Een reis van Diederich Gelderman naar Zwitserland in 1859

In deze vakantieperiode is het aardig om stil te staan bij reizen in een tijd waarin dit nog lang niet voor iedereen was weggelegd. In de negentiende eeuw was een reis doorgaans verbonden aan een duidelijk doel, zoals handel, opleiding, familiebezoek of herstel van de gezondheid in een kuuroord. In de loop van de eeuw raakte onder de meer welgestelde burgerij ook het reizen voor ontspanning geleidelijk meer in zwang. Voor de komst van de spoorwegen was reizen weinig comfortabel en vooral tijdrovend. Mede vanwege de lange reisduur en de hoge kosten bleef men vaak geruime tijd op de plaats van bestemming. Logeerpartijen konden daardoor weken duren. Toch waren er ondernemende reizigers die het ongemak voor lief namen om vreemde streken te bezoeken. Een van hen was de jonge Diederich Gelderman uit Oldenzaal, die in de zomer van 1859 een reis naar Zwitserland ondernam. Die zomer speelde ook de Enschedese fabrikant Hendrik Jan van Heek (1814–1872) met de gedachte dit land te bezoeken. De negentienjarige Diederich Gelderman klom daarop in de pen en deelde uitvoerig zijn reiservaringen met hem. Zijn brief volgt hieronder in modern Nederlands. De oorspronkelijke brief kunt u digitaal raadplegen via onze website.
De familie Gelderman in Oldenzaal
In het voorjaar van 1817 vestigde Philippus Johannes Gelderman zich met zijn gezin vanuit Gildehaus in Oldenzaal. Hij was werkzaam als katoenspinner en werd later ook eigenaar van een handweverij. Zijn zoon Hermannus Philippus Gelderman (1808–1888) bouwde de textielactiviteiten verder uit. In 1865 associeerde hij zich met zijn zoons – waaronder voornoemde Diederich – in de firma H.P. Gelderman & Zonen.
Daarnaast richtte Hermannus Philippus Gelderman in 1860 samen met Charles Theodorus Stork en Christoffel Willem Eekhout de katoenspinnerij Gelderman, Stork & Eekhout in Oldenzaal op. Ook de staatsman Johan Rudolph Thorbecke nam als commanditair of stil vennoot in deze onderneming deel. Als ‘blijk mijner erkentelijkheid’ stuurde Gelderman hem in oktober 1860 een korhoen.1
De spinnerij werd in 1862 in bedrijf gesteld, juist tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861–1865. Door het wegvallen van een groot deel van de Amerikaanse katoenaanvoer ontstond de zogenoemde katoenschaarste, waardoor de grondstof schaars en kostbaar werd. Hoewel H.P. Gelderman zelf voordeel had van de grote katoenvoorraden die hij gewoonlijk aanhield, had de nieuwe spinnerij het in haar eerste jaren moeilijk en werden aanzienlijke verliezen geleden.2
Binnen het overwegend katholieke Oldenzaal vormde de protestanten, waaronder de familie Gelderman, een betrekkelijk kleine minderheid. De negentiende-eeuwse huwelijkspartners werden daarom veelal buiten de stad en regio gezocht. Opvallend is dat zij in die eeuw ook nauwelijks huwden binnen het protestantse Twentse textielmilieu. Een uitzondering vormde Arnold Willem Gelderman, die in 1868 trouwde met een dochter van de inmiddels overleden burgemeester en fabrikant Christoffel Willem Eekhout. Pas in de twintigste eeuw kwamen door huwelijken de eerste directe familiebanden met de ander Twentse textielfamilies tot stand (Blijdenstein en Jannink).
Hoewel zulke huwelijksverbindingen in de negentiende eeuw schaars waren, onderhielden de Geldermans wel degelijk nauwe zakelijke en vriendschappelijke contacten met andere Twentse fabrikantenfamilies. Ook op politiek gebied konden zij het goed met elkaar vinden. In het Archief Twentse Textielfamilies bevinden zich tal van documenten die licht werpen op hun onderlinge contacten en op het reilen en zeilen van de familie Gelderman.
