna Borgesius. Naarmate de vervening verder geschiedde, ontwikkelde zich steeds meer landbouw in de streek waardoor men tevens een boerenbedrijf ging opereren. De (voormalige?) “Villa Boerderij Eltjens”xi in Oude Pekela herinnert aan de welstand van deze families.3

Ir. Eltjo Jacob Eltjens (1732-1818) had slechts één dochter, Alegonda Geertruida Borgesius-Eltjens (1767-1847). Zij was een volle nicht van de eerste burgemeester van Oude Pekela, Petrus Johannes Huisinga (1770-1857, burgemeester 1811-1849). Ondanks dat zij op haar beurt ruim 9 kinderen kreeg, legateerde Ir. Eltjo Jacob Eltjens in 1815 zijn meeste onroerende goederen in Oude Pekela aan zijn oudste kleinzoon Ir. Goedhart Borgesius en diens echtgenote Wendeltjen Borgesius-Aapkens (1789-1825). Tot deze boedel behoorden de huizen nrs. 1 en 116 in Oude Pekela. Huis nummer 116, gelegen aan het kanaal de Pekela, werd het woonhuis van Ir. Goedhart Borgesius en zijn gezin. Over deze “aanzienlijke heerenbehuizinge” schrijf ik later meer, terug naar Nijeveen waar zijn dochter Helena H. Lamping-Borgesius in 1843 kwam te wonen.

Gezin Lamping-Borgesius

Uit het huwelijk van de geneesheer Herman F. Lamping en Helena H. Borgesius werden drie kinderen geboren:

1 Elisabeth Anna Lamping (1845-1885)

2 Goedhart Lamping (1848-1900)

3 Wendeline Caroline Lamping (1850-1893)

Het huwelijksgeluk heeft helaas niet lang geduurd; op 9 november 1851 overleed Herman F. Lamping, slechts 34 jaar oud zijnde. Zijn weduwe bleef achter met drie jonge kinderen. De jonge weduwe Helena H. Lamping-Borgesius verkocht spoedig haar huis in Nijeveen, dat waarschijnlijk al in december 1851 werd betrokken door de nieuwe plattelandsdokter W.G. Kramer.xii

Helena H. Lamping-Borgesius verhuisde – met haar drie jonge kinderen – terug naar haar ouderlijk huis (nr. 116) in Oude Pekela. Dit huis werd toen nog bewoond door haar vader Ir. Goedhart Borgesius en haar (nog) twee ongehuwde zusters, Aaltje (1818-1876) en Riena Borgesius (1824-1863), en haar ongehuwde broer Jacobus G. Borgesius (1822-1859). Alleen haar oudste broer, de inmiddels burgemeester Tjakko Borgesius, had op dat moment een eigen huishouding en woonde even verderop aan het kanaal de Pekela.

Slechts enkele maanden na haar terugkeer in haar ouderlijk huis, overleed op 15 maart 1852 haar vader Ir. Goedhart Borgesius. Ook de gezondheid van Helena H. Lamping-Borgesius was slecht; zij leed al lange tijd aan een ernstige kwaalxiii. Zij overleed hetzelfde jaar als haar vader, op 19 november 1852. Daarmee werden haar drie kinderen, slechts 2 tot 6 jaar oud zijnde, wees. De ongehuwde oom Jacobus G. Borgesius en tantes Aaltje en Riena Borgesius ontfermden zich over de drie jonge weeskinderen Lamping.

De jeugd van de weeskinderen Lamping in Oude Pekela

De jeugd van de kinderen Elisabeth A., Goedhart en Wendeline C. Lamping in Oude Pekela was – ondanks het gemis van hun ouders – comfortabel. Dankzij de inwonende dienstmeisjes, hadden de tantes genoeg tijd om zich bezig te houden met de jonge kinderen. Speelkameraadjes vonden zij waarschijnlijk in de de kinderen van oom Tjakko Borgesius. Zij vonden hun thuis in een van de meest riante woningen van Oude Pekela. De huizen werden onderverdeeld in 17 klassen. Huis nummer 116, het huis waar de kinderen Lamping woonden, behoorde tot de tweede klasse, “hebbende 7 benedenkamers met daarboven 2 keukens, hecht en sterk gebouwd en in de kom van de gemeente gelegen.” Alleen het huis van hun oudoom Petrus Johannes Huisinga – de oud-burgemeester – ging hen voor, zijnde ingedeeld in klasse 1.

Direct achter het huis lag hun grote tuin met vijver. Daarachter lag een eindeloze lap grond. De landerijen rondom Oude Pekela waren kaarsrecht afgemeten en lagen tussen verscheidene, bevaarbare sloten die uitkwamen op de rivier Pekela. Een kaarsrechte ‘laan van plezier’ liep van de tuin naar een vierkant stuk bos daarachter. Dit bos werd in 1848 en 1850 door grootvader Ir. Goedhart Borgesius (grotendeels?) gekapt;

Op maandag de 13e maart [1848] en volgende dagen gedenkt de heer G. Borgesius te Oude Pekela ten overstaan van een bevoegde beambte publiek te verkopen: enige honderden op stam staande, zware eikenbomen, zeer geschikt voor scheepstimmerlieden, aannemers en publieke werken, stelmakers, kuipers en anderen. Staande alle deze bomen onmiddellijk aan het vaarwater.”xiv

Aan weerskanten van de ‘laan van plezier’ lagen landbouwgronden. De inwonende, ongehuwde oom Jacobus G. Borgesius verdiende de kost als vervener en – sinds het overlijden van zijn vader in 1852 – als stadsveenmeester van Oude Pekela. Daarnaast stuurde hij enkele dienstknechten aan die zich bezighielden met het bewerken van de landbouwgronden. Nadat deze oom Jacobus G. Borgesius op 23 april 1859 op 36-jarige leeftijd overleed, betrok de landbouwer Hendrik Stronk de woning die vervolgens het boerenbedrijf ging runnen.

Tante Riena Pranger-Borgesius (1824-1863)

Na het overlijden van oom Jacobus G. Borgesius in 1859, bleven de twee zusters Aaltje en Riena Borgesius met de drie weeskinderen Lamping achter in het ouderlijk huis te Oude Pekela. In 1860 trouwde Riena Borgesius (1824-1863) met de kapitein-ter-koopvaardij Jacob Jan Pranger (1819-1874) en verliet daarop haar ouderlijk huis. Haar echtgenoot was eveneens afkomstig uit Oude Pekela, maar was gezagvoerder van het ‘snelzeilend Nederlands barkschip Batavia’xv met als basis Dordrecht. Een bark is de naam van een zeilschip met daarop minimaal drie masten.

Jacob Jan Pranger en zijn echtgenote Riena Borgesius bevoeren de wereldzeeën tussen Nederland en Nederlands-Indië, een reis die vele weken in beslag nam. Zij namen naast passagiers waarschijnlijk ook post of andere cargo mee. Aan boord was tevens een scheepsdokter aanwezig.xvi De scheepsdokter kon echter niet voorkomen dat op 10 augustus 1863 de 39-jarige Riena Pranger-Borgesius overleed. Zij overleed in de Straat Dampier nabij Nieuw-Guinea “tengevolge van een ontijdige bevalling”.xvii

De zeereis van Europa naar Oost-Indië werd een zes jaar later, in 1869, zeer verkort door de opening van het Suez-kanaal. De bekende roman “De reis om de wereld in tachtig dagen” van Jules Verne (1873) werd mede geïnspireerd op de opening van het Suez-kanaal. Verne speelde in op de technologische innovaties van de negentiende eeuw die het mogelijk maakte steeds sneller te reizen. Sinds 1993 wordt de Jules Verne Trofee jaarlijks uitgereikt aan de boot die het snelst rond de wereld vaart zonder hulp van buitenaf. Riena Pranger-Borgesius heeft de opening van het Suez-kanaal niet meegemaakt, haar echtgenoot wel. Jacob Jan Pranger (1819-1874) kreeg echter geen toegang om met zijn zeilschip door het Suez-kanaal te varen. Het was enkel stoomboten toegestaan om – in konvooien – het 163 kilometer lange kanaal te bevaren. Met een snelheid van 11 tot 16 kilometer per uur duurde de overtocht ongeveer 12 tot 16 uur. Hierdoor heeft Jacob Jan Pranger enkel via de Kaap reizen naar Oost-Indië ondernomen; hij ontliep daardoor wel de hoge tollen die werden geheven bij het Suez-kanaal.

