‘Apotheker Lamping’ – De Nederlandse apotheker achter Gerhart Hauptmanns Atlantis
In Gerhart Hauptmanns roman Atlantis uit 1912 komt in het Amerikaanse deel van het verhaal een Nederlandse apotheker voor: Lamping, door Hauptmann omschreven als een ‘braver, gemütlicher Holländer’. Hij treedt slechts kort op. Toch is de vermelding opmerkelijk concreet. Lamping heeft een naam, een beroep, een herkomst, een woonplaats en een plaats binnen het sociale netwerk van Meriden, Connecticut. Dat maakt de vraag interessant of Hauptmann hier een werkelijk bestaande persoon heeft verwerkt.
Die vraag kan met grote waarschijnlijkheid bevestigend worden beantwoord. De apotheker Lamping uit Atlantis moet vrijwel zeker worden geïdentificeerd met Goedhart Lamping, later in Amerika bekend als George Lamping (Nijeveen, 11 februari 1848 – Meriden, Connecticut, 1 april 1900). Hij was een Nederlandse emigrant die zich in de Verenigde Staten opwerkte tot apotheker, ondernemer, lokaal bestuurder en gerespecteerd burger van Meriden.
In 2015 schreef ik onder de titel ‘The American Dream of George Lamping (1848–1900)’ een artikel over het leven van deze George Lamping. Daarin kwam ook de mogelijke relatie met Hauptmanns Atlantisaan de orde. Achter de korte romanvermelding gaat een Drents-Amerikaans emigrantenleven schuil, met een bijzonder literair-historisch aanknopingspunt: het schipbreukverhaal dat Lamping volgens Amerikaanse necrologieën graag vertelde, en dat mogelijk heeft meegespeeld bij de beroemde schipbreukscène in Atlantis.
Het gaat daarbij om twee niveaus van waarschijnlijkheid. De identificatie van de romanfiguur Lamping met George Lamping uit Meriden is zeer sterk. De invloed van Lampings schipbreukverhaal op Atlantis blijft een hypothese, maar wel een heel goed verdedigbare hypothese.
Gerhart Hauptmann en Atlantis
Gerhart Johann Robert Hauptmann (1862–1946) was een van de belangrijkste Duitse schrijvers van zijn generatie. Hij wordt gerekend tot de grondleggers van het Duitse naturalisme en ontving in 1912 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn werk behandelt vaak sociale misstanden, innerlijke ontwrichting en de botsing tussen burgerlijke moraal en persoonlijke driften.
Atlantis verscheen in 1912. De roman vertelt het verhaal van de arts Friedrich von Kammacher, een man in persoonlijke crisis. Zijn vrouw is geestesziek, zijn wetenschappelijke ambities zijn mislukt en hij raakt gefascineerd door de jonge danseres Ingigerd Hahlström. Wanneer zij naar Amerika vertrekt, reist hij haar achterna. De overtocht loopt uit op een ramp: het schip, de Roland, vergaat na een aanvaring. Kammacher overleeft, bereikt New York en trekt later alleen naar Meriden, Connecticut, waar zijn jeugdvriend Peter Schmidt als arts werkzaam is.1
Deze Amerikaanse episodes zijn niet los te zien van Hauptmanns eigen leven. In 1894 reisde hij naar Amerika nadat zijn vrouw Marie met hun kinderen naar Meriden was vertrokken, naar de kring rond Hauptmanns jeugdvriend Alfred Ploetz. Hun huwelijk verkeerde toen in een ernstige crisis. Hauptmann verbleef in Amerika, vooral in Meriden, en verwerkte later veel indrukken uit die periode in zijn literaire werk.2
Atlantis bevat meerdere autobiografische trekken. Verschillende personages lijken herkenbaar geïnspireerd op personen uit Hauptmanns eigen omgeving, maar worden doorgaans onder een literaire naam opgevoerd. Zo wordt de arts Peter Schmidt meestal in verband gebracht met Hauptmanns jeugdvriend Alfred Ploetz, die in Meriden woonde. Hauptmann gebruikt voor hem dus een pseudoniem. Bij Lamping doet hij iets anders: de apotheker verschijnt niet verhuld, maar onder zijn werkelijke familienaam. Dat maakt de vermelding van ‘Apotheker Lamping‘ extra opvallend.
Lamping in Atlantis
Wanneer Friedrich von Kammacher in Meriden aankomt, wordt hij op het station opgewacht door Peter Schmidt. Deze heeft voor hem een huisje buiten de stad gevonden. Het huisje is eigendom van een vriend, Apotheker Lamping. In de Duitse tekst zegt Schmidt dat alles binnen een kwartier geregeld kan worden met zijn goede vriend ‘Apotheker Lamping‘, aan wie het huisje behoort. Hij noemt hem ‘ein braver, gemütlicher Holländer‘. In de Engelse vertaling werd dat: ‘a druggist’ en ‘a pleasant Dutchman’.
Enkele bladzijden later wordt Lamping opnieuw genoemd. In het huisje staat een oude, met leer beklede Hollandse sofa, die volgens Hauptmann door Apotheker Lamping uit ‘Leyden’, zijn geboorteplaats, zou zijn meegebracht. Dit detail klopt niet wanneer men het betrekt op George Lamping, want hij werd niet in Leiden geboren, maar in Nijeveen. Toch hoeft deze fout de identificatie niet te verzwakken. Zij past bij het soort half-precieze herinnering dat in literaire verwerking vaker voorkomt.
Daarbij komt dat George Lamping zijn Nederlandse verleden in Amerika op meer punten gunstiger lijkt te hebben voorgesteld dan het was. Amerikaanse bronnen vermelden bijvoorbeeld dat hij in Duitsland geneeskunde had gestudeerd of zelfs de graad van M.D. had behaald, terwijl zijn Nederlandse opleiding juist onvoltooid bleef. Het is daarom niet ondenkbaar dat hij zelf Leiden heeft genoemd, niet als geboorteplaats, maar bijvoorbeeld als vermeende studieplaats. Leiden was immers de oudste en internationaal meest bekende universiteit van Nederland. Ook kan Hauptmann of zijn omgeving een Nederlandse plaatsnaam eenvoudig verkeerd hebben onthouden.
Van Nijeveen naar Oude Pekela
George Lamping werd op 11 februari 1848 in Nijeveen geboren als Goedhart Lamping. Zijn vader, Hermanus Frederik Lamping (1817–1851), was genees-, heel- en verloskundige. Zijn moeder was Helena Harmanna Borgesius (1820–1852), afkomstig uit een vooraanstaande familie in Oude Pekela.
De medische wereld was Goedhart van huis uit niet vreemd. Zijn vader was de enige medicus van Nijeveen en zijn woonhuis was mede ingericht als apotheek. Na zijn vroege overlijden werd het huis in 1851 omschreven als modern ingericht en uitermate geschikt voor iemand die zich als dokter of plattelands heel- en verloskundige ter plaatse wilde vestigen.3
In ruim twaalf maanden tijd verloor het jonge gezin beide ouders. Op 9 november 1851 overleed Hermanus Frederik Lamping, slechts 34 jaar oud. Zijn weduwe Helena Harmanna Borgesius keerde daarop met hun drie jonge kinderen — Elisabeth Anna, Goedhart en Wendeline Caroline — terug naar haar ouderlijk huis in Oude Pekela. Daar overleed ook zij op 19 november 1852, na al geruime tijd aan een ernstige kwaal te hebben geleden. Zij werd slechts 32 jaar oud. De kinderen Lamping werden dus zeer jong wees.

