De voorgangers van het Van Heekshuis te Enschede, 1818-1862

Tekening van de ruïne van het woonhuis van Hendrik Jan van Heek na de stadsbrand in 1862 (gemaakt aan de hand van een oude foto)

Op 7 mei 1862 werd Enschede prooi der vlammen bij een van de laatste grote stadsbranden van West-Europa. Vrijwel de gehele oude stad ging in vlammen op, waaronder het Van Heekshuis. Met man en macht werd vervolgens gewerkt aan de wederopbouw van de stad. Daarbij veranderde het straatbeeld van de binnenstad ingrijpend. Op de fundamenten van vele oude huizen aan de Langestraat en het tegenwoordige marktplein verrezen, met behulp van assurantiegelden en de inmiddels opgebouwde kapitalen, statige woonhuizen die voldeden aan de eisen van hun tijd.

Dat vernieuwingsproces is goed af te lezen aan de klassering van de huizen door het kadaster: behoorden vóór de stadsbrand slechts enkele panden in de binnenstad tot de eerste, hoogste klasse, na 1862 werden veel fabrikantenwoningen in het centrum in die eerste klasse ingeschaald. Een paar huizen veranderden daarentegen relatief weinig van gedaante, waaronder het Van Heekshuis aan de Oude Markt. Hendrik Jan van Heek (1814–1872) liet zijn woonhuis, met souterrain en hoge trap, na de brand op dezelfde fundamenten herbouwen. Over de bewonersgeschiedenis is het nodige bekend, maar het kadasterarchief werd daarbij niet eerder geraadpleegd. In dit artikel staat de bouwgeschiedenis van het Van Heekshuis én met name zijn voorganger centraal, mede aan de hand van kadastrale tekeningen en bevindingen uit het notarieel archief.

Van borgtuin tot richtershuis

Helmich van Heek (1785-1847)
(Kopie, eig. D. Jordaan)

In de zeventiende eeuw werd de familie Cost eigenaar van de oude borgtuin achter de kerk van Enschede en liet op dat perceel een huis bouwen. Verschillende generaties uit dit geslacht vervulden het ambt van richter, dat in Enschede tot de hoogste lokale gezagsfuncties in bestuur en rechtspraak behoorde. In de loop van de achttiende eeuw verhuisde de familie naar Deventer, waarna het huis uiteindelijk werd verkocht.

Door koop werd het pand in 1818 eigendom van textielfabrikant Helmich van Heek (1785–1847), die inmiddels met zijn echtgenote M.G. ‘Mietje’ ten Cate (1794–1837) een gezin had gesticht. In totaal werden uit dit huwelijk dertien kinderen geboren, die opgroeiden in het oude, voormalige ‘richtershuis’.

De ligging van het huis ‘achter de grote kerk’, zoals Charles de Maere op een envelop noteerde, werd doorgaans aangeduid als ‘aan het kerkhof’.1 Opmerkelijk is de benaming ‘op de Borg’, zoals in 1828 door Helmich van Heek zelf opgegeven – een aanwijzing dat de illustere voorgeschiedenis van de plek nog levendig voortleefde.2 Ook jaren nadat de rondom de kerk gelegen begraafplaats was bestraat, bleef zijn zoon Hendrik het huis in zijn administratie steevast aanduiden als ‘aan den kerkhof’.3

Intussen kreeg dit deel van de markt een nieuwe functie als stromarkt, een plaatsbenaming die in de bronnen slechts sporadisch opduikt, waaronder in 1859.4 Na de stadsbrand van 1862 raakte de plaatsaanduiding ‘Markt’ en, later, ‘Oude Markt’ in gebruik.

