‘Joost mag het weten’; De achtergrond van Joost (Hendrik) Jordaan

Later dit jaar verschijnt de genealogie Jordaan voor de tweede keer in het Nederlands Patriciaat. Drieëntachtig jaar geleden werd de stamreeks voor het eerst opgenomen in dit illustere ‘Blauwe Boekje’. Het initiatief daarvoor werd al eerder genomen door mijn overgrootvader J.G.H. ‘Gerhard’ Jordaan (1888–1951), die de familie in november 1936 per circulaire informeerde. Het oorspronkelijke doel was de uitgave van een nieuw familieboek, omdat sinds de vorige editie — uit 1914/1915— ‘vele familieleden [zijn] gehuwd, overleden en geboren’.1
Dat eerste familieboek kwam tot stand door Gerhard en zijn verre neef Jan Dinant Jordaan (1873–1954), een KNO-arts uit Den Haag. Jan — zoals hij in familiekring heette — was een gedreven amateur-genealoog die, zonder de luxe van digitale bronnen, stad en land afreisde om archieven en registers door te werken. Hij was ‘zoo bereidwillig de gegevens voor Nederland’s Patriciaat te bewerken’, schreef mijn overgrootvader in zijn circulaire van november 1936. D. ‘Dick’ Jordaan (1913–1989), de oudste zoon van Gerhard, deelde de belangstelling voor familiegeschiedenis en nam bij dit initiatief het bijwerken van de nog in leven zijnde telgen op zich. De familie werd bovendien gevraagd de gegevens te controleren, want in het oude familieboek stonden ‘fouten, drukfouten en andere’.2
De oudste generaties van het geslacht Jorda(a)n in Duitsland waren al vóór 1914 uitgezocht door een professional: George Kniese (1857-1937), ‘Kanzleisecretär’ van het Staatsarchief in Marburg (Hessen). Uit een brief van Jan Jordaan blijkt dat Gerhard de correspondentie met deze Duitse archivaris voerde.3 Kniese putte uit oude gerichtsprotocollen en uit de Grund- en Saalbücher van Zierenbergen Niedermeiser.4 Daar, zo luidde de overtuiging, zou de Nederlandse stamvader Jost Henrich Jordan in 1698 zijn gedoopt. Kniese reconstrueerde een stamreeks die begint bij de broers Johann en Henrich Jordan, geboren aan het einde van de vijftiende eeuw in Niedermeiser. Aan die stamreeks werd vervolgens door niemand meer getwijfeld.
Voor de huidige heropname trad ik in de voetsporen van mijn grootvader Dick Jordaan en schreef ik alle familieleden aan met het verzoek hun gegevens te controleren en aan te vullen. Twijfel over de oudste generaties speelde daarbij geen rol — totdat de redactie van het Nederlands Patriciaat mij om bewijsmateriaal vroeg.5 Twee vragen stonden centraal: waaruit blijkt dat onze Nederlandse stamvader werkelijk identiek is aan de dopeling uit 1698, terwijl er in Niedermeiser een naamgenoot leefde die daar trouwde en een gezin stichtte? En waaruit blijkt dat hij Hessisch kwartiermeester was? Dat beroep wordt niet genoemd in de genealogische publicaties uit 1914en 1943, maar komt wél voor in het jubileumboek van D. Jordaan & Zonen’s Textielfabrieken N.V.(1956).
Het zijn legitieme vragen, waarvoor ik twee maanden kreeg: van 28 december 2025 tot 23 februari 2026. Tot mijn frustratie ontbreekt in het familiearchief Jordaan een dossier van Kniese. De meevaller is dat veel Hessische kerkboeken tegenwoordig digitaal te raadplegen zijn, zodat ik niet meteen naar Duitsland hoefde af te reizen. 6 En juist die kerkboeken leverden een uitkomst op die ik bij aanvang niet had voorzien. Wat begon als routinecontrole, eindigde als een herlezing van de familiegeschiedenis. In dit artikel neem ik u mee langs mijn bevindingen — stap voor stap, in de volgorde waarin de puzzelstukjes zich aandienden.
Het dorp Niedermeiser
Hessen is heuvelachtig land. Dichte bossen, heide en bouwlanden wisselen elkaar af; wegen kronkelen tussen dorpjes door. In de verte verraden kerktorens de ligging van een gemeenschap. De meeste inwoners leefden van landbouw, anderen van ambacht, handel of militaire dienst. Hessen-Kassel stond bovendien bekend om het leveren van huurlegers aan buitenlandse mogendheden, waaronder de Republiek der Verenigde Nederlanden.
Ook in Nederland waren ‘de Hessen’ een begrip, mede door het transport van handelswaar met grote, zware Hessenwagens. De karrensporen waren zo breed, dat handelsroutes sinds de zeventiende eeuw in de volksmond ‘Hessenwegen‘ werden genoemd.

(www.archion.de, 2026)
In één van die dorpen in Hessen, Niedermeiser, werd op 19 augustus 1698 een jongetje gedoopt: Jost Henrich Jordan. In het doopboek staat hij als zoon van George Jordan ‘der Koch’. De predikant noteerde daarbij helaas niet de naam van de moeder.
Die bijnaam, ‘der Koch’, was geen overbodige toevoeging. Rond 1700 wemelde het in Niedermeiser en de nabije buurschap Zwergen van de Jordans, zózeer zelfs dat er drie verschillende George Jordans rondliepen, die men alleen met bijnamen uit elkaar hield: ‘der Koch’, ‘Junior’ en ‘auf dem Pötterhoff’.7 Eerder leefde er ook een ‘Senior’, die in 1692 stierf.8 Bij huwelijksinschrijvingen ontbreken die bijnamen vaak. Daarmee ligt verwarring bij gezinsreconstructie op de loer — en precies dáár kan een fout de genealogie zijn binnengeslopen.
Vier George-huwelijken — wie hoort bij wie
Aan het eind van de zeventiende eeuw noteerde de predikant vier huwelijken van George Jordans:
- 20 februari 1684 met Elisabeth Schindehütte
- 15 november 1688 met Elsebeth Kuncken
- 5 mei 1691 met Elsebeth Scheffer
- 25 november 1695 met Maria Elisabeth Uffelmann
Met zekerheid kan worden gesteld:
- George Jordan ‘auf dem Pötterhoff’ trouwde achtereenvolgens met Elsebeth Scheffer en Maria Elisabeth Uffelmann.9
Onzeker blijft de plaatsing van het huwelijk met Elisabeth Schindehütte, omdat daarvoor, naast George Jordan ‘auf dem Pötterhoff’ en George Jordan ‘der Koch’ ook George Jordan ‘Senior’ († 1692) in aanmerking komt. Zij was echter niet de moeder van Jost Henrich (1698)…
Elisabeth Kuncken, vrouw van George Jordan
In de oorspronkelijke stamreeks zoals gepubliceerd in 1914 en 1943 werd Jost Henrich Jordan (1698) een zoon genoemd van George Jordan en Elisabeth Kuncken. Dat klopt niet.
Uit mijn onderzoek in de kerkboeken van Niedermeiser blijkt namelijk dat de onderzoekers destijds een relevante doopinschrijving hebben gemist: een kind van Henrich Kuncken, waarbij de echtgenote van George Jordan ‘Junior’ in 1696 als doopgetuige optrad. Dit betekent dat Elisabeth Kuncken niet de vrouw was van George Jordan ‘der Koch’, de vader van Jost Henrich.