Tante Aaltje Borgesius en haar zorg over de drie weeskinderen Lamping

Na het huwelijk van Riena Borgesius met de scheepskapitein Jacob Jan Pranger in 1860 bleef tante Aaltje Borgesius (1818-1876) alleen achter met de resp. 10, 12 en 15 jarige Elisabeth A., Goedhart en Wendeline C. Lamping. Zij bleef tot 1868 het ouderlijk huis in Oude Pekela bewonen. In 1868 verhuisde Aaltje Borgesius met haar nichtjes Elisabeth A. en Wendeline C. Lamping naar Groningen-stad. Zij betrokken een woning in de Pelsterstraat (25a), een straat die loopt van de Vismarkt naar het Zuiderdiep. Dit was een echt vrouwenhuishouden; hier woonde de tante met haar twee nichtjes en twee inwonende dienstbodes. Goedhart Laming woonde toen elders; daarover meer later.

Hoewel de zorg over de weeskinderen met name berustte bij de familie Borgesius, bleek de band met de familie Lamping goed. In Leeuwarden woonden de zusters Anna Elisabeth Lamping (1829-1907) en Catharina Lamping (1830-1900). Zij waren dochters van ds. Willem Anthony Lamping (1805-1884), een oom van de weeskinderen Lamping. De zusters Lamping begonnen reeds in de jaren ’50 van de negentiende eeuw een school voor privaat onderwijs voor meisjes in Leeuwarden. Hoofdonderwijzeres was Catharina Lamping, die zelf les gaf “in de nuttige en fraaie handwerken, lezen, schrijven en de Duitsche en Engelsche taal.”xviii De zusters Lamping in Leeuwarden namen – tegen een vergoeding – ook leerlingen in huis. Hun nichten Elisabeth A. en Wendeline C. Lamping uit Oude Pekela trokken in resp. 1862 en 1863 enige tijd bij hen in. In 1864 verplaatsen de zusters Lamping hun kostschool voor meisjes naar Bolsward, alwaar Catharina Lamping hoofd werd der M.U.L.O. school voor meisjes. Wendeline C. Lamping verhuisde in 1864 met hen mee naar Bolsward, keerde enkele jaren weer terug bij haar tante Aaltje Borgesius in Groningen, om vervolgens in 1870 weer bij haar nichten Lamping in Bolsward in te trekken. Wendeline C. Lamping woonde ook enige tijd bij haar oom ds. Petrus Maurits Lamping (1807-1882) te Lobith.

Elisabeth A. Lamping (1845-1885) woonde bij haar tante Aaltje Borgesius in Groningen tot zij in 1875 trouwde met de Harlinger vlashandelaar en reder Pier Schaafsma (1844-1916). Zij zijn de ouders van mijn overgrootmoeder Christina C.H. Aalders-Schaafsma. Pier Schaafsma hertrouwde na het overlijden van zijn echtgenote met Boudina Sickens (1852-1929), een dochter van een Amsterdamse cargadoor en een achternichtje van de eerdergenoemde scheepskapitein Jacob Jan Pranger.4

In 1890 – bijna vijftien jaar na het overlijden van tante Aaltje Borgesius – trouwde Wendeline C. Lamping met de Rotterdamse makelaar Willem Cornelis Schalkwijk (1831-1893). Hij woonde op dat moment op villa Bellarin in Merano (Italië), vermoedelijk vanwege het zachtere klimaat. Dit huwelijk bleef kinderloos en heeft slechts drie jaar geduurd; zij overleden beiden in 1893.

voormoeder Elisabeth Anna Schaafsma-Lamping (1845-1885), oudste zuster van Goedhart Lampingxix

Studietijd Goedhart Lamping (1848-1900)

Voor dit familieverhaal zal ik mij focussen op Goedhart Lamping (1848-1900), de middelste van de drie kinderen. Van hem ontbreekt helaas een foto. Herinneringen zal hij aan zijn geboorteplaats Nijeveen niet hebben gehad; hij verhuisde reeds op 3 jarige leeftijd naar Oude Pekela waar hij tot zijn 18e heeft gewoond. Zijn lagere school heeft hij waarschijnlijk in het dorp gevolgd, aan de grote openbare school. Deze school was in 1843 – mede dankzij inzet van zijn grootvader Ir. Goedhart Borgesius – flink uitgebreid.

De dag van heden [4 september 1843] was hier voor de schooljeugd een dag van belang en vreugde; van belang, doordien thans de hoofdschool aanzienlijk vergroot en verbeterd zijnde tot het geven van onderwijs, vanwege het plaatselijk bestuur aan de onderwijzer De Vrieze plechtig werd opengesteld en overgeleverd; van vreugde, doordien deze plechtigheid met gepaste vrolijkheid werd afgewisseld en besloten.

De heer assessor [= wethouder] Borgesius deed de overdracht met ene gepaste rede, in bijwezen van de gemeenteraad, van de heer Adriani, fungerend schoolopziener, en van de plaatselijke schoolcommissie, daarbij herinnerde aan Wester, die hier de grondslagen gelegd had van het verbeterd onderwijs, de tegenwoordige onderwijzer geluk wensende met de nieuwe en verbeterde oude school, met geheel van nieuws opgebouwde woning ten zijnen dienste. De heer M.J. Adriani betuigde daarop zijn dank aan de gemeenteraad voor deszelfs betoonde ijver; en werd bij dat alles niet vergeten de verplichting der gemeente aan Zijne Majesteit de Koning [Willem II] voor de bijdrage ter bestrijding van kosten goedgunstig toegestaan, ten einde de [voorgenoemde] verbouwing en verbetering te kunnen ten uitvoer brengen. De kinderen, die ten getale van 478 in de school waren opgekomen, en behoorlijk gerangschikt, zijn daarbij onthaald op koek en wijn, terwijl alles met een uitmuntend verse van de onderwijzer De Vrieze werd besloten en in de beste orde is afgelopen.”xx

Goedhart Lamping bleek een zeer goede leerling; hij was reeds in 1862 leerling aan het gymnasium te Winschoten, een stadje een kleine 8 kilometer ten noorden van Oude Pekela.xxi In het aangrenzende Scheemda was een oom van Goedhart Lamping, Nanno Sierts Klugkist (1803-1882), apotheker.5 Wellicht dat Goedhart Lamping hier enige tijd heeft doorgebracht en zijn oom en diens apothekersleerling heeft geassisteerd.

Ik ga ervan uit dat hij zijn gymnasium met succes heeft doorlopen. In februari 1866 trok de volgende bekendmaking in de Nederlandsche Staatscourant de aandacht:

De Inspecteur van de Geneeskundige Dienst der Landmagt brengt bij deze ter kennis van de ouders of voogden, die voor hunne zonen of pupillen de toelating als kweekeling bij ‘s Rijks Kweekschool voor Militaire Geneeskundigen mogten verlangen, dat op den 2den Julij 1866 een vergelijkend examen over de adspiranten zal worden gehouden, en dat voor den 1sten Mei 1866 een daartoe strekkend verzoekschrift aan hem Inspecteur postvrij zal moeten worden ingezonden; zullende na dat tijdstip geen verzoeken tot toelating tot gemeld examen worden aangenomen. (…)

