brieven aan Mientje Jordaan, periode 1840-1845

Briefwisseling Mientje Jordaan (1840-1845)


De brieven gericht aan Mientje Jordaan beslaan de periode 1840 tot 1845 en zijn afkomstig van haar vriendinnen. Deze vrouwenbrieven geven een goed beeld van het leven en de gedachtenwereld van jonge ongehuwde dames halverwege de negentiende eeuw. Daarnaast geven de brieven een interessante blik op de kransjescultuur en de rol van vrouwen binnen de gegoede burgerij. Die rol moet niet worden onderschat; zij hielden – dankzij hun briefwisseling – de banden warm met familie, vrienden en zakenrelaties.

De ontvanger

Mientje Jordaan werd op 28 mei 1818 te Haaksbergen geboren als Harmina Jordaan, de tweede dochter in het gezin van Derk Jordaan (1781-1876) en Berendina Wessels (1794-1880). Mientje’s vader was op dat moment ‘bouwman en winkelier’i in Haaksbergen en woonde waarschijnlijk in de Oostenstraat.1 Na het overlijden van haar ongehuwde oom Albertus Jordaan (1775-1819)2, betrok het gezin Jordaan-Wessels het stamhuis van de Jordaans aan de Markt van Haaksbergen: het huis van oudsher genaamd Het Witte Paard. Met het overlijden van voornoemde Albertus Jordaan, kwamen de landbouw-werkzaamheden van Derk Jordaan al snel op de achtergrond.3 Derk Jordaan zette voortaan de winkel- en fabrikeurszaken van zijn vader, wijlen Jan Jordaan (1740-1810), en overleden broer Albertus voort.

De fabrikeurszaken kwamen in 1836 in een stroomversnelling toen Derk Jordaan samen met de fabrikeurs J. Smits J.W.zn en H. Schartman de bleek van de marke Haaksbergen en Honesch wist te kopen. Door vererving en koop kwam de voormalige markebleek in 1854 geheel in handen van de familie Jordaan. In 1853 was Derk Jordaan de grootste fabrikeur van Haaksbergen; hij had 50 volwassen thuiswevers in vaste dienst. Behalve op linnen stukgoed legde hij zich toe op marseilles en pillow. Eind jaren ’50 kwamen de textielzaken in een stroomversnelling; in 1858 werd een stoommachine voor de blekerij aangekocht en in 1861 werd een stoomweverij gebouwd. Met de komst van de stoomweverij, besloot de 80-jarige Derk Jordaan zich uit de firma terug te trekken. De zaken werden voortaan door zijn zonen Hendrik, Willem en Frits Jordaan voortgezet onder de firma D. Jordaan & Zonen.

Derk Jordaan (1781-1876), de vader van Mientje, had een ongelooflijk werkzaam leven achter de rug. Hij wist niet enkel zijn vaders linnenhandel uit te bouwen en te moderniseren, hij was tevens geinteresseerd in de landbouw, was de oprichter van een kalkbranderij en steenbakkerij ‘Nieuwkerken’ aan de Duitse grens en draaide een ruime winkel in allerlei. Die winkel blijkt uit de volgende brieven vooral te leunen op de inzet van de dames Jordaan en een – al dan niet – functionerende meid.

De brieven aan Mientje werden geschreven tussen 1840 en 1845. Mientje woonde toen met haar ouders en broers en zusters in Het Witte Paard aan het Marktplein van Haaksbergen. Ondanks dat het huis tot de meest aanzienlijke woningen van Haaksbergen mag worden gerekend, zal het huis vol zijn geweest. Heel vol! Het echtpaar Derk Jordaan en Berendina Wessels kreeg namelijk 12 kinderen met zeer sterke genen; alle kinderen bereikten de volwassen leeftijd en zelfs vijf wisten de 90 jaar ruimschoots te passeren.

Mientje had van de kinderen het minste geluk; zij liet als eerste het leven. Een longonsteking werd haar op 12 juni 1850 funest; zij werd slechts 32 jaar oud.

Ten geleide

Onderstaand gedicht is waarschijnlijk geschreven door Hendrik Jordaan (1820-1912), een broer van Mientje, die in de brieven regelmatig voorkomt. Aangezien een vaste Nederlandse spelling in de jaren ’40 van de negentiende eeuw ontbrak en de spelling van ondergeschikt belang is in dit artikel, heb ik ervoor gekozen om zoveel mogelijk de tegenwoordige spellings- en grammaticasregels te volgen. Dit bevordert het leesgemak. Ik ben mijn vader dank verschuldigd voor het nalezen van de Duitse brieven.

Zodra ‘t op Woensdag hier half negen is geweest,

dan houdt het schoon geslacht hier steeds haar koffie-feest

‘t welk van dat uur af aan, totdat men elf hoort slaan

de schoonste mondjes als een ratel rond doet gaan.

Want nooit ontbreekt er stof aan die bespraakte lippen,

wat zou het slimme oog der vrouwen ooit ontglippen?

Al ‘t nieuws , dat in de buurt, in huis of op de straat,

of in de fantasie der schonen slechts bestaat,

wat de ogen hier of daar slechts zagen of niet zagen,

‘t wordt al met waarheidsliefde en kiesheid voorgedragen;

terwijl het geurig vocht mokka’s bruine boon,

door ‘t stovenrijk vertrek zijn geuren spreidt den toon.”ii

Twee brieven van Gijsje van den Ham aan Mientje Jordaan, Barneveld 23 april 1840 en 7 december 1840

Gijsje van den Ham werd op 21 december 1818 te Barneveld geboren als Hermina Gijsberta van den Ham. Zij was een dochter van de koopman en gemeente-ontvanger Aricus van den Ham (1786-1864) en Gerharda Henriette Coops (1787-1870). Zij trouwde in 1844 met de letterkundige Willem Jacob van Bommel van Vloten (1820-1881). Gijsje van Bommel van Vloten-van den Ham overleed 16 augustus 1905 te Arnhem.

De relatie tussen de families Van den Ham en Jordaan ontstond in 1833. Dat jaar ging dominee Petrus Schey (1763-1853) van Haaksbergen met emeritaat. Dominee Schey was een volle oom van Mientje.4 In 1833 werd diens opvolger dominee Wouterus van den Ham (1810-1894) uit Barneveld. Hij was de oudste broer van brievenschrijfster Gijsje van den Ham.

De protestanten vormden een kleine, hechte groep in het overwegend katholieke Haaksbergen. De kransjescultuur vormde een trouw netwerk van dames uit de gegoede klasse. Ondanks de afstand Barneveld-Haaksbergen, vonden de zusters van dominee Van den Ham aansluiting bij de Haaksbergse dames. Gijsje van den Ham (1818-1905) was niet enkel bevriend met Mientje, maar ook met A.F. ‘Daatje’ Scheij (1818-1837)5 en Dirkje Kerkhoven (1818-1856). Een zuster van Gijsje van den Ham, Woutera H. van den Ham (1812-1904), huwde in 1839 met notaris Jan Dinant Jordaan (1802-1860) uit Haaksbergen. Hij was een volle neef van Mientje Jordaan en met dit huwelijk werd de vriendschapsband tussen de families Van den Ham en Jordaan bezegeld.

De kransjes- en clubcultuur vormde een verkapte huwelijksmarkt. Dit is niet verwonderlijk, aangezien in de negentiende eeuw de omgang tussen de verschillende sociale en religieuze klassen beperkt was. De huwelijksmarkt en escapades waren geliefde onderwerpen voor de 22-jarige brievenschrijfster Gijsje van den Ham. Een huwelijk was echter niet enkel een romantische aangelegenheid; het was ook een ultieme mogelijkheid om kapitalen te verenigen. In de eerste brief van Gijsje van den Ham spreekt zij over Naatje Smits die recent toegetreden is tot de krans. Deze J.W. ‘Naatje’ Smits (1817-1878) was een dochter van fabrikeur Jan Smits J.W.zn, die in 1836 samen met Mientje’s vader eigenaar werd van de markebleek van Haaksbergen en Honesch. In 1849 trouwde Naatje Smits met Mientje’s broer Hendrik Jordaan (1820-1912) waarop Smits’ aandeel van de bleek in handen van de Jordaans kwam.

Blijkens deze brieven waren logeerpartijen voor de ongehuwde dames een groot genoegen. Het vormde een zeer welkome onderbreking van de sleur. Men moet zich realiseren dat de wereld indertijd een stuk kleiner was dan tegenwoordig. Uit de brieven wordt duidelijk hoe bezwaarlijk reizen was. De komst van de spoorwegen zou het reizen doen verlichten, echter stonden de spoorwegen in Nederland in de jaren ’40 van de negentiende eeuw nog in de kinderschoenen. In 1839 werd de eerste spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem geopend en pas in de jaren ’60 van de negentiende eeuw werd Twente voor het eerst verblijd met een treinstation. Een reisje naar Haaksbergen of Amsterdam was anno 1842 een flinke onderneming. In de tweede brief van Gijsje van den Ham schrijft zij benijdenswaardig over het uitstapje van haar vriendinnen aan Amsterdam. Reden voor dat uitstapje was de inhuldigingsplechtigheid van koning Willem II in de Nieuwe Kerk aldaar..

Dat de 22-jarige Mientje niet ongevoelig was voor de andere sekse, blijkt uit een passage van Gijsje van den Ham over de heer Blijdenstein. Deze Willem Blijdenstein (1813-1841), zoon van fabrikeur Barend Blijdenstein uit Enschede, werd in 1840 aangesteld tot adjudant-schrijver der marine en overleed 6 december 1841 aan boord van Z.M. Brik de Brak ter rede van Suriname.

De eerste brief vangt aan met een passage over Hein Kleinhoonte (1817-1883)6. Deze toekomstige notaris te Dalfsen was een broer van Cornelia Maria Maarschalk-Kleinhoonte (1806-1895), een kransvriendin van Gijsje van den Ham uit Barneveld. Vermoedelijk werkte Hein Kleinhoonte in 1840 als klerk op het notariskantoor van Jan Dinant Jordaan (zwager van Gijsje van den Ham) te Haaksbergen.

1 Brief van Gijsje van den Ham aan Mientje Jordaan, Barneveld 23 april 1840



Lieve Mientje!

Daar ik van Hein Kleinhoonte gemerkt heb, dat hij geen complimenten noch een briefje van u voor mij had, zo dacht ik, ligt de schuld zeker aan mij, daar ik uw laatste letteren nog niet beantwoord heb. De reden daarvan is dat ik nu ik alleen thuis ben, een drukke correspondentie heb, en dan het schrijven aan vriendinnetjes wel eens een beetje verslapt. Hein heeft een brief van Dirkje [Kerkhoven] voor mij meegebracht, die had mij in het geheel nog niet geschreven maar heeft alles weer goed gemaakt, door mij uitvoerig te schrijven; dit vind ik recht prettig, daar ik op Haaksbergen veel betrekking heb.