(www.archion.de, 2026)
Doopgetuigen als kompas
Doopgetuigen zijn in dit soort puzzels vaak belangrijke wegwijzers. Familieleden treden geregeld als getuige op; soms wordt verwantschap zelfs expliciet vermeld in het kerkboek van Niedermeiser. George Jordan ‘der Koch’ liet in totaal vier kinderen dopen:
- Henricus Jordan (1689) — doopgetuige: Henricus Neutze ‘Junior’
- George Jordan (1693) — doopgetuige: George Stuhldreher
- Jost Henrich Jordan (1698) — doopgetuige: Henricus Neutze
- David Jordan (1702) — doopgetuige: David (Kehrsten?)
In 1688 liet voornoemde George Stuhldreher in Niedermeiser een dochter dopen; als doopgetuige trad toen op: Gerdruth, echtgenote van George Jordan. De bijnaam ontbreekt, maar het ligt voor de hand dat zij de echtgenote was van George ‘der Koch’. Mogelijk was ‘der Koch’ eerder, in 1684, getrouwd met Elisabeth Schindehütte; in dat geval moet zij voor Gerdruth (1688) zijn overleden. Daardoor kan Elisabeth niet de moeder zijn geweest van Jost Henrich.

(www.archion.de, 2026)
Helaas heb ik in het kerkboek geen huwelijk aangetroffen van George Jordan met Gerdruth. Zij was vermoedelijk een zuster van George Stuhldreher of van diens eerste echtgenote Juliana Spillen († 169810), met wie hij in 1687 was getrouwd.11
Begrafenissen: twee data met open eindes
In Niedermeiser werd niet alleen getrouwd en gedoopt, maar werd men (natuurlijk) ook begraven:
- 14 oktober 1692 werd George Jordan ‘Senior’ begraven; hij werd, blijkens de inschrijving, 63 jaar.
- 4 november 1701 werd George Jordan ‘auf dem Pötterhoff’ begraven.
- 16 maart 1726 werd een George Jordan begraven
- 28 februari 1732 werd een George Jordan begraven

Voor de resterende twee Georges (‘der Koch‘ en ‘Junior‘) noteerde de predikant bij hun begrafenissen helaas geen bijnamen. Daardoor is het in eerste instantie gissen wie van hen in 1726 en 1732 zou zijn overleden. Uitsluitsel biedt het huwelijk van de jongste zoon van George ‘der Koch’ in 1729: De 27-jarige David Jordan trad toen in Amsterdam in het huwelijk met Jannetje Tijssen. Hij verklaarde dat zijn ouders toen reeds waren gestorven. Om die reden is het aannemelijk dat George Jordan ‘der Koch’ op 16 maart 1726 werd begraven en zijn vrouw op 1 april 1722. Dit komt overeen met de eerdere publicaties.
Twee Jost Henrich Jordans in Niedermeiser

Jost Henrich, die in 1698 als zoon van George Jordan ‘der Koch‘ werd gedoopt, werd in 1712 aangenomen als lidmaat van de Evangelische gemeente in Niedermeiser. Hij was toen dertien — een gebruikelijke leeftijd in Duitsland. Hij is volgens de oude publicaties de stamvader van de Haaksbergse familie Jordaan.
Maar er blijkt nóg een Jost Henrich te zijn: In 1718 werd opnieuw een Jost Henrich Jordan lidmaat. En in 1733 trouwt een Jost Henrich Jordan in Niedermeiser, waarna hij een gezin sticht. Dat is precies de reden waarom de redactie van het Nederlands Patriciaat vroeg: welke Jost Henrich zou naar Nederland zijn vertrokken?
De Jost Henrich die in Niedermeiser blijft
Op 9 december 1733 trouwde een Jost Henrich Jordan met Anna Magdalena Wernerin. Tussen 1734 en 1749 kregen zij ten minste vier kinderen. Bij doopplechtigheden trad onder meer Johan George Jordan, broer van de vader, als doopgetuige op.
In 1754 trad deze Jost Henrich nog op als getuige bij de doop van een kind van zijn zwager Johannes Werner. Deze Jost Henrich Jordan stierf vijf jaar later en werd begraven op 27 november 1759, 55 jaar en 6 maanden oud. Dat plaatst zijn geboorte rond mei 1704.

Conclusie: deze man kan niet de dopeling van 1698 zijn, maar past wél goed bij de lidmaat van 1718.
Deze Jost Henrich (1704-1759) had twee broers genaamd Johan George en Christoph die woonden ‘auf dem Thie’, een straat midden in het dorp.12 Een zuster van hen trouwde tussen 1745 en 1749 met Adam Jordan, telg uit een andere tak.13 Het illustreert hoe dicht vertakt de naam Jordan in Niedermeiser was: de meest voorkomende achternaam van het dorp.
Ook in Zwergen waren Jordans talrijk. Leden traden er op als gravelijke Grebe.14 In de achttiende eeuw werd vaak in het kerkboek op de linker pagina alles van Niedermeiser genoteerd, de rechterpagina was gereserveerd voor inschrijvingen uit Zwergen. In 1744 kreeg Zwergen een kerkgebouw, maar die bleef bediend door de predikant van Niedermeiser.
Terug naar ‘onze’ Jost Henrich (1698): wat wisten Kniese en de familie?
Voor dit artikel richt ik mij verder op de Jost Henrich die in 1698 werd gedoopt en die volgens de oude publicaties de Nederlandse stamvader zou zijn.
Over zijn vader, George ‘der Koch’, is bekend dat hij in 1699 doopgetuige was bij de doop van Hans George, zoon van zijn broer Jost Jordan. In 1712 volgde Hans George samen met zijn neef Jost Henrich catechisatie; met Pasen werden zij lidmaat.
Over die broer Jost Jordan weten we: hij trouwde in 1688 met Magdalena Lippen, en uit een doopinschrijving blijkt dat zij in 1703 op het goed Kessephülen woonden.