Dat belanghebbenden worden al verder verwittigd, dat het examen zich zal bepalen tot de navolgende vakken:

a. het schrijven van eene goede leesbare hand;

b. de Nederduitsche, Latijnsche, Fransche en Hoogduitsche talen;

c. de grammaticale gronden van de Grieksche taal;

d. de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en de aardrijkskunde;

e. de wiskunde (rekenkunde, stelkunde, meetkunde);

dat de adspiranten op den 1sten September 1866 niet beneden de zestien en niet boven de eenentwintig jaren oud zullen mogen zijn; voorts van onbesproken gedrag en vrij van alle ligchaamsgebreken;

dat het volgende getal plaatsen van kweekeling ter vervulling is opengesteld:

voor de dienst hier te lande: 8

voor de dienst in Oost-Indie: 43

voor de dienst in West-Indie: 2

dat de toelating tot ‘s Rijks Kweekschool op den 1sten September 1866 zal plaatshebben;

dat de leercursus minstens vijf jaren zal duren;

dat eenigen van de kweekelingen, bestemd voor de dienst der Landmagt, in evenredigheid van hunne verkregen kundigheden en gedragingen, bij openvallende plaatsen, tot kweekelingen der 2de klasse op een tractement van f 200 ‘s jaars en tot kweekelingen der 1ste klasse op een tractement van f 300 ‘s jaars bevorderd worden;

dat aan de kweekelingen, voor de dienst in Oost-Indie en ook voor die voor West-Indie bestemd, gedurende hunne studietijd eene jaarlijksche toelage van f 600 zal worden verleend;

dat voldoende borgtogt van den kant der ouders of voogden zal moeten worden gesteld voor de terugbetaling der sommen die door de zorg van de Departementen van Oorlog of Koloniën ten behoeve hunner Zonen of Pupillen zijn verstrekt, wanneer deze zich aan hunne bestemming onttrekken, of wegens traagheid of slecht gedrag worden ontslagen;

dat de ouders of voogden zich moeten verbinden om, zoolang het verblijf van hunne zonen of pupillen bij ‘s Rijks Kweekschool zal duren, voor hunne kleeding, voeding, woning, boeken, instrumenten enz. naar behooren te zorgen, (…)

dat de kweekelingen, die het onderwijs bij ‘s Rijks Kweekschool gedurende een jaar hebben bijgewoond, uit ‘s Rijks dienst niet worden ontslagen dan na den lande in de betrekking van Officier van Gezondheid vijftien jaren te hebben gediend, tenzij het raadzaam worde geoordeeld, dat zij, wegens gebrek aan aanleg en lust tot studie, wegens wangedrag of zedenbederf, of wegens ligchaamsgebreken van de Kweekschool worden verwijderd;

dat de kweekelingen, die het Geneeskundig examen voor de Rijkscommissie voldoende hebben afgelegd en een diploma als Arts hebben verkregen, aan het examen voor de betrekking van Officier van Gezondheid der 3de klasse worden onderworpen en naar gelang der aan den dag gelegde bewijzen van bekwaamheden in die volgorde bij de Landmagt of Overzeesche bezittingen tot Officier van Gezondheid der 3de klasse worden voorgedragen;

dat aan de betrekking van Officier van Gezondheid der 3de klasse bij de Landmagt verbonden is:

a. een tractement van f 900 ‘s jaars, en

b. de rang van 2den luitenant

dat aan de betrekking van Officier van Gezondheid der 3de klasse voor de Militaire Geneeskundige Dienst der Landmagt in Oost-Indie verbonden is:

a. een jaarlijksch tractement van f 1950, benevens vrije woning of schadeloosstelling voor huishuur, en indemniteit voor fourrage voor twee paarden;

b. een tractement van f 900 ‘s jaars gedurende zijn oponthoud hier te lande;

c. eene gratificate van f 380 en een voorschot van f 650, te zamen uitmakende eene som van f 1030, waarover men voor de afreis kan beschikken, zoodra het schip aangewezen is waarmede de reis, en wel als militair gouvernements-passagier der 1ste klasse, zal geschieden, strekkende deze som tot eene behoorlijke uitrusting en tot het aankoopen van boeken en heelkundige zak-instrumenten;

d. de rang van Tweeden Luitenant bij den Staf der Armee in Indië;

dat aan de betrekking van Officier van Gezondheid der 3de klasse voor de Militaire Geneeskundige Dienst der Landmagt in de West-Indien verbonden is:

a. een jaarlijksch tractement van f 1700, bevens vrije woning of schadeloosstelling voor huishuur;

b. een tractement van f 900 s jaars gedurende zijn oponthoud hier te lande;

c. eene gratificatie van f 300 en een voorschot van f 260, te zamen uitmakende eene som van f 560, waarover men voor de afreis kan beschikken, zoodra het schip aangewezen is, waarmede de reis, en wel als militair gouvernements-passagier der 1ste klasse, zal geschieden; strekkende deze som tot eene behoorlijke uitrusting, tot het aankoopen van boeken en heelkundige zak-instrumenten; en

d. de rang van Tweeden Luitenant.

‘s Gravenhage, den 23sten Januarij 1866.

Dr. J.J. Sas.”xxii

De 18-jarige Goedhart Lamping bleek wel oren te hebben naar deze opleiding en naar de internationale mogelijkheden. De Rijkskweekschool voor Militaire Geneeskundigen (RKMG) stond te boek als een zeer gedegen opleiding;

(…) Aan het einde van de achttiende eeuw nam de belangstelling voor het leger en daarmee voor haar medische hulpverlening toe. De functie van [officier van gezondheid] werd aantrekkelijker gemaakt met een hogere rang en beter salaris. Ook werd een instituut opgericht om de aspirant officieren van gezondheid, de kwekelingen, beter op te leiden. (…) In het leger bestond het ziekenhuis al veel langer dan in de burgermaatschappij. De hospitalen te velde, waar militaire patiënten – vaak ver van huis – behandeld werden, leken veel meer op moderne ziekenhuizen dan de burgerlijke gasthuizen. In de militaire hospitalen liepen inwonende doktoren dagelijks visite en hielden daarvan nauwkeurige verslagen bij. Zo waren er voor een goede ontwikkeling van de geneeskundige in het leger gunstige voorwaarden gecreëerd.

(…) In 1822 werden de Instructiehospitalen van Leiden en Leuven samengevoegd tot het Groot Rijks Hospitaal in Utrecht; dit instituut werd vanaf 1841 ‘s Rijkskweekschool voor Militair Geneeskundigen (RKMG) genoemd. Het opleiden van officieren van gezondheid kon beter in één instelling plaatsvinden met het oog op uniformiteit, doelmatigheid en kosten. Ook in Utrecht kon het militairgeneeskundige onderwijs gecombineerd worden met het universitaire onderwijs.

(…) [Dr. Petrus Lambertus Beckers (1789-1851), inspecteur van de Militair Geneeskundige Dienst] wilde de opleiding van de kwekelingen verbeteren en de voorgezette studie van de officieren van gezondheid bevorderen. Beckers voerde een vergelijkend toelatingsexamen in, dat onder meer verschillende talen, geschiedenis, aardrijkskunde, reken- en meetkunde bevatte. Hij besloot ook dat vanaf 1841 bevorderingen niet meer plaatsvonden op basis van anciënniteit, maar na een vergelijkend examen. Beckers verbrak alle banden met de universiteit, waardoor de RKMG geheel op zichzelf kwam te staan. Het militaire karakter van de school werd benadrukt door een strakker toezicht op de kledingvoorschriften, het bijwonen van de lessen en het verrichten van diensten in het hospitaal. De kwekelingen kregen bovendien infanterie-exercitiën en schermlessen. De krijgstucht gold ook voor de tijden buiten de lessen om: in de avond moesten de kwekelingen om half negen op hun kamer zijn. Ieder jaar werden de kwekelingen mondeling geëxamineerd door hun docenten en het vierde jaar werd afgesloten met een vergelijkend schriftelijk examen. Behalve theoretische examens moesten zij ook praktische proeven van bekwaamheid afleggen.