(N.G. Addens, ‘De Groninger Maatschappij van Landbouw; Gedenkboek 1837-1937’, 1937)
(bewerkt d.m.v. Deevid.ai, 2026)
De kinderen kwamen terecht in de gegoede familiekring Borgesius. Hun grootvader ir. Goedhart Borgesius was stadsveenmeester, landmeter, ingenieur, gemeenteraadslid, assessor en kerkvoogd in Oude Pekela. Hun oom Tjakko Borgesius (1816–1888) was er burgemeester en lid van Provinciale Staten van Groningen. De weeskinderen Lamping groeiden op onder de hoede van hun ongehuwde oom Jacobus Goedhardus Borgesius (1822–1859), die zijn vader als stadsveenmeester was opgevolgd, en van hun twee toen nog ongehuwde tantes, Aaltje (1818–1876) en Riena Borgesius (1824–1863). Zij woonden in een van de aanzienlijkste huizen van het dorp: een woning aan het kanaal, met zeven benedenkamers, twee keukens, een parkachtige tuin met vijver en daarachter uitgestrekte gronden.
Dat gegeven is belangrijk. George Lamping was geen arme emigrant uit een kansloos milieu, maar een vroeg ouderloos geworden jongen uit een familie met opleiding, bezit en maatschappelijke positie. Tegelijkertijd was hij door dat vroege ouderverlies ook iemand die zijn plaats in het leven opnieuw moest vinden.
Een afgebroken medische loopbaan
Goedhart Lamping bleek een goede leerling. Hij bezocht het gymnasium in Winschoten en koos daarna voor een medische opleiding. In 1866 werd hij toegelaten tot ’s Rijks Kweekschool voor Militaire Geneeskundigen in Utrecht, een opleiding voor officieren van gezondheid. De opleiding had een praktisch en militair karakter en omvatte onder meer geneeskunde, heelkunde, scheikunde, anatomie, artsenijbereidkunde en klinische vorming.
De keuze voor deze opleiding paste bij zijn familieachtergrond. Zijn vader was genees-, heel- en verloskundige geweest. Bovendien bood de opleiding internationale perspectieven, onder meer in Nederlands-Indië en de West. Dat zal de avontuurlijk ingestelde Lamping mogelijk hebben aangesproken. In Utrecht woonde hij aan de Steenweg ten huize van de kunstschilder Leendert Springer junior (1831–1894).
Toch voltooide Lamping deze opleiding niet. In 1868 werd hij als student ontslagen. De exacte reden is onbekend. Formeel konden kwekelingen worden verwijderd wegens gebrek aan aanleg of lust tot studie, wangedrag, zedenbederf of lichamelijke gebreken.4 Zonder nadere bron valt niet te zeggen welke reden in zijn geval van toepassing was.
Dat is van belang, omdat zijn Amerikaanse levensverhaal later aanzienlijk werd opgepoetst. In Amerikaanse bronnen wordt hij “Dr. Lamping” genoemd en wordt gesteld dat hij geneeskunde had gestudeerd, soms zelfs in Duitsland, en als arts naar Amerika was vertrokken. De Nederlandse bronnen laten een genuanceerder beeld zien. Lamping had medische scholing gehad en zal ongetwijfeld over farmaceutische en medische kennis hebben beschikt, maar hij was in Nederland geen afgestudeerd arts.
Na zijn vertrek uit Utrecht woonde hij enige tijd in Groningen, waar hij in het bevolkingsregister als ‘zonder beroep’ werd vermeld. In deze universiteitsstad woonde hij op kamers bij een timmerman, die daarnaast een kamer verhuurde aan een theologiestudent. Op 5 mei 1871 schreef hij zich uit naar Amsterdam. Daarna verdwijnt hij voor enige tijd uit de Nederlandse bronnen. In de jaren zeventig maakte hij de oversteek naar Amerika.
George Lamping in Amerika
In Amerika werd Goedhart Lamping George Lamping. Volgens Amerikaanse levensberichten kwam hij berooid in New York aan. Hij zou een plaats hebben gevonden als leerling in een apotheek, later hebben gewerkt in Brooklyn en Hoboken, en vervolgens het New York College of Pharmacy hebben bezocht. Uiteindelijk zou hij manager zijn geworden van een grote apothekerszaak in New York.5
Niet alle onderdelen van deze Amerikaanse levensschets zijn controleerbaar. Wel staat vast dat Lamping in Amerika daadwerkelijk carrière maakte in de farmaceutische wereld. In 1879 opende hij een apotheek in New Haven, Connecticut. In 1882 liet hij zich naturaliseren tot Amerikaans staatsburger. Daarna vestigde hij zich in New Britain, waar hij opnieuw een apotheek dreef. In 1885 trouwde hij met Hedwig Kaunitz (1863-1905), roepnaam Hattie, afkomstig uit West-Pommeren. In 1886 verhuisde het echtpaar naar Meriden, waar Lamping een apotheek opende aan Main Street.

In Meriden werd George Lamping een bekende en gewaardeerde burger. Een beschrijving van zijn zaak prijst de zorgvuldige bereiding van recepten, de nette bediening, de ruime voorraad geneesmiddelen, chemicaliën, toiletartikelen en andere winkelwaren. De negentiende-eeuwse Amerikaanse ‘druggist’ was meer dan een moderne apotheker in enge zin. Hij was ook drogist, winkelier, bereider van geneesmiddelen en lokaal aanspreekpunt voor allerlei medische en huishoudelijke behoeften.
Ook in beroepskringen was hij zichtbaar. In de American Druggist and Pharmaceutical Record wordt Lamping uit Meriden genoemd tussen aanwezigen bij een bijeenkomst van apothekers en farmaceutische vertegenwoordigers.6 Daarnaast vervulde hij maatschappelijke functies. Hij was actief in de Turner Society, betrokken bij Duits-Amerikaanse schoolzaken, lid van de Amaranth Club en voorzitter van de board of assessors van Meriden.7 Zijn necrologie typeerde hem als een gul en bemind man, iemand die moeilijk “nee” kon zeggen wanneer een beroep op hem werd gedaan.8
Naast zijn apotheek had Lamping ook zakelijke belangen buiten de farmacie. Hij was mede-eigenaar van industriële ondernemingen, waaronder Goodwin & Kintz, een fabriek van koperwaren, waaronder lampen, klokken en andere decoratieve voorwerpen. Volgens latere bedrijfsgeschiedenis was hij president van deze onderneming.9 Daarmee past hij in het patroon van de ondernemende negentiende-eeuwse immigrant die zich niet tot één beroepspraktijk beperkte, maar ook investeerde in nieuwe industriële mogelijkheden.
In 1892 kwam bovendien zijn zestienjarige Nederlandse neef Herman Frederik Schaafsma bij hem in Meriden wonen. Herman was een zoon van George Lampings zuster Elisabeth Anna Lamping en zou later, net als zijn oom, apotheker worden. Dat beeld past opvallend goed bij Hauptmanns Lamping: een hulpvaardige, betrouwbare apotheker, ingebed in de lokale gemeenschap van Meriden.