‘Magdalena Jost Jordan’s auf dem Kessephülen Ehefrau’. (www.archion.de, 2026)
Volgens het onderzoek van de heer Kniese was Kessephülen eigendom van George Jordan (‘der Koch’). Kniese baseerde zich hierbij op de Grund- en Saalbücher van Niedermeiser (en Zierenberg), waarvan in het familieboek (1915) uitgebreid verslag wordt gedaan. Hij stelt dat George het goed bewoonde en jaarlijks een tijns van 8 thaler aan de kerk van Niedermeiser betaalde.15
Kessephülen was aangeërfd van Hendrik Landau; Kniese veronderstelt daarom dat de moeder van George en Jost waarschijnlijk een dochter van Landau was.
Daarnaast bezat George Jordan:
- een ‘Meyerhof’, afkomstig van Jost Degenhardt,
- land in Nordtale,
- en op het Westerfeld.
Wegens een erfenis voerde hij bovendien een proces tegen Hans Henrich Rohr — een detail dat het familieboek noemt, maar zonder verdere uitwerking.
Kniese bestudeerde ook het Leenboek van Zierenberg. Daaruit haalde hij dat George in 1692 ‘de Wirtschaft en Bierschank in Niedermeiser’ in leen ontving. Dat past bij de bijnaam ‘der Koch’ en maakt een rol als logementhouder aannemelijk. Daarnaast wordt hij burgemeester genoemd, al ontbreekt daarvoor in het familieboek een bron.
Het familieboek noemt nog een broer van Jost en George: Johannes Jordan, gehuwd met Anna Maria Klöcknerin, dochter van de predikant in Haueda. Zij lieten in 1696 een zoon George dopen; zijn broer George (‘der Koch’) trad als doopgetuige op.
De stamreeks loopt in het familieboek vervolgens via Hans Jordan ‘Junior’, Hans Jordan (Senior), Dippel Jordan en Johann Jordan (1559 als eigenaar van de Meyerhof).16 Opmerkelijk is dat Hans Jordan (Senior) in 1630 ook voorkomt als burgemeester en bierbrouwer — vermoedelijk werd het vak van herbergier en bierbrouwer generaties lang door deze tak uitgeoefend.17
Het verdwenen Kniese-dossier
Kniese’ onderzoek was breed. Hij noemt niet alleen Grund- en Saalbücher, maar ook oude gerichtsprotocollen en oorkonden. Tot grote frustratie blijkt er in het familiearchief Jordaan (Archief Twentse Textielfamilies) geen dossier van zijn onderzoek te liggen, terwijl zijn bevindingen met Gerhard Jordaan zijn gedeeld.18 Wellicht is het dossier gedeeld met het Centraal Bureau voor Genealogie, die in 1943 de druk van het Nederlands Patriciaat verzorgde.
In Marburg bevindt zich daarentegen wél een nog onbeschreven particulier archief van Kniese.19 De huidige archivaris heeft welwillend zes archiefdozen globaal nagezien en vond geen stukken over de familie Jordan, noch correspondentie van vóór 1930.20 Dat biedt weinig hoop.
Familiebezoeken aan Niedermeiser
Sinds de uitgave van het familieboek in 1915 werd Niedermeiser herhaaldelijk bezocht door familieleden.

(ATT, Enschede, 6 Familiearchief Jordaan, inv.nr. 913 Fotoalbum van het echtpaar J.H. Jordaan-Meindersma)
- In 1925 bezocht Gerhard Jordaan (1888–1951) het dorp met familieleden. Een Jordan wees daarbij verschillende huizen aan waar Jordans hadden gewoond. Ook werd de doopschotel getoond waarmee Jordans eeuwenlang zouden zijn gedoopt.21
- In 1932 stond een familiedag uitgebreid stil bij de vestiging van Jost Henrich Jordan in Nederland, tweehonderd jaar eerder. Men stuurde een telegram aan twee oude familieleden die niet aanwezig konden zijn. Een van hen was Johanna Cornelia ter Horst–Jordaan (1831–1932), 101 jaar oud, de laatste nog levende achterkleindochter van Jost Henrich Jordan.22
- In 1953 bezochten Joost Hendrik Jordaan (1926–1980) en zijn kersverse echtgenote Betske Meindersma (1931–2025) Niedermeiser. Hij was door zijn vader Gerhard vernoemd naar de Nederlandse stamvader. Naast filmbeelden, werden door hem ook foto’s gemaakt van het ‘stamhuis van Jost Heinrich’.23 De exacte locatie is op dit moment nog onbekend; mogelijk gaat het om een huis aan Auf dem Thie.
- In datzelfde jaar legde mijn grootvader D. ‘Dick’ Jordaan (1913–1989) het dorp vast op kleurendia. Tijdens een familiedag in 1960 werden de beelden vertoond.24
Tijdens de Jordaansdag in 1932 keek de familie terug op een cruciale inschrijving: Jost Henrich Jordan zou in april 1732 als lidmaat in Meppel zijn ingeschreven, met attestatie van Zierenberg ‘in ’t Hessen–Casselse gelegen’. Het familieboek meldt dat hij werd ‘ingeschreven als Jerdan of zooiets’.
Niedermeiser viel onder het ambt Zierenberg. Helaas bestaan er geen schriftelijke bronnen die expliciet maken dat Jost Henrich daadwerkelijk uit Niedermeiser kwam; het ambt omvatte veel dorpen.
Systematische controle in Hessen
Daarom heb ik de afgelopen twee maanden de kerkboeken van omliggende dorpen nageplozen: Ober- en Niedermeiser, Ober- en Unter-Elsungen, Haueda, Niederlistingen, Westuffeln, Meimbressen, Ersen, Grimelsheim, Oberlistingen, Herlinghausen, Wettesingen en Bruena. Ik richtte mij, indien mogelijk, vooral op het tijdvak 1695–1715. De kerkboeken van Zierenberg, Oberlistingen en Niederlistingen beginnen pas in respectievelijk 1707, 1729 en 1770; in de eerste decennia vond ik daar niet of nauwelijks Jordans, wat vestiging vanuit die plaatsen minder aannemelijk maakt (maar niet uitsluit). Van alle dorpen telt Niedermeiser veruit de meeste Jordans.
In Obermeiser woonden ook Jordans. De oudste, Hans Jordan, werd op 24 december 1676 begraven. Hij was vermoedelijk de vader van Jost Jordan († 1692), die een jaar later trouwde met Elsabe Stoffel († 1739). Hun kinderen — en Jost’ zussen — zijn rond 1700 vrijwel de enige Jordans in Obermeiser. Onder hen een Jost Henrich Jordan (doop 1681, zoon van Jost). In 1719 werd opnieuw een Jost Henrich gedoopt, als zoon van Christophel (een andere zoon van Jost). Deze Jost Henrich liet tussen 1749 en 1754 drie dochters dopen. Over de Jost Henrich van 1681 is verder niets bekend, behalve dat hij in 1695 lidmaat werd. In de jaren ’30 van de achttiende eeuw vestigde zich bovendien in Obermeiser een Henricus Jordan uit Niedermeiser (tak ‘auf dem Thie’), die daar als smid voorkwam en kinderen liet dopen.25
In Westuffeln komen meer Jordans voor. Het kerkboek toont dopen van kinderen van (Hans) George Jordan († 1662) tussen 1634 en 1651. Een van hen was waarschijnlijk Johannes Jordan († 1668), die in 1659 trouwde met Anna Drebben. Zij kregen ook een zoon Jost Henrich, maar die stierf als zuigeling in 1667. Johannes’ oudere broer Valentin Jordan (doop 1662) verhuisde tussen 1686 en 1695 naar Kassel. In het familieboek Jordan wordt hij genoemd als wapenvoerder van een zegel met een herder met staf. Hij werd door de landgraven aangesteld tot o.a. ‘vorrath Schreiber zu Sababurg’ — het oude kasteel Sababurg staat tegenwoordig ook bekend als het ‘Doornroosjeslot’. Met hem lijkt de oude Jordan-lijn in Westuffeln te verdwijnen, maar in 1703 vestigde zich een Jordan uit Obermeiser in Westuffeln, waaruit weer nageslacht stamt.26
In Wolfhagen woonden rond 1700 ook Jordans, kinderen van Engelbrecht, David en Hans Wilhelm Jordan. Geen Jost Henrich, wel een Jost (doop 1692, zoon van Hans Wilhelm).27
In Ober- en Unter-Elsungen, Haueda, Niederlistingen, Meimbressen, Ersen, Grimelsheim, Wettesingen, Bruena en Oberlistingen werden aan het begin van de achttiende eeuw niet of nauwelijks Jordans aangetroffen. In Oberlistingen liet een Henrich Jordan wel een kind dopen, maar hij kwam uit Zwergen (bij Niedermeiser).28 Niet alle omliggende dorpen vielen onder het ambt Zierenberg; Oelshausen (nu zelfs deel van gemeente Zierenberg) is zo’n voorbeeld. Ook daar woonde een aantal Jordans, waaronder een George Jordan die in 1673 zijn moeder en echtgenote liet begraven.29
Het patroon is duidelijk: er was sociaal verkeer tussen dorpen en er ontstonden takken in onder meer Obermeiser, Westuffeln en Oberlistingen. Maar de concentratie blijft opvallend: Niedermeiser is het zwaartepunt. In de Grund- en Saalbücher worden al in de zestiende eeuw meerdere Jordans genoemd, gekoppeld aan grondbezit: Lorenz Jordan (1498), de broers Henrich en Johann Jordan (1544), Jost, Curdt, Stoffel en Gerhard Jordan (1572), en Berthold en Veith (David) Jordan (1583).30 In deze kleine gemeenschap, met in de zestiende tot achttiende eeuw circa 85 tot 100 gezinnen, vervulden Jordans functies als burgemeester en grafelijke Grebe.31
De naam Jordan in Hessen