(…) In 1865 echter, moesten het de militairgeneeskundigen voortaan ook het geneeskundig staatsexamen afleggen om het artsdiploma te verkrijgen. Hiermee kwam het bestaansrecht voor een afzonderlijke militaire opleiding te vervallen. Er werd besloten de RKMG over te brengen naar het garnizoenshospitaal te Amsterdam, alwaar applicatieonderwijs genoten kon worden in onder meer de militaire reglementen, het visiteren der manschappen etc. Zo kwam er in 1868 een einde aan een uniek zelfstandig opleidingsinstituut voor Nederland.”xxiii

Zijn voogden, waaronder waarschijnlijk burgemeester Tjakko Borgesius van Oude Pekela, waren eveneens positief gestemd over zijn opleidingskeuze en waren bereid garant te staan en in de benodigde onkosten te voorzien. Niet onwaarschijnlijk werd advies ingewonnen bij twee ooms van Goedhart Lamping; de artsen dr. Silvester Arnold Lamping (1823-1871) en dr. Abraham Brouwer (1815-1865)6. “(…) Aan de drie universiteiten van die tijd liet het medisch onderwijs wellicht nog te wensen over, maar aan de RKMG had men voldoende en bekwame docenten ter beschikking. Daarnaast waren de studenten aan de RKMG rijkelijk bedeeld met een groot hospitaal, een staf van uitstekende docenten, goede lesmaterialen en niet alleen practica in anatomie en botanie, maar ook in scheikunde, verbandleer, artsenijbereidkunde en andere vakken. (…) Het onderwijs aan de RKMG was in het Nederlands, terwijl aan de universiteit vaak nog in het Latijn werd onderwezen. De kracht van het onderwijs aan de RKMG bestond daarnaast uit de aanwezigheid van genoeg patiënten voor klinische lessen en de afwezigheid van aloude scheiding tussen doctores medicinae en chirurgijns. Hierdoor konden de kwekelingen zich aan het ziekbed bezighouden met zowel genees- als heelkunde.”xxiv

Goedhart Lamping wist zich – samen met ongeveer 50 andere adspirant kwekelingen – door de selecties heen te banen. In september 1866 startte de opleiding in Utrecht. Goedhart Lamping verliet zijn afgelegen Groningse veendorpje Oude Pekela en vestigde zich midden in het centrum van de universiteitsstad Utrecht; daarnaast kon hij rekenen op een strakke, militaire discipline.

Hij vond een kamer ten huize van de kunstschilder Leendert Springer Jr. (1831-1894) in de Steenweg (nr. 482). Leendert Springer Jr. verhuurde een andere kamer aan een ouderejaars student aan de RKMG, de 20-jarige Jan Willem van Hattum uit Tiel. Leendert Springer was in de voetsporen getreden van zijn vader, een Leidse kunstschilder7. Zijn zwager, mr. John Eric Banck (1833-1902), was een rijke jurist, filantroop en dichter.8 In 1859 kocht deze mr. John Eric Banck van de familie Stachouwer het eiland Schiermonnikoog. Hij legde daar in 1860 de zeedijk aan en liet een deel van de kwelders inpolderen; de huidige Banckspolder9. Enfin, terug naar de huisbaas Leendert Springer Jr.

Leendert Springer Jr. (1831-1894) zal een markant en – niet onwaarschijnlijk – dubieus figuur zijn geweest. Hij was in 1857 gehuwd met Maria M.J. van Soest, een dochter van een onderwijzer en dichter in Nederlands-Indië. Deze relatie verliep allesbehalve rooskleurig; Leendert Springer Jr. verliet zijn vrouw met onbekende bestemming en kwam nooit meer terug. Zijn echtgenote bleek in de veronderstelling te zijn dat hij zich in het buitenland had gevestigd, maar niks blijkt minder waar: hij woonde in de Steenweg te Utrecht. Enkele maanden voordat Goedhart Lamping bij hem introk, in 1866, vernam Leendert Springer Jr. via de krant dat hij gescheiden was. Maria M.J. Springer-van Soest was het beu en vroeg scheiding aan, die zij eenzijdig wist te bewerkstelligen “terzake van kwaadwillige verlating”.xxv

De huisgenoot van Goedhart Lamping, Jan Willem van Hattum, wist de opleiding aan de RKMG met succes te voltooien. Hij werd in 1868 aangesteld tot officier van gezondheid 3e klasse bij de geneeskundige dienst ter Sumatra’s Westkust. Hij schonk in 1874 aan de Koninklijke Natuurkundige Vereniging “natuurlijke kristallijne zwavel van de zwavelvelden van Arriens in de noorder-districten van Sumatra’s Westkust, benevens een weinig rood gekleurde, eetbare aarde uit de nabijheid van Padang-Sedempoean.”. Van Hattum overleed het daaropvolgende jaar, in 1875, slechts 29 jaar oud zijnde.

Een succesvolle afronding van zijn studie was Goedhart Lamping niet gegund. In 1868 werd hij door rector dr. Willem Koster ontslagen als student aan de RKMG. Dit kon “wegens gebrek aan aanleg en lust tot studie, wegens wangedrag of zedenbederf, of wegens ligchaamsgebreken”xxvi Dit zijn nogal uiteenlopende redenen; welke van toepassing is op Goedhart Lamping is onduidelijk. Ik kan mij overigens wel vereenzelvigen met hem op dit vlak, want ik heb zelf ook geen universitaire opleiding afgerond. De teleurstelling van mijn familie kan ook goed herinneren; dit zal weinig hebben verschild met de reactie van zijn familie. Met name zijn voogden, die garant stonden voor het jaarlijkse traktement, zullen deze stap terug met lede ogen hebben ontvangen. Hij zal waarschijnlijk zijn gekort op zijn erfenis, die hij pas waarschijnlijk enkele jaren later zou ontvangen (tot 1986 was men pas vanaf 21 jaar meerderjarig).

Met het beëindigen van zijn studie in Utrecht kwam tevens een eind aan zijn studentenleven. Hij keerde hetzelfde jaar nog terug in Groningen, waar inmiddels ook zijn tante Aaltje Borgesius met zijn zusters woonden. Opvallend genoeg ging hij niet bij hen inwonen, maar huurde hij een kamer bij timmerman Klaas Diephuis en diens echtgenote. Blijkens het bevolkingsregister van Groningen was Goedhart Lamping ‘zonder beroep’. Dit in tegenstelling tot een andere jongen die bij de timmerman een kamer huurde; die studeerde theologie.10

Goedhart Lamping woonde een kleine 2 jaar in Groningen; wat hem daar heeft beziggehouden heb ik niet kunnen achterhalen. Hij heeft in ieder geval daar niet zijn draai kunnen vinden; hij schreef zich op 5 mei 1871 uit naar Amsterdam. Helaas heeft hij zich daar nooit ingeschreven, waardoor ook hier een mysterie ligt. Wij kunnen in ieder geval concluderen dat het avontuur lonkte; want hij maakt in de jaren ’70 van de negentiende eeuw de oversteek naar Amerika!

The American Dream of Goedhart/George Lamping

(…) He studied medicine in Germany and after procuring his M.D., started for this country with the intention of following his profession in the west. While in the English Channel the vessel he was on, was sunk in a collision and out of a passenger list and crew of some two hundred and fifty persons only three were saved. Dr. Lamping remained in the water for several hours and was at last picked up by an Italian craft and landed in New York. The doctor was fond of telling this experience to his friends and many have heard it. He used to say that, when he was put on shore in New York, he had but fifty cents in his pocket, he having lost all his other belongings in the wreck.

He secured a position as apprentree in a drug store in New York and later held similar positions in Brooklyn and Hoboken. Later he attended the New York College of Pharmacy, where he graduated, and before he left the metropolis he was manager of one of the largest drug houses in the city.

In 1879 he came to New Haven where he purchased and opened a drug store and remained until 1882. He then went to New Britain where he remained until ‘86, when he came to this city [Meriden, Connecticut] and opened a drug store in Morse & Norton’s block. He conducted both his New Britain and local stores until his marriage, ten years ago, when the former store was sold. In the spring of ‘96 he removed to the present locality of the store.