Verscheidene archiefstukken getuigen bijvoorbeeld van de concurrentiestrijd tussen H.P. Gelderman & Zonen en D. & J.H. ter Horst in Rijssen. Beide ondernemingen legden zich toe op de vervaardiging van juteartikelen, waaronder koffiezakken voor Nederlands-Indië.3 Gelderman was daarnaast een concurrent van Van Heek & Co., ‘in drills vooral’, zoals Arnold Ledeboer in 1884 aan zijn broer Bram schreef.4 Bram Ledeboer, firmant van Van Heek & Co., was niet alleen een concurrent, maar tevens een goede vriend van Diederich Gelderman.5
Die vriendschappelijke contacten bleven niet tot Twente beperkt. In Engeland sprak Diederich meermaals af met de broers Arnold en Bernard Ledeboer, die daar aan het hoofd stonden van een katoendrukkerij in Lancashire.6 In 1884 bezocht Diederich verschillende Engelse textiel- en machinefabrikanten in verband met een voorgenomen uitbreiding van de fabriek in Oldenzaal. ‘Over machinerie hebben woensdagavond niet gesproken; hij droomde al van niets anders & was er suf van’, schreef Arnold Ledeboer aan zijn broer Bram in Enschede.7
Zeven jaar later berichtte ook hun neef Hennie van Heek aan zijn vader over de fabrieksuitbreidingen bij onder andere Gelderman. ‘Wanneer denkt u hier aan het bouwen?’, vroeg hij. ‘Dat zoude hier van onberekenbaar nut en voordeel zijn.’8 De ontwikkelingen bij concurrerende bedrijven werden kennelijk met belangstelling gevolgd en konden aanleiding geven om ook in de eigen fabrieken tot uitbreiding en modernisering over te gaan.
De grondslag voor de vriendschappen tussen de Geldermans en verschillende Enschedese fabrikantenzonen werd mede gelegd in Deventer. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw bezochten zij daar het gymnasium en woonden sommigen onder hetzelfde dak, onder meer bij de onderwijzer Levenkamp. Het was tussen de tieners overigens niet altijd pais en vree. Zo schreef Willem Stroink dat hij een jongere broer van Diederich brutaal vond en vreesde dat diens vader nog heel wat met hem te stellen zou krijgen.
In een latere generatie verschoof de opleiding van de Twentse fabrikantenzonen grotendeels van Deventer naar de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel in Enschede. Ook Hermannus Philippus ‘Hampa’ Gelderman (1870–1946) volgde daar onderwijs. Hij werd zelfs toegelaten tot de Enschedese herenclub ’t Goorhuuske en was daardoor geregeld in de stad te vinden.
Het kwam weleens voor dat Hampa de laatste trein naar Oldenzaal miste. In dat geval kon stalhouder Van der Lande uitkomst bieden. Volgens een overgeleverde anekdote verscheen Hampa op een nacht voor diens gesloten deur en riep: ‘Ik bin Gelderman oet Oldenzel en wil noar hoes.’ Na enige tijd ging boven een raam open, waaruit een hoofd met slaapmuts tevoorschijn kwam. Van der Lande antwoordde: ‘En ik bin Van der Lande en blif in bed.’
Ontmoetingen in buitenlandse kuuroorden
Ook buiten Nederland liepen de leden van de Twentse fabrikantenfamilies elkaar geregeld tegen het lijf. Naast de genoemde ontmoetingen in Engeland gebeurde dat ook in Duitse kuur- en badplaatsen.