Jordan is in Hessen een zeer oude naam, ook als voornaam; de populariteit daarvan nam sinds de Kruistochten toe. In Hessen kwam ik de naam niet als patroniem tegen (zoals in Nederland wel het geval is). De naam verschijnt voor het eerst in de schaarse veertiende- en vijftiende-eeuwse protocollen van de graven van Hessen en Ziegenhain, waaronder:32
- Rond 1372 dateert een Fehdebrief waarin Sippel Jordan een twist aankondigt met graaf Gottfried VII van Ziegenhain (Sternerkrieg-context); de graaf overlijdt kort daarop.33
- Uit 1397 blijkt dat Bruno Jordan op goede voet stond met graaf Gottfried VIII, die kort tevoren was overleden. Bruno verklaarde eerder het burgleen te Schwarzenborn te hebben ontvangen; dit werd door de nieuwe graaf Engelbert III vernieuwd.34
- In 1400 treft men Otto Jordan aan, die met zijn vrouw Anna en zonen Wigand en Otto een rente verkoopt uit een goed in Dittershausen aan Heinrich Schlierbach (60 pond penningen, Treysaer munt). De akte werd bezegeld door Otto Jordan en Gottfried von Wallenstein.35 Achtergrond: Dittershausen ligt op ongeveer 30 kilometer van Niedermeiser.
De familie Jordan voerde een wapen. De middeleeuwse zegels zijn niet scherp te definiëren, maar mogelijk correspondeert het met de gebogen arm met zwaard die Rietstap aan de familie Jordan uit Hessen toeschrijft. Dit stoere, ridderachtige wapen werd – naast het achttiende eeuwse familie Jordaan – door de familie ‘omarmd’ en verwerkt in sierramen, een schilderij en deuren.

De schrijfwijze van de familie Jordan in Hessen was redelijk vast; alleen de afwijkende varianten Jordann en Jordanin (voor vrouwen) treft men aan in de kerkboeken. In Nederland ziet men de achternaam vooral als Jordan, Jordaen en Jordaan; pas in 1811 werden de achternamen officieel vastgelegd.
Militairen, VOC en mogelijk een kwartiermeester
Vertrek uit een gemeente werd niet altijd bijgehouden in lidmatenregisters. Ook in Niedermeiser, en omringende plaatsen, ontbreekt het vertrek van gemeentelieden in de oude kerkboeken. Dat is jammer, want veel Hessen kozen ervoor hun leven elders voort te zetten. Veel van hen traden toe tot het leger en werden vervolgens door de landgraven uitgezonden naar bevriende naties. Ook verschillende Jordans werden militair: in het kerkboek van Niedermeiser duikt bijvoorbeeld een George Jordan op, met de bijnaam ‘der Reuter‘ (1732, 1739, 1740).36
Daarnaast had ook de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) aantrekkingskracht:
- Een Henrich Jordan uit ‘Nijdermeijsen’ trad in 1724 toe als scheepskorporaal en ging acht jaar later uit dienst.37
- In 1784 begon Johan Jurgen Jordan uit ‘Nederwijs’ als soldaat bij de VOC.38
- Een Joost Hendrik Jordaen uit ‘Elshausen’ (Oelshausen bij Zierenberg) trad in 1701 als soldaat in dienst, ging in 1708 uit dienst, meldde zich in 1709 opnieuw aan en overleed op 21 augustus 1709 aan boord van het schip Huis te Rozenburg onderweg naar Azië.39
Dan is er nog het hardnekkige gerucht: de Nederlandse stamvader zou Hessisch kwartiermeester zijn geweest. In het jubileumboek van D. Jordaan & Zonen’s Textielfabrieken NV staat het zo genoemd. In de genealogische aantekeningen van Jan Dinant Jordaan (recent opgedoken en nog toe te voegen aan het familiearchief) wordt Jost Henrich ‘waarschijnlijk’ Hessisch kwartiermeester genoemd — zonder bron.40 In mijn onderzoek heb ik hiervoor nog geen aanwijzingen gevonden. Dit blijft dus vooralsnog speculatie.
Tot zover het Duitse deel. Dan komt de Nederlandse werkelijkheid.
Meppel: ‘Jerdan of zooiets’ blijkt ‘Zaun’
Volgens het familieboek begint het Nederlandse spoor in april 1732: Jost Henrich zou als lidmaat in Meppel zijn ingeschreven, ‘als Jerdan of zooiets’. Controle in het lidmatenboek van Meppel laat inderdaad een, op het eerste gezicht, ingewikkelde schrijfwijze zien — maar niet Jordan of Jordaan. Er staat:
‘Joost Henrich Zaun van Zierenb[erg] in ’t Hessen Casselse gelegen’.


Naspeuringen in het kerkboek van Zierenberg bieden uitsluitsel: op 19 maart 1711 werd een Jost Henrik gedoopt, zoon van Christ. Zaun.

Dit is een fout met grote consequenties: de Meppel-inschrijving vormt geen bewijs voor een relatie tussen de familie Jordan en (stad of ambt) Zierenberg. Het familieboek laat bovendien buiten beschouwing dat deze Joost Henderik Zaun een jaar later werd uitgeschreven naar Amsterdam, waar hij op 25 juni 1733 als lidmaat werd ingeschreven als ‘Joost Hendrik Tzaun’.

(Stadsarchief Amsterdam, toegangsnummer 378, inventarisnummer 695, attestatiën van buiten, 1732-)

(Met dank aan Otto Ottens, 12 februari 2026)
Kampen: Joost Hendrik, Joost — en opeens Justus
Eind 1737 werd in Kampen een ‘Joost Hendrik Jordaan’, komende ‘van Meppel’, als lidmaat ingeschreven. In het kerkboek van Meppel komt hij echter niet voor. In de periode 1715–1737 komt er in Meppel slechts één Joost Hendrik voor, en dat is tegelijkertijd de enige lidmaat uit Hessen: Jost Henrich Zaun.

