De ‘Gerrit-tak’ van de familie Ter Kuile

Engelbert ter Kuile (1740-1808) geniet binnen de familie Ter Kuile aanzien als de ‘stamvader der stamvaders’. Hij onderscheidde zich als de eerste van zijn lijn die in Enschede werd geboren en zich daar opwerkte tot een van de grote fabrikeurs van zijn tijd. Zijn uitgebreide nageslacht, rijk aan zonen, leidde tot het ontstaan van diverse familietakken. Deze takken worden binnen de familie aangeduid met de voornamen van de ‘stamvaders’ of de aan hen gerelateerde eigendommen. Dit artikel werpt specifiek een blik op de ‘Gerrit-tak’, vernoemd naar Gerrit Jan ter Kuile (1800-1864), een van Engelberts oudste kleinzonen. Onlangs heeft het Archief Twentse Textielfamilies een foto ontvangen die wordt beschouwd als de oudste foto van deze tak. Opmerkelijk is dat deze tak eigenlijk de ‘Jan-tak’ zou moeten heten, aangezien dit de werkelijke roepnaam was van Gerrit Jan ter Kuile. Dit artikel belicht drie generaties van de familie Ter Kuile: Jan ter Kuile zelf, zijn oudste zoon Piet (1829-1911) en de vijf zonen van Piet. Een verhaal over daling en stijging op de sociale ladder.

G.J. ‘Jan’ ter Kuile (1800-1864)

Gerrit Jan ter Kuile, geboren op 29 januari 1800, was de tweede zoon van fabrikeur Pieter ter Kuile (1774-1807) en Eva Catharina van Heek (1768-1826). Het leven van Jan nam een tragische wending kort na zijn zevende verjaardag, toen zijn vader overleed op 33-jarige leeftijd. Daarna nam zijn moeder, een vooruitstrevende vrouw, de leiding over de textielfirma op zich. Zij betrok niet alleen haar zonen maar ook haar dochters bij het bedrijf, waaronder Jans oudere zuster, Margaretha Hermina van Heek-ter Kuile (1796-1874). Zij ontpopte zich tot een pientere zakenvrouw en werd uiteindelijk zelfs de rijkste inwoner van Enschede, al was dit laatste voornamelijk te danken aan haar lucratieve huwelijk met haar neef Gerrit Jan van Heek. Minder fortuinlijk was daarentegen het lot van haar jongere broer Jan.

Jan ter Kuile bracht zijn jeugd door in het ouderlijk huis aan de Markt te Enschede, op de plaats van het tegenwoordige adres Oude Markt 3. Na het overlijden van zijn ouders betrok hij het ouderlijk huis met zijn echtgenote Gezina Roessingh (1804-1889) en hun negen kinderen. Het echtpaar bezat goede genen, want alle kinderen bereikten de volwassen leeftijd. Dit bracht ook zorgen met zich mee, aangezien de vijf zonen en vier dochters uiteraard goed terecht moesten komen, terwijl Jan zelf worstelde met zijn zakelijke activiteiten.

Het huwelijk van Jan ter Kuile en Gezina Roessingh in 1826 begon voorspoedig. Jan erfde het voornoemde familiehuis aan de Markt en de daarachter gelegen indigo-ververij aan de Walstraat, terwijl Gezina een aanzienlijke bruidschat meebracht. Ze kozen voor een huwelijk in gemeenschap van goederen. Naarmate de jaren verstreken, bleek echter dat Jans zakelijk inzicht tekortschoot, wat grote zorgen baarde bij zijn schoonvader, fabrikant Carel Roessingh. Verschillende malen leende Carel Roessingh duizenden guldens aan zijn schoonzoon. Helaas bracht dit weinig goeds…