Hauptmann in Meriden
Om te begrijpen waarom Lamping in Atlantis terechtkwam, moeten we terug naar Hauptmanns verblijf in Meriden. In januari 1894 was zijn vrouw Marie met de drie kinderen naar Amerika vertrokken, naar Alfred Ploetz en diens vrouw in Meriden. Deze reis had alles te maken met de huwelijkscrisis die was ontstaan door Hauptmanns verhouding met Margarete Marschalk. Hauptmann reisde haar achterna en verbleef enige tijd in de Verenigde Staten, vooral in Meriden.10
In Atlantis is Peter Schmidt, de artsenvriend van Friedrich von Kammacher, duidelijk verwant aan Alfred Ploetz. Schmidt woont in Meriden, heeft een medische praktijk en fungeert als gids in het Amerikaanse leven. Dat Hauptmann voor Ploetz de naam Schmidt gebruikte, laat zien hoe hij autobiografisch materiaal literair omvormde. Hij nam herkenbare trekken uit zijn eigen omgeving over, maar gaf personen doorgaans een andere naam.
Juist daarom valt Lamping op. Hij behoort in de roman tot de kring rond Schmidt, maar verschijnt niet onder een pseudoniem. De historische George Lamping bewoog zich in Meriden in dezelfde Duits-Amerikaanse gemeenschap als waarin Hauptmann en Ploetz verkeerden.
Het is daarom zeer aannemelijk dat Hauptmann George Lamping kende, of in elk geval van hem had gehoord. Zijn zonen gingen in Meriden naar school in de Duits-Amerikaanse omgeving waarin ook Lamping een rol speelde. Lamping was bovendien geen onzichtbare winkelier, maar een bekende apotheker en lokaal bestuurder. Voor iemand die in Meriden verbleef en zich in Duitse kringen bewoog, was hij moeilijk te missen.
Een tweede Apotheker Lamping: Dorothea Angermann
De identificatie wordt versterkt door een latere vermelding bij Hauptmann. In Dorothea Angermann duikt opnieuw een Apotheker Lamping op. Dit toneelstuk schreef Hauptmann in 1925 en verscheen voor het eerst in 1926. Het stuk bevat, net als Atlantis, Amerikaanse herinneringssporen: de derde en vierde akte spelen in Meriden.
In Dorothea Angermann is Lamping opnieuw geen hoofdfiguur, maar een praktische helper aan de rand van de handeling. Leonore Pfannschmidt vertelt dat Apotheker Lamping haar geld heeft voorgeschoten om een schuld te voldoen. Ook blijkt dat Lamping haar en de kinderen voor de kerstviering hebben uitgenodigd.11 Later wordt Lamping opnieuw genoemd wanneer een fles Wildunger mineraalwater op tafel staat die door Apotheker Lamping is bezorgd. Dorothea spreekt dan over “diese lieben Lampings” en over de goede mensen die haar hebben geholpen.12
Dat is veelzeggend. Als Lamping alleen in Atlantis was voorgekomen, had men nog kunnen denken aan een toevallig gekozen Nederlandse naam. Maar doordat Hauptmann jaren later opnieuw een Apotheker Lamping opvoert, opnieuw als hulpvaardige figuur in een Duits-Amerikaanse sfeer, wordt de naam meer dan een toevallige romanvondst. Lamping lijkt een belangrijke herinneringsnaam te zijn geweest: de naam van een apotheker uit Hauptmanns Amerikaanse ervaring die in zijn literaire geheugen bleef hangen.
Daarmee krijgt ook George Lamping zelf meer reliëf. In de Amerikaanse bronnen wordt hij beschreven als gul, sociaal en behulpzaam. Bij Hauptmann verschijnt Apotheker Lamping eveneens als iemand die regelt, voorschiet, bezorgt, uitnodigt en helpt.
De bewijsvoering
De identificatie van Hauptmanns Apotheker Lamping met George Lamping rust op een reeks samenhangende aanwijzingen.
Ten eerste is er de naam. Lamping is geen algemene Nederlandse naam die een Duitse schrijver gemakkelijk uit de lucht zou grijpen.
Ten tweede is er het beroep. Hauptmann noemt hem Apotheker, in de Engelse vertaling druggist. George Lamping was daadwerkelijk apotheker en drogist in Meriden.
Ten derde is er de herkomst. Hauptmann noemt hem een Holländer; de Engelse vertaling spreekt van een Dutchman. George Lamping was geboren in Nederland.
Ten vierde is er de plaats. Hauptmann situeert Lamping in Meriden. George Lamping woonde en werkte daar sinds 1886.
Ten vijfde is er de sociale kring. George Lamping maakte deel uit van de Duits-Amerikaanse gemeenschap van Meriden, waarin Hauptmann zich in 1894 bewoog.
Ten zesde is er de naamgeving binnen Atlantis zelf. Andere autobiografisch herkenbare personen lijken door Hauptmann te zijn verhuld achter literaire namen, zoals Peter Schmidt voor Alfred Ploetz. Lamping verschijnt daarentegen met zijn echte familienaam. Dat verschil maakt zijn vermelding juist opvallender.
Ten zevende is er de herhaling in Dorothea Angermann. Hauptmann gebruikt de naam Apotheker Lamping later opnieuw, met dezelfde associatie van praktische hulpvaardigheid.
Het schipbreukverhaal van George Lamping
Het meest intrigerende onderdeel van George Lampings levensverhaal is zijn vermeende overtocht naar Amerika. In Amerikaanse necrologieën uit 1900 wordt verteld dat hij bij zijn emigratie een spectaculaire schipbreuk had overleefd. Zijn schip zou in het Kanaal in aanvaring zijn gekomen met een ander vaartuig en zijn gezonken. Van ongeveer 250 opvarenden zouden slechts drie personen zijn gered. Lamping zou uren in het water hebben gelegen, door een Italiaans schip zijn opgepikt en uiteindelijk in New York zijn aangekomen met slechts vijftig cent op zak.13
Dit verhaal is prachtig, maar problematisch. Ik heb geen scheepsramp kunnen vinden die exact aan deze beschrijving voldoet. De ramp met de S.S. Deutschland in 1875 komt enigszins in de buurt, maar de details kloppen niet: het aantal passagiers, het aantal overlevenden en de omstandigheden wijken af. Bovendien bevatten de Amerikaanse levensberichten ook andere aantoonbare onjuistheden, met name over Lampings vermeende artsdiploma.
Toch mag men het verhaal niet zomaar terzijde schuiven. De necrologie vermeldt uitdrukkelijk dat Lamping deze ervaring graag aan vrienden vertelde en dat velen het verhaal hadden gehoord. Dat is literair-historisch van groot belang. Of de gebeurtenis precies zo heeft plaatsgevonden, is één vraag. Dat het verhaal in Meriden circuleerde, is een andere.
In de sociale werkelijkheid van Meriden was George Lamping dus niet alleen de vriendelijke Nederlandse apotheker. Hij was ook de man met het bijna ongelooflijke emigrantenverhaal: de schipbreukeling die berooid in New York aankwam en zich vervolgens opwerkte tot apotheker en burger van aanzien.
Heeft Lamping de schipbreuk in Atlantis geïnspireerd?
Daarmee ontstaat een aantrekkelijke hypothese. Kan het schipbreukverhaal van George Lamping Hauptmann mede hebben geïnspireerd bij het schrijven van Atlantis?
De parallellen zijn opvallend. In Lampings verhaal gaat het om een overtocht naar Amerika, een aanvaring, een zinkend schip, een klein aantal overlevenden, redding door een ander vaartuig en aankomst in New York. In Atlantis vergaat de Roland eveneens tijdens de overtocht naar Amerika na een aanvaring. Friedrich von Kammacher behoort tot de weinige overlevenden en wordt naar New York gebracht.