Fragment kadastrale kaart van Enschede, ca. 1832.
In geel het huisperceel van Helmich van Heek (1785-1847) met in grijs afgebeeld zijn woonhuis. De getallen geven de huisnummers weer, die in de eerste helft van de negentiende eeuw verschillende keren veranderden. Links in geel ziet men de huidige Richterssteeg die toegang verschaft naar de Langestraat. (Afbeelding: Derk Jordaan, 2025)

Het huis ‘aan het kerkhof’ in het kadaster

Het oude huis van Helmich van Heek stond meer naar achteren op het perceel, met daarachter een grote, diepe tuin. Via de Richterssteeg was het huis ook vanuit de Langestraat te bereiken; die ligging verklaart waarom in de bronnen incidenteel ook die straatnaam als plaatsaanduiding voorkomt.5 6

Hoewel het pand betrekkelijk eenvoudig was en slechts één woonlaag telde, behoorde het volgens de kadastrale klassering – aanvankelijk in de vijfde categorie – toch tot de voornaamste woningen van de stad. In de jaren dertig van de negentiende eeuw liet Helmich het huis verbouwen. Daarna werd het in de vierde klasse ingeschaald, wat wijst op een verfraaiing. In de kadastrale legger wordt in 1838 het verstrijken van een eerdere belastingvrijstelling (‘vrijdom’) genoteerd, wat erop duidt dat de verbetering in de jaren daarvoor heeft plaatsgevonden.

Omstreeks 1843 verrees aan de zijde van het kerkhof een ‘fabriek’: een uitbouw van circa 55 m² die als pakkamer diende. In de tuin stond bovendien een houten kraan.7 Deze was niet bestemd voor textielgoederen, maar voor de grootschalige handel in lijn- en hennepzaad die Helmich op eigen titel dreef.8 Naast zijn activiteiten als mede-firmant van de bloeiende textielfirma H.J. van Heek & Zonen – waarvan in die jaren zijn oudere broer de chef was – vormde deze handel ook een belangrijke pilaar van zijn vermogen.

Kadastrale tekening, 2 juli 1845. de aanbouw van de ‘fabriek’. Sectie A-1220 werd opgeslitst in:
sectie A-1376 huis en erf en A-1399 fabriek

Herinneringen en de inrichting volgens de boedelbeschrijving

Herinneringen aan dit oude huis werden in 1915 opgetekend door C.J. Snuif in het Familieboek der Van Heeks. Hij beschreef de woning als ‘zeer eenvoudig ingericht’, met twee extra deuren die toegang gaven tot het pakhuis en het kantoor. Ook memoreerde hij een logeerkamertje boven de ‘pakkerij’ (de ‘fabriek’), waar de bevriende familie Ter Horst uit Rijssen te allen tijde welkom was.

Over de precieze indeling van de woning zwijgen de kadastrale bronnen, maar die wordt wél zeer nauwkeurig zichtbaar in de inventaris die notaris Jan Dinant Jordaan in 1847 opstelde na het overlijden van Helmich.9 Jordaan trad daarbij niet alleen op als notaris, maar was door de familie ook aangesteld tot een van de drie taxateurs van de nalatenschap. Om persoonlijke redenen had Helmich eerder ook voor zijn testament gekozen voor de notaris uit Haaksbergen, met wiens brede familiekring hij goed en nauw contact onderhield.10

De beschrijving begint met de ‘zaal, uitzicht hebbende van de eene zijde door twee ramen in de tuin en de andere zijde door twee ramen naar het kerkhof’. Aan de aanwezigheid van een fortepiano en achttien champagneglazen is duidelijk af te lezen dat dit de deftige ontvangstzaal van het huis was. De meubels waren grotendeels van mahoniehout, waaronder een ronde tafel op één poot en een canapé. Een bruine uittrektafel met zes inlegbladen en in totaal twaalf stoelen maakte de ruimte ook bijzonder geschikt voor diners. Opvallend is het ontbreken van vloerkleden (zoals elders in het huis) en het ontbreken van schilderijen; wel hing een kostbare grote vierkante spiegel met vergulde lijst aan de muur.

Vervolgens werd het daarnaast gelegen opkamertje beschreven, met onder meer twee ledikanten ‘met geverfde katoenen behangsels’. De daaronder gelegen kelder fungeerde als voorraad- en opslagruimte. In de ‘meidekamer’ stonden twee hoekkasten en zes oude stoelen.