Hein schijnt zich in uw kringen ook goed te kunnen schikken; hij heeft mij verteld dat hij met u markt had gehouden; ik vind dat gij een aardige hebt gehad. Mij dunkt Haaksbergen heeft een goede aanwinst , en ik merk dat de ruzie tussen de dames en de heren weer in orde is, dit vind ik recht goed, want in een kleine plaats mag alles wel samenspannen, om een prettige conversatie bijeen te krijgen. Gij gaat zeker bruiloft houden bij Van Hemert. Ik hoor dat het huwelijk van Frederika door zal gaan. Schrijf mij eens waarop zij trouwen, en waar zij gaan wonen. Hier woont een nichtje van haar, Jet van Delden7. Die heeft mij verteld dat zij zich in de huwelijkse staat zouden begeven; dat gaat zo voort, trouwen en vrijen. Hoe is het met Dike Morssinkhof8? Hebt gij de punch al gehad, of is het nog niet publiek? Uw zondagskrans is vermeerderd met Naatje Smits, heeft Dirkje [Kerkhoven] mij geschreven. Vind gij dit prettig? Mij dunkt Naatje is geen meisje dat mij bevallen zou. Dirk Jan gaat zeker van de zomer ook trouwen. Is het meisje dat hij krijgt nog al aardig? Het is te hopen dat dit niet weer mislukken zal. Hij is ongelukkig met zijn vrijerijen geweest; de moed zou er bijna uitgaan.

Als ik zo aan Haaksbergen en deszelfs bewoners ben, dan heb ik wel eens lust, om eens over te stappen, maar daar zal van de zomer wel niets van komen. Daarom lieve Mientje, wil ik u verzoeken of gij lust had om van de zomer Barneveld eens te komen bezoeken. Ik hoop dat gij dit doen zal. Dit zou voor mij recht prettig zijn. Ik meen dat ik van u wel eens gehoord heb dat gij er wel lust toe had , daarom verheug ik mij dat ik spoedig een brief van u krijg, waarin gij mij schrijft dat gij van de zomer komt.

Ik bedenk mij daar dat [mijn zuster] Woutera [Jordaan-van den Ham] geschreven heeft, dat zij in juni plan had om hier te komen. Gij moest nu met haar overleggen om samen te reizen, dit was voor haar ook aardig, en voor u ook, anders is de reis voor u alleen onplezierig; gij moest het nog maar niet aan Dirkje zeggen dat ik u gevraagd heb, dit is voor haar dan niet prettig, en ik wilde u liever alleen hebben; ziet het nu met Woutera te overleggen en verblijd mij spoedig met een brief!

Wat hebben wij een mooi voorjaar gehad; dit vergoed de koude winter. Ik heb uit uw brief gezien, dat gij naar Enschede bent geweest. Daar schijnt gij recht pret gehad te hebben, maar gij zijt ongelukkig met uw been geweest, daar zult gij wel eens een beetje kriewelig onder geworden zijn, want kwalen en ongemakken zijn zelden aangename gasten.

[Mijn zuster] Da heeft mij geschreven dat zij voor Woutera een hoed had gekocht; zij schijnen van de zomer veel kievieten te zullen dragen, dit vind ik recht lieve hoeden, ik denk dat ik er ook één neem; ik heb van de winter een zijden japon gekregen, die heb ik gemaakt, met drie strooken, hij staat bijna te zwierig. Da schreef mij dat de laatste modeplaatjes zonder garnering waren, maar ik denk dat het in de eerste drie jaren wel blijven zal; de mode in de mouwen wordt weer geheel gladde mouwen, hier zijn reeds een paar meisjes die ze hebben, maar ik heb ze nog niet aan zien hebben. Ik hoop niet dat dat door zal gaan, mij dunkt het kan niet mooi staan. Stroken onder aan de japonnen vind ik heel lief.

Ziedaar lieve Mientje, zo het een en ander. Ik hoop dat gij deze met de uwe in gezondheid zult ontvangen; schrijf mij eens spoedig terug en zeg liever niet aan Dirkje dat ik u gevraagd hebt, dit moet gij maar doen tegen dat gij gaat; ik ben recht blij dat gij komt. Ontvangt met uw ouders, broeders en zusters, vele groeten van mijne ouders en de meesten van uwe,

u liefhebbende vriendin

G:M: van der Ham

Barneveld den 23 april 1840” (AJ02-18-01)

2 Brief van Gijsje van der Ham aan Mientje Jordaan, Barneveld 7 december 1840:

Barneveld den 7 december 1840

Lieve Mientje!

Voor dat ik aan één van mijn zusters schrijf, wil ik mijn belofte aan u vervullen, en met u op het papier eens een beetje praten. Met veel genoegen denk ik aan de genoegelijke zes weken, die ik te Haaksbergen gesleten heb, vooral de omgang met u; ik zoude u gaarne hier wensen, ik weet dat het niet kan, maar hier is er geen daar ik mij aan kan sluiten. Wij kunnen zo prettig met elkaar omgaan, dit is met de één of ander een groot verschil.

Ik kan mij niet begrijpen, dat het al vijf weken is, dat ik thuis ben, maar de tijd vliegt. Wij worden zo langzamerhand al een dagje ouder, ras zal onze tijd om zijn dat wij hier op aarde zijn, maar als ons einde dan maar vrede is, dan zal ons geluk niet uit te spreken zijn. Ik denk dikwijls aan vriendinnetje Daatje Scheij, die zo jong gestorven is, en denk dan, het had onze tijd ook kunnen zijn, dit moet onze dagelijkse gedachten zijn, dan zouden wij wat gemeenzamer met de dood worden, maar ach lieve Mientje, deze gedachtens, komen bij mij zo zelden op; ik heb veel kennissen verloren, er sterven hier heel veel mensen.

Nadat ik drie weken thuis met [mijn zuster] Da was, is zij vertrokken naar Arnhem, maar in haar plaats heb ik een nichtje [Coops] uit Doetinchem te logeren; zij9 is van mijn jaren, en nog al aardig. Dit is vooral in deze lange avonden gezellig. Ik hou veel van de winter, dat genoeglijke van de winteravonden daar houd ik meer van, dan van de lange zomerdagen. Maar alles op zijn tijd, de zomer heeft ook veel aangenaams.

Wat is het een drukte geweest in Amsterdam, ik zou daar eens gaarne geweest zijn, maar heb mij met veel anderen moeten vergenoegen het uit de courant te lezen. Er zijn hier verscheidene mensen naartoe geweest, bijna de gehele krans. Ik verlang dat de dames terugkomen om er eens goed wat van te horen.

Van [zuster] Woutera [Jordaan-van den Ham] hebben wij een brief gehad waar in stond dat [Willem] Blijdenstein is vertrokken. Spijt u dat niet? Dit moet gij mij eens schrijven, want ik weet het niet, maar ik geloof dat hij een hartje in genomen had, want gij waart altijd zijn voorspraak. Ik zou het niet hopen, want gij weet wel hoe ik er over dacht. Ik ben blij dat zijn excellentie heengaat, in de laatste tijd beviel hij mij evenwel, beter dan eerst; gij verliest er een goede danser door.

Nu heb ik nog een commissie voor [je broer] Hendrik [Jordaan] die moeder mij opgedragen heeft; gij zult die wel willen overbrengen. Het is voor een jufvrouw; zij had twee tafellakens en daar wilde zij gaarne vier en twintig servetten bij hebben. Nu zullen wij het tafellaken aan Woutera [Jordaan-van den Ham in Haaksbergen] sturen en dan wilde zij gaarne weten of hij dat maken kon, en hoe veel uit de el10 zou komen. Ook heeft moeder mij verzocht of Hendrik wilde denken om het linnen en de zakdoekjes…

Ziedaar lieve Mientje, zo het één en ander er opgekrabbeld. Ik wil ook nog een briefje aan Dirkje [Kerkhoven] schrijven, en daar wij vanavond naar de familie Beijen11 gaan, zo heb ik mijn tijd nodig. Ik heb nog drie brieven te schrijven. Schrijf mij eens spoedig terug en vertel mij dan al het nieuws dat er bij u gebeurd. Al is het nog zo’n kleinigheid, alles is mij welkom.

Nu vaarwel, doet vele groeten van mijne familie aan de uwe en ontvang met Naatje en de overigen, van haar, die zich noemt uwe u liefhebbende vriendin,

Gijsje” (AJ02-18-02)

3. Brief van Bella Becker aan Mientje Jordaan, Rotterdam 19 oktober 1842

Bella Becker werd op 25 december 1807 in Amsterdam geboren als Arabella Kersiana Fransiska Becker. Haar vader, de Duitser Johann Anton Becker (1773-1829), was logementhouder in ‘De Oude Graaf’ in de Kalverstraat aldaar. Bella Becker woonde in de jaren ’40 van de negentiende eeuw in Rotterdam, evenals haar zuster M.H.C. ‘Lotje’ Kröner-Becker (1806-1857) en broer Johann Anton Becker (1814-1861). Bella Becker woonde ten huize van haar zuster Lotje en zwager Hendrik Kröner. Belle Becker overleed ongehuwd op 30 januari 1864.

De oorsprong van de relatie tussen de familie Jordaan en de families Kröner en Becker moet waarschijnlijk worden gezocht in de handel. A.P.H. ‘Hendrik‘ Kröner (1808-1879) was afkomstig uit Ibbenbüren (Westfalen) en was samen met zijn broer D.P.W. ‘Daniel’ Kröner oprichter van de firma Wm. Kröner & Zonen te Rotterdam. Die firma handelde in linnen en wollen manufacturen en had een winkelhuis in de Hoogstraat in Rotterdam. In 1839 trad Daniel Kröner zich terug uit die firma, waarop de zaak werd voortgezet door Hendrik Kröner onder de fa. Wm. Kröner & Zoon.iii In de winkel van Kröner in Rotterdam waren ongetwijfeld linnen goederen (zoals huishoudtextiel) te koop gefabriceerd door de firma Jordaan uit Haaksbergen. In de jaren ’40 van de negentiende eeuw werd de linnenhandel gerund door Mientje’s vader Derk Jordaan (1781-1876) en Mientje’s broer Hendrik Jordaan (1820-1912). De indertijd 22-jarige Hendrik Jordaan reisde klaarblijkelijk langs de verschillende Hollandse klanten en kon daardoor zijn vader aanzienlijk ontlasten.

In deze brief van Bella Becker wordt gesproken over het huwelijk van Mientje’s oudste zuster A.G. ‘Naatje‘ Jordaan (1814-1860). Zij trouwde op 10 oktober 1842 met Gerrit Willem Wisselink (1807-1864), hoofd der school in Hellendoorn.

Daarnaast blijken de zusters Mientje (1818-1850) en Dientje Jordaan (1824-1894) recentelijk een bezoek te hebben gebracht aan de havenstad Rotterdam.



G.W. Wisselink (1807-1864) en Naatje Jordaan (1814-1860)



Rotterdam 19 October 1842

Lieve Mientje!