In augustus 1844 voelde de 64-jarige Carel Roessingh zijn levenseinde naderen. Inmiddels ongetwijfeld grijze haren gekregen van de precaire financiële situatie van zijn schoonzoon, besloot hij – in samenspraak met zijn zoon, dochter en schoonzoon – al het onroerend goed van Jan ter Kuile te kopen. Dit bestond uit het woonhuis aan de Markt 3 met de daarachter gelegen tuin en ververij, alsmede het boerenplaatsje Klein Snuverink in Boekelo. Het woonhuis aan de Markt werd vervolgens, inclusief de inboedel, door zijn schoonzoon en dochter gehuurd. Een paar weken later verscheen notaris Wilmink uit Borne persoonlijk ten huize van Carel Roessingh in Enschede, die aan het Van Loenshof woonde. De doodzieke Roessingh en zijn echtgenote testeerden voor de notaris en legateerden, voor zover mogelijk, de helft van hun nalatenschap aan de kinderen van hun dochter Gezina ter Kuile-Roessingh.i Een dag later blies de grootvader, vermoedelijk enigszins opgelucht, zijn laatste adem uit. Jan en Gezina ter Kuile-Roessingh konden het huis aan de Markt 3 in huur blijven bewonen en gebruiken.ii Ook het boerenplaatsje Klein Snuverink in Boekelo, dat in 1837 door Jan ter Kuile werd gekocht, kon op deze manier worden behouden voor het Ter Kuile-nageslacht.iii

In 1862 leidde een verwoestende stadsbrand tot de vernietiging van bijna het gehele centrum van Enschede, inclusief het woonhuis van de familie Ter Kuile aan de Markt. Hoewel de meeste percelen snel werden herbouwd, gold dit niet voor Oude Markt 3. Opmerkelijk genoeg koos de familie ervoor om een nieuw huis te bouwen aan de achterzijde van het perceel aan de Walstraat, nummer 46, op de locatie van de afgebrande ververij. Dit was een ongebruikelijke beslissing, aangezien een locatie aan de Markt als prestigieus werd beschouwd. De oorspronkelijke plek aan de Oude Markt 3 bleef ruim vijftig jaar onbebouwd en fungeerde in die jaren als tuin, die zich uitstrekte van het huis aan de Walstraat tot aan het marktplein. In dit nieuwe huis overleden Jan ter Kuile en Gezina Roessingh, respectievelijk in 1864 en 1889. Daarna werd het pand nog bewoond door twee van hun ongehuwde dochters. Na het overlijden van de laatste dochter, Eva Catharina ter Kuile, in 1911, kreeg het pand verschillende bestemmingen, waaronder die van zetel voor de Christelijke Textielarbeidersbond Unitas en het Instituut Steno. Met het verdwijnen van de woonfunctie, was er geen noodzaak meer de ruime tuin onbebouwd te laten. In 1916 werd op de locatie Oude Markt 3 alsnog een nieuw gebouw opgericht, oorspronkelijk dienende als bijkantoor van de Amsterdamsche Bank.iv Tegenwoordig dient dit pand als horecagelegenheid. Het huis aan de Walstraat, dat tussen 1862 en 1911 werd bewoond door de familie Ter Kuile, werd in de tweede helft van de twintigste eeuw afgebroken.

Pieter ter Kuile G.J.zn (1829-1911)

Na de verwoestende stadsbrand in 1862, verplaatste Jan ter Kuile zijn ververij naar het Pathmos. Helaas kon hij niet lang van deze nieuwe start genieten, want hij overleed in 1864 op 64-jarige leeftijd. Het textielbedrijfje werd daarna voortgezet door zijn oudste zoon, Piet ter Kuile (1829-1911), die kort daarvoor getrouwd was met Johanna Frederica van Delden (1835-1919). Piet en Johanna woonden in de Esmarke, destijds onderdeel van de gemeente Lonneker. Met het bedrijfje ging het echter niet goed; rond 1870 moest het al sluiten, waardoor Piet zonder werk kwam te zitten. Zijn achternicht Marie ter Kuile-van Heek beschreef in haar memoires zijn opmerkelijke levenswandel:

Toen [Piet ter Kuile] dan op Pathmos zijne ververij aan de kant had gedaan, bleef hij op zijne lauweren rusten en deed niets meer, woonde aan de buitenkant van de stad en teerde op de familie. Deze deed alle moeite om hem weer aan het werk te krijgen en eindelijk gelukte het haar hem een agentuur, ik geloof van een chemische fabriek, te bezorgen. Met eenige monsters gewapend, toog hij naar Bert Jannink en trad het kantoor binnen. “Dag Bert”, “Dag Piet”. “Bert, kö’j nog strond in een dösken gebroeken?”. “Strond in n’n dösken? Nee, Piet, strond in n’n dösken gebroek wi’j nich”. “Dag Bert”. “Dag Piet”.
Eens trad hij het kantoor van Schuttersveld binnen om een order op te halen, die hij ook kreeg. Met dat hij het kantoor verlaten wil, zegt hij: “I’j hebt hier toch zoovöl keerls zitten, könt di nich meteen de order opgeffen!”