Vermoedelijke indeling van het huis van Helmich van Heek, aan de hand van de inventaris uit 1847 (Derk Jordaan, 2025)

Daarna komt de binnenkamer, ‘uitzicht hebbende door drie ramen in de tuin’. Dit was de dagelijkse zitkamer van de familie, met wederom een uittrektafel en twaalf stoelen. Hoewel er een deftig ‘staand horlogie’ stond, was de aanblik minder chique dan die van de grote zaal. Hiernaast lag de slaapkamer van Helmich zelf, met een ledikant met meubelkatoenen behang, een zeer kostbare ‘handvrije kast’ en zijn jachtgeweer, weitas, kruidhoorn met hagelzak.

Na de keuken – het domein van de dienstboden – beschrijft de inventaris een ‘voorkamertje, uitzicht hebbende door het ene raam in de rechtersteeg en door het andere in de tuin’. Dit fungeerde als kantoor van Helmich, voorzien van een uittrektafel, verschillende stoelen en een lessenaar met twee stoelen ‘zonder zitting’. In een boekenkastje stonden de pacht- en koopmansboeken, die de notaris als eerste bestudeerde en verzegelde. Hier bevonden zich ook de enige twee expliciet genoemde schilderijen in het huis.

Aansluitend wordt het ‘kamertje boven de fabriek’ beschreven, met twee ledikanten, bestemd voor logés. Daarna volgen de zolder, het spijker en de stal, waar zich onder andere een gele jachthond en een ‘vaal bont koebeest’ bevonden. De kapitale voorraad lijn- en hennepzaad, gewaardeerd op bijna 16.000 gulden, zal in het pakhuis zijn opgeslagen, hoewel dit in de inventaris niet als zodanig wordt benoemd.

Erfenis, eigendom en kadastrale correctie

Kort voor zijn overlijden liet de 61-jarige Helmich een testament opstellen door notaris Jordaan, waarin hij o.a. bepaalde dat zijn woonhuis moest overgaan op zijn oudste zoon Hendrik Jan van Heek.11 Omdat hij in gemeenschap van goederen was getrouwd, kon hij echter formeel slechts over zijn helft van de nalatenschap beschikken.12

De toewijzing van de onroerende goederen leidde onder de kinderen gelukkig niet tot onenigheid, maar in de kadastrale registratie bleek het huis aan het kerkhof onbedoeld te zijn terechtgekomen op naam van ‘Hendrik Jan van Heek en consorten’. Eind 1850 trad Hendrik daarom in overleg met het kadaster, waarna de woning met achterliggende tuin alsnog geheel op zijn naam werd bijgeschreven.

Afbraak en nieuwbouw: het ‘huis met de hoge stoep’

Kadastrale tekening uit 1857,
tonende het nieuwe huis van Hendrik Jan van Heek, deels op de fundamenten van het oude huis. De drie bestaande percelen A-1219 tuin, A-1376 huis en erf en A-1399 fabriek werden aangepast tot twee nieuwe percelen: A-1658 huis, magazijn en erf en A-1659 tuin.

In het kadastraal overzicht wordt voor dienstjaar 1857 melding gemaakt van ‘afbraak en stichting’. Dergelijke mutaties werden achteraf geregistreerd, zodat de daadwerkelijke sloop van het oude huis al in 1856 moet hebben plaatsgevonden. Hendrik liet vervolgens een geheel nieuw, modern huis met souterrain en hoge trap optrekken op de rand van zijn perceel en het voormalige kerkhof.

Uit de kadastrale gegevens blijkt dat daarbij zelfs de perceelgrens iets werd overschreden: in totaal ongeveer drie vierkante meter ‘weg’ – zoals het kadaster dit noemt – werd bij het huisperceel getrokken. Voortaan was niet langer sprake van een woning met ‘fabriek’, maar van een huis met magazijn, waarbij dit laatste ten noorden van het woonhuis werd aangebouwd. Door de verplaatsing van de woning richting de markt werd de tuin aan de achterzijde aanzienlijk groter.

De toegang tot de woning via de Richterssteeg verviel: de voordeur ‘met hoge stoep’, zoals de familie het huis later aanduidde, kwam nu prominent aan de Markt te liggen. Dit nieuwe Van Heekshuis was voortaan een van de meest markante fabrikantenwoningen in de binnenstad van Enschede.