Daarbij komt dat Atlantis vaak in verband is gebracht met de ondergang van de Titanic. Dat verband is begrijpelijk, omdat de roman en vooral de verfilming kort na de ramp met de Titanic grote aandacht kregen. Maar chronologisch kan de Titanic niet de directe bron van Hauptmanns roman zijn: Atlantis verscheen al eerder in 1912.
Het verhaal van George Lamping biedt daarom een mogelijke oudere inspiratiebron. Hauptmann verbleef in Meriden, kende vermoedelijk Lamping of diens omgeving, en Lamping stond erom bekend zijn schipbreukverhaal aan vrienden te vertellen. Bewijs in strikte zin is dit niet. Er is voor zover bekend geen brief of dagboekaantekening waarin Hauptmann schrijft dat hij de schipbreukscène aan Lamping ontleende.
Toch is de hypothese goed verdedigbaar. Voorzichtig geformuleerd: George Lamping was vrijwel zeker het model voor Apotheker Lamping in Atlantis; daarnaast kan zijn in Meriden bekende schipbreukverhaal hebben bijgedragen aan de vormgeving van de schipbreukscène in de roman.
Zelfpresentatie en herinnering
Bij George Lamping valt op dat zijn Amerikaanse identiteit deels op zelfpresentatie lijkt te berusten. Hij was in Nederland geen arts geworden, maar werd in Amerika ‘Dr. Lamping’. Hij had niet aantoonbaar in Leiden of Duitsland gestudeerd, maar Amerikaanse bronnen vermelden zulke academische achtergronden wel. Zijn schipbreukverhaal is niet controleerbaar, maar werd kennelijk met overtuiging verteld.
Dat maakt hem niet minder interessant, maar juist meer. George Lamping belichaamt een negentiende-eeuws emigrantentype: iemand die tussen twee werelden leeft en in de nieuwe wereld zijn verleden herschikt. Hij was Goedhart Lamping uit Nijeveen, vroeg ouderloos, gevormd door de aanzienlijke familie Borgesius, student aan een militaire medische opleiding die hij niet voltooide. In Amerika werd hij George Lamping, apotheker, ‘doctor’, zakenman, bestuurder en weldoener.
Die transformatie past bij het grotere verhaal van de Amerikaanse droom. Maar zij past ook bij de literaire wereld van Hauptmann, waarin mensen vaak op de grens staan tussen werkelijkheid en verbeelding, tussen maatschappelijke rol en innerlijke waarheid, tussen feit en mythe. De historische George Lamping was voor Hauptmann misschien juist daarom bruikbaar: een man met een tot de verbeelding sprekend levensverhaal.
Epiloog: Herman Schaafsma in de voetsporen van zijn oom
De geschiedenis van George Lamping kreeg nog een persoonlijke nasleep in de volgende generatie. Eind 1892 vertrok zijn zestienjarige neef Herman Frederik Schaafsma (1876–1913) naar Meriden.14 Herman was de oudste zoon van de Harlingse vlashandelaar en reder Pier Schaafsma (1844–1916) en diens eerste echtgenote Elisabeth Anna Lamping (1845–1885), de oudste zuster van George Lamping. Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, onder wie Herman en mijn overgrootmoeder Tine Aalders–Schaafsma.

(Familiearchief Aalders, particulier bezit, Den Haag)
(Foto bewerkt d.m.v. Deevid.ai, 2026)
Over Elisabeth Anna Schaafsma-Lamping bleef in de Amerikaanse familieherinnering bewaard dat zij langdurig ziek was. Hermans latere echtgenote, Mary Hildrith Schaafsma–Thomas, schreef in 1944 aan haar zoon: ‘The mother was sick a great deal and taken to the South of France for some time before she died.’15 Dat verblijf in Zuid-Frankrijk past bij de negentiende-eeuwse praktijk om zieken, vooral bij chronische of slepende aandoeningen, tijdelijk naar een milder klimaat te brengen. Het mocht niet baten: Elisabeth Anna overleed op 14 juni 1885, slechts negenendertig jaar oud.
Pier Schaafsma hertrouwde in 1887 met Boudina Sickens. Ook over haar bleef een warm beeld bewaard. Mary Schaafsma-Thomas noemde haar in de voornoemde brief ‘a close friend of the first wife’s and like a mother to her children’. Daarmee krijgt het gezin Schaafsma-Lamping meer reliëf. Herman verloor zijn moeder vroeg, maar kwam niet uit een ontwricht of liefdeloos gezin. Zijn stiefmoeder werd kennelijk herinnerd als iemand die de kinderen van Elisabeth Anna met zorg omringde.

(Foto: particuliere collectie W.R. ‘Bob’ Schaafsma, Phoenix, Arizona, Verenigde Staten)
Toch koos Herman op jonge leeftijd voor een nieuw bestaan overzee. Op 23 november 1892 verliet hij het ouderlijk huis en vestigde zich in Meriden, Connecticut, bij zijn kinderloze oom en tante, George en Hattie Lamping–Kaunitz. Zij bekommerden zich kennelijk intensief om hun jonge neef. Van George Lamping is, voor zover mij bekend, slechts één foto bewaard gebleven: een opname uit 1893 waarop hij enigszins mysterieus achter de deur van zijn winkel staat, terwijl vóór de winkel de kort daarvoor gearriveerde Herman Schaafsma te zien is. Deze foto is afkomstig van Hermans kleinzoon Bob Schaafsma.16
Hoe hecht de band tussen oom en neef was, blijkt uit dezelfde brief van Mary Hildrith Schaafsma-Thomas uit 1944. Zij schreef dat George Lamping geen kinderen had en dat Herman tot het overlijden van zijn oom zelfs de naam ‘Herman Lamping’ gebruikte. George Lamping liet hem bovendien 10.000 dollar na.17 Herman was op dat moment werkzaam als ‘druggist’ in Manhattan (New York City). Later was hij werkzaam voor de firma Stoddart Bros in Buffalo (NY), om vervolgens in 1903 door te reizen naar St. Louis (MO), ‘seeking a new field’.18 Hij maakte vervolgens een wereldreis, bezocht onder meer China, en streek vervolgens neer in Californië.19
In 1906 maakte Herman Schaafsma de desastreuse aarbeving mee in San Francisco. In het ziekenhuis werd hij verzorgd door de verpleegster Mary Hildrith Thomas (1878-1972), met wie hij hetzelfde jaar nog in het huwelijk trad. Een jaar later werd hun enige kind geboren, William Thomas “Billy” Schaafsma (1907-1968). Het jonge gezin vestigde zich in het plaatsje Newton (CA) waar Herman werkzaam was in de Pioneer Drug Store. In 1911 kocht hij de San Joaquin Company’s business in Stockton (CA).20 Lang heeft hij daarvan niet kunnen profiteren. Op 1 november 1913 overleed Herman Frederik Schaafsma, slechts 37 jaar oud. Zijn weduwe Mary bleef achter met hun jonge zoon Billy en zette haar leven voort als verpleegster. Per brief bleef zij contact onderhouden met haar schoonfamilie in Nederland.
Via Herman Schaafsma bleef de naam Lamping nog even voortleven in de Amerikaanse familiekring. De jonge neef trad in het vak van zijn oom George Lamping, erfde een deel van diens vermogen en zette diens beweging voort: van Nederland naar Amerika, van apotheek naar apotheek, van stad naar stad en zelfs een wereldreis.