Dr. Lamping was a Hollander, but was not only proficient in his native tongue and in the English language, but was something of a linguist besides, speaking German and French and being a good Latin scholar. (…)”xxvii

George Lamping (deceased), who was one of Meriden’s well-known and highly respected citizens, a leading druggist, was born in Nyenveen, Holland, Feb. 11 1848. His father, Dr. Herman Lamping, a medical practitioner, died when George was but two years old. The son was educated in his native home, and took up the study in his native home, and took up the study of the science of medicine in Utrecht , Holland, where he received the degree of M.D. He immediately set out for the United States, intending to locate here in the practice of his chosen profession. The ship in which he sailed came in collision with another vessel in the English Channel, and out of the two hundred and fifty persons comprising the passengers and crew only three were saved. Dr. Lamping remained in the water for several hours, and was finally picked up by an Italian vessel bound for New York, to which port he was carried, and he arrived at New York with but fifty cents in his pocket. (etc.)”xxviii

Dit zijn fragmenten van de twee over hem verschenen memories in Amerikaanse kranten. Ze werpen een licht op zijn heel bijzondere overtocht naar Amerika. Daarnaast geeft het aan wat zijn vrienden en bekenden in Amerika wisten over zijn achtergrond in Nederland, al waren sommigen blijkbaar in de veronderstelling dat hij in Duitsland heeft gestudeerd. Desalniettemin mag het duidelijk zijn dat hij zijn verleden iets rooskleuriger heeft overgebracht. Wanneer men bedenkt dat de wereld 150 jaar geleden ‘een stuk groter’ was dan tegenwoordig, kan men zich ook indenken dat de communicatie- en verificatiemogelijkheden toen stukken beperkter waren dan tegenwoordig. Daarnaast zullen zijn diploma’s, van bijvoorbeeld de Universiteit Utrecht of Berlijn, allemaal op de zeebodem liggen na deze bijna-fatale overtocht 😉 Ik verwacht dat zijn overredingskracht groot was en dat hij daar met succes gebruik van heeft gemaakt in het land van Uncle Sam. Ondanks dat ik ervaring heb met het zoeken in de negentiende eeuwse, trans-Atlantische passagierslijsten, is het mij niet gelukt zijn binnenkomst te vinden. Daarnaast heb ik ook geen scheepsramp gevonden, van genoemde en noodlottige omvang, in de jaren zeventig van de negentiende eeuw.11 Het heeft er de schijn van dat het verhaal van de overtocht niet helemaal klopt; daarentegen heb ik het tegendeel niet kunnen bewijzen.


George Lamping was een intelligente, zeer energieke (zoals later zal blijken) en vermoedelijk ook charmante man, die een zeer aangename en positieve indruk achterliet op zijn naasten. Dit laatste blijkt later uit de andere fragmenten uit zijn memories. Als ik daarnaast zijn tweejarige medische scholing, eventuele apothekerservaring bij zijn oom in Scheemda en zijn talenknobbel in acht neem, kan ik mij een voorstelling maken dat derden geen twijfel hadden over zijn diploma’s. Prachtig als je het mij vraagt..

Apothekerscarrière van George Lamping in Amerika

Zoals beschreven in de memories, maakte George Lamping in het land van de ongekende mogelijkheden razendsnel carrière. Hij wist dusdanig veel vermogen op te bouwen dat hij in staat was in 1879 een eigen apotheek op te richten in New Haven, Connecticut (een twee uur reizen van zijn vorige woonplaats New York City). New Haven is – na Bridgeport – de grootste stad van Connecticut en is sinds 1718 de standplaats van Yale College/Yale University. Deze universiteit is tot op de dag van vandaag met ruim 4000 academische medewerkers de grootste werkgever van New Haven. In deze stad liet hij zich op 25 oktober 1882 naturaliseren tot Amerikaans staatsburger.

Kort na zijn naturalisatie, eveneens in 1882, verhuisde George Lamping naar New Britain, Connecticut. Hij verkocht zijn apotheek in New Haven en opende een nieuwe apotheek in New Britain. Dankzij de firma’s The Stanley Works, the P&F Corbin Company (later Corbin Locks) en North & Judd verwierf het stadje New Britain aan het begin van de twintigste eeuw bekendheid als de Hardware Capital of the World. Voor George Lamping was New Britain vooral de plaats waar hij zijn grote liefde ontmoette: Hedwig Kaunitz (1863-1905).

‘Hattie’, zoals zij door familie en vrienden werd genoemd, was geboren in het havenstadje Neuwarp in West-Pommeren (tegenwoordig heet dit plaatsje Nowe Warpno en ligt het in Polen). Haar vader, Ludwig Kaunitz (-1890), was boekhouder bij één van de scheepswerven in Neuwarp, maar vertrok in 1882/1883 met zijn gezin naar New Britain alwaar hij een betrekking vond bij de firma Russel & Erwin Manufacturing Co.xxix Tegenwoordig is dit stadje beter bekend als Little Poland, doordat New Britain de grootste Poolse populatie telt van Connecticut. Hattie Kaunitz was echter een geboren Duitse. West-Pommeren viel ruim duizend jaar onder Duits bewind. Pas in 1945 werd West-Pommeren overgedragen aan Polen, waarna het gebied etnisch gezuiverd werd door de verdrijving van de Duitse bevolking. Bij deze verdrijving werd een groot deel van de Duitse burgerbevolking gedood.xxx

Hattie Kaunitz (1863-1905) was 20 jaar oud toen zij in Amerika aankwam en zij ontmoette kort daarop George Lamping. Zij trouwden in 1885. In 1886 vestigden zij zich in het iets zuidelijker gelegen stadje Meriden (New Haven County, Connecticut), tussen New Haven en New Britain. In Meriden opende George Lamping een tweede apotheek in Morse & Norton’s Block op Mainstreet.

George Lamping, Druggist, 76 Main Street,

Meriden, and 151 Main Street, New Britain,

Conn. — A gentleman who has elicited much

favorable comment by the way in which he has

conducted his establishment, is Dr. George

Lamping, whose places of business are at No. 76

Main street, Meriden, and 151 Main street, New

Britain. Although the Meriden establishment

has been under this gentleman’s control but a

comparatively short time, the care and ability

shown in the conducting of it has already borne

fruit in the shape of a large and rapid trade

of the finest class. Prescriptions, however com-

plicated or potent may be entrusted to him with

the full and confident assurance that they will be

filled with accuracy and dispatch at the lowest

possible rates — so well is this already understood

among the public that in this department a very

large amount of business is done. The store

occupied is 24 x 60 feet in dimensions, and is

well stocked, not only with drugs and chemicals

but also with many elegant articles in the line of

fancy goods, toilet articles, etc. Employment

is given to two courteous assistants, and prompt

and polite attention is given to all. Mr. Lamp-

ing is a native of Holland and resident of New

Britain.” xxxi

George Lamping werd zeer gezien figuur in de gemeenschap van Meriden. Eén van de twee memories vervolgt:

(…) Dr. Lamping was interested in all benevolent organizations and was a liberal giver, it being said of him that he could never say “no”. He gave freely to the Y.M.C.A. Boys’ Club and other local institutions. He was a member of the Turner society and the Amaranth Club. He was interested in other commercial affairs than his drug business, being president of the “Cardonez Milling and Mining Company” of Guanajara, Mexico, the concern Messys. Lawton and Cody12 of this city are interested in, and was also president, of the Goodwin & Kintz Co of Winsted, which concern has several local stockholders. He took a prominent part in the German-American school matters, for some times being a member of the school board. He held prominent offices in the Turner society and was a very popular member. At the time of his death he was chairman of the board of assessors, which position he had held in previous years. (…) Dr. Lamping was widely known and much esteemed citizen of Meriden whose death will be sincerely regretted by a large circle of friends.”xxxii

Apotheker en Fabrikant

De industriële revolutie, de transportrevolutie en de vele technologische ontwikkelingen in de negentiende eeuw brachten veel kansen met zich mee. De academici bleken ook gevoelig voor nieuwe ontwikkelingen en wilden hun steentje bijdragen aan alle nieuwe ontwikkelingen en/of profiteren van de kansen die deze ontwikkelingen boden. Een voorbeeld hiervan is de Canadees dr. Abraham Gesner (1797-1864). Ondanks zijn grote interesse in geologie, koos hij voor – op verzoek en sponsoring van zijn toekomstige schoonvaderxxxiii – voor een studie geneeskunde in Engeland. Naast zijn werk als arts hield hij zich veel bezig met geologie. In 1846 ontwikkelde hij de brandstof kerosine en merkte op dat deze brandstof veel helderder brandt dan walvisolie. Na enkele jaren doorontwikkeling wist hij deze brandstof goedkoper te produceren, waarna een wereldwijde omschakeling volgde naar ‘The New Light’. Gesner is een voorbeeld van een medicus die zich daarnaast bezig hield met scheikunde, om vervolgens bedrijven op te richten waarmee hij groot kapitaal verwierf.