Hoewel Piet ter Kuile misschien niet op zakelijk vlak uitmuntte, ontbrak het hem niet aan humor, iets wat kenmerkend was voor veel Ter Kuiles. Gijs van Heek (1872-1942), een broer van voornoemde Marie, was een clubgenoot en goede vriend van Piet’s zoon Bert en kwam altijd graag bij hem thuis ‘en kwam dan steeds met vermakelijke verhalen terug’. Piet en Johanna ter Kuile-van Delden waren beiden gezegend met een lang leven; zij stierven respectievelijk op 81- en 84-jarige leeftijd in 1911 en 1919. Het echtpaar kreeg zes kinderen, waarvan hun enige dochter, Gezina, op 10-jarige leeftijd stierf.

Op het groepsportret zien we Piet en Johanna ter Kuile-van Delden omringd door hun vijf zonen. Deze foto, vermoedelijk gemaakt rond de eeuwwisseling, wordt beschouwd als de oudste familiefoto van de ‘Gerrit-tak’. Ondanks hun financiële moeilijkheden, ontvingen de zonen een goede opleiding en werden ze opgenomen in de clubs van de textielelite. Hoewel de textielindustrie destijds bloeide, hadden deze vijf broers Ter Kuile geen toekomst als fabrikant, aangezien hun vader zijn fabriekje al rond 1870 had gesloten. Daarom moesten de broers uitzien naar andere betrekkingen en beproefden drie van de vijf zonen hun geluk zelfs buiten Twente…

Ter Kuiles in Mijnsheerenland

Engbert ter Kuile (1840-1909), de jongste broer van Piet, werd in 1880 benoemd tot notaris in Mijnsheerenland, een dorpje in de Hoeksche Waard. Zijn zus, Gezina ter Kuile (1844-1899), kwam bij hem wonen, waarschijnlijk om de huishouding op zich te nemen. De kinderen van Piet brachten hun vakanties graag door bij hun ongehuwde oom en tante in dit rustige dorpje. Tijdens een van die vakanties in Mijnsheerenland stierf de tienjarige Gezina ter Kuile (1874-1884), de enige dochter van Piet. Korte tijd tevoren was haar oudste broer Gerrit Jan Bertinus ter Kuile (1864-1933) ook van Enschede naar Mijnsheerenland verhuisd; hij was daar aanvankelijk verzekeringsagent, maar werd in 1901 benoemd tot burgemeester van het dorp. De burgemeester woonde met zijn echtgenote in een grote villa aan het Westeinde aldaar.

Ter Kuiles in Ned. Indië

In de negentiende eeuw vertrokken twee zwagers en een schoonzuster van Piet ter Kuile naar Nederlands-Indië. Denkelijk verleid door de spannende verhalen uit het Verre Oosten, stapten twee zonen van Piet in 1894 op de boot. Benjamin ter Kuile (1866-1929), de tweede zoon van Piet, werd aangesteld tot notaris in Soerabaja. Een van zijn eerste handelingen daar was de inschrijving van een nieuwe handelsfirma, namelijk Harmsen, Verwey & Co.v De oprichters van dit bedrijf kwamen eveneens uit Twente en maakten deel uit van de ‘Ruslui’, een groep Vriezenveense families die al sinds de achttiende eeuw succesvol handel dreven met Sint-Petersburg. Schijnbaar hadden enkele telgen hun werkgebied verplaatst naar Indië. Ook Benjamin was ondernemend ingesteld; in 1895 vroeg hij bijvoorbeeld toestemming voor het uitvoeren van mijnbouwkundige opsporingen en ontdekkingen in het district Bogorame op Java.vi Dit bleek een goede zet, want twee jaren later verkocht hij de vergunning aan de N.V. Petroleummaatschappij Rembang.vii