Voor mij heeft deze geschiedenis bovendien een persoonlijke dimensie. Mijn overgrootmoeder Christina Helena Harmanna Aalders–Schaafsma (1879–1953) was een zus van Herman Schaafsma en daarmee een nicht van George Lamping. Ook tegenwoordig onderhoud ik goed contact met Hermans kleinzoon, W.R. ‘Bob’ Schaafsma (geb. 1940), in Amerika.
Eén vraag blijft open: kan aanvullend archiefonderzoek de directe band tussen George Lamping en Gerhart Hauptmann bevestigen? Wellicht biedt het persoonlijk archief van de schrijver ooit uitkomst…
“ (…) He studied medicine in Germany and after procuring his M.D., started for this country with the intention of following his profession in the west. While in the English Channel the vessel he was on, was sunk in a collision and out of a passenger list and crew of some two hundred and fifty persons only three were saved. Dr. Lamping remained in the water for several hours and was at last picked up by an Italian craft and landed in New York. The doctor was fond of telling this experience to his friends and many have heard it. He used to say that, when he was put on shore in New York, he had but fifty cents in his pocket, he having lost all his other belongings in the wreck.
He secured a position as apprentree in a drug store in New York and later held similar positions in Brooklyn and Hoboken. Later he attended the New York College of Pharmacy, where he graduated, and before he left the metropolis he was manager of one of the largest drug houses in the city.
In 1879 he came to New Haven where he purchased and opened a drug store and remained until 1882. He then went to New Britain where he remained until ‘86, when he came to this city [Meriden, Connecticut] and opened a drug store in Morse & Norton’s block. He conducted both his New Britain and local stores until his marriage, ten years ago, when the former store was sold. In the spring of ‘96 he removed to the present locality of the store.
Dr. Lamping was a Hollander, but was not only proficient in his native tongue and in the English language, but was something of a linguist besides, speaking German and French and being a good Latin scholar. (…)”
(Meriden Weekly Republican, 5 april 1900)
“George Lamping (deceased), who was one of Meriden’s well-known and highly respected citizens, a leading druggist, was born in Nyenveen, Holland, Feb. 11 1848. His father, Dr. Herman Lamping, a medical practitioner, died when George was but two years old. The son was educated in his native home, and took up the study in his native home, and took up the study of the science of medicine in Utrecht , Holland, where he received the degree of M.D. He immediately set out for the United States, intending to locate here in the practice of his chosen profession. The ship in which he sailed came in collision with another vessel in the English Channel, and out of the two hundred and fifty persons comprising the passengers and crew only three were saved. Dr. Lamping remained in the water for several hours, and was finally picked up by an Italian vessel bound for New York, to which port he was carried, and he arrived at New York with but fifty cents in his pocket. (etc.)”
(‘Commemorative biograhical record of New Haven County, Connecticut, containing biographical sketches of prominent and representative citizens and of many of the early settled families (Volume 1, pt. 1) ‘)
1Gerhart Hauptmann, Atlantis, Berlijn: S. Fischer, 1912.
2Encyclopedia.com, “Hauptmann, Gerhart”; Warren R. Maurer, Understanding Gerhart Hauptmann.
3Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 9 december 1851
4Nederlandsche Staatscourant, 7 maart 1867
5Meriden Weekly Republican, 5 april 1900
6 American Druggist and Pharmaceutical Record, vol. XXVIII, 1896
7 American Druggist and Pharmaceutical Record, vol. XXVIII, 1896
8 Meriden Weekly Republican, 5 april 1900
9The Morning Record, Meriden, Tuesday January 4, 1898
10Encyclopedia.com, ‘Hauptmann, Gerhart’; Warren R. Maurer, Understanding Gerhart Hauptmann.
11Gerhart Hauptmann, Dorothea Angermann, derde akte: Leonore vermeldt dat Apotheker Lamping geld heeft voorgeschoten en dat “Lampings” het gezin uitnodigen voor de kerstviering.
12Gerhart Hauptmann, Dorothea Angermann, vierde akte: de fles Wildunger mineraalwater die Apotheker Lamping heeft bezorgd en Dorothea’s verwijzing naar “diese lieben Lampings”.
13 Meriden Weekly Republican, 5 april 1900
14‘Ingekomen en vertrokken personen Harlingen, 1851-1912’ (www.friesarchiefnet.nl, 2013)
15Familiearchief Aalders, particulier bezit, Den Haag, inv.nr. 45, stukken afkomstig van W.R. ‘Bob’ Schaafsma, waaronder het kopie van de brief van van M.H. Schaafsma-Thomas aan haar zoon W.T. Schaafsma, 3 december 1944
16Familiearchief Aalders, particulier bezit, Den Haag, inv.nr. 45, stukken afkomstig van W.R. ‘Bob’ Schaafsma, waaronder een kopie van de foto met daarop o.a. George Lamping en Herman Schaafsma, 1893
17Familiearchief Aalders, particulier bezit, Den Haag, inv.nr. 45, stukken afkomstig van W.R. ‘Bob’ Schaafsma, waaronder het kopie van de brief van van M.H. Schaafsma-Thomas aan haar zoon W.T. Schaafsma, 3 december 1944
18The Pharmaceutical era (weekly), 2 july to december 31, 1903
19Familiearchief Aalders, particulier bezit, Den Haag, inv.nr. 45, stukken afkomstig van W.R. ‘Bob’ Schaafsma, waaronder het kopie van de brief van van M.H. Schaafsma-Thomas aan haar zoon W.T. Schaafsma, 3 december 1944
20The Pacific Pharmacist (1911)
“Pharmacist Lamping” – The Dutch Pharmacist Behind Gerhart Hauptmann’s Atlantis
In Gerhart Hauptmann’s 1912 novel Atlantis, a Dutch pharmacist appears in the American part of the story: Lamping, described by Hauptmann as a “braver, gemütlicher Holländer” — a decent, genial Dutchman. He appears only briefly. Yet the reference is remarkably concrete. Lamping has a name, a profession, an origin, a place of residence, and a position within the social network of Meriden, Connecticut. This raises the question of whether Hauptmann was portraying a real person here.
That question can, with a high degree of probability, be answered in the affirmative. The pharmacist Lamping in Atlantis should almost certainly be identified as Goedhart Lamping, later known in America as George Lamping (Nijeveen, 11 February 1848 – Meriden, Connecticut, 1 April 1900). He was a Dutch emigrant who rose in the United States to become a pharmacist, entrepreneur, local official, and respected citizen of Meriden.
In 2015 I wrote an article on the life of this George Lamping under the title “The American Dream of George Lamping (1848–1900)”. In that article I also discussed his possible connection with Hauptmann’s Atlantis. Behind this brief reference in the novel lies a Dutch-American emigrant’s life rooted in Drenthe, with a particularly intriguing literary-historical point of contact: the shipwreck story that, according to American obituaries, Lamping liked to tell, and which may have played a part in the famous shipwreck scene in Atlantis.
This involves two levels of probability. The identification of the fictional Lamping with George Lamping of Meriden is very strong. The influence of Lamping’s shipwreck story on Atlantis remains a hypothesis, but a highly defensible one.
Gerhart Hauptmann and Atlantis
Gerhart Johann Robert Hauptmann (1862–1946) was one of the most important German writers of his generation. He is regarded as one of the founders of German Naturalism and received the Nobel Prize in Literature in 1912. His work often deals with social injustice, inner disintegration, and the conflict between bourgeois morality and personal impulses.