In New York City heeft George Lamping waarschijnlijk kennisgemaakt met een Frederick A. Cody (1852-1939). Zij waren naast apothekers in New York City, tevens leeftijdsgenoten en later stadsgenoten in Meriden. Daarnaast waren zij beiden zeer ondernemend ingesteld. Frederick A. Cody was mede-grondlegger van de American Automatic Lighting Co. in Meriden (in de jaren ’90 van de negentiende eeuw). Zijn compagnon was Lyman T. Lawton. Hun bedrijf bleek uiterst succesvol in het maken en ontwikkelen van lampenonderdelen. Zoals gebruikelijk in die tijd werkten deze op kerosine/petroleum. Volgens het bovenstaande memorie-fragment was American Automatic Lighting Co. mede-aandeelhouder van de mijn-maatschappij Cardonez in Guanayara, Mexico en George Lamping directeur hiervan. Helaas heb ik deze maatschappij, noch de locatie, kunnen achterhalen. Het scheikundig onderwijs, dat tevens tot het vakkenpakket van de RKMG behoorde, zal George Lamping goed uit zijn gekomen.

George Lamping stond tevens aan de voet van de fabriek Goodwin & Kintz te Shelton (Connecticut). Deze fabriek was gespecialiseerd in het fabriceren van koperen goederen, zoals bloembakken, klokken en lampen. In 1899 werd de fabriek verplaatst naar Winsted (Connecticut).xxxiv Zijn compagnons waren de heren Winslow Goodwin en Clemens Kintz, de naamgevers van dit bedrijf. Het is opvallend dat de naam Lamping in de firma ontbreekt; juist wanneer men bedenkt dat Winslow Goodwin secretaris was, Clemens Kintz penningmeester en George Lamping president. Wellicht hebben zij het meeste van het oprichtingskapitaal, $ 12,000, ingebracht.xxxv

Uit een krantenartikel in The Morning Record Meriden van 4 januari 1898 blijkt hoe geliefd de oprichters van Goodwin Kintz Co. waren bij hun werknemers:

Winslow Goodwin and Clemens Kintz, of the Goodwin-Kintz company manufacturers of brass goods, gave a banquet to their employes at the Bassett House last night. Covers were laid for thirty by Landlord Crofut. Messrs. Goodwin and Kintz gave speeches, telling the men that they appreciated the work done by them, and that it gave them pleasure to give them the spread that was prepared for them. (…)

After the banquet several of the men responded to toasts, and at a late hour the affair broke up. The employes wished Messrs. Goodwin and Kintz a happy and prosperous new year. The Goodwin-Kintz company is comparatively a new concern, but is doing a large business in the brass goods line and are very popular with their employes.

The company feel that their business, which was started under discouraging circumstances, has been placed on a permanent basis, to which the employes have contributed in no small degree, and the occasion was to show the employers’ appreciation of their efforts.

There were present from Meriden, George Lamping, the well known druggist and president of the company, S. Bernstein [etc.].”xxxvi

George Lamping werd – na diens overlijden in 1900 – als directeur van Goodwin & Kintz opgevolgd door James G. Woodruff.xxxvii



Unique table lamp, 14” conical shade with a floral border on a Goodwin & Kintz base 21”. Est. $2,000-4,000”
aldus een online-veilingsite.xxxviii

Sociale leven van George Lamping in Meriden

Meriden kende een redelijk grote Duitse gemeenschap. In Meriden werd de Turner Society opgericht, die zich – tot op heden – tot doel stelt de Duitse cultuur binnen Amerika te stimuleren. “With Snowflake Dances, Oktoberfest and Easter markets, the society organizes throughout the year festivals and cultural events for fans of German customs, music and food.”xxxix In 1891 had de Duitse gemeenschap in Meriden voldoende geld bijeen verzameld voor de bouw van een eigen kerk, de St. Mary parish church. Deze houten kerk werd in 1912/1913 vervangen door een stenen gebouw. In 1894 werd de St. Mary School geopendxl, waarvan George Lamping bestuurslid was.

Ondanks dat George Lamping Nederlander was van geboorte, werd hij een zeer gezien en gewaardeerd lid binnen deze Duitse gemeenschap van Meriden. Hij was een populair lid van de Turner Society, maar tevens van de Amaranth Club; “An organization which has for some years figured prominently in Meriden, incorporated in 1895, occupying commodious and handsomely furnished quarters in the Cahill Block. This social club has now [1906] a resident membership of 125 and possesses fifteen non-resident members. Its objects are the promotion of sociability and friendship; and the organization is distinctively cosmopolitan, good fellowship and respectability being the necessary requisites for membership. (…) This club enjoys enviable reputation for hospitality, harmony and the good fellowship of its members. Its inaugural balls have been events long looked forward to and remembered. The club has in various other ways won distinction and success. Its summer outings have been invariably well attended and the only occasion when the local opera house (…) was ever filled to its full seating capacity, during a regular theatrical performance, was when the Amaranth club brought a pleasurable theatrical attraction to Meriden and bought the priviliges of the theatre outright. Many citizens of Meriden prominent in business and public life, including several mayors, have been enrolled in the membership of the club.”xli

Billiard and card room, Amaranth clubxlii

Nobelprijs-winnaar Gerhart Hauptmann in Meriden

Gerhart J.R. Hauptmann (1862-1946) was een Duits toneelschrijver. Aanvankelijk schreef hij realistische drama’s, waarin hij aandacht schonk aan de zorgelijke situatie van de armen, later ook meer symbolische stukken en werken gebaseerd op de Griekse mythologie. Hij geldt als medegrondlegger van het Duitse naturalisme. In 1912 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur.xliii



Gerhart J.R. Hauptmann (1862-1946)

Gerhart Hauptmann was sedert 1885 getrouwd met Marie Theienemann. Door zijn affaire met de actrice Margarete Marschalk vertrok zijn echtgenote met kinderen naar Amerika. Dit nieuws bereikte hem in januari 1894 in Parijs. In april 1894 vertrok ook Hauptmann naar Amerika, waar hij zich verenigde met zijn vrouw en kinderen.xliv Zij verhuisden naar Meriden, waar Hauptmann’s jeugdvriend Dr. Alfred Ploetz woonde. Hij maakte in Meriden, evenals George Lamping, deel uit van de Duitse gemeenschap. Zijn zonen gingen in 1894 naar de St. Mary School waarvan George Lamping bestuurslid was.xlv Het huwelijk van Hauptmann was niet meer te redden; kort na hun terugkeer in Europa scheidden zij (in 1904). Hauptmann hertrouwde hetzelfde jaar nog met zijn maîtresse, Margarete Marschalk.

In Meriden’s Hanging Hills putte Hauptmann inspiratie voor zijn boek “The Sunken Bell” (1897).xlvi In Amerika raakte hij betrokken in het theaterschandaal Hannele. “He was present at the meeting at City Hall in New York to hear the mayor of that city condemn his work as offensive to ‘the decent sence of the community’, and this, plus other sobering experiences during his stay added a touch of ambiguity to the largely positive image of America he had before the trip. In the novel ‘Atlantis’ (1912), another roman a chef that rather impressively chronicles his stormy sea voyage to the United States (and attracted considerable attention at the time for the way in which it seemed to have anticipated the Titanic disaster), Hauptmann portayed the darker side of ‘Americanism’ (its puritan selfrighteousness, cultural backwardness and capitalistic excess) as he recalled it from his visit.” aldus Warren R. Maurer.xlvii

Hauptmann schreef in 1912 zijn meest bekende boek Atlantis. Dit boek gaat over een Deense bacterioloog, dr. Friedrich von Kammacher. Nadat diens geestesziekte vrouw moest worden ondergebracht in een kliniek, ontmoette hij in Parijs een danseres. Toen hem ter oren kwam dat zij naar Amerika zou vertrekken, besloot hij onmiddellijk met haar mee te reizen. De bootreis naar New York bleek fataal; de boot kwam in botsing met een ander schip en zonk. Von Kammacher en de danseres waren de enige twee overlevenden en zij werden opgepikt door een ander schip en naar New York gebracht. In New York eindigde de romance. Een jeugdvriend van Von Kammacher was Peter Schmidt, een arts die zich had gevestigd in Meriden. Om bij te komen van de dramatische reis en zijn gebroken hart, reisde hij naar zijn vriend Schmidt in Meriden om bij te komen. Hier volgt een fragment uit het boek Atlantis (hoofdstuk 24):

Peter Schmidt was at the train to meet Frederick, who was the only passenger getting off in Meriden. The little station was empty but near by was the hurry-scurry of the main street of this country town of about twenty-five thousand inhabitants.