Kampen, Buitenkerk, 1 maart 1739
Twee jaar later, op 1 maart 1739, trouwt in Kampen ‘Joost Jordaan’, ‘uijt Hessenlant’, met de weduwe Anna Leferink.
Omdat de lidmatenboeken van Kampen nog niet digitaal beschikbaar zijn, wendde ik mij op 9 februari jl. tot het stadsarchief Kampen met de vraag om een afbeelding van de inschrijving van Joost Hendrik Jordaan (1737). Drie dagen later stuurde stadsarchivaris Otto Ottens niet alleen die afbeelding, maar ook andere vondsten uit doop-, trouw-, begraaf- en lidmatenboeken. Bijzonder attent!
En daar zat een grote verrassing tussen: in 1733 blijkt zich nóg een Jordan (uit Hessen) in Kampen te hebben gevestigd, namelijk ‘Justus Jordan’ uit ‘Karlshaf’. Dit is het stadje Karlshafen aan de rivier de Weser in Hessen (voor de beeldvorming: 27 kilometer ten noorden van Niedermeiser).
De nieuwe vraag dringt zich meteen op: zou deze ‘Justus Jordan‘ identiek kunnen zijn aan de ‘Joost Jordaan‘ die in 1739 trouwt met Anna Leferink?

(Met dank aan Otto Ottens, 12 februari 2026)
Anna Leferink: de spil in Haaksbergen
Anna Leferink werd omstreeks 1705 geboren in Haaksbergen, als dochter van Jan Leferink en Elsken Bouwmeester.41 Haar vader en broers dreven een linnenhandel, met een kleine handweverij in het dorp.42 Met Pasen 1723 werd zij als Anna Leeferink, ‘Jan Lefers dochter’, aangenomen als lidmaat te Haaksbergen. Blijkens het lidmatenboek verhuisde zij in 1726 naar Kampen en – pas – in 1730 werd zij daar als lidmaat aangenomen.43
Op 17 oktober 1732 trouwde zij in Kampen met Jonathan Beerthuys (1706–1736). Zij kregen twee kinderen: Johanna (1733) en Elsje (1735). Jonathan werd op 3 september 1736 begraven in de Buitenkerk. Anna bleef als jonge weduwe achter met twee kinderen. Tot voogden werden aangesteld Hendrik Winkelman en Albert Duitman.44 Anna verklaarde dat zij voor elk van de beide kinderen als vaders erfdeel 10 carolusguldens had gereserveerd, beloofde te handelen als een goede moeder, waarmee de voogden genoegen namen.45
Op 1 maart 1739 hertrouwde zij met Joost Jordaan uit Hessen. Op 26 april 1740 werd een rekest van Anna behandeld: zij was voornemens met haar beide kinderen naar Haaksbergen te vertrekken ‘en aldaar sig met er woon neer te setten’. De voogden werden daarop ontslagen.46
Met Michiel 1740 werden in Haaksbergen als lidmaten ingeschreven: Jacob Jordaen en Anna Leverinck ,met attestatie van Kampen.47 Opmerkelijk is dat de voornaam van Joost hier verkeerd is geschreven. Het echtpaar woonde in de Oostenstraat en kreeg twee kinderen:


- Jan Jordaan, gedoopt 4 december 1740
- Hendrik Jordaan, gedoopt 9 augustus 1744
Volgens het familieboek overleed Joost in 1745. In de volkstelling van 1748 komt Anna voor als weduwe van ‘Joost Jordaan‘ in de Oostenstraat te Haaksbergen, met één kind boven de tien en één beneden de tien: Johanna (Janna) Beerthuys en haar jongere halfbroer Jan Jordaan. Elsje Beerthuys en Hendrik Jordaan waren reeds als kind overleden. Volgens het familieboek stierf Johanna kort daarna, op 2 juni 1748. Jan Jordaan groeide als weeskind vervolgens op onder de hoede van zijn grootvader en ooms in Haaksbergen. Zo werd hij als koopman en fabrikeur bekwaam in de linnenhandel en legde vervolgens later de basis voor de textielfirma D. Jordaan & Zonen.
Nog een Jordaan-familie in Kampen — en het schaduwjaar 1730
Toevallig is dat in Kampen reeds in de zeventiende en achttiende eeuw een familie Jordaen woonde. Die stam begint met mr. Lambert Dercksen Jordaen, die werkzaam was als stadschirurgijn in Deventer (–1648), Kampen (1648) en Vollenhove (1656-).48
Zijn zoon Lucas Jordaen werd apotheker en trouwde op 23 juli 1651 in Kampen met Lummetje Veene, dochter van Jan Gerritszoon Veene en Beeltgen van Hoogstraten. Lummetje stamde uit een vooraanstaande familie; haar oom Hendrik van Hoogstraten nam als secretaris zitting in de stadsregering. In 1653 lieten Lucas en Lummetje in Kampen hun dochter Beeltgen dopen. Op 22 mei 1654 werd Lucas burger van Bolsward, waar hij als apotheker voorkomt.49 Een jaar later werd daar hun zoon Lambertus geboren. Het gezin woonde er niet lang; in 1658 lieten zij in Kampen opnieuw een zoon dopen, genaamd Jan, en in 1665 vertrok Lucas met zijn gezin naar Harderwijk.
Zoon Jan vestigde zich in 1682/1683 als kleermaker in Vollenhove. Alleen zoon Lambertus (1655–1717) zette de familielijn in Kampen voort; hij komt daar voor als ‘aanspreker’. Op 5 december 1695 kreeg hij, ‘naa rijpe examinatie’, toestemming te trouwen met zijn nicht Flistina Steenbergen (1650–1725), dochter van Berent Steenbergen en Margrieta Veene. Zij kregen drie dochters en drie zonen; slechts één bereikte volwassen leeftijd: Berent Jordaan (1698–1730). In 1715 werd hij als ‘Berent Steenbergen Jordaan’ lidmaat te Kampen.50 Hij dreef als kleermaker een zaak in de Oudestraat.