Atlantis appeared in 1912. The novel tells the story of the physician Friedrich von Kammacher, a man in personal crisis. His wife is mentally ill, his scientific ambitions have failed, and he becomes fascinated by the young dancer Ingigerd Hahlström. When she leaves for America, he follows her. The crossing ends in disaster: the ship, the Roland, sinks after a collision. Kammacher survives, reaches New York, and later travels alone to Meriden, Connecticut, where his childhood friend Peter Schmidt is working as a physician.
These American episodes cannot be separated from Hauptmann’s own life. In 1894 he travelled to America after his wife Marie had gone to Meriden with their children, joining the circle around Hauptmann’s childhood friend Alfred Ploetz. Their marriage was then in serious crisis. Hauptmann stayed in America, especially in Meriden, and later incorporated many impressions from that period into his literary work.
Atlantis contains several autobiographical elements. Various characters seem recognisably inspired by people from Hauptmann’s own circle, although they are usually given literary names. The physician Peter Schmidt, for example, is generally associated with Hauptmann’s childhood friend Alfred Ploetz, who lived in Meriden. Hauptmann therefore used a pseudonym for him. With Lamping he did something different: the pharmacist appears not in disguised form, but under his real family name. This makes the reference to “Apotheker Lamping” all the more striking.
Lamping in Atlantis
When Friedrich von Kammacher arrives in Meriden, he is met at the station by Peter Schmidt. Schmidt has found him a small house outside the town. The house belongs to a friend, Apotheker Lamping. In the German text, Schmidt says that everything can be arranged within fifteen minutes with his good friend “Apotheker Lamping”, who owns the house. He calls him “ein braver, gemütlicher Holländer”. In the English translation this became “a druggist” and “a pleasant Dutchman”.
A few pages later Lamping is mentioned again. In the house stands an old, leather-covered Dutch sofa which, according to Hauptmann, Apotheker Lamping had brought from “Leyden”, his birthplace. This detail is incorrect if applied to George Lamping, for he was not born in Leiden but in Nijeveen. Yet this error need not weaken the identification. It fits the kind of half-precise recollection that often occurs in literary transformation.
Moreover, George Lamping appears to have presented his Dutch past in America in a more favourable light than the facts warrant. American sources state, for example, that he had studied medicine in Germany or even obtained the degree of M.D., whereas his Dutch training had in fact remained unfinished. It is therefore not inconceivable that he himself mentioned Leiden, not as his birthplace, but perhaps as a supposed place of study. Leiden was, after all, the oldest and internationally best-known university in the Netherlands. It is also possible that Hauptmann or those around him simply misremembered a Dutch place name.
From Nijeveen to Oude Pekela
George Lamping was born on 11 February 1848 in Nijeveen as Goedhart Lamping. His father, Hermanus Frederik Lamping (1817–1851), was a physician, surgeon, and obstetrician. His mother was Helena Harmanna Borgesius (1820–1852), who came from a prominent family in Oude Pekela.
The medical world was familiar to Goedhart from birth. His father was the only medical practitioner in Nijeveen, and his house was partly equipped for storing an apothecary’s stock. After his early death, the house was described in 1851 as modernly furnished and particularly suitable for someone wishing to establish himself there as a doctor or rural surgeon and obstetrician.
Within little more than twelve months, the young family lost both parents. On 9 November 1851 Hermanus Frederik Lamping died, only 34 years old. His widow Helena Harmanna Borgesius then returned with their three young children — Elisabeth Anna, Goedhart, and Wendeline Caroline — to her parental home in Oude Pekela. There she too died, on 19 November 1852, after having suffered for some time from a serious illness. She was only 32 years old. The Lamping children were therefore orphaned at a very young age.

(N.G. Addens, ‘De Groninger Maatschappij van Landbouw; Gedenkboek 1837-1937’, 1937)
(bewerkt d.m.v. Deevid.ai, 2026)
The children were taken into the well-to-do Borgesius family circle. Their grandfather, ir. Goedhart Borgesius, was municipal peatland supervisor, surveyor, engineer, municipal councillor, alderman, and churchwarden in Oude Pekela. Their uncle Tjakko Borgesius (1816–1888) was mayor of Oude Pekela and a member of the Provincial Council of Groningen. The Lamping orphans grew up under the care of their unmarried uncle Jacobus Goedhardus Borgesius (1822–1859), who had succeeded his father as municipal peatland supervisor, and of their two then still unmarried aunts, Aaltje (1818–1876) and Riena Borgesius (1824–1863). They lived in one of the most substantial houses in the village: a house on the canal, with seven downstairs rooms, two kitchens, a park-like garden with a pond, and extensive lands behind it.
This is significant. George Lamping was not a poor emigrant from a hopeless background, but an early-orphaned boy from a family with education, property, and social standing. At the same time, the early loss of both parents meant that he was also someone who had to find his own place in life.
An Interrupted Medical Career
Goedhart Lamping proved to be a good student. He attended the gymnasium in Winschoten and then chose a medical education. In 1866 he was admitted to ’s Rijks Kweekschool voor Militaire Geneeskundigen in Utrecht, a training institute for military medical officers. The course had a practical and military character and included medicine, surgery, chemistry, anatomy, pharmacy, and clinical training.
This choice suited his family background. His father had been a physician, surgeon, and obstetrician. In addition, the training offered international prospects, including service in the Dutch East Indies and the West Indies. This may well have appealed to the adventurous Lamping. In Utrecht he lived on the Steenweg in the house of the painter Leendert Springer junior (1831–1894).
Yet Lamping did not complete this training. In 1868 he was dismissed as a student. The exact reason is unknown. Formally, cadets could be removed for a variety of reasons, such as lack of aptitude or diligence, misconduct, moral delinquency, or physical defects. Without further evidence it is impossible to say which of these applied in his case.
This matters because his American life story was later considerably embellished. In American sources he is called “Dr. Lamping”, and it is stated that he had studied medicine, sometimes even in Germany, and had left for America as a physician. The Dutch sources present a more nuanced picture. Lamping had received medical training and undoubtedly possessed pharmaceutical and medical knowledge, but he was not a qualified physician in the Netherlands.
After leaving Utrecht, he lived for some time in Groningen, where the population register described him as “without occupation”. In this university town he rented a room from a carpenter, who also rented another room to a theology student. On 5 May 1871 he registered his departure for Amsterdam. After that he disappears for some time from the Dutch records. In the 1870s he crossed the Atlantic to America.
George Lamping in America
In America, Goedhart Lamping became George Lamping. According to American biographical accounts, he arrived in New York destitute. He is said to have found a position as an apprentice in a pharmacy, later worked in similar positions in Brooklyn and Hoboken, and subsequently attended the New York College of Pharmacy. Eventually, he is said to have become manager of one of the largest drug houses in New York.
Not all elements of this American life sketch can be verified. What is certain, however, is that Lamping did indeed build a career in the pharmaceutical world in America. In 1879 he opened a pharmacy in New Haven, Connecticut. In 1882 he was naturalised as an American citizen. He then settled in New Britain, where he again ran a pharmacy. In 1885 he married Hedwig Kaunitz (1863–1905), known as Hattie, who came from Western Pomerania. In 1886 the couple moved to Meriden, where Lamping opened a pharmacy on Main Street.
In Meriden, George Lamping became a well-known and respected citizen. A description of his business praised the careful preparation of prescriptions, the polite service, and the extensive stock of medicines, chemicals, toilet articles, and other goods. The nineteenth-century American “druggist” was more than a modern pharmacist in the narrow sense. He was also a chemist, shopkeeper, compounder of medicines, and local point of contact for all kinds of medical and household needs.