Interieur, schilderijen en bewoning vóór 1862

In het Archief Twentse Textielfamilies is opvallend weinig materiaal bewaard gebleven over de bouw van dit eerste Van Heekshuis. Een uitzondering vormt een briefcitaat van Isak Bussemaker aan zijn zwager Hendrik van Heek, waarin hij op 24 april 1856 schrijft dat het huis van Hendrik naar verwachting ‘nagenoeg in order’ zal zijn.13 Hieruit volgt dat de woning kort vóór Hendriks huwelijk met de kunstenares C.A. ‘Lida’ Blijdenstein, op 13 juni 1856, gereed was.

Uit een aantekeningschriftje blijkt dat het huis onder meer een rode salon had en een marmeren schoorsteenmantel, in tegenstelling tot de eenvoudige kachels met turfbakjes in het oude huis. Opvallend zijn de ‘portretten’ die gezamenlijk op 300 gulden werden gewaardeerd.14 Dat aanzienlijke bedrag is hoofdzakelijk te danken aan de schilderkunst van zijn echtgenote Lida, die vele familieleden op doek en paneel heeft vereeuwigd. Zij overleed in 1859 in het kraambed, waarna Hendrik in het huis gezelschap kreeg van zijn zuster, de weduwe M.G. ‘Mietje’ Ledeboer-van Heek, en haar kinderen.

Het moderne huis aan de Markt werd door het kadaster voortaan in de eerste klasse ingeschaald. Uit de administratie van Hendrik blijkt dat de waarde van het nieuwe huis voortaan werd geschat op 12.000 gulden, een waardevermeerdering van precies vijftig procent ten opzichte van het oude huis.15 In dit moderne huis logeerde meermaals de staatsman Thorbecke, soms vergezeld door een van zijn twee dochters.

Fragment kadastrale tekening, 27 augustus 1863.
Het huis werd grotendeels gebouwd op de fundamenten van de ruïne. Wel werd een ronding toegevoegd – zoals ook elders in de stad – zodat brandslangen niet snel konden afknellen. In de loop der jaren werd het huis nog verschillende keren aangepast en uitgebouwd.

Brand, redding en herinnering

Op 7 mei 1862 werd Enschede opgeschrikt door de grote stadsbrand die het grootste deel van de binnenstad in de as legde. De weduwe Ledeboer spoorde haar zoon Arnold aan om vooral de schilderijen in veiligheid te brengen. Daarnaast wist men met paard en wagen enkele meubelstukken en belangrijke familiepapieren tijdig over te brengen naar het Wageler, waar Hendrik met zijn zuster en schoonmoeder de eerste maanden na de brand noodgedwongen zijn toevlucht zocht. Van het afgebrande Van Heekshuis, dat slechts zeven jaar bestond, resteert enkel een oude foto van de ruïne uit 1862. Architect J.A. Gerretsen uit Zutphen werd in de arm genomen, die nog dezelfde maand een tekening maakte voor de herbouw van het huis.

Hendrik van Heek hield zich ook in brede zin bezig met de herbouw en verbetering van de stad. Daarnaast was hij aanspreekpunt voor getroffen stadsgenoten die door de brand in financiële problemen waren gekomen. Als lid van de commissie tot ondersteuning van de noodlijdenden hield hij zich bezig met de toekenning en verdeling van de binnengekomen giften uit het land.

Tekening van de bank die voor de stadsbrand heeft gestaan in het Van Heekshuis. Mogelijk identiek aan de in 1847 beschreven canapé

Niet alleen schilderijen en een deel van de familieapieren hebben de brand overleefd; ook een oude bank van vóór de stadsbrand is nog in familiebezit.16 Vermoedelijk betreft dit de ‘mahonie houten canapé met een bevoerde zitting, kussen en voetkussen’ die volgens de inventaris in de grote zaal van Helmich van Heek stond. Op zijn verzoek werd de inboedel in 1847 verdeeld onder zijn nog ongehuwde kinderen, waaronder Hendrik.