Now”, said Schmidt, “all’s well. No more New York dissipation. We’ll sound different chords here in Meriden. My wife sends her regards. She could not come to meet you because she had to look after some patients. If you like, we might lunch together and afterwards drive out in a sleigh to take a look at the little house I found for you in the country. If it suits you, you can rent it at a very low figure. In the meantime you can take a room at our hotel here, which the whole city is proud of.”

Oh,” said Frederick, “I have a wild longing for solitude. I should prefer to spend the very first night beneath my own roof far, far from the madding crowd of Meriden.”

Very well,” responded Schmidt, “the man that owns the house is a good friend of mine, a druggist. His name is Lamping, a pleasant Dutchman. He’ll be satisfied with any arrangments we make; and if you decide to take the house, everything can be settled with him in fifteen minutes.”

The two men went to the hotel, where they were served with a rather tasteless meal in surroundings comfortable and luxurious far beyond European notions. Schmidt left Frederick alone for a while and in a few moments sent a bell-boy to announce that the sleigh was waiting outside. To Frederick’s astonishment he found his friend sitting alone in a pretty, two-seated sleigh reining in a fiery chestnut. (…)”xlviii

George Lamping komt in het boek Atlantis voor met naam èn toenaam! En in hoofdstuk 25 nog eenmaal: “In front of an old Dutch sofa covered in leather, which Lamping, the druggist, had brought over from Leyden, his birthplace stood a large, round table.”xlix Ook hier weer de verwarring over een Europese plaats; niet zo verwonderlijk wanneer men beseft dat nog steeds veel Amerikanen denken dat Nederland een provincie is van Duitsland. Enfin, ik zal het vervolg van het boek hier niet behandelen.

Het leven van de hoofdpersoon Frederick von Hammacher lijkt geïnspireerd op het liefdesleven van Hauptmann, al gaat dit niet geheel op. a) het hals-over-kop vertrek naar Amerika, b) de achterlating van echtgenoot/echtgenote, b) de affaire met een artieste in Parijs, c) de overeenkomst tussen de jeugdvriend van Hauptmann in Meriden, dr. Alfred Ploetz, en de jeugdvriend van de Atlantis-hoofdpersoon Von Hammacher in Meriden, dr. Peter Schmidt.

Naar de boeken en het leven van Nobelprijswinnaar Hauptmann is veel onderzoek gedaan; maar niemand kon tot nu toe vertellen waarop de bekende en dramatische overtocht in Atlantis is geïnspireerd. “Some sources claimed that the sinking ship scenes [in the movie Atlantis, 1913] were inspired by the Titanic sinking which had occurred the previous year. However, Blom based his film entirely on Gerhart Hauptmann’s 1912 novel, Atlantis. Hauptmann’s novel was published in serialized form in the Berliner Tageblatt a month before the Titanic disaster. Nevertheless, due to the film’s release only one year after the Titanic sinking, ‘Atlantis’ became associated with the Titanic. In Norway, the film was banned because authorities felt it was in poor taste to turn a tragedy into entertainment.”l

Op wie zou de scene van het zinkende schip zijn geïnspireerd? Het is overduidelijk dat George Lamping bevriend was met de schrijver Gerhart Hauptmann. Daarnaast blijkt uit de beide memories van George Lamping uit 1900 dat “[George Lamping] was fond of telling this experience [the collision and sinking of his ship to New York] to his friends and many have heard it.”li Ik kan mij niet voorstellen dat Gerhart Hauptmann bij het schrijven van zijn boek Atlantis, twaalf jaar na het overlijden van zijn vriend George Lamping, niet meer terugdacht aan het voor hem ongetwijfeld bekende verhaal over George Lamping’s overtocht. Of de overtocht van George Lamping daadwerkelijk zo dramatisch is verlopen heb ik niet kunnen bewijzen, echter vind ik het leuk te kunnen concluderen dat hij wel de inspirator is geweest voor de meeste bekende scene: the sinking ship!



YouTube: Atlantis (1913)

Het overlijden van George Lamping in 1900

George Lamping verloor zijn vader op 3-jarige leeftijd en zijn moeder op 4-jarige leeftijd. Zij werden respectievelijk 34 en 32 jaar oud. Zijn oudste zuster Elisabeth A. Schaafsma-Lamping overleed in 1885 op 39-jarige leeftijd en zijn jongere zuster Wendeline C. Schalkwijk-Lamping overleed in 1893 op 43-jarige leeftijd. Zelfs voor de negentiende eeuw waren dit uitzonderlijk vroege sterfgevallen. George Lamping werd – met een leeftijd van 52 jaar oud – het oudste van het gezin. Hij overleed in zijn woonhuis te Meriden, 55 Linsley Avenuelii, op 1 april 1900.

(…) He leaves a widow and a nephew, Herman Schaafsma, the latter being the only blood relative in this country. He had a few relatives in Holland, but they are not known. Dr. Lamping was widely known and much esteemed citizen of Meriden whose death will be sincerely regretted by a large circle of friends.”liii

(…) He was chairman of the board of assessors of Meriden at the time of his death, in which the city lost one of the most large-hearted and worthy citizens.”liv

Zijn weduwe, Hattie Lamping-Kaunitz, zette de apotheek in Meriden enige tijd voort. “Mrs Lamping is a lady of much ability, as well as culture, and continues the business established by her husband with the same success which characterized his efforts. She is a useful member of the Lutheran Church and highly regarded in Meriden society.”lv Hattie Lamping-Kaunitz overleed 26 oktober 1905 in Meriden op 42-jarige leeftijd.

Het huwelijk van George Lamping en Hattie Kaunitz bleef kinderloos.

Neefje Herman F. Schaafsma (1876-1913) treed in de voetsporen

In de memorie wordt gesproken over een neefje Herman Schaafsma, de enige bloedverwant van George Lamping in Amerika. Dit was Herman Frederik Schaafsma (1876-1913) uit Harlingen, een oudere broer van mijn overgrootmoeder en een zoon van Pier Schaafsma en Elisabeth A. Schaafsma-Lamping. Om onduidelijke redenen besloot hij op 16-jarige leeftijd de biezen te pakken en alleen de grote overtocht naar Amerika te maken. Op 23 november 1892 bracht de S.S. Maasdam, per 2e klasselvi, hem naar Amerika met als eindbestemming Meriden.lvii Hij reisde alleen, maar volgde wel in de voetsporen van zijn oudtante Ettina H. Lamping-Heckman (1835-1918), weduwe van de eerdergenoemde Dr. Silvester Arnold Lamping (1823-1871), en haar dochters. Zij vertrokken een half jaar eerder, in 1892, naar Amerika.



apotheker Herman F. Schaafsma (1876-1913)lviii

George Lamping en zijn echtgenote ontfermden zich over de jonge Herman F. Schaafsma en leidden hem op tot apotheker. In 1900 echter was hij reeds verhuisd naar New York City, de stad waar George Lamping zijn glansrijke carrière begon. Ook hier werkte Herman F. Schaafsma als apotheker; hij was aldaar in dienst bij de apothekersfirma Stoddart Bros die meerdere apotheken in New York City/Buffalo bezaten.lix In 1903 vertrok hij (via Saint Louis, MO?lx) naar California waar hij eveneens werkzaam was als apotheker. Hij trouwde in 1906 met Mary Hildrith Thomas (1878-1972), een verpleegster uit Bodega (Sonoma, CA). Op 1 november 1913 overleed Herman F. Schaafsma op 37-jarige leeftijd en liet zijn weduwe achter met 6-jarige zoontje.