He was also visible in professional circles. In the American Druggist and Pharmaceutical Record, Lamping of Meriden is listed among those present at a gathering of pharmacists and pharmaceutical representatives.6 In addition, he held various social positions. He was active in the Turner Society, involved in German-American school affairs, a member of the Amaranth Club, and chairman of the board of assessors of Meriden. His obituary described him as a generous and beloved man, someone who found it difficult to say “no” when help was requested of him.
Besides his pharmacy, Lamping also had business interests outside the pharmaceutical trade. He was a co-owner of industrial enterprises, including Goodwin & Kintz, a manufacturer of brass goods, including lamps, clocks, and other decorative objects. According to later company history, he was president of this firm.9 In this respect he fits the pattern of the enterprising nineteenth-century immigrant who did not confine himself to one professional practice, but also invested in new industrial opportunities.
In 1892, moreover, his sixteen-year-old Dutch nephew Herman Frederik Schaafsma came to live with him in Meriden. Herman was a son of George Lamping’s sister Elisabeth Anna Lamping and would later, like his uncle, become a pharmacist. This image fits Hauptmann’s Lamping remarkably well: a helpful, reliable pharmacist, embedded in the local community of Meriden.
Hauptmann in Meriden
To understand why Lamping ended up in Atlantis, we must return to Hauptmann’s stay in Meriden. In January 1894 his wife Marie had left for America with their three children, joining Alfred Ploetz and his wife in Meriden. This journey was closely connected to the marital crisis caused by Hauptmann’s relationship with Margarete Marschalk. Hauptmann followed her to America and stayed for some time in the United States, especially in Meriden.
In Atlantis, Peter Schmidt, the physician friend of Friedrich von Kammacher, is clearly related to Alfred Ploetz. Schmidt lives in Meriden, has a medical practice, and serves as a guide to American life. The fact that Hauptmann used the name Schmidt for Ploetz shows how he transformed autobiographical material into literature. He adopted recognisable features from his own environment, but generally gave individuals different names.
That is precisely why Lamping stands out. He belongs in the novel to the circle around Schmidt, but he does not appear under a pseudonym. The historical George Lamping moved in the same German-American community in Meriden as Hauptmann and Ploetz.
It is therefore highly plausible that Hauptmann knew George Lamping, or at least knew of him. His sons attended school in the German-American environment in which Lamping also played a role. Lamping was, moreover, no invisible shopkeeper, but a well-known pharmacist and local official. For someone staying in Meriden and moving in German circles, he would have been difficult to miss.
A Second Apotheker Lamping: Dorothea Angermann
The identification is strengthened by a later reference in Hauptmann’s work. In Dorothea Angermann, an Apotheker Lamping appears once again. Hauptmann wrote this play in 1925, and it first appeared in 1926. Like Atlantis, the play contains traces of American memory: the third and fourth acts are set in Meriden.
In Dorothea Angermann, Lamping is again not a main character, but a practical helper on the margins of the action. Leonore Pfannschmidt says that Apotheker Lamping advanced her money to pay a debt. It also emerges that Lamping invited her and the children to the Christmas celebration. Later Lamping is mentioned again when a bottle of Wildungen mineral water is on the table, delivered by Apotheker Lamping. Dorothea then speaks of “diese lieben Lampings” and of the good people who helped her.
This is significant. If Lamping had appeared only in Atlantis, one might still have thought of a randomly chosen Dutch name. But since Hauptmann used Apotheker Lamping again years later, once more as a helpful figure in a German-American atmosphere, the name becomes more than a chance fictional invention. Lamping seems to have been an important name of memory: the name of a pharmacist from Hauptmann’s American experience that remained lodged in his literary memory.
This also gives George Lamping himself greater depth. In American sources he is described as generous, sociable, and helpful. In Hauptmann’s work, Apotheker Lamping likewise appears as someone who arranges, advances money, delivers, invites, and helps.
The Evidence
The identification of Hauptmann’s Apotheker Lamping with George Lamping rests on a series of mutually reinforcing indications.
First, there is the name. Lamping is not a common Dutch name that a German writer would easily have invented at random.
Second, there is the profession. Hauptmann calls him Apotheker, in the English translation “druggist”. George Lamping really was a pharmacist and druggist in Meriden.
Third, there is the origin. Hauptmann calls him a Holländer; the English translation speaks of a Dutchman. George Lamping was born in the Netherlands.
Fourth, there is the location. Hauptmann places Lamping in Meriden. George Lamping had lived and worked there since 1886.
Fifth, there is the social circle. George Lamping was part of the German-American community of Meriden in which Hauptmann moved in 1894.
Sixth, there is the naming practice within Atlantis itself. Other autobiographically recognisable figures seem to have been concealed by Hauptmann behind literary names, such as Peter Schmidt for Alfred Ploetz. Lamping, by contrast, appears under his real family name. That difference makes his appearance all the more striking.
Seventh, there is the recurrence in Dorothea Angermann. Hauptmann later used the name Apotheker Lamping again, with the same association of practical helpfulness.
George Lamping’s Shipwreck Story
The most intriguing part of George Lamping’s life story is his supposed crossing to America. In American obituaries from 1900 it is said that he survived a spectacular shipwreck during his emigration. His ship is said to have collided with another vessel in the English Channel and sunk. Of roughly 250 passengers and crew, only three were reportedly saved. Lamping is said to have remained in the water for hours, been picked up by an Italian vessel, and eventually arrived in New York with only fifty cents in his pocket.
It is a wonderful story, but a problematic one. I have not been able to find a shipwreck that exactly matches this description. The disaster of the S.S. Deutschland in 1875 comes somewhat close, but the details do not fit: the number of passengers, the number of survivors, and the circumstances differ. Moreover, the American biographical accounts contain other demonstrable inaccuracies, particularly regarding Lamping’s supposed medical degree.
Yet the story should not simply be dismissed. The obituary explicitly states that Lamping liked to tell this experience to his friends and that many had heard it. That is of great literary-historical importance. Whether the event happened exactly as described is one question. That the story circulated in Meriden is another.
In the social reality of Meriden, George Lamping was therefore not merely the friendly Dutch pharmacist. He was also the man with the almost incredible emigrant’s tale: the shipwreck survivor who arrived in New York destitute and then rose to become a pharmacist and respected citizen.
Did Lamping Inspire the Shipwreck in Atlantis?
This raises an attractive hypothesis. Could George Lamping’s shipwreck story have helped inspire Hauptmann when writing Atlantis?
The parallels are striking. In Lamping’s story there is a crossing to America, a collision, a sinking ship, a small number of survivors, rescue by another vessel, and arrival in New York. In Atlantis, the Roland likewise sinks during the crossing to America after a collision. Friedrich von Kammacher is among the few survivors and is brought to New York.
In addition, Atlantis has often been associated with the sinking of the Titanic. That association is understandable, since the novel, and especially the film adaptation, attracted attention shortly after the Titanic disaster. Chronologically, however, the Titanic cannot have been the direct source for Hauptmann’s novel: Atlantis had already appeared earlier in 1912.
George Lamping’s story therefore offers a possible earlier source of inspiration. Hauptmann stayed in Meriden, probably knew Lamping or his circle, and Lamping was known for telling his shipwreck story to friends. This is not proof in the strict sense. As far as is known, no letter or diary entry has been found in which Hauptmann states that he derived the shipwreck scene from Lamping.
Still, the hypothesis is defensible. Carefully formulated: George Lamping was almost certainly the model for Apotheker Lamping in Atlantis; in addition, his shipwreck story, known in Meriden, may have contributed to the shaping of the shipwreck scene in the novel.