Een jongere broer van Benjamin, Pieter Carel ter Kuile (1870-1962), bleek eveneens avontuurlijk te zijn ingesteld. Na een korte periode werkzaam te zijn geweest bij de Twentsche Stoombleekerij in Goor, vertrok hij in 1894 naar Zuid-Afrika waar hij meetrok met de Boeren. De oplopende spanning tussen de Boeren en Britten ontaardde in 1899 in de Tweede Boerenoorlog. Dat jaar vertrok Pieter Carel naar zijn broer Benjamin in Soerabaja.viii Daar werd hij chef der handelsonderneming Harmsen, Verwey & Co en vervulde in Soerabaja meerdere publieke functies, waaronder die van vice-consul van Denemarken en raadslid. Zijn prestaties werden erkend met diverse onderscheidingen: Pieter Carel werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau, Ridder in de Dannebrogsorde en Ridder in de Kroonorde van België.

Ter Kuiles in Enschede

In tegenstelling tot hun drie voornoemde broers die hun geluk elders zochten, kozen Johan (1867-1945) en L. ‘Bert’ ter Kuile (1872-1943) ervoor om in Enschede te blijven. Bert was lid van de zg. Pathmosclub, waar ook zijn goede vriend Gijs van Heek deel van uitmaakte. In 1903 richtten Johan en Bert de firma Gebrs. Ter Kuile op, gespecialiseerd in fabrieksartikelen zoals motoren, transformatoren en kraanuitrustingen. Deze onderneming groeide uit tot een technische handelsbureau, dat later werd voortgezet door Johan’s zoon Guus ter Kuile.

Eind goed, al goed

  • Enschede, Walstraat 46. In de beeldbank van Erfgoed Enschede heb ik helaas geen foto kunnen vinden van het huis aan de Walstraat. De bijgevoegde afbeelding uit 1909 toont de westzijde van de Markt, met de huizen Markt 4 tot aan de Marktstraat (Beeldbank Erfgoed Enschede, nr. 9533). Aan de linkerkant is nog steeds het lage hekwerk te zien, waarachter zich de diepe tuin tot aan het woonhuis aan de Walstraat bevond. Als u beschikt over een foto van het oude woonhuis van de familie Ter Kuile aan de Walstraat, horen we dat graag.
  • Enschede, Oude Markt 2. Dit pand was gelegen naast het woonhuis van G.J. ‘Jan’ ter Kuile en werd bewoond door zijn zuster Margaretha Hermina van Heek-ter Kuile. Zij was gehuwd met haar neef Gerrit Jan van Heek (1780-1851), die naast textielfabrikant ook lid der Provinciale Staten van Overijssel was. De neven Gerrit Jan ter Kuile en Gerrit Jan van Heek werden allebei vernoemd naar hun grootvader uit Delden, Gerrit Jan van Heek (1728-1795). Opmerkelijk is dat beide neven luisterden naar de roepnaam ‘Jan’ in plaats van ‘Gerrit’. Die traditie werd binnen hun familie veelvuldig voortgezet, zoals bij G.J. ‘Jan’ Jannink (1838-1865), G.J. ‘Jan’ Jannink (1844-1912), G.J.P. ‘Jan’ van Heek (1866-1937), G.J. ‘Jan’ van Heek (1837-1915), G.J. ‘Janny’ van Delden (1888-1982) en G.J. ‘Jan’ van Heek (1891-1971).
  • Het groepsportret Ter Kuile-van Delden is afkomstig van mevr. Saskia ter Kuile en werd onlangs door haar geschonken aan het Archief Twentse Textielfamilies (inv.nr. 7004).
De westzijde van de Markt te Enschede in 1909 met links het lage hekwerk waarachter de tuin en het huis aan de Walstraat gelegen waren. (Beeldbank Erfgoed Enschede, 2024)

iCollectie Overijssel, 0122 Notarissen in Overijssel, inv.nr. nots. E. Wilmink te Borne, 24 augustus 1844, akten 196 en 197

iiCollectie Overijssel, 0122 Notarissen in Overijssel, inv.nr. 589 Nots. E. Wilmink te Borne, 15 augustus 1845, akte 165

iiiCollectie Overijssel, 0122 Notarissen in Overijssel, inv.nr. 589 Nots. E. Wilmink te Borne, 15 augustus 1845, akte 165

ivTubantia, 8 maart 1916

vDe Locomotief, 23 maart 1895

viHet Vaderland, 19 november 1895

viiJava-bode, 21 mei 1897

viii‘Familie Ter Kuile’ 1919-2019

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*