Hartelijk aangenaam waren mij uw lieve letteren die mij pas voor enige dagen door mijn broeder werden ter hand gesteld. Ik was juist in Haarlem bij mijn lieve moeder en door de drukke bezigheden die hij altijd heeft was dit hem door het hoofd gegaan; bij het redderen12 der brieven vond hij dezelfde; ik was zoals gij wel kunt denken zeer boos op hem, doch dit was niet lang van duur door de vreugde iets van mijn lieve vriendin te vernemen. Nu wilde ik u ook ogenblikkelijk antwoorden, doch de volgende dag ontvingen wij een brief waarin de overkomst van uw broeder [Hendrik Jordaan] gemeld werd. Nu wilde ik deze gelegenheid afwachten hemzelf de brief mee te geven. Met vreugde heb ik dan nu ook vernomen dat de kleine zieke weer geheel hersteld is als ook dat uw geliefde zuster [Naatje] is getrouwd; hartelijk feliciteer ik u. Mijn lieve God, geve haar steeds een volmaakt geluk. Na zulk een grote drukte welke gij hebt gehad zal het u nu wel eenzaam zijn te meer daar [uw jonge zuster] Dientje en nog één van uw zusters met de jong gehuwden mee zijn. Was ik nu bij u, dan zou ik u stellig behulpzaam zijn; wij stemmen toch steeds in alles overeen nietwaar..

Wij hebben het na uw vertrek ook zeer druk gehad . Hoewel het afzijn van mijn geliefde vriendin mij zeer trof , kreeg ik spoedig weer enigzins afleiding door de komst van mijn broeder Daniel die zondag na uw vertrek onverwacht terug kwam. Hendrik [Kröner] was juist naar Haarlem om mijn zuster [Lotje] terug te halen zodat ik niet behoefde stil te zitten daar op de bevalling van Doortje [Paats-Kröner]. Zij heeft een allerliefste jongen, doch zij blijft nog zwak, hoewel anders zeer gezond. Ik wenste wel dat mijne lieve zuster [Lotje Kröner-Becker] er ook reeds weer door was.13

Op het ogenblik verwachten wij onze lieve moeder [Maria Elisabeth Becker-Tewes], welke hier nu zoals gij weet komt wonen. Mijn lieve [zuster] Lotje is op het oogenblik op de Schie haar op te wachten daar gij weet waar wij gehuurd hebben. Hoe aangenaam zou het niet geweest zijn indien het reeds eerder was gebeurd en wij dien goede vrouw met elkander hadden kunnen bezoeken; ook haar zou het niet te minder aangenaam zijn geweest.

Onze lieve tante uit Ibbenbüren is reeds voor drie weken vertrokken. Zij heeft mij stellig doen beloven met Emilie [Kröner] welke voornemens is aanstaande zomer een reisje te doen mede te komen, hetwelk ik zoals gij wel kunt denken gaarne heb aangenomen en dan kom ik ook stellig mijn lieve vriendin eens bezoeken. Ik verheug mij reeds in de gedachte u weer te zien. Hoe menig aangenaam uurtje zullen wij dan weer met elkander doorbrengen.

De kleine familie is alle nog zeer wel en druk. Daniel [Kröner] heeft nog een neefje medegebracht welke ook bij ons in huis is en met Wilhelm te school gaat. De kleine Anton 14is Mie en Dien [Jordaan] uit Haaksbergen ook nog niet vergeten en wijst oom menigmaal hoe of hij heeft geplaagt; hij begint nu lief te spreken en is verschrikkelijk wild; wij weten waarlijk niet wat met hem te beginnen.

En nu mijn lieve moet ik eindigen; mijn lieve zuster verzocht excuus dat zij uw lieve brief nog niet heeft beantwoord, doch gij weet hoe weinig tijd zij heeft; doch verzoekt intussen haar hartelijke groeten aan u en de geachte familie, gelijk ook doet uw steeds oprechte liefhebbende vriendin,

A.K.F. Becker.” (AJ02-18-07)

4. Brief van Johanna Kröner aan Mientje Jordaan, Ibbenbüren 2 november 1842

Johanna Maria Kröner , alias Hanchen, werd op 26 februari 1815 te Ibbenbüren (Westfalen) geboren als dochter van J.H.W. ‘Wilhelm‘ Kröner en Sophia C.D. Gerdemann. Vermoedelijk handelde haar vader, evenals haar broer Hendrik Kröner in Rotterdam, in linnen en wollen manufacturen. In dat geval is een handelsrelatie tussen de families Jordaan en Kröner in Ibbenbüren aannemelijk. Het stamhuis van de familie Kröner aan de markt te Ibbenbüren wijst in ieder geval op een vooraanstaande maatschappelijk positie.

Ibbenbüren was in de negentiende eeuw voor de Twentse textielindustrie met name van belang vanwege diens steenkoolmijnen. In 1842 waren slechts twee stoomfabrieken in Twente in werking, waaronder de Enschedesche Katoenspinnerij die door Mientje’s broer Jan Jordaan als directeur werd geleid. Aangezien het transport van de steenkolen vanuit Ibbenbüren – door de afwezigheid van een spoorlijn – zeer kostbaar was, waren de Twentse fabrikanten in de jaren ’40 van de negentiende eeuw druk aan het lobby’en om met name een spoorlijn tussen Twente en Ibbenbüren te realiseren. Die inspanningen bleken helaas tevergeefs; de overheid bleek voorkeur te geven aan een uitgebreid kanalisatieprogramma. De eerste stoomlocomotief in Twente zou nog 20 jaar op zich laten wachten…

Uit deze brief van Johanna Kröner blijken de zusters Mientje en Dientje Jordaan kort tevoren een bezoek te hebben gebracht aan Rotterdam. Ook blijkt de moeder van Johanna Kröner tien weken te hebben gelogeerd ten huize van haar zoon Hendrik Kröner. Zij zal haar zwangere schoondochter Lotje Kröner-Becker terzijde hebben gestaan in de huishouding.

Daarnaast schrijft Johanna Kröner over de verloving van Christel Hantelmann. In 1854 trouwde Johanna Kröner met een familielid van hem, namelijk Gerhard Rudolph Hantelmann.



Ibbenb
üren den 2 November 1842

Mein liebes Minchen!

Mit Freuden ergreife ich die Feder, um deinen mir so sehr lieben Brief von 28 Junj zu beantworten. Dieses hätte ich schon längst gethan, allein wie du weisst, dass wir diesen Sommer sehr viele Unruhe und Arbeit gehabt haben durch dem Bau, so bin ich wohl zu entschuldigen, denn es geht Tag vorbei, das ich nicht an Euch, meine lieben denke, so auch an die vergnückte zeit, die ich vorigen Früjahre zu gebracht habe. Jetz schmeichle ich mich schon mit dem Gedanken, dass du und deine lieben Geschwistern uns zu künftigen Sommer gewisz mit euren Besuche uns erfreuen werdet, wo zu ich mich schon freue, o mein liebes Minchen, ich kann kaum die zeit abwarten, denn ich habe dir vieles zu erzählen.

Liebes Minchen und Dinchen, wie hat es euch den in Rotterdam gefallen? Ich denke gut, denn Mutter hatt es besonders gefallen. Sie ist zehn Wochen da gewesen, und vor vier Wochen ganz unerwartet mit meinen lieben Bruder Daniel munter und wohl angelangt. Meine liebe Mutter [Sophia Kröner-Gerdemann] hätte die Retur-Reisse gerne bei Euch her gemacht, dieses wurde Ihr leider vereittelt weil Bruder Daniel [Kröner] mehre geschäfte in Wesel und Münster hatte. Mutter hätte sich herzlich gefreut wen Sie deine liebe Mutter und ferne die liebe Familie kennen zu lernen. So läst Mutter sich entschuldigen und bittet dasz deine lieben Eltern ihr balde, balde mit ihren Besuche uns erfreuen.

Wie geht es mein liebes Naatjen und Herr Wissling, sie werden doch wohl schon geheirathet sein, bitte grüsze Sie doch herzlich von mir, und ich denke, das Sie uns zukünftigen Sommer mit ihren besuche behren.

Jetz will ich dir eben sagen, das XChristel Hantelmann verlobt ist mit einem jungen Mädchen aus Hamm, dieses ist schnell auf gekommen. Die Braut ist diesen Herbst auch gleich bei Hantelmanns zum besuche gewesen, Sie war mehremahl mit X Christel bei uns, und Sie scheint ein artiges Mädchen, doch ist Sie sehr still, sonst Neuigkeiten giebt es hir nicht dasz Drees leider [bankrott?] ist, dasz wirst du auch wohl schon gehört haben, dieses ist sehr traurig für die Kinderchens.

Nun habe ich eine bitte liebes Minchen, weis es wohl, das ich deiner Cousine der Frau Notarin Jordaans, [Woutera H. Jordaan-van den Ham], ein Paar Kindschühens versprochen habe, und so lege ich auch ein gestrichtes Kinder Mützchen dabei, gerne hätte ich auch für dich mein liebes Minchen etwas dabei gesteckt, allein da ich nicht gut die zeit gehabt habe, so hast du es noch zu güte bis das da hier kömmst.

So grüsse auch ich deine liebe Eltern und Geschwistern, und ferne guten bekanten.

In der Erwartung dass dir mich balde mit einen langen Brief erfreuen werde, bleibe ich deine liebende Freundin,

Johanna Kröner

PS bitte schreibe mir doch balde ob dieser Brief übergekomen ist, denn ich habe mit gelegenheit bis Bentheim gegeben.” (AJ02-18-06)



‘Der Obere Markt mit Preussen-Denkmal [in Ibbenbüren] um 1905’

Die Ansichtkarte zeigt links im Bild das Stammhaus (Kontor und Lager, Markt 1) der Brennerei und Likörfabrik Theod. Bergschneider (Bernhardt/Meyer), den Gasthof zum Adler und rechts das Krönerscher Haus. Das Preussen-Denkmal wurde am 2. April 1902 zur Erinnerung an die 200 jährige Zugehörigkeit der Obergrafschaft Lingen zum Königreich Preussen feierlich enthüllt.”iv

5. Brief van Johanna Elisabeth Melchers aan Mientje Jordaan, Den Haag 28 september 1842

Johanna Elisabeth Melchers werd op 1 februari 1823 in Den Haag geboren als dochter van Maximiliaan Wilhelm Carel Melchers (1798-1876) en Dorothea Werthmuller (ca. 1796-1866). Haar vader was werkzaam als boekhouder der stedelijke belastingen.15 Johanna Elisabeth Melchers huwde in 1847 met de apotheker Johan Frederik Lodewijk Reudler. Zij overleed in Haarlem op 18 juli 1853.

Johanna Elisabeth Melchers noemde zich een ‘nicht en vriendin’ van Mientje en Dientje Jordaan. Ook ‘Jan’, dat is haar broer mr. Johannes Leendert Melchers (ca. 1823-1881), noemde Bartus en Hendrik Jordaan zijn ‘neven‘. Desalniettemin was er absoluut geen sprake van een bloedband tussen de families Melchers en Jordaan.16 Daardoor blijft de relatie tussen de beide families enigszins gehuld onder een laag mysterie.