Mary Hildrith Schaafsma-Thomas (1878-1972) en haar zoontje William T. Schaafsma (1907-1968)lxi

1Sinds 1876 Universiteit genoemd

2Sinds de achttiende eeuw behoorden de veenderijen toe aan de stad Groningen

3De boerenfamilie Eltjens in Oude Pekela stamt af van een broer van Ir. Eltjo Jacob Eltjens (1732-1818)

4Haar moeder Engelina Sickens-Kranenborg (1815-1891) was een volle nicht van scheepskapitein Jacob Jan Pranger.

5Nanno Sierts Klugkist (1803-1882) was in 1829 gehuwd met Trijntje Haitzema (1807-1833), een halfzuster van Helena H. Lamping-Borgesius. Hij hertrouwde in 1837 met Anna Hebelina Themmen (1806-1874).

6Dr. Abraham Brouwer was gehuwd met Johanna Geertruida Amelia Lamping (1812-1905)

7Eveneens Leendert Springer geheten

8Zijn Duitse vader heeft als suikerfabrikant op Java groot geld verdiend

10Heinrich Simon Karel Philip Begemann (1850-)

11Het meest in de buurt komt de scheepsramp van de S.S. Deutschland. Dit schip voer 4 december 1875 tegen de Kentish Knock waardoor het schip zonk. Van de 213 passagiers en bemanningsleden overleefden 135 personen dit ongeluk. Daarentegen klopt het verhaal van drie overlevenden geheel niet en lijkt een overtocht vanuit Amsterdam of Rotterdam meer voor de hand te liggen.

12Bedoelt wordt de American Automatic Lighting Co van Frederick A. Cody en Lyman T. Lawton.

iDr. J. Naarding, “De geschiedenis van Nijeveen” (1955)

iiDrs. P.P.A.M. Verhoeven, “Het onderwijs aan de Rijkskweekschool voor Militaire Geneeskundigen”, in: Nederlands Militair Geneeskundig Tijdschrift, 62e jrg., november 2009, nr. 6

iiiDr. J. Naarding, “De geschiedenis van Nijeveen” (1955)

ivDr. J. Naarding, “De geschiedenis van Nijeveen” (1955)

vR. Koeiker en J. Meer, “Nijeveen en Kolderveen in oude ansichten deel 2” (1995)

viProvinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 9 december 1851

viiDrentsche Courant 18 februari 1842

xGroninger Courant 26 maart 1852

xiiProvinciale Drentsche en Asser Courant 16 december 1851

xiiiProvinciale Drentsche en Asser Courant 25 november 1852

xivGroninger Courant 21 januari 1848

xvAlgemeen Handelsblad 22 juli 1862

xviAlgemeen Handelsblad 30 juli 1862

xviiiLeeuwarder Courant 1887

xixPart. Coll.

xxGroninger Courant 8 september 1843

xxiRobert Lamping

xxiiNederlandsche Staatscourant 4 februari 1866 (kranten.delpher.nl, 2015)

xxiiiNederlands Militair Geneeskundig Tijdschrift, 62e jrg., november 2009, nr. 6

xxivNederlands Militair Geneeskundig Tijdschrift, 62e jrg., november 2009, nr. 6

xxvDagblad van Zuidholland en ‘s-Gravenhage 26 juni 1866 en 27 juli 1866

xxviNederlandsche Staatscourant 7 maart 1867 (kranten.delpher.nl, 2015)

xxviiMeriden Weekly Republican 5 april 1900 (news.google.com, 2014)

xxviii‘Commemorative biograhical record of New Haven County, Connecticut, containing biographical sketches of prominent and representative citizens and of many of the early settled families (Volume 1, pt. 1) (http://www.ebooksread.com/authors-eng/chicago-beers-jh—co/commemorative-biographical-record-of-new-haven-county-connecticut-containing-b-ree-528/page-91-commemorative-biographical-record-of-new-haven-county-connecticut-containing-b-ree-528.shtml, 2014)

xxix‘Commemorative biograhical record of New Haven County, Connecticut, containing biographical sketches of prominent and representative citizens and of many of the early settled families (Volume 1, pt. 1) (http://www.ebooksread.com/authors-eng/chicago-beers-jh—co/commemorative-biographical-record-of-new-haven-county-connecticut-containing-b-ree-528/page-91-commemorative-biographical-record-of-new-haven-county-connecticut-containing-b-ree-528.shtml, 2014)

xxxiiMeriden Weekly Republican 5 april 1900 (news.google.com, 2014)

xlHistoric Buildings of Connecticut (http://historicbuildingsct.com/?cat=179, 2014)

xliC. Bancroft, “An Historic Record and Pictorial Description of the Town of Meriden and men who have made it” (http://www.mocavo.com/An-Historic-Record-and-Pictorial-Description-of-the-Town-of-Meriden-Connecticut-and-Men-Who-Have-Made-it/366150/564, 2014)

xliiC. Bancroft, “An Historic Record and Pictorial Description of the Town of Meriden and men who have made it” (http://www.mocavo.com/An-Historic-Record-and-Pictorial-Description-of-the-Town-of-Meriden-Connecticut-and-Men-Who-Have-Made-it/366150/564, 2014)

lPedersen, Sune Christian, The Titanic Myth, Post & Tele Museum of Denmark, 3rd Quarterly, (2001) (http://en.wikipedia.org/wiki/Atlantis_(1913_film), 2014)

liMeriden Weekly Republican 5 april 1900 (news.google.com, 2014)

liiMeriden Weekly Republican 5 april 1900 (news.google.com, 2014)

liiiMeriden Weekly Republican 5 april 1900 (news.google.com, 2014)

liv‘Commemorative biograhical record of New Haven County, Connecticut, containing biographical sketches of prominent and representative citizens and of many of the early settled families (Volume 1, pt. 1) (http://www.ebooksread.com/authors-eng/chicago-beers-jh—co/commemorative-biographical-record-of-new-haven-county-connecticut-containing-b-ree-528/page-91-commemorative-biographical-record-of-new-haven-county-connecticut-containing-b-ree-528.shtml, 2014)

lv‘Commemorative biograhical record of New Haven County, Connecticut, containing biographical sketches of prominent and representative citizens and of many of the early settled families (Volume 1, pt. 1) (http://www.ebooksread.com/authors-eng/chicago-beers-jh—co/commemorative-biographical-record-of-new-haven-county-connecticut-containing-b-ree-528/page-91-commemorative-biographical-record-of-new-haven-county-connecticut-containing-b-ree-528.shtml, 2014)

lviiiPart. Coll.

lxThe Pharmaceutical era (weekly), 2 july to december 31, 1903 (http://archive.org/stream/pharmaceuticaler30newyuoft/pharmaceuticaler30newyuoft_djvu.txt, 2012)

lxiPart. Coll.

2 reacties op “The American Dream of George Lamping (1848-1900)
  1. familie hellema schreef:

    Catharina Lamping was een vriendin van Janke Vlaskamp, ze schreef in Janke’s poesiealbum. Janke’s man Doeke Hellema schreef in zijn autobiografie: In ’t laatst van Mei overleed plotseling Catharina Lamping, te Leeuwarden. Door hare slechte oogen viel zij uit een zolderraam en was over een halfuur dood. Mijne Janke was sedert Wirdum, alwaar zij zamen woonden, zeer met haar bevriend; en logeerde dikwijls bij ons te NieuweDiep en ook te Leiden. Zij was lang te Bolsward, woonde zamen met hare zuster, had een school. Sedert een paar jaar woonden zij te Leeuwarden. Do Lamping, vroeger predikant te Helder, later redacteur van de N. Rott. Courant is daarna woonachtig te Velp. Catharina Lamping was eene edele, lieve vrouw. Voor den broeder en zuster, ook voor mijne Janke, is haar dood zeer te betreuren.

    • Jordanowski schreef:

      Beste familie Hellema,
      allereerst mijn excuses voor de late reactie. Ik heb de website de laatste paar maanden te weinig aandacht gegeven en daardoor berichten gemist.
      Hartelijk dank voor deze bijzondere anecdote over Catharina Lamping. Ik heb de informatie toegevoegd aan mijn bestand.
      met vriendelijke groet,
      Derk Jordaan

Laat een reactie achter op familie hellema Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*