De vlucht van Jan Cort van der Linden naar Amerika, 1884

Een zeer kleine kans dat u het huis op de afbeelding herkent. Het werd in 1894 ontworpen door de Amerikaanse architect C.A. Darmer. Opdrachtgever was dr. Jan Rudolph Anne Cort van der Linden (1858-1923), jongere broer van o.a. B.A.C. ‘Keetje’ Ledeboer-Cort van der Linden (1847-1917) en de latere Nederlandse minister-president P.W.A. ‘Piet’ Cort van der Linden (1846-1935). Ondanks dat dit huis werd gebouwd in Tacoma, Washington, en Jan Cort van der Linden nooit gewoond of gewerkt heeft in Twente, bestaat er toch een specifieke link met het Archief Twentse Textielfamilies…

Jan Cort van der Linden groeide op aan het Westeinde (nr. 28) in Den Haag. Zijn vader, mr. Gijsbertus Martinus van der Linden (1812-1888), was landsavocaat en Tweede Kamerlid en werd op handen gedragen door de liberale Twentse fabrikanten. Jan trad als student rechten in de voetsporen van zijn vader en oudere broer Piet. In 1881 promoveerde hij op het proefschrift ‘Valschheid als vervalsching van bewijsmiddel’. Hij werkte vervolgens als advocaat en procureur in Den Haag, maar stond ook aan de voet van een Haagse afdeling van de Nederlandsche Pensioenvereeniging voor Werklieden en was bestuurslid van de Haagsche Coöperatieve Voorschotvereeniging. Hieruit blijkt zijn affiniteit met de financiële wereld.

Er bestond een hechte band tussen de familie Van der Linden en o.a. Hendrik Jan van Heek (1814-1872) en diens jonge huisgenoten Ledeboer. Uit de uitvoerige correspondentie blijkt een ware fascinatie voor de liberale zaak en het landsbelang voorop. De vriendschap werd in 1877 bekrachtigd met een huwelijk tussen Keetje Cort van der Linden en H.A. ‘Arnold’ Ledeboer (1846-1886). Zij woonden in Manchester, alwaar Arnold Ledeboer met zijn broer Bernard een katoendrukkersfirma runde. In het Archief Twentse Textielfamilies is een zeer uitvoerige correspondentie bewaard gebleven tussen Arnold en Bernard Ledeboer in Engeland en hun broer Bram Ledeboer in Enschede. In deze correspondentie, uit omstreeks 1870 tot 1886, werd niet enkel gesproken over bedrijfszaken en politiek, maar kwam ook alles ter sprake wat hen ter ore was gekomen…

In 1884 schreef Arnold Ledeboer de navolgende, intrigerende geschiedenis aan zijn broer in Enschede:

Zooals ik u schreef heb ik in London niets gevonden over J[an] v[an] d[er] L[inden] (…). In Liverpool waar ik alle stoomlijnen ben nagegaan, ook niet. En de detective in London ook niet. Die heb ik na een dag of 6 afgeschreven omdat het toch niets helpt. Ik ben erg blij hij maar weg is, d[it] i[s] als hij maar weg is, waar ik nog altijd bang voor ben. Hij had f 15.000 geleend van een oom van een heelen grooten academievriend van hem. In nov[ember] reeds. Er zullen nog wel meer zijn. Papa [Van der Linden] betaalt hiervan niets. Het schijnt hij (Jan) leende voor een vriend van hem, een Vos (v[an] naam), een heel bekwame vent, maar heel mauvais sujet. Die is er op eens van door gegaan & een paar dagen later Jan. Ze wisten niet van elkaar van, want Vos heeft een paar maal nog aan Jan geschreven later & zoo zijn ze dit te weten gekomen.”

Het betreft hier een duister zaakje waar nooit eerder over is geschreven en die vermoedelijk ook nooit geheel is opgehelderd. Jan Cort van der Linden vestigde zich aan de overkant van de oceaan, trouwde met een Oost-Europese hoedenmaakster genaamd Bertha en kreeg met haar een dochter. Blijkens de villa in de staat Washington heeft het gezin het financieel aan niets ontbroken. Toch verhuisde het gezin rond de eeuwwisseling naar Zuid-Afrika. Nederland werd door hen ook niet geschuwd, zo overleed Jan Cort van der Linden – die zich in Amerika overigens ‘Rudolph’ noemde – in 1923 te Utrecht en zijn weduwe Bertha overleed in 1942 in Hilversum. Even mysterieus is overigens de achtergrond van Bertha, zij komt in bronnen afwisselend voor met de achternamen Leyditsky en Scala. Wellicht ontpopt zich bij uitgebreider onderzoek nog een spannend filmscenario…
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

  • dit was in de negentiende en begin twintigste eeuw een pijnlijke zaak voor de naaste familie. Inmiddels is bijna 140 jaar verstreken en zou niemand meer aanstoot moeten nemen aan deze kwestie. Wanneer iemand zich echter in zijn persoonlijke levenssfeer geraakt voelt, verschilt van persoon tot persoon. Daarvoor heeft het Archief Twentse Textielfamilies gekozen voor een ruime privacybescherming: documenten van 75 jaar en ouder zijn openbaar, mits alle personen in kwestie tenminste 50 jaar geleden zijn overleden. In andere gevallen zal begrijpelijk discretie worden toegepast.
  • zoals het geval is bij meer politici, lonkte ook voor de familie Cort van der Linden het zakenleven. Vader mr. G.M. van der Linden hoopte als aandeelhouder van o.a. de Nederlandsche Stoombleekerij te Nijverdal en de Twentsche Stoombleekerij te Goor een graantje mee te pikken van het Twentse succesverhaal. Zijn zoon Piet overwoog zelfs in 1889 zijn ambt van hoogleraar te Groningen te verruilen met een betrekking bij de Twentsche Bank. Blijkens een brief van Piet Cort van der Linden aan zijn vriend Bram Ledeboer was dit een oud idee: “Mocht in deze richting ene opening voor mij zijn, dan zou inderdaad het lot mij brengen op de plaats waarvoor ik 25 jaar geleden reeds bestemd werd. Mijn vader [G.M. Van der Linden] wilde mij toen verbinden aan De Twentsche Bank en de oude heer Blijdenstein heeft mij in Enschede bij zich gehad en mij sterk aangeraden de wens van mijn vader te volgen. Doch het studentenleven lokte mij toen meer aan dan de kantoorstoel’. Achteraf was de keuze voor het studentenleven niet onverstandig, want anders was Piet Cort van der Linden waarschijnlijk niet minister-president geworden…
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 230

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*