Opmerkelijk is dat een oom van Johanna Elisabeth Melchers, de Haagse broodbakker Johannes Leendert Melchers (1793-1841), ongehuwd overleed in – uitgerekend – Haaksbergen! De familie Melchers verkeerde in het Haagse broodbakkersmilieu; zij konden de Haagse broodbakkersfamilies Estor en Sommer tot hun naasten rekenen17. Ook de grootvader van Johanna Elisabeth Melchers, Johannes Leendert Melchers (1768-1826), was een Haagse broodbakker. Opvallend is dat Hendrik Jordaan (1820-1912), een broer van Mientje Jordaan, begin jaren ’50 eveneens actief was binnen de broodhandel; de burgemeester van Haaksbergen verleende hem in 1854 namelijk een patent als winkelier en broodverkoper!v De broden zullen zijn verkocht in de winkel van Jordaan aan het Marktplein van Haaksbergen; daar zwaaide de moeder van Mientje Jordaan samen met haar dochters en een meid de scepter. Zou Hendrik Jordaan bij diens handelsreizen naar Holland bij de familie Melchers een vaste logeerplek hebben gevonden en zodoende zijn geinteresseerd geraakt in de broodaffaire? Dat blijft echter enkel gissen…

De brief van Johanna Elisabeth Melchers geeft een interessante blik op een reis anno 1842 van Twente naar de Randstad. De eerste spoorlijn van Nederland, tussen Amsterdam en Haarlem, werd op 20 september 1839 geopend. De spoorlijn werd geleidelijk verder uitgebreid; de ‘Oude Lijn’ bereikte Leiden in 1842, Den Haag in 1843 en Rotterdam in 1847. Op het moment van schrijven was het spoorwegstation van Leiden slechts een maand in gebruik; de feestelijke opening vond plaats op 17 augustus 1842.



‘s-Gravenhage den 28 September 1842

Lieve Mientje en Dientje!

Volgens belofte vat ik de pen op om u eens te schrijven. Gij zult wel denken beter laat dan nooit, maar ik heb op een gelegenheid gewacht en deze nu gevonden hebbende, haast ik mij om mij van deze belofte te kwijten. Deze ochtend ontvingen wij de huwelijkscommunicatie van Wisselink en [uw zuster] Naatje en nu vader er op antwoordde, dacht ik nu kan het gemakkelijk in eens gaan en het haalt ook nog port uit. Feliciteer bruid en bruidegom (denkelijk reeds man en vrouw) hartelijk van mij en Dientje ook met hare geboortedag daar ik wel om gedacht heb. Wel Mientje! Ik ben recht nieuwsgierig om te weten hoe gij en de geheele familie het maakt. Wat ons aangaat voor het tegenwoordige zijn wij allen gezond, doch wij zijn allen erg verkouden geweest en ik heb verscheidene dagen zware hoofdpijn gehad doch het is vandaag veel beter. [Mijn zuster] Kate was weer geheel hersteld toen wij thuis kwamen en is weer de oude, vrolijk en dartel als altijd.

Gij zult gaarne wel eens wat willen weten van onze reis… Wij waren dan te half zes uur zoals gij van [uw broeder] Hendrik en [zuster] Dientje wel gehoord zult hebben op de diligence gegaan en waren om 1 uur te Zwolle waar wij toen tot half 2 vertoefd hebben en zijn toen op een andere diligence gegaan tot Kampen, waar wij te 3 uur aankwamen en meteen op de boot moesten daar deze slechts op de diligence wachtte om dadelijk te vertrekken. Wij waren ‘s avonds om 9 uur te Amsterdam, waar wij ‘s nachts gelogeerd hebben. A propos Mientje, het was een ander logement dan te Arnhem en toen ‘s morgens zijn wij naar nicht Kee geweest die wij in welstand aantroffen en hebben daar koffie gedronken; vervolgens zijn wij namiddags om half 2 met de omnibus naar de spoorweg gereden, waarvan wij om 2 uur vertrokken en waren om half 4 in Leiden en zijn daar om 5 uur met den schuit naar Den Haag gevaren waar wij om half 9 ure arriveerden. Het gezelschap dat wij op reis vooral op de stoomboot aantroffen was niet om op te roemen.

Er is hier weinig nieuws. Prinses Sophia is de bruid zoals gij zeker in de courant zult gelezen hebben, doch het gaat zoo stil dat ik niet geloof dat er veel te doen zal zijn. Men spreekt van eene algemene illuminatie en van een serenade doch het is nog niet openlijk bekend gemaakt. Gij zult mij wel wat meer nieuws te schrijven hebben. Het zal zeker een hele drukte bij u geweest zijn en het voornaamste is of gij veel genoegen bij al die drukte gehad hebt; ik denk het wel want [Hein] Kleinhonte was zeker alweer terug. Schrijft mij toch spoedig en hoe is het met de loterij afgelopen, braaf gewonnen? Nu ik verwacht spoedig wat er van te horen en nu niets geen nieuws meer wetende eindig ik na u de complimenten gemaakt te hebben van de familie inzonderheid van [mijn zuster] Kato en [mijn broeder] Jan en de mijne verzocht te hebben aan de gehele Haaksbergse familie en kennissen en bedank uw ouders nog eens vooral voor de gastvrijheid en die genoegens die wij zo ruimschoots genoten hebben en hopende dat wij de familie eens spoedig in Den Haag mogen zien, blijf ik,

Uw liefhebbende Nicht en vriendin,

J.E. Melchers

PS Jan vraagt mij of ik u wilde verzoeken of gij zo goed wilde zijn ook van hem de complimenten te maken aan zijne kennissen in zonderheid aan zijn neven Hendrik en Bartus [Jordaan] en aan de dames Kerkhoven. Schrijft spoedig.” (AJ02-18-03)

Nawoord:

Johanna Elisabeth Melchers schreef over de aanstaande huwelijksvoltrekking van Prinses Sophie (1824-1897). Zij was de enige dochter van koning Willem II en koningin Anna Paulowna. Zij huwde op 8 oktober 1842 haar volle neef, groothertog Karel Alexander August Johan van Saksen-Weimar-Eisenach (1818-1901). De hofstad, waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond, was in rep en roer. Voor het volk was vermaak geregeld in de vorm van een illuminatie. Hierover schreef de Utrechtsche provinciale en stads-courant d.d. 12 oktober 1842:

De illuminatie is Zaturdag avond luisterrijk geweest. Geen gebouw, geene woning, hoe nederig ook, miste eenige lichten. Eerepoorten, guirlandes, sterren, vond men schier in elke straat; gekroonde naamcijfers van de Jonggehuwden of van het Koninklijk Huis trof men overal aan; daar waar gedurende den dag groen en bloemen werden aangebragt, gaf dit het heerlijkst effect. Al de koninklijke en vorstelijke paleizen, de hotels van de onderscheidene ministerien, de voornaamste pleinen der stad, de gebouwen van het corps diplomatique, die op den Vijverberg, in het Voorhout, op het Plein, enz. waren luisterrijk en smaakvol geillumineerd. Bovenal blonk een eerezuil, die van stadswege op de plaats was opgerigt en waar duizenden lichten waren aangebragt. Zij prijkte aan de eene zijde met het naamcijfer der Koninklijke Echtelingen en aan den anderen kant met de dagteekening, waarop dit hooge huwelijk is voltrokken. Op de vier hoeken van het voetstuk waren pyramiden geplaatst. De spits van deze eerenaald stelde de aardbol voor. Deze zuil verspreide een heerlijk licht, zoowel over den Kneuterdijk, waar zij gezien van ‘s Konings paleis, een uitmuntend effect maakte, als over de Plaats en voor de Gevangenpoort; alsmede over den Vijverberg: waar langs den vijver, eene verlichting, guirlandesgewijze, ontstoken was. Ook op de Turfmarkts-brug prijkte eene heerlijke Eerepoort, die met eene toepasselijke transparant versierd was. Duizende van wandelaren, zoowel uit deze residentie als uit andere plaatsen, waren gedurende den geheelen avond door de geheele stad verspreid, om deze illuminatie op te nemen en in de vreugde van dezen dag te deelen. In eene daartoe ingerigte tent op den Vijverberg werden, door een der korpsen muzijkanten van de bezetting dezer stad, fraaije stukken uitgevoerd, hetgeen steeds een groot deel der wandelaren naar dat punt lokt.”

Onder deze wandelaren bevond zich vast en zeker Johanna Elisabeth Melchers.

6. Gedicht kleinkinderen t.g.v. 90e verjaardag van hun grootvader Hendrik Jordaan (1820-1912), d.d. 14 maart 1910

(…) Maar ik wil eens herinneren aan vroegere tijd,

toen Opa, als jongeling, vol ijver en vlijt,

met zijn stalenpak,

in een groen saaien zak,

door ons land trok als koopman, tot zelfs in Den Haag,

waar men bij Nakken hem herbergde graag.

Maar – ‘den handel’ vergat hij toch niet,

want al dat reizen en met stalen lopen,

werd afgewisseld door haantjes kopen,

en menig lekker hanengebraad,

ontlokte Opa aan een boer, of een ‘kremer’, op straat. (…)”vi

Hoewel dit document geen brief aan Mientje betreft, is het een aardige herinnering aan de handelsreizen van Hendrik Jordaan. De band met de Haagse wijnhandelaar Jan Willem Nakken ontstond op 16 november 1852. Toen trouwde Derk Hendrik Schaars (1828-1884), een neefje van Hendrik Jordaan18, met Anna Elisabeth Heukelman (1828-1898). Zij was een schoonzuster van Nakken die Hendrik Jordaan graag herbergde.

7. Brief van Johanna Kröner aan Mientje, Ibbenbüren 23 december 1842

Uit deze brief van Johanna Kröner blijkt dat Hendrik Jordaan (1820-1912) zich al in 1842 verloofde met de eerder voorkomende J.W. ‘Naatje’ Smits (1817-1878). Het huwelijk liet nog vele jaren op zich wachten; zij trouwden pas op 29 juni 1849. Haar vader Jan Smits J.W.zn (1777-1849) overleed twee maanden voor de huwelijksvoltrekking. Zou hij zich tegen dit huwelijk hebben uitgesproken?

Liebes Minchen!

Werde nicht böse, das ich nicht eher deinen lieben Brief beantwortet habe, dieses kömt weil ich vierzehn Tage bei meiner Schwestern [Mina Graess-Kröner] in Cappeln zum Besug gewesen bin, diesen Abend habe ich dir gewitmet, und bin mit meine Gedanken in euren Hausse. Nun erkundige ich mich zu erst nach deine lieben Eltern und Geschwistern ihr befinden, ich kan dir von uns mittheilen, das wir uns Gott lob uns alle wohl befinden. Es hat mich sehr gefreuet, aus deinen lieben Brief zu vernemen das die liebe Naatgen und Wisslingh denn 10 October geheirated sind, ich wünsch die beiden viel Glück und Segen in ihren neue Stande, der Himmel erfülle meine bitte.

Ich hoffe und wünsche, liebens Minchen, das du Naatgen bald folgen [wirst?]. Das die liebe Dingen und Lingen mit nach Hellendoorn gereisz sind, hat mich sehr gefreuet, dieses ist für Naatgen angenem, und wie ich sehe so ist der lieber Vater, Mutter, Fritz, Petronella auch schon acht Tage da gewessen, so hast du deine hände vol gehabt.

