Na de stadsbrand van 1862: brieven uit een verwoeste stad

In de vorige bijdrage voor de Facebookpagina van het Archief Twentse Textielfamilies stond de bouw- en bewonersgeschiedenis van het Van Heekshuis centraal, tot aan de grote stadsbrand van 7 mei 1862. In dit artikel richten we ons niet op stenen en plattegronden, maar op papier: documenten uit het Archief Twentse Textielfamilies die een kleurrijk en persoonlijk beeld geven van het eerste jaar van wederopbouw in Enschede — niet zo zeer van de fabrikanten, maar in het bijzonder van hun getroffen stadsgenoten.

Een tijdelijk thuis op het platteland: ’t was zeer behelpen

Ingekleurde portretfoto van Hendrik Jan van Heek (1814-1872)
(Archief Twentse Textielfamilies; bewerkt met Deevid AI, 2026)

De 47-jarige weduwnaar Hendrik Jan van Heek moest zijn verwoeste huis verlaten en trok kort na de brand naar Het Wageler: een boerenerf dat hij samen met zijn zuster Maria Geertruid (Mietje) Ledeboer-van Heek in eigendom had.

Op Het Wageler werd het ‘oude huisje’ in korte tijd tot noodwoning omgevormd. De inrichting bestond uit meubelstukken die onder meer waren gered uit het verbrande huis van de moeder van Mietje Ledeboer-van Heek aan de Gronausestraat. Hendrik Jan van Heek had zijn eigen kamer, terwijl de zitkamer en zijkamer werden gedeeld door Mietje en haar moeder en dochter. Volgens de overlevering sliepen de drie dienstboden in de bedstede in de keuken, terwijl de paardenstal tot slaapzaal werd ingericht voor de jongens van de kostschool. De woningnood was zó nijpend dat familieleden in Engeland en aan de Polytechnische Schule in Hannover werd verzocht voorlopig niet thuis te komen.

In huis was het behelpen en in de winter zelfs bitter koud, maar men was dankbaar überhaupt een dak boven het hoofd te hebben, terwijl zovelen elders in tenten en andere tijdelijke onderkomens moesten verblijven. De familie Van Heek was bovendien niet verlegen om levensmiddelen: die werden in grote getalen opgestuurd door familieleden uit Deventer en door de familie Roessingh Udink op Singraven. ‘Op het laatst wist men niet waar ermede te blijven’, waardoor er ook werd uitgedeeld aan minderbedeelde stadsgenoten.1

Rotterdam springt in de bres

Niet alleen vanuit familiekring werd steun verleend aan de noodlijdenden: vanuit het hele land werden geld en goederen ingezameld. Ten behoeve van de wederopbouw van het weeshuis der Hervormde Gemeente in Enschede deed het bestuur — waaronder Hendrik Jan van Heek — een beroep op de Nederlandse bevolking: ‘De Weezen zwerven in de Buiten-Gemeente rond, en spoedige voorziening in hun lot is dringend nodig.’2 Door de Enschedese predikanten Evers, Ter Kuile en Vorstman werd vervolgens ruim 4.500 gulden in ontvangst genomen.3

De landgenoten toonden zich zeer betrokken bij het lot van de Enschedese ingezetenen. Een oproep uit Rotterdam vat de toon van die dagen indringend samen:

De ramp, die het bloeijend Enschedé trof, is zoo hartverscheurend, dat haar omvang zich nog niet overzien, hare gevolgen zich nog niet berekenen laten. Maar ieder, die een menschelijk hart in den boezem draagt, gevoelt terstond dat alleen spoedige, eendragtige en onbekrompene Liefdadigheid eenige lafenis aan zoovele duizende noodlijdenden zal kunnen verlenen. (…) Menschenvrienden, gij inzonderheid Vrouwen en Moeders, stelt u een oogenblik voor, dat gij op Woensdag den 7den Mei [1862] met de uwen [in Enschede] hadt gewoond, en – doet dan, gelijk God, die ons genadig bewaard, maar hen zoo zwaar heeft beproefd, u in het hart zal geven.4

In deze advertentie stelde een damescomité uit Rotterdam zich ten doel zoveel mogelijk geld, levensmiddelen en kledingstukken in te zamelen voor de ontheemden in Twente. Bij menig deftige dame thuis stond een bus klaar waarin men kledingstukken kon werpen.5

In Rotterdam organiseerden verschillende verenigingen bovendien voorstellingen en concerten waarvan de opbrengst naar de getroffenen ging.6 Een Rotterdamse boekhandelaar liet een gedicht drukken, waarvan de verkoop eveneens bestemd was voor de Enschedese ingezetenen.7 8 9 Het meest indrukwekkend was echter het bedrag dat in Rotterdam werd ingezameld: meer dan dertienduizend gulden. Het Rotterdamse hulpcomité stelde dat bedrag speciaal ten dienste van ‘het vergoeden van één jaar huishuur en het aanschaffen van benoodigdheden voor den aanstaande winter, voor al zulke personen als daartoe vooral uit den burgerstand door de commissie te Enschede zullen worden aangewezen’.10

De administratie van hulp

Algemene giften werden door een hoofdcommissie onder leiding van de Enschedese burgemeester Loeff in ontvangst genomen en onder de getroffen inwoners verdeeld. Wat betreft de gift uit Rotterdam achtte de burgemeester het, gezien de specifieke voorwaarden, verstandig om hiervoor een aparte administratie te voeren. Op 1 september 1862 vroeg hij Hendrik Jan van Heek zitting te nemen in een subcommissie, samen met fabrikant Joan Stroink en dominee Johannes Marinus Vorstman.11 Vanaf het najaar van 1862 ontvingen zij verzoekschriften en brieven die — juist door hun toon en details — een haast tastbaar beeld geven van wat ‘wederopbouw’ toen in het dagelijks leven betekende.

