De eerste indruk van Engeland, 1857

Oldham 23 augustus 1857

Lieve Nichtjes & Neven,

Het noodlot bragt ons heden toevallig te zamen, en wij kunnen niet nalaten deze gelegenheid waar te nemen om aan onze belofte van u te schrijven te voldoen . Met weemoed in het hart zitten wij thans in Oldham en gedenken aan oude dierbare vaderstad, waarvan wij thans door de baren der zee gescheiden zijn. Hier ontviel ons een traan bij de herinnering aan de genoegelijke dagen die wij nog zoo onlangs in Enschede hebben doorgebragt. Maar wij willen u niet verder lastig vallen met onze droevige gedachten en u liever een geregeld verhaal geven van onze lotgevallen sedert wij u verlaten hebben.
Voordat wij op zee waren is ons niet bijzonders overkomen, maar toen begonnen onze lotgevallen. In het begin ging alles goed, wij zaten op het dek en dachten juist aan het Amelink waar gij toen allen verzameld waart, maar tegen den avond echter, toen Willem [Blijdenstein] juist eene verheven poëtische opmerking maakte over het schoone der ondergaande zon op zee, viel Jan [van Heek] hem zeer prozaïsch in de rede. Hij had zich namelijk reeds eenigen tijd niet wel gevoeld en ging nu plotseling tot daadzaken over. Willem sprong nog ter regter tijd op zijde; maar de pen weigert thans den deplorabelen toestand van Jan te beschrijven. Hij begaf zich dadelijk naar kooij en verliet dezelve niet weder voor dat wij den volgenden morgen de Engelsche kust in het gezigt kregen.
De eerste indruk, dien Engeland op ons maakte, was allesbehalve gunstig, maar wij kregen eenigzins betere gedachten, toen wij in het hotel Minerva te Hull een paar Engelsche jonge dames zagen. Wij willen in geene nadere beschrijving vam dezelve treden; genoeg ‘t was banket. Met leedwezen verlieten wij Hull nog denzelfden dag en zetteden ons reis naar Manchester voort , waar wij des avonds om tien uur aankwamen.

De eerste dagen, die wij hier doorbragten, gingen onder drukke bezigheden voorbij, het eenigste wat wij in dien tijd zagen, was de tentoonstelling. Om Mietje [Ledeboer-van Heek] pleizier te doen, zullen wij hier eenige opmerkingen maken over de schilderijen, etc. Er waren ongelogen 3.000.000 schilderijen van allerlei beroemde meesters, onder anderen van: Unknown, Havenothing, Nevermind, etc. Onder de schilders van den tweeden rang vonden wij: Rubens, Raphaël, Murillo, Van Dijk, Rembrandt. De schilderijen die ons het meest interesseerden waren de volgende: Wanhoopige liefde van Lovelady, de zeeziekte van Kotzebus en nog een paar andere, die zich bijzonder onderscheidden door de (…ntheid) der kleuren, het schoone en de zachtheid der schaduwen. Dit zal wel genoeg voor Mietje zijn, om zich een denkbeeld te vormen van het prachtige der tentoonstelling.
Den eersten zondagmiddag bragten wij zeer genoegelijk bij Mr Bazley door. Wij waren er op de thee verzocht. Toen wij aankwamen werden wij eerst aan de jonge dames Bazley voorgesteld, waarna wij aan de orde van den dag overgingen (wel te verstaan thee drinken was aan de orde). Daar het weer des avonds zeer schoon [was], bragten wij het overige van den dag of liever avond in den tuin door en bewonderden de schoone natuur . Maandag & dingsdag hebben wij de grootste fabriek van Sharp Brothers bezien, waarin ongelogen eenige duizenden werklieden bezig waren. Den volgenden dag, woensdag, hebben wij een treurig afscheid van elkander genomen en is ieder naar de plaats zijner bestemming vertrokken.
Onze verdere lotgevallen zullen wij u maar niet melden, daar zij niets bijzonders bevatten, doch wij kunnen in de verzekering geven dat wij iederen dag druk werken, waartoe wij zooveel te meer aangespoord worden, doordat wij hoegenaamd geen afleiding hebben en dus anders ten prooi van vreesselijke vervelend en heimwee zouden worden. Een volgende keer zullen wij u wel eens meer schrijven over den indruk, die Engeland op ons gemaakt heeft en tevens onze gedachten over de Engelschen uiteenzetten, terwijl wij alsnu nog eene kleine vermaning tot u rigten willen.
Wij hebben namelijk vernomen dat gij tot over de ooren toe in de pretjes en dat er dagelijks vreesselijke onweersbuijen aan de lucht optrekken (L.). Wij raden u het niet te druk aan te leggen, maar u liever zooals wij vrijwillig aan alle pretjes en vermakelijkheden te onttrekken.
Wij denken thans aan onzen pligt voldaan te hebben en verwachten spoedig antwoorden.
Ontvang duizend kussen en handddrukken van
uwe liefhebbend neven,
G.J. van Heek
W.J. Blijdenstein”