Wie ist es mit deinen frommen Bruder Heinerig [= Hendrik], wird der bald seine Hochzeit feiern mit Naatgen Schmitz; ich sehe ihm schon mit die dike Naatgen vor dem Herren Pastor stehen dass sie […?] werd. Edoch musz Heinerig mich nicht auf die Hochzeit vergessen.

Nun mein lieben Mintchen werde ich dir eben mittheilen dass das wir denn 2 Dezember von Bruder Heinerig [Kröner aus Rotterdam] die frohe nachricht bekommen haben, dasz Schwester Lotgen [Kröner-Becker] glüklig entbonden von einen gesunden Knaben19, welchen am zweiten Weinnachtage getauft wird, Bruder Hermann ist gefallen zu dem Kinche so behö[…?] der kleine denn Nammen von Hermann Friedrich Heinerig die (…?) ist für Hermann gewisz eine groze Freude.

Liebes Minchen ich wünsche dich und deine lieben Eltern und Geschwistern ein frölig Kristfest so auch meine lieben Eltern und Geschwistern.

Ich bin in vollen Arbeit die Geschenke für meine Eltern und Liese zu verfertigen, und habe mehre Nächte zu hälfe genommen; ich bin auch noch nicht da mit fertig, ich wolte du köntest mich helfen, nun werde ich dir mittheilen wasz ich für meine lieben Eltern mache, für Vater habe ich einen schönen Geldbeuttel und ein paar Pulswärme gestrickt, und für Mutter ein Kochlöffel […] für Liesette einen Kragen und Geldbeuttel; was ich bekommen habe werde ich dir nägsten mittheilen.

Viele grüsze von meine lieben Eltern und Liesette an deine lieben Eltern und Geschwistern, so auch ich grüsze deine lieben Eltern und Geschwistern und ferne die guten bekanten. Minchen ich wünsche Dir eine gute Nacht und […] dieses wünschst deine liebe Freundin,
J. Kr
öner

NS
Veschone mein schlechten schreiben, den die Glocke hat bereits Zwölf geschlagen, gute Nacht. Ich bitte um b
aldig antwort.” (AJ02-18-09)

7. Brief van Bella Becker aan Mientje Jordaan, Rotterdam 26 maart 1843

In 1843 telde het gezin Hendrik Kröner (1808-1879) en Lotje Kröner-Becker (1806-1857) zes jonge kinderen. Bella Becker woonde ten huize van haar zuster en stond het gezin Kröner terzijde in de huishouding. Ook blijkt een zuster van Hendrik Kröner, Emilie Kröner (geb. 1817), langere tijd bij het gezin Kröner te Rotterdam in te wonen. In deze brief doet Bella Becker een boekje open over de ‘logeerpartijen-cultuur’.

In de brief spreekt zij ook over de verloving van Jan Jordaan (1816-1883), de oudste broer van Mientje. Hij was directeur van de Enschedesche Katoenspinnerij en trouwde op 8 september 1843 met G. ‘Trui’ Stroink (1819-1882). Zij was een dochter van de vermogende textielfabrikant Willem Stroink (1783-1845) en diens echtgenote Judith Paschen (1792-1855). Hij was voortaan verzwagerd aan de invloedrijke textielgeslachten Stroink, Blijdenstein, Van Delden, Ledeboer en Van Heek. Tot deze tak behoorden de bankiers Jordaan in Parijs en de textieltak in Gronau.

Rotterdam 26 maart 1843

Lieve Mientje!

Daar mijn broeder aan UED vader schrijft zo wil ik deze gelegenheid niet laten voorbij gaan om enige regelen aan mijn lieve vriendin in te sluiten. Ik begon bijna te denken dat ik vergeten was, doch uw lieve brief doet mij zien dat het toch niet zoo is. Ook ik denk dagelijks aan u en de lieve tijd dien wij met elkander hebben doorgebracht. Hartelijk gaarne zoude ik zoals gij wel denken kunt eens met Emilie [Kröner], die stellig in mei of juni weer naar huis vertrekt, meekomt. Doch mijn lieve, doordat de familie weer vermeerderd is en de drukte ons ook weer groter, vrees ik dat het bij de wens zal blijven hetwelk mij hartelijk leed zou doen dewijl ik dan ook het genoegen moet missen mijn lieve vriendin eens weer te zien. Mijn lieve moeder woont tegenwoordig ook te Rotterdam hetgeen zeer aangenaam voor ons is hoewel haar komst alhier niet zeer genoegelijk voor ons allen was; zij was slechts zes weken hier of wij hadden het ongeluk onze tante, die bij haar woonden, te verliezen zoodat wij geen aangename winter hebben doorgebracht.

Ook kan ik mij goed begrijpen hoe stil gij het bij uw broeder heeft gehad. Zoo geheel alleen en onbekend te meer daar het bij u een grote familie is, doch in het vervolg zal het wel beter zijn. Mijne lieve, dewijl uw broeder [Jan Jordaan]20 is geëngageerd waarmee ik u hartelijk feliciteer en gij dan wel een goede bekende zult hebben en daardoor in gezelschap komende.

Indien gij deze ontvangt zult gij, na uw schrijven, bij uw geliefde zuster [Naatje Wisselink-Jordaan] zijn. Zoo gaat het lieve meid, wanneer men een zuster getrouwd heeft en zij niet in dezelfde plaats woont, dan moet men hun somtijds eens gaat bezoeken. [Uw zuster] Dientje is toch weder terug nietwaar? Indien gij er mocht zijn verzoeke, hoewel onbekend, mijn vriendelijk compliment.

En nu lieve beste moet ik eindigen. Vele complimenten van de gehele familie aan uw geachte ouders, Dientje en verdere familie inzonderheid,

van uw steeds hartelijk liefhebbende vriendin,

Bella Becker.” (AJ02-18-08)

8. Brief van Johanna Kröner aan Mientje Jordaan, Ibbenbüren 2 juni 1843

In deze brief schrijft Johanna Kröner o.a. over ‘Onkel und Tante Schey’. Dit zijn de emeritus-predikant Petrus Schey (1763-1853) en diens echtgenote Cornelia Jordaan (1776-1855). Zoals eerder aangegeven werd Ds. Petrus Schey in 1833 opgevolgd door dominee Wouterus van den Ham. De ‘Herr Kandidats’ is hun zoon, de theologisch kandidaat Adrianus Johannes Schey (1811-1845). De theologisch kandidaat en zijn zuster A.M.G. ‘Naatje’ Schey (1815-1893) waren een volle neef en nicht van Mientje. Naatje Schey huwde later – in 1855 – met Derk Jan ten Hoopen (1821-1898), de oprichter van de textielfabriek D.J. ten Hoopen & Zoon te Haaksbergen.

Met ‘Schulten’ bedoelde Johanna Kröner de textielfabrikant Johann F.W. Schulten (1797-1857). Schulten was sinds 1823 getrouwd met Alberdina H.M. Jordaan (1806-1886), een volle nicht van Mientje. Zij hadden een zoon, Albert Schulten (1823-1868). Daarnaast zullen zij zich waarschijnlijk tussen 1840 en 1852 hebben ontfermt over hun neefje Hendrik Jordaan (1832-1879), die zich later in St. Louis vestigde.

Ibbenbüren 2ten Junj 1843

Liebes Minchen!

Deinen lieben brief von 16ten November habe ich wohl erhalten, habe denselben den 21ten Dezember wieder beantwortet, leider auf meinen Brief keine Antwort bis jetz erhalten. Nun mein liebes Minchen kann ich es nicht mehr überkommen, und ich bin sehr traurig und kann mir nicht denken dasz mich meine liebe Freundin so ganz vergessen kann,ist vieleigt eine Krankheit schuld da an? Ich kann mich nicht errinren, das ich jemals Ursage dazu gegeben habe, ich denke du erfreuest mich balt mit einen langen Brief, damit ich wieder aus der Unruhe komm.

Liebes Minchen, wie befinden sich deine lieben Eltern und Geschwistern, die Meinigen sind wohl.

Onkel aus Rotterdam ist vor14 Tage bei uns gewesen, hat uns die frohe Nachricht gebracht, das Emilie mit Bella, Hermann in Junj kommen würde. Liebes Minchen, ich hoffe dasz du und deine lieben Geschwistern, und in Junj gewis besugen wirst. Ich will an Emilie schreiben das sie über Haaksbergen kommen, dann könnet ihr gut die Reise hierher zusammen machen.

O liebes Minchen! Wie freu ich mich jetz schon herzlig darauf, dich bald in meine Arme zuschlieszen, und unsere Herzen gegenseitig auszuschütten, was doch nicht so gut schriftlich als mündlich. Meine lieben Eltern und Liesette wünschen auch sehr das ihr uns dann mit euren lieben Besuch erfreut. Deine lieben Eltern müssen uns auch gewisz diesen Sommer besuchen. Habt ihr kürzlich Nachricht von Naatjen und Wiszlinck bekommen? Grüsze sie herzlich von mir und sie möchten uns doch diesen Sommer besuchen. Wie gehts beim Notar [Jordaan], und besonders, deine Kusine Tera. Wie gehst Onkel und Tante Schey? Was macht der Herr Kandidats und seine Schwester Naatjen? Bitte sage an Naatjen sie möchte doch mit euch kommen. Was fangen Schulten an und besonders Albert? Bei Kerkhoven ist es wohl bei alten.

Ist Daatjen von Ham noch bei euch? Bitte grüsze sie von mir . Lebe wohl liebes Minchen, grüsze deine lieben Eltern und Geschwistern von mir und alle die sich meiner in liebe errinnern. Meine lieben Eltern und Liesette grüszen vielmals,

Dein dich liebend freundin,

J. Kröner

Ich bitte um baldige Antwort.” (AJ02-18-10)

9. Brief van Emilie Kröner aan Mientje, Ibbenbüren 8 juli 1843

Emilie Kröner (1817-) was een jongere zuster van Johanna Kröner. Zij blijken recentelijk een bezoek te hebben gebracht aan de familie Jordaan in Haaksbergen.

Mientje wordt uitgenodigd om het Schuttersfeest in Ibbenbüren bij te wonen. Schuttersfeesten waren voor Mientje een bekend fenomeen, want sinds 1834 werden die ook in Haaksbergen georganiseerd. Het Schuttersfeest in Haaksbergen viel samen met de kermis eind augustus/begin september. Als hoogtepunt golden de schietwedstrijden die indertijd op het landgoed Het Raa van de familie J.F.W. Schulten-Jordaan werden gehouden. Mientje en haar kransvriendinnen zullen vooral de jonge mannen hebben aangemoedigd, want pas vanaf 1890 mochten de dames hun schiettalent laten zien.

Emilie Kröner maakt zich ernstig zorgen over de gezondheid van ene meneer Bartens. Hij leed aan het Water; mogelijk wordt waterzucht bedoeld.

Ibbenbüren 8ten Juli 1843

Mein liebes Minchen

Am Montag sind wir hier gut angekommen. Wir treffen unsere lieben Eltern in besten Wohlsein an. Diese Freude wie wir kamen, kan ich nicht beschreiben.