In het nieuwe Van Heekshuis, ‘met de hoge stoep’, werden verscheidene familieleden grootgebracht. Dit artikel beperkt zicht tot de periode voor de stadsbrand, waardoor de verbouwingen en andere wetenswaardigheden over dit pand hier verder buiten beschouwing worden gelaten. Wel vindt u bijgaand een aantal kadastrale tekeningen van het Van Heekshuis, tot 1925, die wellicht voor andere artikelen en onderzoek van pas kunnen komen.

– – – – –

  • Mocht u meer willen weten over de bouw- en eigendomsgeschiedenis van een pand, dan kunt u daarvoor goed gebruikmaken van de online archiefviewer die door verschillende archiefinstellingen wordt aangeboden. U kunt daarin niet alleen zoeken in kadastrale leggers, maar treft soms ook interessante tekeningen aan.
  • In de eerste helft van de negentiende eeuw veranderde de huisnummering in Enschede regelmatig. Het huis van Helmich van Heek, en later van zijn zoon Hendrik Jan, werd achtereenvolgens aangeduid als 151, 189, 216 en 242. De huisnummering van de binnenstad is door mij grotendeels in kaart gebracht. Zodra dit werk is voltooid, zal ik dit online publiceren.
  • Jan Herman van Heek (1873–1957) publiceerde omstreeks 1944 het boekje Herinneringen aan en rondom het Van Heekshuis. Daarin schetst hij een kleurrijk beeld van het opgroeien in het Van Heekshuis, in de periode waarin het door zijn ouders en hun grote kinderschaar werd bewoond en verbouwd.

1Archief Twentse Textielfamilies, Enschede, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 2, brief van jhr. C.L. De Maere aan H.J. Van Heek, 22 juni 1860.

2Erfgoed Enschede, BS, overlijdensakte J.B. van Heek, Enschede 1828

3Archief Twentse Textielfamilies, Enschede, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 1411, stukken betreffende het vermogen van H.J. van Heek, 1854-1868

4Erfgoed Enschede, Burgerlijke stand, overlijdensakte C.A. van Heek-Blijdenstein en dochter C.A. van Heek, Enschede 1859

5Erfgoed Enschede, Burgerlijke stand, overlijdensakte H. van Heek, Enschede 1847

6C.J. Snuif, Familieboek der Van Heeks, 1915

7C.J. Snuif, Familieboek der Van Heeks, 1915

8Collectie Overijssel, Zwolle, 122 Notarissen in Overijssel (2e aangevulde versie), inv.nr. 1695

9Collectie Overijssel, Zwolle, 122 Notarissen in Overijssel (2e aangevulde versie), inv.nr. 1695

10Helmich van Heek was stille vennoot der firma Jordaan & Van Heek, een sterkerij te Gronau, waarover Albertus Jordaan (1822-1917) de directie voerde. Derk Jordaan (1781-1876), vader van Albertus en oom van de notaris, was een belangrijke afnemer van lijnzaad en diens broer Berend Jan Jordaan (1778-1856) inde voor Helmich van Heek de pachten in en rondom Hengelo. Daarnaast was Helmich goed bekend met Jan Jordaan (1816-1883), directeur der Enschedese Katoenspinnerij, waarvan Helmich grootaandeelhouder was.

11Collectie Overijssel, Zwolle, 122 Notarissen in Overijssel (2e aangevulde versie), inv.nr. 1695

12Archief Twentse Textielfamilies, Enschede, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 1108, stukken betreffende het Van Heekshuis, 1850-1867

13Archief Twentse Textielfamilies, Enschede, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 1145, brief I. Bussemaker aan H.J. Van Heek, 24 april 1856

14Archief Twentse Textielfamilies, Enschede, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 1140, aantekeningenschriftje van H.J. Van Heek

15Archief Twentse Textielfamilies, Enschede, 1 Familiearchief Van Heek, inv.nr. 1411, stukken betreffende het vermogen van H.J. van Heek, 1854-1868

16E-mail met foto aan D. Jordaan, 21 maart 2016

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*