Uit een brief van Herman Blijdenstein blijkt dat hij in mei 1859 de heer Gelderman met zijn vrouw, zoon en dochter in de schouwburg van Hannover zag. Op 27 mei vond daar een feestvoorstelling plaats ter gelegenheid van de verjaardag van koning George V van Hannover. Blijdenstein herkende de zoon van Gelderman nog uit zijn studietijd in Deventer, al was deze door de doeken en sjaals die hij droeg moeilijk herkenbaar. De jongeman had last van zijn klieren en was met zijn ouders onderweg naar Oeynhausen, waar hij een badkuur zou volgen.9
Een ander voorbeeld dateert uit de zomer van 1881. Keetje Ledeboer-Cort van der Linden ontmoette toen het gezin van Arnold Gelderman in Lippspringe, eveneens een bekend Duits kuuroord.
In de zomer van 1889 trof de 26-jarige Bernard van Heek Diederich Gelderman en diens gezin in Wiesbaden. ‘U kunt niet denken wat dit prettige lui zijn, overal inviteeren ze mij voor & doen me al het mogelijke ten plezier’, schreef Bernard opgewekt aan zijn ouders.10 Hij ontmoette de Geldermans vrijwel dagelijks en maakte met hen tochtjes naar o.a. een dorpje aan de Rijn en naar het luchtkuuroord Schlangenbad, met zijn ‘prachtige villa’s in een nauw dal tusschen de bergen’.
Het reisverslag van Diederich Gelderman
Diederich Gelderman (1840–1907) bracht op 25 augustus 1859 uitvoerig verslag van zijn Zwitserse reis uit aan Hendrik Jan van Heek. Van Heek was een oom van de hiervoor genoemde Bernard en Hennie van Heek en van de broers Ledeboer.
De spoorwegen maakten een dergelijke reis juist in deze jaren aanzienlijk eenvoudiger. Sinds 1856 was Salzbergen via Rheine aangesloten op het verder naar het zuiden lopende Duitse spoorwegnet. Twente zelf kreeg echter pas in 1865 een spoorverbinding met Salzbergen. Diederich moest het eerste gedeelte van zijn reis dus nog over de weg afleggen, waarna hij vanuit Salzbergen tot Zwitserland per trein kon reizen.
Oldenzaal, 25 augustus 1859
Waarde Heer!
Ik verneem van Vader dat UEd. plan heeft om een reis naar Zwitserland te maken en van mij daarvoor enige inlichtingen wenste te bekomen, die ik u gaarne zo goed mogelijk wil mededelen. Ik geloof dat het beste zal zijn om U eerst onze reis te beschrijven en naderhand terug te komen op dat wat wij beter anders hadden kunnen doen.
Wij hebben de gehele toer juist in 14 dagen gedaan. Maandag 18 juli gingen wij om 1½ uur op het spoor te Salzbergen en kwamen, na drie dagen altijd doorgespoord te hebben, des avonds over Bazel te Bern. Bern is als stad niet bijzonder, doch heeft men van hier het eerste uitzicht op de schitterende sneeuwtoppen van de Alpen. Bezienswaardig zijn het Bondspaleis, de Münsterstrasse en de berengroeve. Des middags om ongeveer twee uur spoorden wij naar Thun, waar wij tot de volgende morgen bleven. Thun is een waar paradijs, en wij hadden hier minstens een dag langer moeten verwijlen.
De stoomboot bracht ons de andere morgen over het Thunermeer naar Unterseen, waar wij een rijtuig namen voor de gehele dag. In Interlaken hielden wij ons nog een ogenblik op, waarvan de ligging zeer prachtig is, alsmede de verdere weg van daar tot Lauterbrunnen; overal even woest en stout. In Lauterbrunnen ziet men de waterval, de Staubbach genaamd, die zeer mooi is en, doordien hij hoog valt (925 voeten), bijna in stof verandert.
Des middags om 4 uur kwamen wij in Grindelwald, welke plaats veel bezocht wordt, omdat men hier vlak bij, ja zelfs in de gletsjer kan komen. Deze gletsjers zijn het vreemdste wat men in Zwitserland ontmoet en men kan zich daarvan geen goed denkbeeld maken alvorens dezelve gezien te hebben. Men wandelt eerst door schone landerijen en tuinen en treedt dan plotseling in deze wereld van ijs, hetgeen waarlijk op ieder een treffende indruk moet maken.