Enkele voorbeelden uit die correspondentie:

  • De kleermaker Johan Bernard Bruggemann (22 december 1862) legt uit dat zijn huis ‘voor een matigen prijs’ verzekerd was, maar dat er alsnog flink is ingehouden op de uitkering. Zijn inboedel bleek bovendien onderverzekerd door uitbreiding van zijn gezin: meer monden, meer benodigdheden, maar geen hogere dekking.12
  • Hoteleigenaar Johannes de Graaff (9 december 1862) meldt dat hij al steun ontving, maar schetst de omvang van zijn verlies: twintig bedden gingen verloren, slechts twee kon hij redden. Hij rekent het voor en hoopt op aanvullende hulp.13
  • Levie Marcus de Leeuw (20 januari 1863) schrijft dat hij niets verzekerd had en tijdens de brand als dienstdoende schutter geen kans had gehad iets te redden. Door de schade kan hij zijn slagersberoep niet voortzetten. De brief is tegelijk dankbaar én wanhopig: hij erkent wat hij kreeg, maar vraagt — op grond van omstandigheden — om meer. Gelukkig kon hij het slagersvak later weer uitoefenen.14
  • De 72-jarige weduwe Gezina Schallenberg-Aldenkamp (z.d.) beschrijft een schrijnende situatie: zij werkt als spoelster in dienst van E. Melster, ontvangt minimale diaconale steun, huurt een keldertje in de Krim en besteedt een kleine uitkering aan een ‘schamelen bed’. Zij verwijst naar beloften van hulp die door bode Hemken niet zijn nagekomen, en wendt zich tot Van Heek.
  • De situatie van Johannes Theodorus Mosman wordt beoordeeld door Van Heeks zwager, Albert Jan Blijdenstein (20 december 1863). Hij meent dat de huisschilder ‘zich uit deze moeijelijkheid wel zoude kunnen redden daar er uitzigt bestaat op veel en voordeelig werk’, maar acht toch een uitkering van 300 tot 400 gulden noodzakelijk om het strikt noodzakelijke voor Mosmans ’talrijke huishouding’ te kunnen aanschaffen.15 Eerder, in juli-oktober 1863, schilderde Mosman het nieuwe Van Heekshuis en het daarnaast gelegen kantoor van de firma Van Heek & Co.
Brief van L.M. de Leeuw aan H.J. van Heek, 20 januari 1863
(Archief Twentse Textielfamilies, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 5.5)

Dit soort brieven laat zien dat ‘verzekerd zijn’ niet automatisch betekende dat men weer op eigen benen kwam. Uitkeringen vielen tegen, kosten liepen door, tijdelijke huur drukte zwaar, inkomen ontbrak tijdelijk — en wie níet verzekerd was, of wie tijdens de brand geen spullen kon redden, begon feitelijk op nul.

Zelfs de boekhouder Sigismund Hendricus Westenberg verzocht op 26 november 1862 om onderstand; niet alleen vanwege de geleden schade tijdens de stadsbrand, maar ook ‘bij de gevolgen van dien en wel in mijne betrekking als agent der assurantiën’.16 Drie maanden later kon de bouw van zijn nieuwe huis worden aanbesteed.

Wie kreeg wat? Een uniek register van uitkeringen en verzekeringsgelden

Een bijzonder stuk is ten slotte een handgeschreven overzicht van Hendrik Jan van Heek zelf: een lange lijst van stadsgenoten met daarbij de uitgekeerde assurantiegelden én de bedragen die werden verstrekt. Voor historisch én genealogisch onderzoek kan zo’n lijst bijzonder interessant zijn.

U kunt deze documenten digitaal bekijken op onze website archieftwentsetextielfamilies.nl, toegangsnummer 1 Familiearchief Van Heek, inventarisnummer 5:‘H.J. van Heek (1814–1872), Commissie belast met het verstrekken van gelden aan noodlijdenden en wederopbouw na de grote stadsbrand, 1862–1863.’

1Archief Twentse Textielfamilies, 5 Familiearchief Ledeboer, inv.nr. 430

2Nieuwe Rotterdamsche Courant, 18 mei 1862

3Opregte Haarlemsche Courant, 16 oktober 1862

4Rotterdamsche Courant, 12 mei 1862

5Nieuwe Rotterdamsche Courant, 19 mei 1862

6Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad, 12 mei 1862

7Nieuwe Rotterdamsche Courant, 12 mei 1862

8Algemeen Handelsblad, 7 juni 1862

9Nieuwe Rotterdamsche Courant, 12 mei 1862

10Archief Twentse Textielfamilies, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 5.16

11Archief Twentse Textielfamilies, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 5.16

12Archief Twentse Textielfamilies, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 5.3

13Archief Twentse Textielfamilies, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 5.4

14Archief Twentse Textielfamilies, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 5.5

15Archief Twentse Textielfamilies, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 5.19

16Archief Twentse Textielfamilies, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 5.9

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*