Ich hoffe das ihr diesen Brief im Wohlsein empfangen werdet, mein liebes Minchen, bitte sage an deinne lieben Eltern unsern herzlichen dank, auch an euch lieben alle, für die viele Freundschaft und liebe die ihr uns erreigt habet; ich hoffe das wir es bald wider gut machen konnen, ich wil es dir wohl gestehen meine liebe Freundin, wo ich auch noch gewesen bin, nirgens habe ich so viel vergnügen gehabt wie bei euch, ich bin auch am liebsten bei euch.

Ich, mein liebes Minchen, der Abschiet aus Bentheim von euch lieben, viel uns alle sehr schwer. Den gansen Weg war unsere Unterhaltung von euch.

Es thut mir noch imer sehr leid das ich Sontag so eigen war, das hatte meinne Kopfweh schuld, darum mus dir mein liebes Kind es vergeben, wen ich zu viel gesagt habe, nemlich das du Minchen lieber hätter, wie mir, aber ich bin von deine gutheit überzeugt das du mir alles vergeben hat nicht war? Nun mein liebes Minchen sage meine lieben Eltern, so auch wir alle deine lieben Eltern herzlich bitten um dich, Dinchen, Heinnerich, Alberttus, und alle die nur abkommen konnen, die Erlaubnis zugeben und unsere bitte nicht abzuschlagen, um mit Schutzenfest zu kommen,es ist den 30n diesen Monath, es wird 3 Tagen Sontag, Montag und Dinstag gefeiert, nun müst ihr vor allen einige Tage vor herkommen, und den Tag bestimmen wan ihr komt, den wil Hermann […] und euch abholen. So bitte ich dich mein liebes Minchen, schreibe doch umgehent, das ihr gewis kommet.

Meine Elttern waren gans unzufrieden das wir keine von euch mitgebracht hatten, darum nochmals müst ihr unsere bitte nach kommen, um mein Elttern und uns alle zufrieden zu stellen.

Nun kan ich einen Auftrag meine gutte Freundin, namlich Bartens der hat schon eine zeitlang das Wasser gehabt, und das der Doktor da viel menschen von geholffen hat, so habe ich den dazu ungerathen um von euren Doktor zu gebrauchen. Die Menschen sehen auf die Kosten, den sie haben kein vermögen, der Mann hat schon eine lange zeit das Wasser gehabt und hat jetzt nicht was verdienen können; er mus vor seine Frau und 4 Kinder sorgen. Darum sind sie bange das er zu viel Geld kostet, aber der Doktor wird wohl nicht zu viel davür nehmmen. Hirbei erhelst du wie alt er ist und wie sich seinne Krankheit sich zu trägt sie hätten am liebsten wen sie das Rezept von den Doktor kriegen köntten, um es hier machen zu lassen. Wir wollen alle gerne das der man wieder hergestelt würde. kannst du nicht lieber erst schreiben wie viel Geld der Mann wohl haben mus wen es nich zu viel ist, den mus er es nur gleich schicken, bitte thue dein besten.

Nun noch eins, mein liebes Minchen, dencke das ich aus versehen ein Kamchen mit genommen habe ohne das ich es wusste, lag es in meinnen Tasche, und kan noch nicht begreiffen wie es darin gekommen ist; es ist gewis von dir, wen du hier komst kanst du es wider zurück erhaltten.

Bella [Becker] ist wie sie sagt hier schon gerne, dieses werst du auch aus ihren Brief lesen, doch bisweillen ein bisschen nachdenkend, dieses kömmt wegen Scholmeier her weil der über 3 Tage heirattet, dieses ist auch sehr hart für ihr, den ich hatte es auch nicht thuen mussen, ach man kan die Männer nicht immer vertrauen.

Nun mein liebes Minchen mus ich abbrechen; vielle herzliche Grüsse von meine lieben Elttern an Euch lieber alle, bitte grüsse doch auch alle gutte bekantten von mich vorallen deine lieben Elttern und Geschwistern. In der Erwartung bald einen Brief, und die frohe nachricht das ihr gewis komet. Es kust und umarmd dich in gedancken. Deine stehts aufrichtig liebende Freundin,

Emilie Kröner

NS. bitte verzeih mein schlegten schreiben. Es gescheht in Eille den Morgen recht früh wollen wir nach Lengerich und sie treiben das ich zu mittkomm. Hanchen [Johanna?] läst besonders grüssen; sie war willens um zu schreiben, sie hatte keinne zeit und sie läst euch auch noch besonders bitten um zu kommen. Ihr müst auch gewis kommen, auch läst Emilie Staggemeier21 grüssen, die war diesen Mittag bei uns; sie läst dir auch bitten das du kommen mogten. Gutte Nacht,

Emilie.” (AJ02-18-11)

9. Brief van Bella Becker aan Mientje, Ibbenbüren 8 juli 1843

Bella Becker was op bezoek bij familie in Ibbenbüren. Haar bezoek werd al in de brief van Johanna Kröner d.d. 2 juni 1843 aangekondigd. Zij reisde via Haaksbergen waar zij haar vriendin Mientje opzocht.

Ibbenbüren 8 July 1843

Lieve vriendin!

Hoewel ik voornemens was u bij mijn aankomst alhier ogenblikkelijk te schrijven wilde ik eerst een brief van mijn geliefde moeder of zusters afwachten, doch daar mijn wens steeds onvervuld blijft wil ik toch eindelijk aan mijn belofte voldoen.

Wij zijn maandag om 8 uur alhier aangekomen en hebben de familie in welzijn aangetroffen, behalve Lisette die juist van Caplen22 terugkwam en met wie het weer niet zeer wel is. Het is waarlijk beklaaglijk haar zo te zien lijden en dan de reden waardoor hetzelve is ontstaan is des te verschrikkelijker.

Hoe ik na uw vertrek te moe was kunt gij lieve Vriendin te wel beseffen; het was mij alsof ik geheel alleen was. Emilie [Kröner] werd er verdrietig om en vroeg steeds waarom ik zo was doch had ik mijn lieve vriendin niet verlaten in wien ik zo genoegen genoot, nimmer zal ik de genoegelijke dagen vergeten in de kring van de lieve familie doorgebracht; het was mij ook alsof ik bij de mijne was.

Wij werden hier alle met vreugde ontvangen en alle bewijzen mij steeds veel vriendschap. Johanna [Kröner] in zonderheid is zo vertrouwlijk en lief doch nimmer had ik kunnen denken dat het hier-zijn zulk een treurige stemming in mij had opgewekt; waarlijk mijne lieve Mientje, dan had ik de reis niet ondernomen, doch het zal hoop ik wel beter worden. Aanstaande week gaan wij naar Caplen voor eenige dagen zodat ik dan weer afleiding heb. Van hier kan ik nog niet veel schrijven. Wij zijn nog weinig uitgeweest dewijl wij eerst visites moesten afleggen. Gisteren zijn wij naar de glashutten geweest en heb zelve een bierglas geblazen. Nu moet gij maar spoedig overkomen om er uw oordeel over te zeggen en dan heb ik het genoegen weer mijne geliefde vriendin bij mij te hebben. Wij allen verheugen ons zeer met de gedachte spoedig die wens vervuld te zien en spreken dagelijks met elkander over de lieve famille. Hoe gaat het u allen? Schrijf mij toch eens spoedig mijne lieve en dank hun nogmaals hartelijk voor al het genoegen en de vriendschap aan mij bewezen.

Nu lieve beste moet ik eindigen. Spoedig spreken wij elkander nader, nietwaar? Vele complimenten van allen aan u en de lieve huisgenoten,

doch in zonderheid van uw steeds oprechte hartelijke vriendin,

A.K.F. Becker.

PS. ik meen een paar manchetten bij u te hebben laten liggen; wees dan zo goed dezelve mede te brengen indien gij komt. Het zijn fijn geplooide met een [schulpje?]. Mijn hartelijk compliment aan alle bekenden. Nogmaals adieu.” (AJ02-18-12)

10. Brief van Johanna Kröner aan Mientje, Ibbenbüren 16 december (184323)

Johanna Kröner schrijft o.a. over de verhuizing van A. ‘Bartus’ Jordaan (1822-1917) naar Gronau. Hij kwam aan het hoofd te staan van de textielfabriek van de fa. Jordaan & Van Heek. Over die fabriek is weinig bekend. Het Duitse avontuur van Bartus Jordaan duurde in ieder geval niet meer dan een paar jaar. De fabriek in Gronau werd overgenomen door de Enschedesche Katoenspinnerij en in 1849 zocht Bartus Jordaan zijn geluk in de Verenigde Staten van Amerika.

F.J. ‘Frits’ Jordaan (1835-1907) en Petronella H. Jordaan (1837-1929) waren het jongste broertje en zusje van Mientje. Zij scheelden resp. 17 en 19 jaar in leeftijd.


“Ibbenbüren 16ten Dezember

Mein liebes Minchen!

Deinen lieben, habe ich von der Madame Ten Brink erhalten. Es freuete mich sehr aus dem selben alle Eur Wohlsein zu ersehen, wir sind Gottlob auch alle noch wohl, welches doch das Edelste ist, der liebe Gott, lasse uns alle noch lange dieses Glück geniessen.

Du wirst es mir jedoch meine beste Freundin verzeihen, dass ich deinen lieben Brief nicht gleich beantwortet habe. Dieses wirst du mich doch nicht meine Nachläsigkeit Schuld geben, oder gedacht haben, nun hat mir meine Freundin ganz vergessen. Nein, meine Freundin, dieses ist der Fall nicht den die vielen Arbeiten mit dem Salze, und dabei hatte ich ein sehr kranken Finger, dass ich nicht schreiben konte. Deswegen wirst du es mir wohl verzeihen nicht wahr? Mein theures Minchen glaube mir du bist meine beste Freundin, und denke nicht dass ich dich vergessen habe, den täglich bin ich mit meine Gedanken bei euch meinen lieben, und unsere Freundschaft soll nicht von meiner Seite aufhören, denn ich fühle mich zu glücklig dass ich euch kennengelernt habe, und kann nur traurig werden, dass wir zu weit von ein ander getrent sind. O, wie angenehm würde es sein, wenn wir doch näher zu sammen wohnten, und wir könten von Zeit zu Zeit zu sammen kommen wo wir dann gegenseitig unser Herz ausprechen könten, doch ich müsze mir nur in den Geduld Gottes geben, und denken meine beste Freundin wird mich gewis künstigen Früjahr besuchen, auch einige von deiner lieben Geschwistern, dieses musz doch gewisz sein, und nicht wie vorigen Jahr, wie ich dich gewisz mit deinen lieben Brüdern entgegen gesehen habe, und wir wurde die Freude vereitel, es war für mich jedoch sehr angehnem, dass deine lieben Brüdern uns besugten, nur hat es mir leid gethan dass sie wenig vergnügen gehabt haben, ich denke sie werden uns doch nicht vergessen, und uns balde mahl besugen, bitte liebes Minchen, schreibe mir mahl was sie von Ibbenbüren sprechen, und ob es ihnen wohl bei uns gefallen hat, was fangt der gute Heinerrig [Jordaan] an, ist er immer noch soo fleissig beim Lernen, und wo ist den lieber Bartus [Jordaan]. Ich denke dasz er jetz balde in Gronau zu wohnen kömt, dieses hat mir sehr gefreut, dass der gute Bartus ein deutscher wird, ich denke wenn er in Gronau mahl erst ist, den besucht er uns doch mahl den ist es nicht mehr so weit von uns, und dieses würde mir sehr angenehm sein, denn hörte ich doch noch manches von meine lieben aus Haaksbergen wo ich sehr nach verlange.