(Met dank aan Otto Ottens aan Derk Jordaan, 12 februari 2026)
En dan volgt een donkere episode: op 8 mei 1730 werd Berent gearresteerd tijdens de grote sodomieprocessen, samen met andere jongemannen, onder wie de soldaat Steven Schuirings, die bij hem was ingekwartierd. De verdachten werden ondervraagd; marteling werd niet geschuwd. Een dag later verklaarde Berent dat hij in 1728 de ‘misdaad der sodomie’ had gepleegd toen Zacharias Wilsma Kampen bezocht. Voor de verdachten hing de doodstraf boven het hoofd.
Tijdens zijn gevangenschap overleed Berent op 26 juni 1730 aan de gevolgen van een ‘ettersieckte in de borst’. De pijnmeesters verklaarden dat hij daar al vóór de gevangenschap aan leed. Daarmee had hij het gerecht ‘buiten staat gebragd om over hem sodanig vonnis ter dood te vellen, als de afschrickelijkheid van ’t quaad en de Hoogwigtigheid van de saak sou requieren’. Toch besloten de burgemeesters, schepenen en raden van Kampen dat zijn lichaam niet ongestraft kon blijven: ter afschrikking en ‘ter afwending van Gods toorn en sware oordelen’ zou het lijk bij de wurgpaal bij het stadhuis ten toon worden gesteld, daarna op een horde of mat door de stad naar het galgenveld buiten de Veldpoort worden gesleept en in een diep gegraven kuil ‘in een Eeuwige vergetelheid’ worden geworpen. Diezelfde dag nog werd het vonnis uitgevoerd, evenals dat van de soldaten Steven Schuirings en Jan Westhof, die hetzelfde lot ondergingen.51
Dit gruwelijke schouwspel zullen alle inwoners van Kampen hebben meegekregen, waaronder de toen nog ongehuwde Anna Leferink, die sinds 1726 in Kampen woonde.
Met Berent Jordaan stierf deze tak uit. Niet onvermeld mag blijven een Joost Jordaan, vóór 1681 gehuwd met Jannetje Derks. Hij was mogelijk een oom van Berent, hoewel zijn doop vooralsnog niet is gevonden. Joost liet op 23 maart 1681 in Kampen een dochter dopen. Over zijn verdere levensloop is vooralsnog niets bekend.
Jan Dinant Jordaan speculeerde, blijkens zijn aantekeningen, enige tijd over een filiatie tussen deze Joost Jordaan en zijn naamgenoot, die in 1739 trouwde met Anna Leferink.52 Die optie kwam later te vervallen.
Karlshafen: een nieuw stadje en een ‘Jordanin’
Op de valreep, met de uiterste deadline van het Nederlands Patriciaat in zicht, heb ik de gedigitaliseerde kerkboeken van Karlshafen doorgespit. Ik vond daarin geen Justus of Jost Jordan, al is het ook onwaarschijnlijk dat hij daar geboren werd.
Karlshafen werd pas in 1699 gesticht door landgraaf Karl van Hessen-Kassel, die aan de Weser een belangrijke havenstad wilde maken. Franse hugenoten — bij voorkeur met geld en handelsnetwerk — werden aangetrokken. Ook kwam er een groot revalidatiecentrum voor gewonde Hessische soldaten. In 1730 ontdekte de hugenotische apotheker Jacques Galland een zoutbron, waarna de stad als kuuroord bekend raakte. Om die reden heet de stad tegenwoordig ‘Bad Karlshafen’.
In datzelfde jaar, 1730, werd in Karlshafen een kind gedoopt van Christian Wagner, aangeduid als ‘Bademeister und Feldscher’, en zijn vrouw Anna Maria Jordanin. Wagner was afkomstig uit Leipzig; de herkomst van zijn vrouw is onbekend. Ook in 1733 en 1735 liet dit echtpaar kinderen dopen in Karlshafen.

Of Justus Jordan uit ‘Karlshaf’ verwant is aan Anna Maria Jordanin, is vooralsnog onbekend.

Slotwoord
Uit het bovenstaande blijkt dat in het familieboek Jordaan (1915) en het Nederlands Patriciaat (1943) enkele aantoonbare fouten staan: de moeder van Jost Henrich Jordan (Niedermeiser, 1698) is verkeerd geplaatst, en de inschrijving van de vermeende stamvader in Meppel (1732) betreft niet Jost Henrich Jordan, maar Jost Henrich Zaun. Dat laatste heeft grote consequenties, omdat daarmee zelfs de herkomst uit Zierenberg in het Jordaan-verhaal onzeker wordt.
Daarnaast heb ik geen primaire bronnen aangetroffen waaruit blijkt dat ‘Jost Henrich Jordan’ uit Niedermeiser afkomstig is, het dorp dat al ruim een eeuw als bakermat van de familie geldt. Ook in de genealogische aantekeningen van Jan Dinant Jordaan staat daarvoor geen bewijs. Hij noemt Jost Henrich Jordan ‘waarschijnlijk’ Hessisch kwartiermeester, maar ook daar ontbreekt een bron. Daarnaast speculeert hij in andere aantekeningen over een afstamming van het geslacht Jordaen uit Kampen, waaruit blijkt dat hij op dat moment nog niet bekend was met de oorsprong uit Niedermeiser. In de oudste genealogische overzichten van de familie Jordaan, daterend uit de negentiende eeuw, ontbreken overigens gegevens over de ouders van Jan Jordaan (1740-1810).
Kortom: met zekerheid kunnen we stellen dat de Nederlandse stamvader Joost Jordaan heet en afkomstig was uit Hessen. Hij is vermoedelijk identiek aan Joost Hendrik Jordaan (1737, uit Meppel) of aan Justus Jordan (1733, uit Karlshafen). Het behoort ook tot de mogelijkheden dat Joost, Joost Hendrik en Justus dezelfde persoon zijn geweest. Zeker is ook dat Joost Hendrik Jordaan, die in 1737 neerstreek in Kampen, zich slechts korte tijd heeft opgehouden in Meppel; niet sinds 1732. Daarnaast is het niet vanzelfsprekend dat Justus Jordan in Karelshafen is geboren. Gemeenschappelijk deler is dat zowel Joost als Justus afkomstig is uit Hessen. Het is mogelijk dat hij, of zij (meervoud), afkomstig zijn uit Niedermeiser; het wemelde daar immers van de Jordans. Het is nog steeds mogelijk dat onze stamvader identiek is aan Jost Henrich Jordan uit 1698. Bewijs hiervoor ontbreekt helaas.
Voor dit onderzoek heb ik twee maanden de tijd gehad (28 december 2025-23 februari 2026) en heeft mijn volle prioriteit gekregen. Er zijn echter nog andere oude documenten die mogelijk een licht kunnen schijnen op de herkomst van Joost Jordaan; in Kampen, maar ook in Karlshafen. Dat kan helaas niet op afstand. Met geluk ontdek ik dan eventueel de geboorteplaats in Hessen. Kerkboeken helpen dan vooruit, maar voor grondig onderzoek zou ik in de voetsporen van de heer Kniese moeten treden en in Duitsland oude gerichtsprotocollen en Grund- en Saalbücher moeten bestuderen. U kan zich voorstellen dat dit zeer tijdrovend onderzoek betreft. Die tijd is er nu niet, want de deadline voor de heropname van het Nederlands Patriciaat verstrijkt binnenkort. Om die reden zal de stamreeks van de genealogie Jordaan in het Nederlands Patriciaat met Joost Jordaan aanvangen en komen de oudste generaties in deze publicatie te vervallen. Dat had ik uiteraard graag anders gezien, maar het is wel belangrijk dat er een kloppende genealogie verschijnt. Positiever bekeken: we hebben een fascinerend nieuw vraagstuk en mysterie te pakken: ‘Wie was Joost ?‘
Hypothese: een mogelijk scenario dat richting kan geven
Graag eindig ik met een scenario dat ik, op basis van opmerkelijke vondsten, voor mogelijk houd. Het blijft speculatief, maar kan helpen bij het zoeken naar nieuwe aanknopingspunten.
In de eerste helft van de achttiende eeuw stond prins Wilhelm VIII van Hessen-Kassel aan het hoofd van Hessische troepen in Nederland. Hij was een zwager van stadhouder Johan Willem Friso van Oranje-Nassau en werd aangesteld tot militair gouverneur van Breda (1712–1723) en Maastricht (1723-1747). In 1725 werd een Oost-Pruisische edelman kolonel-commandant van het Hessische regiment gardedragonders in Maastricht: Friedrich Wilhelm von Wilmsdorff (1660–1729). Hij woonde omstreeks 1700 in Kampen, waar hij met zijn eerste vrouw woonde en kinderen kreeg. In 1713 hertrouwde hij met Wilhelmina Aleida Michgorius uit Lingen.