– – – – – – – – – – –

De reisgenoten G.J. ‘Jan’ van Heek (1837-1915) en Willem J. Blijdenstein (1839-1921) waren voor zover bekend de eerste Enschedese fabrikantenzonen die als volontair te werk gingen in hét textielcentrum van de wereld: Lancashire. De 19-jarige Jan en 17-jarige Willem waren in de wieg gelegd om later als firmant toe te treden tot resp. de firma’s Van Heek & Co en Blijdenstein & Co. De twee neven hadden daarnaast gemeen dat hun vaders al waren overleden, waardoor zij door hun oudere broers werden klaargestoomd voor een positie in de textiel. Enkele maanden voor de brief, in april 1857, werden de Twentse textielfamilies door de Rotterdamse koopman (en voorvechter van vrijhandel) Hendrik Muller met de neus op de feiten gedrukt, namelijk dat zij door de differentiële rechten op Nederlands-Indië ingedut waren op hun buitenlandse concurrentie. Met name op technisch vlak zouden de Twentse fabrikanten zonder de beschermende invoerrechten niet kunnen concurreren. Die ‘wake-up call’ werd gehoord door Jan’s oudste broer Hendrik J. van Heek (1814-1872) die vervolgens Henry Bazley verzocht om een geschikte stageplaats te vinden. Zo geschiedde. In augustus 1857 gingen Jan van Heek en zijn vriend Willem Blijdenstein op weg naar Engeland en wisten vervolgens met hun opgedane ervaring hun textielfirma’s verder te laten opbloeien. Ook werd hun voorbeeld snel door de meeste fabrikantenzonen gevolgd en behoorde een stage in het buitenland voortaan tot de vaste prik.

In de brief schrijven Jan en Willem over een tentoonstelling in Manchester. Die grote tentoonstelling van kunstschatten werd in mei 1857 feestelijk geopend door prins-gemaal Albert (de echtgenoot van koningin Victoria). Nooit eerder waren zoveel kunstwerken op één plaats bijeengebracht. Ook verschillende buitenlandse vorsten en particulieren hadden daaraan meegewerkt. De tentoonstelling was tot oktober 1857 te bezoeken, dus daarvan konden de twee Enschedese vrienden mooi profiteren.
– – – – – – – – – – –

  • Jan van Heek en Willem Blijdenstein kenden elkaar niet alleen uit Enschede, maar ook uit Deventer alwaar zij beiden kostschoolleerling waren. Zij woonden ten huize van Harremannus Levenkamp (1822-1909), docent ‘levende talen’ aldaar. Hij herbergde verschillende fabrikantenzonen uit Enschede en onderhield tot op hoge leeftijd contact met sommige oud-huisgenoten uit Twente.
  • De 20-jarige Jan van Heek werd bij Koninklijk Besluit van 16 augustus 1858 meerderjarig verklaard. Daardoor kon hij een aantal maanden later, na de liquidatie van de oude firma H.J. Van Heek & Zonen, met zijn oudere broers Hendrik J. van Heek en Herman van Heek toetreden tot de nieuw opgerichte firma Van Heek & Co.
  • voor meer informatie over de belangrijke inmenging van Hendrik Muller, zie facebookpost 9 april 2022
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Jannink

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*