Meine lieben Eltern und ich leben in den süsfesten Hoffnungen dass deine liebe Eltern uns küftigen Sommer gewis mit ihren Besuge uns beehren, wo sie dan die beiden kleinen Fritzchen und Petronella [Jordaan] mit bringen müssen, ich wolte sie gerne mahl sehen, wie grosz und allerliebst sie geworden sind, sprechen sie wohl mahl von mir, oder haben sie mich vergessen. Bitte liebes Minchen, schreibe mir doch mahl von ein und dass andre, denn ich höre sehr gerne von euch meine lieben etwas.

Mein theures Minchen, da sich die heilige Weinachttage naher, so kan ich nicht unterlassen euch ein fröliges Weinachtsfest zu wünschen, und hoffe dass du so wohl wil ich noch lange Jahren mit unsern geliebten Eltern und Geschwistern die heilige Weinachtsfeste in besten Gesundheit feiren mögen, darum will ich denn lieben Gott bitte. Jetz will ich dir auch eben mittheilen was ich zu Weinacht mache, für meinem lieben Vater stricke einen Geldbärsze, und für mein liebe Mutter strike ich ein paar Pantoffel, auch für Lieset strike ich Pantoffel, wenn mein liebes Minchen zum Weinachten hier währest so bekömest du auch gewist etwas, doch ich wil für dich einen Teller aufsetzen wil mal sehen ob das gute [Christus] kindgen auch für dich, meine theures Minchen, etwas bringt, daüber will ich dir nächsten schreiben, ob es was gebracht hat. Es ist dir gewisz doch wohl lieb wen ich dir erzehle, wie ich die Weinachtage zu bringen will, den ersten Festag Morgen, gehe ich mit meine lieben Eltern zu Kirche, und den zweiten Festag fahre ich nach Cappel, und werde Neujahr überbleiben, meine Schwester Mina [Graess- Kröner] wird so lange bei mein Eltern und Liesette die Zeit bleiben. Deine liebe Schwester Natgen und Wissling werden gewisz die Weinachtage bei euch sein; bitte grüsze sie freundligs von mir, und sage ihnen sie mögten künftigen Sommer gewisz mit ihren kleinen Knaben besugen und gerne möchte ich den kleinen Engel sehen.
Bitte Minchen, wen es dir eben möglig ist, so schreibe du mir doch noch vor Weinachten, denn feierte ich Weinachten vergnü
gt. Bitte schreibe mir doch mahl ob du kürzlig von meine liebe Schwester Emilie und Bella einer Brief bekommen hast, denn die liebe Bella hat mihr noch gahr nicht geschrieben.

Nun, mein theures Minchen, muss ich ein Ende machen, ich bin eilig, es ist Sonnabend, ich habe noch manches zu thun. Meine lieben Eltern und Liesette lassen deine lieben Eltern und Geschwistern herzlich grüssen. Mache deine lieben Eltern und Geschwistern, so auch die guten Freundin und Freunde meine freundlichsten grüsse. Leb wohl und schreibe recht recht bald, dies wünst dein dich liebende Freundin,

Johanna Kröner” (AJ02-18-05)

11. Brief van Emilie Kröner aan Mientje, Ibbenbüren 2 oktober 1844

In Duitsland kende men in de negentiende eeuw verschillende zogenaamde Kanzleischriften. Die handschriften waren voor buitenlanders zeer moeilijk leesbaar; de leestekens verschilden soms compleet van bijvoorbeeld Nederlandse leestekens. Maar ook voor Duitsers leverde de verschillende soorten versies problemen. Ludwig Sütterlin (1865-1917) ontwikkelde daarop een standaardisatie van die verschillende Kanzleischriften; die standaardisate werd naar hem het Sütterlin genoemd. In 1941 werd dat officiële Duitse schrift verboden.

Uit deze brief van Emilie Kröner blijkt dat zij gewend was om in het oud-Duitse schrift te schrijven. Mientje, en haar vader24, hadden moeite met het Duitse schrift te ontcijferen; daardoor schreven Johanna en Emilie Kröner deze brieven in Nederlands schrift.

Rotterdam, 2ten Ocktober 1844

Mein liebes Minchen!

Schon lange war mein vornehmmen um an dir meine liebe Freundin zu schreiben, doch den kam dieses und jenes im Wege. Um viele Endschuldigungen zu machen, hoffe ich ist nicht nödig, den dir wirst mir wohl verzeihen, nicht war?

Auch habe oft von dir mein liebes Kind einen Brief erwarttet weil ich meine das ich noch zu letzt geschriben habe. Ich hoffe das diese wenige Zeilen dich und deine liebe Famiellie in Wohlsein antreffen wird, wir sind auch alle noch Wohl, leider meine liebe Schwester Johanna, die hier seid 8 Woche loschirt ist, ist nicht gans wohl, sie ist seit acht Tage starck Erkältet und im Magen, doch heute ist sie ein bischen besser, wir wollen hoffen, und den lieben Gott bitten das sie bald wider hergestelt ist. Ach, mein liebes Minchen, was wird man doch traurig gestimt wen eine von seine lieben ungestelt ist; ich sitze hir oben und schreibe und das lieben Hanchen ligt zu Bett, sie läst herzlich grüssen und sagt sie würde diese Woche wohl wider besser werden, so bald wie die gutte Johanna wider besser ist, werden wir die Reise bestimmen, als den werden wir die Reise so einrichten das wir einige Tage bei euch lieben verweilen; dieses wird doch wohl angenehm sein, woran ich nicht zweiffelln.

Liebes Minchen, bitte verzeihe das ich so wenig schreibe, ich denke über 14 Tage bei euch zu sein alsden mündlich mer wo wir uns den gewis gegenseitig viel zu erzählen haben. Minchen, wie ist es doch das ich in dies ganse Jaar das ich hir bin keine von die liebe Famielie gesehen habe, anders kam deinen liben Vater oder deinen guten Bruder Heinrich [Jordaan] noch wol mal über, so habe Hanchen und ich noch immer Hoffnung gehabt das deinen Bruder in diese Zeit noch hir gekommen werde, den hätten wir die Reise gut zusammen machen können.

Bitte deine lieben Elttern und Geschwistern herzlich zu grüsen, Dinchen, Fritz lassen auch grüzen, auch alle Bekante grüse doch. Liebes Minchen, bitte schreibe doch bald wider. Es grust inbesonder, deine stets jnig liebende Freundin,

Emilie Kröner

So eben kommt mein Bruder Heinrich her und sagt er schreibe die andere Woche, so lange sollte ich wartten, nun habe ich diesen Brief fertig, und anders bleibt er wider dabei den Heinrich hatt schon mer gesagt das er schreibe und es bliebt er dabei. Verzeih mein schlechtes schreiben, den ich kan die Holändischen Buchstaben nicht gut schreiben.

Bitte diesen einligenden Brief an meine lieben Elttern mit die Post nach Ibbenbüren zu besorgen

in Eille.” (AJ02-18-13)



Derk Jordaan (1781-1876)

Twee brieven van Derk Jordaan aan zijn dochters Mientje en Dientje in Ibbenbüren, 1845

In augustus 1845 waren de zusters Mientje en Dientje Jordaan, resp. 27 en 20 jaar oud, uit logeren bij hun vriendinnen Johanna en Emilie Kröner in Ibbenbüren. Deze brieven geven een interessante kijk op de winkelnering van de familie Jordaan. Daarnaast wordt duidelijk dat de dames ook af en toe de handen uit de mouwen moeten steken.

Uit de tweede brief blijkt dat de gezondheid van de theologisch kandidaat Adrianus Johannes Schey (1811-1845), een volle neef van Mientje, broos is. Hij overleed een paar maanden later op 25 oktober 1845; hij werd 34 jaar oud.

12. Brief van Derk Jordaan aan zijn dochter Mientje, Haaksbergen 4 augustus 1845:

Haaksbergen, den 4 Aug. 1845

Liebbes Mientgen & Dientgen,

Het was ons aangenaam dat Hendrik [Jordaan] en neef gepasseerde donderdag weer thuis kwamen en nog aangenamer zou het ons geweest zijn als gij met hun teruggekomen waard, doch dit zij nu zo, en wij misgunnen u dat plezier niet om enige dagen daar langer gebleven te zijn, maar nu zou het ons toch lief zijn, dat gij ten spoedigsten weer komt, want het is juist in de oogst dat het met de landbouw en winkel nog al druk is, en het meeste lopen komt op Moeder [Berendina Jordaan-Wessels] aan, schoon [uw zusters] Wesselina en Johanna ook zeer wel hun best doen.

Nu komt er maar op aan wanneer en hoe gij het best weer om komt; dat zult gij met de heer Kröner moeten overleggen en gij daar dan mee tot Enschede reist. Ik zal bij Jan [Jordaan]25 bestellen dat hij u naar hier laat brengen, of gij moet ons schrijven wanneer wij uw van daar of elder zullen afhalen. Ik denk dat wij overmorgen naar Enschede gaan. Wisselink is zaterdag naar Varsseveld26 gegaan en komt hedenavond terug.

Moeder heeft nog niet bepaald of zij wel mee naar Enschede gaat, deels om de drukte en een gebrekkige meid, en zij klaagt ook over de ogen.

Wij zijn heden begonnen rogge te maaien en zaterdag zal Naatjen [Wisselink-Jordaan] wel weer vertrekken zodat wij met die reis en bij goed weer met rogge varen nog wel druk kunnen zijn met de paarden. Doch als er plan bestaat dat gij een of twee dochters van Kröner meebrengt, ‘t welk ons aangenaam zou zijn, dan willen wij u ook wel van Gronau27 afhalen, dat toch zeer goed in een dag kan geschieden, in welk geval gij ons dadelijk moet schrijven. Oordeel en overleg nu zelf en hoe eerder gij thuis komt, hoe liever.

In welke verwagting na groetens, ben UED Vader

Dk. Jordaan

Jantje [Melchers?] uit Den Haag is zo op moment met Brunnekreeft vertrokken. Hij scheen zich in ‘t Duitse reisje zeer goed vermaakt te hebben. Gij maakt voor al mijne Hertzelijke Grütte aan den Heer en Madame Kröner, en de jongelui” (AJ01-10a-01)

13a. Brief van Derk Jordaan aan zijn dochters Mientje en Dientje, Haaksbergen 16 augustus 1845:

Haaksbergen den 16 Aug. 1845

Waarde Minchen en Dienchen,

Uw letteren van den 9 dezer zijn ons geworden alsmede die van Juffer Johanna [Kröner], in Duits geschreven. Wij kunnen daar zoveel uit lezen, dat de goede vrienden Kröner u tot Gronau willen brengen hetwelk ons zeer aangenaam is. Doch dat is wat veel gevergd te meer daar het in een drukke tijd zal vallen, als wij het geluk hadden dat het weer opklaarde om rogge in te varen. Hier regent het alle dagen en de rogge loopt op ‘t land weer uit. Zo zij u tot Gronau brengen dan missen zij de paarden twee dagen. Gij moet het met de heer Kröner overleggen hoe het hun best slaagt, en schrijf ons waar wij u zullen afhalen. Doch hoe eerder, hoe liever. Gij begrijpt toch wel dat wij de handen vol hebben, voornamelijk Moeder en [uw zusters] Wesselina en Johanna. De meid, dat weet gij, daar is niet veel bij. Kon gij ene goede, eerlijke Duitse opsporen, dat zou niet kwaad zijn. Ik weet niet of hier tegen Mei iets goeds te vinden is; die uit de snelgetouwen weten niets aan te tasten.