Wilhelmina’s vader, dr. Lambertus Michgorius (1652–1701), was afkomstig uit Haaksbergen. Telgen van de familie Michgorius bewoonde daar ruim anderhalve eeuw het huis Het Witte Paard en vervulde het ambt van verwalter-richter. Von Wilmsdorff en zijn tweede vrouw woonden in Breda; daar werden kinderen gedoopt. Niet alleen Wilhelm VIII van Hessen-Kassel trad tweemaal op als doopgetuige, maar zelfs ook de zeer jonge prins van Oranje-Nassau, Willem IV (1711-1751).
In 1729 overleed Von Wilmsdorff in Maastricht. Zijn weduwe bleef achter met jonge kinderen. Wilhelm VIII van Hessen-Kassel zal haar lot hebben aangetrokken. Wilhelmina Aleida von Wilmsdorff-Michgorius reisde terug richting familie. In Kampen woonde haar zuster Lubberta Margaretha, weduwe van burgemeester dr. Theodorus van Tengberden. De weduwe Von Wilmsdorff komt echter niet voor in het lidmatenboek van Kampen; evenmin als lidmaat in Haaksbergen, waar haar neef Johan Michgorius op dat moment verwalter–richter was. Uiteindelijk vestigde zij zich met haar kinderen in Lingen, waar haar twee dochters trouwden en kinderen kregen.53
Hypothese: op haar reis naar Lingen (al dan niet via Kampen of Haaksbergen) kan de weduwe begeleid zijn door betrouwbare mannen uit het Hessische regiment in Maastricht, mogelijk aangewezen door Wilhelm VIII van Hessen-Kassel. Misschien bevond zich in dit gezelschap iemand die voor revalidatie naar het invalidenhuis in Karlshafen werd gezonden. Enkele jaren later, in 1733, duikt in Kampen juist een Justus Jordan op, afkomstig uit Karlshaf. Mogelijk — speculatie — kreeg hij via aanbeveling van de weduwe Von Wilmsdorff-Michgorius of haar netwerk werk bij (of via) de familie Van Tengberden-Michgorius.
Tegelijkertijd is het voorstelbaar dat de ongehuwde Anna Leferink in de jaren 1726 en 1732 een dienstbetrekking had in Kampen. Gezien de sociale positie van haar familie in Haaksbergen zal dit bij een nette familie zijn geweest. Burgemeester Van Tengberden overleed te Kampen in 1723, waarna zijn weduwe Van Tengberden-Michgorius met jonge kinderen achterbleef. Mogelijk vroeg zij via familie in Haaksbergen om hulp in de huishouding of voor de verzorging van haar kinderen — zo kan ook Anna in dat netwerk zijn beland.
Na haar huwelijk in 1732 zal Anna Leferink haar dienstbetrekking hebben neergelegd. Opvallend is dat hetzelfde jaar Anna Charpentier vanuit Haaksbergen naar Kampen vertrekt54; mogelijk volgde zij Anna Leferink op als dienstbode.55 Anna Charpentier trouwde in 1736 met Albert Duitman, die een paar jaar later tot voogd werd aangesteld over de minderjarige kinderen van Anna Leferink en Jonathan Beerthuys.