Van hier gingen wij de volgende morgen te paard over de Scheideck (6000 voeten hoog) naar Meiringen en, ofschoon dit een vermoeiende toer is, wordt dezelve door al het schone wat men hier ziet ruimschoots beloond. De volgende morgen wandelden wij over de berg Brunig naar Lungern, van waar wij ons lieten brengen naar Alpnacht en van daar per stoomboot over het Vierwaldtstädtermeer naar Luzern.
Deze plaats is niet bezienswaardig en, doordien het regenachtig weer was en wij de Rigi niet konden beklimmen, maakten wij ons spoedig op weg naar Zürich. Deze plaats is heerlijk, vooral wat haar ligging betreft, en men doet er het best aan hier enige dagen te blijven, want men kan waarlijk nergens gaan waar het aangenamer en schoner is.
Van hier gingen wij, na enige dagen in de fabrieksdistricten doorgebracht te hebben, naar Schaffhausen, waar wij met zeer veel genoegen de Rijnval bezichtigden en vervolgens de reis naar huis weer aanvaardden.
Doordien wij weinig tijd voor onze reis bepaald hadden, geloof ik dat wij de toer zeer goed genomen hebben, maar indien u dezelfde route wilt nemen, raad ik u aan om enige dagen langer in Thun, Interlaken en Zürich te blijven. Ook geloof ik nog dat het beter geweest was dat wij de weg van Lauterbrunnen naar Grindelwald, in plaats van met het rijtuig, te paard over de Wengern Alpen hadden gedaan.
Bijgaand zend ik u een gids die, zoals UEd. zien zult, nogal uitvoerig is, en sta ik u dezelve gaarne voor deze reis af.
Mocht ik nog over het een of ander kunnen informeren, dan ben ik daartoe steeds gaarne bereid.
UEd. een genoegelijke reis toewensende, noem ik mij met de meeste hoogachting,
UEd. Dw. Dien.
D. Gelderman11
1Nationaal Archief, Den Haag; 2.21.161 Familiearchief Thorbecke, inv.nr. 71, brief van H.P. Gelderman aan dr. J.R. Thorbecke, Oldenzaal 14 oktober 1860
2Drs. P.J. Gelderman, ‘Geschiedenis van de textielfabriek H.P. Gelderman & Zonen in Oldenzaal’, 2018
3o.a. ATT, 7 Familiearchief Ter Horst, inv.nr. 939.118, brief van J. ter Horst aan zijn broers, Sneek 29 mei 1869
4ATT, 5 Familiearchief Ledeboer, inv.nr. 453.28, brief van H.A. Ledeboer aan zijn broer A. Ledeboer, 25 februari 1884.
5o.a. ATT, 5 Familiearchief Ledeboer, inv.nr. 216.27 brief van D. Gelderman aan de weduwe A.F.C. Ledeboer-Hartung, 11 januari 1897
6ATT, 5 Familiearchief Ledeboer, inv.nr. 228.89, brief van J.B. Ledeboer aan H.A. Ledeboer, 9 juli 1881.
7ATT, 5 Familiearchief Ledeboer, inv.nr. 453.24, brief van H.A. Ledeboer aan zijn broer A. Ledeboer, 29 februari 1884.
8ATT, 4 Familiearchief Jannink, inv.nr. 15.66, brief van H.J.E. Van Heek aan zijn vader en zus Tini, Boekelo 21 juli 1891.
9ATT, 5 Familiearchief Ledeboer, inv.nr. 191.29, brief van H.G. Blijdenstein J.B.zn aan A. Ledeboer, Hannover 1 juni 1859.
10ATT, 4 Familiearchief Jannink, inv.nr. 18.27, brief van J.B. Van Heek aan zijn ouders, Wiesbaden 30 juli 1889.
11ATT, 3 Stukken afkomstig uit het bedrijfsarchief Van Heek & Co, inv.nr. 3740.55 Brief van D. Gelderman aan H.J. Van Heek, Oldenzaal 25 augustus 1859.