Bijzonder nieuws is hier niet. A.J. Scheij is zo hetzelfde, diaree verzwakt hem. Oom [Dominee] Van den Ham brengt zijn jonge heer weer mee, en moet dan aan de pastorie nog iets getimmerd worden.

Dat onze huishouding stil is kan gij wel denken daar [uw zusters] Naatjen, Tr[ui] & Petr[onella] in Hellendoorn zijn.

Morgen over acht dagen word ‘t orgel te Goor ingewijd, waar D. ten Doesschate ons heeft verzocht.

Nu na groetenis meede veele complimenten aan ‘t gezin Kröner, U.D. Vader

Dk. Jordaan

Ik zend deze naar Gronau of [uw broer] Albertus soms gelegenheid mocht hebben in geval hij er iets bij te schrijven heeft.

Nawoord

De inwijding van het orgel in Goor is voor mij extra interessant, doordat op dat moment mijn voorvader Ds. Nicolaas Jannink (1813-1902) daar predikant was. Derk Jordaan werd door diens aangehuwde neef Derk ten Doesschate (1795-1884) uitgenodigd om de inwijding bij te wonen. De schoonmoeder van Derk ten Doesschate, Johanna ten Doesschate-Jordaan (1770-1853), woonde eveneens in Goor en was een zuster van Derk Jordaan.

De Nieuwe Rotterdamsche Courant 28 augsutus 1845 schreef het volgende over het inwijdingsfeest:

[Goor], 24 Augustus. Is het bij de openbare godsdienst-oefeningen niet onverschillig, ja, eene wezenlijke behoefte , dat het gezang, waardoor het gemoed tot dankbare erkentenis en diepen eerbied jegens het Opperwezen gestemd wordt, door orgelmuziek begeleid worde, vooral daar, waar men, over het algemeen, niet dan ongeoefende zangers en zangeressen aantreft, de dag van heden was dan ook regt welkom aan de ingezetenen dezer plaats, leden der hervormde christelijke gemeente , daar de lang verbreide inwijding plaats vond van een nieuw orgel in hun, sedert kort aanmerkelijk verbeterd en verfraaid kerkgebouw; welk speeltuig, vervaardigd door den kundigen orgelmaker Armbrost te Haaksbergen, en bij deze gelegenheid voortreffelijk bespeeld door den heer W. Jennes, organist te Enschede, niet alleen aan alle verwachting voldeed, maar die zelfs verre overtrof. De feestviering, onder leiding van den eerw. predikant Jannink, werd niet weinig opgeluisterd door de tegenwoordigheid van den heer Baron van Heeckeren van Twickel met deszelfs gemalin en van meerdere aanzienlijken, die door milde geldelijke bijdragen van hunne belangstelling in dezen hadden doen blijken; terwijl op eene allezins waardige wijze hulde werd toegebragt aan de nagedachtenis van wijlen den Graaf van Nassau28, alsnog in de laatste dagen van zijn leven eene gift van f 500 tot den aanmaak van het orgel toegestaan hebbende.”

13b. Aanvullende schrijven van Albertus Jordaan aan zijn zusters, Gronau 16 augustus 1845:

Gronau 16 augustus 1845

Zeer geachte zusters,

Zo op het moment ontving ik deze van Haaksbergen en haast mij u dezelfde te overhandigen. Zo ik uit vaders brief verneem, kan gij van daaruit wegkomen. Het weer en de weg is zo slecht en daarbij het water zeer hoog, anders had ik morgen u van Ibbenbüren kunnen afhalen, doch is nu bijna onmogelijk.

Ik kan het niet met zekerheid bepalen en gij kunt u daarop niet verlaten, anders zou ik u morgen over 8 dagen afhalen. Hoe is het toch met mijn Elieze. Vraagt haar of zij nog wel eens aan mij denkt. De post vertrekt dadelijk en moet afbreken.

Adieu,

A. Jordaan

in haast

ik ben met het afhalen verlegen en kan hiervan met zekerheid niets bepalen. Mijn complimenten niet te vergeten.

Ik heb geen tijd genoeg anders zou ik ook aan Herman [Kröner] geschreven hebben.” (AJ01-10A-02)

1Derk Jordaan woonde in 1814 in de Oostenstraat.

2Huis ‘Het Witte Paard’ werd gekocht door grootvader Jan Jordaan (1740-1810) en kwam na diens dood toe aan zoon Albertus Jordaan (1775-1819). In 1822 erfde Derk Jordaan het huis ‘Het Witte Paard’

3Na 1818 komt Derk Jordaan niet voor als bouwman

4Ds. Petrus Scheij (1763-1853), predikant te Haaksbergen tussen 1788 en 1833, huwde 1e 1788 met Aleida Immink en huwde 2e 1810 met Cornelia Jordaan (1776-1855), een zuster van Mientje’s vader Derk Jordaan (1781-1876).

5Dochter van voornoemde predikant Ds. Petrus Scheij (1763-1853) en daarmee een volle nicht van Mientje Jordaan.

6Hendrik Kleinhoonte werd 23 maart 1817 te Ede geboren als zoon van Jan Jacob Kleinhoonte en Cornelia Odijk. Hij huwde in 1851 met Johanna van Nes en overleed 13 maart 1883 in zijn woonplaats Dalfsen.

7Jet van Delden is waarschijnlijk identiek aan Hendrina van Delden (1821-1906), die in 1848 te Barneveld trouwde met Hendrik Sweys (1818-1873). Haar zuster Hillegonda Katharina van Delden huwde een paar maanden na het schrijven van bovenstaande brief, op 10 augustus 1840, te Barneveld met Francis G.B. van Bleeck van Rijswijk.

8Waarschijnlijk identiek aan Hendrica Engelina Morssinkhof (1814-). Zij was een dochter van Gerrit Morssinkhof en Johanna Louisa Dieperink. Haar vader was logementhouder in ‘De Zon’ te Haaksbergen. In 1888 liet Johannes Gijsbertus Jordaan (1852-1892), een neefje van Hermina Jordaan, het logement afbreken en daarop een villa bouwen (Markt 8, in de volksmond bekend als ‘pand Grooters’). Hendrica Engelina Morssinkhof trouwde in 1848 met de molenaar Jurriaan Reudink uit Lonneker.

9Waarschijnlijk Hermina Coops (1819-1904), dochter van wijnkoper Hendrik Coops en Catharina Coops. Zij trouwde in 1851 met Jacob Christiaan Uitenhage de Mist (1815-1870).

10Een oude lengemaat en bedroeg in Nederland ongeveer 69,4 cm.

11Met de familie Beijen zal het gezin van de geneesheer Johan Franco Beijen (1803-1842) te Barneveld zijn bedoeld.

12Redderen = rangschikken

13Lotje Kröner-Becker beviel op 7 december 1842 te Rotterdam van een zoon, Hermann Friedrich Heinrich Kröner

14Waarschijnlijk Heinrich Anton Wilhelm Kröner (1835-1895), zoon van Hendrik Kröner en Lotje Becker

15Maximiliaan Wilhelm Carel Melchers was in 1867 gepensioneerd ontvanger der gemeentelijke accijnzen.

16Haar ouders waren geboren in Den Haag. Haar grootouders waren Johannes Leendert Melchers, Johanna Elisabeth Melchers-Peyffers, Johan Christian Werthmuller en Dorothea Werthmuller-Estor. Haar grootmoeder Johanna Elisabeth Melchers-Peyffers was wel geboren in Hellendoorn maar was niet gelieerd aan de Jordaans.

17De grootmoeder van Johanna Elisabeth Melchers was Dorothea Werthmuller-Estor. Haar zuster C.J. ‘Kate’ Melchers (1825-1870) en broer Mr. J.L. ‘Jan’ Melchers (ca. 1823-1881) huwde kinderen van de Haagse broodbakker Johannes Sommer. Reeds voor die laatste twee huwelijken, resp. in 1850 en 1854, bestond er een relatie tussen de families Melchers en Sommer; vader M.W.C. Melchers trad namelijk in 1825 op als getuige van het huwelijk van Johannes Sommer met Geertruida Wilhelmina Estor.

18Derk Hendrik Schaars (1828-1884) was een zoon van Hendrik’s schoonzuster Anna Geertruy Schaars-Smits (1804-1882)

19Herman Friedrich Heinrich Kröner werd op 7 december 1842 te Rotterdam geboren als zoon van Arnold Philipp Heinrich Kröner (1808-1879) en Maria Helena Charlotte Becker (1806-1857). Hij overleed op 25 juni 1855 te Nijmegen; hij werd 12 jaar oud.

20Jan Jordaan (1816-1883), directeur der Enschedesche Katoenspinnerij, huwde 8 september 1843 te Enschede met Geertruid / Trui Stroink (1819-1882). Zij was een dochter van de vermogende textielfabrikant Willem Stroink (1783-1845) en Judith Paschen (1792-1855)

21Sophie Lisette Emilie Staggemeyer huwde 2 mei 1848 te Ibbenbüren met Heinrich Friedrich Wilhelm Wolf.

22Bedoeld wordt Westerkappeln in Kreis Steinfurt, Westfalen. Daar woonde een oudere zuster van Johanna en Emilie Kröner, S.C.W. ‘Mina’ Graess-Kröner.

23Waarschijnlijk 1843 doordat G.W. Wisselink en Naatjen Jordaan een zoon blijken te hebben. Daarnaast blijkt Albertus rond deze tijd te zijn verhuist naar Gronau; de plaats waar hij in tenminste 1845 al blijkt te wonen.

24Blijkens de brief van Derk Jordaan aan zijn dochters Mientje en Dientje, d.d. 16 augustus 1845

25Jan Jordaan (1816-1883), oudste broer van Hermina, was directeur van de Enschedesche Katoenspinnerij.

26Varsseveld is de geboorteplaats van Gerrit Willem Wisselink (1807-1864), zwager van Hermina Jordaan.

27Gronau was de woonplaats van Hermina’s broer Albertus Jordaan

28Koning Willem I, op dat moment geadbiceerd ten behoeve van zijn zoon koning Willem II.

iGeboorteakte Harmina Jordaan, Haaksbergen 29 mei 1818 (zoekakten.nl, 2016)

iiFamiliearchief Jordaan, AJ02-20E-16

iiiRotterdamsche Courant 29 oktober 1839 (kranten.delpher.nl, 2016)

vFamiliearchief Jordaan, AJ02-20E-13

viFamiliearchief Jordaan, AJ02-20E-01

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*