omstreeks 1900 (Deevid.ai, 2026)
In het kader van een mogelijke relatie met Meppel, kan de volgende bijvangst uit het kerkboek van Meppel interessant zijn: In de eerste helft van de achttiende eeuw vonden er opmerkelijk veel huwelijken plaats tussen jongemannen uit Haaksbergen en jongedames uit Meppel (en omstreken).56 Het laat zich raden dat deze jongemannen vanwege werk in Meppel terechtkwamen. Mogelijk had deze handel betrekking op de toen bloeiende houthandel in Haaksbergen; dit verdient nader onderzoek.
Tot besluit nog een detail dat het scenario in elk geval een merkwaardige ‘lus’ geeft: Jan Jordaan (1740–1810), zoon van Joost Jordaan en Anna Leferink, kocht in 1772 het stamhuis van de Michgorius-familie tegenover de kerk van Haaksbergen, Het Witte Paard. In dat huis werd omstreeks 1610 de grootvader van de weduwe Von Wilmsdorff-Michgorius geboren. Ook was dit het geboortehuis van een van de betovergrootmoeders van Anna Leferink, te weten Catharina van Scheven-Michgorius. Er bestond een (verre) verwantschap tussen de families Leferink en Michgorius. ‘Goed volk’ kan de familie Michgorius hebben gedacht…
Noemenswaardig is bovendien dat Jan Jordaan, de zoon van Joost Jordaan en Anna Leferink, later verwalter-richter van Haaksbergen werd — een ambt dat eerder generaties lang door Michgorius-telgen werd vervuld.
1Archief Twentse Textielfamilies (ATT), Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan, inventarisnummer 702, circulaire van J.G.H. Jordaan aan familieleden, november 1936
2ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan, inventarisnummer 702, circulaire van J.G.H. Jordaan aan familieleden, november 1936
3ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan, inventarisnummer 702, brief van J.D. Jordaan aan J.G.H. Jordaan, Apeldoorn 24 april 1914
4ATT, Enschede, toegangsnummer 50 Bibliotheek, inventarisnummer 1, Familieboek Jordaan, (1914) 1915
5E-mail Daan de Clercq aan Derk Jordaan, 28 december 2025
6www.archion.de
7Voor de leesvaardigheid van dit artikel laat ik een vierde bijnaam, ‘auf dem Hostapfel’ (1692), achterwege. Hij is waarschijnlijk identiek aan George Jordan, die later als ‘auf dem Pötterhoff’ voorkomt. Zijn dochter, Anna Catharina (1692), wordt in het familieboek abusievelijk dochter genoemd van George Jordan ‘der Koch’. Als doopgetuige trad op Magdalena Diffenberg, de echtgenote van Berend Jordan.
8Kerkboek Niedermeiser, 14 oktober 1692 (www.archion.de, 2026)
9Blijkens de dopen van zijn kinderen in combinatie met de doopgetuigen (Niedermeiser 1692, 1696, 1699, 1702)
10Kerkboek Niedermeiser, 30 mei 1698
11Kerkboek Niedermeiser, 2 december 1687
12Doopinschrijvingen te Niedermeiser 1739, 1751, 1759
13Doop Johann George, zoon van Adam Jordan, Niedermeiser 4 december 1749
14Philip (Lips) Jordan († 1700), vermeld als Gräfl. Grebe in Zwergen in 1691 en 1696 en diens gelijknamige zoon, die voorkomt als Grebe in 1702, 1711 en 1717
15ATT, Enschede, toegangsnummer 50 Bibliotheek, inventarisnummer 1, Familieboek Jordaan, (1914) 1915
16In het familieboek wordt de voornaam ‘Dippel’ genoemd. Mogelijk is hier sprake van een verkeerde lezing en moet zijn voornaam ‘Sippel’ zijn.
17ATT, Enschede, toegangsnummer 50 Bibliotheek, inventarisnummer 1, Familieboek Jordaan, (1914) 1915
18ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan, inventarisnummer 702, brief van J.D. Jordaan aan J.G.H. Jordaan, Apeldoorn 24 april 1914
19Hessisches Staatsarchiv Marburg, M25, Kniese, Georg (1857-1937) (arcinsys.de, 2026)
20E-mails Thomas Brozat aan Derk Jordaan, 12 en 28 januari 2026
21ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan, inventarisnummers 709 en 916
22ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan, inventarisnummer 709
23ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan, inventarisnummer 913
24ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan, inventarisnummer 697
25Kerkboek (Evangelisch) Obermeiser (Kirchenkreis Hofgeismar), 1676-1712, 1714-1769 (www.archion.de, 2026)
26Kerkboek (Evangelisch) Westuffeln (Kirchenkreis Hofgeismar), 1605-1718, 1633-1680, 1672-1719 (www.archion.de, 2026)
27Kerkboek (Evangelisch) Wolfhagen (Kirchenkreis Wolfhagen), 1575-1678, 1678-1768 (www.archion.de, 2026)
28Doop Anna Catharina, dochter van Henrich Jordan (aus Zwergen), Oberlistingen 19 november 1745 (www.archion.de, 2026)
29Kerkboek (Evangelisch) Oelshausen (Kirchenkreis Wolfhagen), 1654-1728 (www.archion.de, 2026)
30Genealogische aantekeningen Jan Dinant Jordaan, schrift ‘J.D.J. X’ (particulier bezit, 2026; nabije toekomst: ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan)
31https://de.wikipedia.org/wiki/Niedermeiser, 2026
32Regesten der Landgrafen von Hessen, Regesten der Grafen von Ziegenhain (lagis-hessen.de, 2026)
33Regesten der Grafen von Ziegenhain, Regest-Nr. 1447 (lagis-hessen.de, 2026)
34Regesten der Grafen von Ziegenhain, Regest-Nr. 1216 (lagis-hessen.de, 2026)
35Regesten der Grafen von Ziegenhain, Regest-Nr. 1226 (lagis-hessen.de, 2026)
36Noemenswaardig is Hendrik Jordaan, die in 1721 werd aangesteld tot provoost te Coevorden. Zijn herkomst is daarentegen onbekend. In de periode 1705-1740 geen Jorda(a)ns in lidmatenboek aldaar.
37Nationaal Archief, Den Haag, 1.04.02 VOC Opvarenden, registratienummer 5835, p. 29
38Nationaal Archief, Den Haag, 1.04.02 VOC Opvarenden, registratienummer 6719, p. 255
39Nationaal Archief, Den Haag, 1.04.02 VOC Opvarenden, registratienummer 5501, p. 171 en 5593, p. 137
40Genealogische aantekeningen Jan Dinant Jordaan, schrift ‘J.D.J. XXVII’ (particulier bezit, 2026; nabije toekomst: ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan)
41De voor- en achternaam werden op verschillende manieren geschreven. In akten komt zij voor als Anna en Johanna, terwijl haar achternaam afwisselend Leverink, Lieferink, Lefrink, Leefferink en Leferinck werd geschreven.
42o.a. Twentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant, 19 september 1931
43Collectie Overijssel, Zwolle, toegangsnummer 0124, inventarisnummer 221B Lidmatenboek Haaksbergen, 1666-1780
44Albert Duitman (1714-1783), ook ‘Netman’ geschreven, trouwde in 1736 te Kampen met Anna Charpentier. Zij werd in 1732 ingeschreven als lidmaat te Kampen, komende uit Haaksbergen. In 1725 woonde zij reeds in Haaksbergen, waarna zij zich voor korte periodes vestigde in Zutphen en Almelo.
45Stadsarchief Kampen, RAK 101, folio 3, 28 februari 1739
46Jan van Hulzen, ‘De Apostillen der Stad Campen en haar Jurisdictie; Bewerking van inv.nr. 204 van het Oud Archief (Apostillen 1733-1743)’, 2011. Volgens deze transcriptie werd een van de twee voogden ‘Albert Duutman’ geschreven.
47Collectie Overijssel, Zwolle, toegangsnummer 0124, inventarisnummer 221B Lidmatenboek Haaksbergen, 1666-1780
48Lambert Dercksen Jordaen vestigde zich 1 juli 1648 te Kampen, komende van Deventer. Op 21 februari 1656 werd de chirurgijn mr. Lambert Dercksen Jordaen burger van Vollenhove (toegangsnummer 77.1 Vollenhoofse regesten, inv.nr. 81). Opvallend is dat het Nederlandse geslacht Jordens ook afkomstig is uit Deventer. Deze achternaam is afgeleid van het patroniem Jordens(zoon). Joan Henricsz. (geboren Deventer 1579) nam de achternaam Jordens aan, het patroniem van zijn vader Henrick Jordens († 1581). Dit geslacht Jordens is opgenomen in het Nederlands Patriciaat. Aanvullend onderzoek zou kunnen uitwijzen of er tussen deze deze geslacht verwantschap bestaat.
49Tresoar, Leeuwarden, toegangsnummer 28, inventarisnummer 146, lidmatenregister Bolsward
50E-mail Otto Ottens aan Derk Jordaan, 12 februari 2026
51Kamper Almanak, 1980
52Genealogische aantekeningen Jan Dinant Jordaan, schrift ‘J.D.J. X’ (particulier bezit, 2026; nabije toekomst: ATT, Enschede, toegangsnummer 6 Familiearchief Jordaan)
53Kerkboek Lingen, 1728-1800 (www.archion.de, 2026). Helaas werden indertijd nieuwe lidmaten van buiten niet bijgehouden. Ook het overlijden van de weduwe Von Wilmsdorff werd niet aangetroffen.
54Genealogische gegevens Nijenberg + Van Tongeren (https://www.boognet.eu, 2026)
55Anna Charpentier komt in 1725 voor in het lidmatenboek te Haaksbergen als ‘Anna Scharpente’. Zij stamde niet uit een Haaksbergse familie. Blijkens het lidmatenboek vertrok zij voor enige tijd naar Zutphen, waarna zij terugkeerde in Haaksbergen. Vervolgens vertrok zij naar Almelo, om vervolgens in 1732 in Kampen op te duiken.
56Gerrit Bouwmeester en Aaltjen Andries, 1701; Lukas Kasper en Jantje Klaassen, 1710; Arent Jans en Jantjen Wicher, 1718; Jan Jans Geuckingh en Jentjen Jans, 1719; Hendrik Jans en Annetje Klaas, 1719; Gerrit Arents en Harmtje Andries, 1724, Harmen Jans Hoxbergen en Jentje Luighjes, 1726; Lucas Jansen en Aaltje Jacobs, 1727. Daarnaast woonde in 1740 te Meppel een Lubbert Jan Haaksbergen en Geesje Scholten, echtelieden. Al in het jaar 1700 liet een Jan Hoksbergen een zoon Jentje dopen, gevolgd door de zonen Jan in 1702 en Claas in 1704.