Self-Presentation and Memory
George Lamping’s American identity appears, in part, to have rested on self-presentation. He had not become a physician in the Netherlands, but in America he became “Dr. Lamping”. He is not demonstrably known to have studied in Leiden or Germany, but American sources mention such academic backgrounds. His shipwreck story cannot be verified, but it was apparently told with conviction.
That does not make him less interesting, but more so. George Lamping embodies a nineteenth-century emigrant type: someone who lived between two worlds and reshaped his past in the new one. He was Goedhart Lamping from Nijeveen, orphaned young, shaped by the prominent Borgesius family, a student in a military medical training programme he did not complete. In America he became George Lamping, pharmacist, “doctor”, businessman, official, and benefactor.
That transformation fits the larger story of the American dream. But it also fits the literary world of Hauptmann, in which people often stand on the boundary between reality and imagination, between social role and inner truth, between fact and myth. The historical George Lamping may have been useful to Hauptmann precisely for that reason: a man with a life story that captured the imagination.
Epilogue: Herman Schaafsma in His Uncle’s Footsteps
The history of George Lamping had a personal afterlife in the next generation. At the end of 1892, his sixteen-year-old nephew Herman Frederik Schaafsma (1876–1913) left for Meriden.14 Herman was the eldest son of the Harlingen flax merchant and shipowner Pier Schaafsma (1844–1916) and his first wife Elisabeth Anna Lamping (1845–1885), George Lamping’s eldest sister. Six children were born from this marriage, among them Herman and my great-grandmother Tine Aalders-Schaafsma.

(Familiearchief Aalders, particulier bezit, Den Haag)
(Foto bewerkt d.m.v. Deevid.ai, 2026)
In American family memory it was remembered that Elisabeth Anna Schaafsma-Lamping had been ill for a long time. Herman’s later wife, Mary Hildrith Schaafsma-Thomas, wrote to her son in 1944: “The mother was sick a great deal and taken to the South of France for some time before she died.”15 Such a stay in the South of France fits the nineteenth-century practice of sending the sick, especially those suffering from chronic or lingering illnesses, to a milder climate for a time. It was to no avail: Elisabeth Anna died on 14 June 1885, only 39 years old.
Pier Schaafsma remarried in 1887, to Boudina Sickens. A warm memory of her was also preserved. In the same letter, Mary Schaafsma-Thomas called her “a close friend of the first wife’s and like a mother to her children”. This gives the Schaafsma-Lamping household greater depth. Herman lost his mother early, but he did not come from a broken or loveless family. His stepmother was remembered as someone who cared for Elisabeth Anna’s children.

(Foto: particuliere collectie W.R. ‘Bob’ Schaafsma, Phoenix, Arizona, Verenigde Staten)
Nevertheless, Herman chose a new life overseas at a young age. On 23 November 1892 he left the parental home and settled in Meriden, Connecticut, with his childless uncle and aunt, George and Hattie Lamping-Kaunitz. They evidently took close care of their young nephew. As far as I know, only one photograph of George Lamping has survived: an 1893 image in which he stands somewhat mysteriously behind the door of his shop, while the recently arrived Herman Schaafsma stands in front of the shop. This photograph comes from Herman’s grandson, Bob Schaafsma.
The closeness of the bond between uncle and nephew is shown by the same 1944 letter from Mary Hildrith Schaafsma-Thomas. She wrote that George Lamping had no children and that Herman used the name Herman Lamping until his uncle’s death. George Lamping also left him $10,000.17 At that time Herman was working as a “druggist” in Manhattan, New York City. Later he worked for the firm Stoddart Bros. in Buffalo, New York, and then travelled on to St. Louis, Missouri, in 1903, “seeking a new field”.18 He subsequently made a journey around the world, visited China, and then settled in California.
In 1906 Herman Schaafsma experienced the disastrous San Francisco earthquake. In the hospital he was cared for by the nurse Mary Hildrith Thomas (1878–1972), whom he married later that same year. A year later their only child was born, William Thomas “Billy” Schaafsma (1907–1968). The young family settled in the town of Newton, California, where Herman worked in the Pioneer Drug Store. In 1911 he purchased the San Joaquin Company’s business in Stockton, California. He did not have long to enjoy it. On 1 November 1913 Herman Frederik Schaafsma died, only 37 years old. His widow Mary was left with their young son Billy and continued her life as a nurse. She remained in contact with her in-laws in the Netherlands by letter.
Through Herman Schaafsma the name Lamping continued for a time in the American family circle. The young nephew who may have gone by the name Herman Lamping followed his uncle’s profession, inherited part of his fortune, and continued his movement: from the Netherlands to America, from pharmacy to pharmacy, from city to city, and even around the world.
For me, this history also has a personal dimension. My great-grandmother Christina Helena Harmanna Aalders-Schaafsma (1879–1953) was a sister of Herman Schaafsma and therefore a niece of George Lamping. I still maintain good contact today with Herman’s grandson, W.R. “Bob” Schaafsma (b. 1940), in America.
One question remains open: could further archival research confirm a direct connection between George Lamping and Gerhart Hauptmann? Perhaps the writer’s personal archive will one day provide the answer…
“George Lamping (deceased), who was one of Meriden’s well-known and highly respected citizens, a leading druggist, was born in Nyenveen, Holland, Feb. 11 1848. His father, Dr. Herman Lamping, a medical practitioner, died when George was but two years old. The son was educated in his native home, and took up the study in his native home, and took up the study of the science of medicine in Utrecht , Holland, where he received the degree of M.D. He immediately set out for the United States, intending to locate here in the practice of his chosen profession. The ship in which he sailed came in collision with another vessel in the English Channel, and out of the two hundred and fifty persons comprising the passengers and crew only three were saved. Dr. Lamping remained in the water for several hours, and was finally picked up by an Italian vessel bound for New York, to which port he was carried, and he arrived at New York with but fifty cents in his pocket. (etc.)”
(‘Commemorative biograhical record of New Haven County, Connecticut, containing biographical sketches of prominent and representative citizens and of many of the early settled families (Volume 1, pt. 1) ‘)
“ (…) He studied medicine in Germany and after procuring his M.D., started for this country with the intention of following his profession in the west. While in the English Channel the vessel he was on, was sunk in a collision and out of a passenger list and crew of some two hundred and fifty persons only three were saved. Dr. Lamping remained in the water for several hours and was at last picked up by an Italian craft and landed in New York. The doctor was fond of telling this experience to his friends and many have heard it. He used to say that, when he was put on shore in New York, he had but fifty cents in his pocket, he having lost all his other belongings in the wreck.
He secured a position as apprentree in a drug store in New York and later held similar positions in Brooklyn and Hoboken. Later he attended the New York College of Pharmacy, where he graduated, and before he left the metropolis he was manager of one of the largest drug houses in the city.
In 1879 he came to New Haven where he purchased and opened a drug store and remained until 1882. He then went to New Britain where he remained until ‘86, when he came to this city [Meriden, Connecticut] and opened a drug store in Morse & Norton’s block. He conducted both his New Britain and local stores until his marriage, ten years ago, when the former store was sold. In the spring of ‘96 he removed to the present locality of the store.
Dr. Lamping was a Hollander, but was not only proficient in his native tongue and in the English language, but was something of a linguist besides, speaking German and French and being a good Latin scholar. (…)”
(Meriden Weekly Republican, 5 april 1900)


Geef een reactie