Een winter met vorst, kwasten en brieven van het thuisfront – Enschede, 1858

(Pariculiere collectie, 2025)
Het jaar 1858 is pas net begonnen wanneer de 34-jarige Lida van Heek-Blijdenstein haar schoonzuster Mietje Ledeboer-van Heek en haar twee kinderen, Mietje en Arnold, vereeuwigt op doek. Eerder had ze haar neefje Bernard Ledeboer al geschilderd met diens favoriete huisdier – een wit konijn. Lida had het schilderen geleerd in Amsterdam en Parijs, en dankzij haar vaste hand weten we vandaag hoe haar familieleden er werkelijk uitzagen: met zachte gelaatstrekken, natuurlijke kleuren en het kenmerkende rossige haar dat in meerdere generaties Ledeboer en Van Heek zou terugkeren. Over de totstandkoming van dit familieportret weten we uitzonderlijk veel, dankzij een brief van de elfjarige Arnold aan zijn broer Bram, die op het gymnasium in Deventer zat.
“Lieve Broeder! Ik wil u eens schrijven, omdat ik heden den tijd heb, daar ik niet naar de kerk ga”, begint Arnold op zondag 28 februari 1858. Het winterweer had zijn grootmoeder Fenna Arnolda Ledeboer-Verbeek (1784-1863) en zijn broer Helmich geveld met zware verkoudheden. “Helmich heeft in de keel”, noteert hij, en hij klaagt dat er “zeer weinig vleesch gegeten [wordt], want Helmich is ziek en wij hadden ook eenen goeden vleescheter aan u, maar gij zijt nu in Deventer”
Uit de bewaarde brieven van Arnold en Helmich blijkt verder dat het huis aan de Langestraat – sinds 1774 bewoond door de Ledeboers – dat jaar werd verbouwd. Er kwamen twee nieuwe slaapkamers op de bovenverdieping, een nieuwe trap, en een zogeheten ‘vallicht’: een opening waardoor daglicht van bovenaf het trappenhuis en de gang kon verlichten. De aannemer verwachtte zes weken werk; eind februari waren de kamers nagenoeg gereed.
Tussen al die bedrijvigheid genoot Arnold van de schaatskoorts die Twente die winter in zijn greep hield. Hij schrijft dat hij en zijn vrienden “bijna alle dagen naar het ijs” gingen. Jan Scholten, een goede vriend van Bram, beschreef op 19 februari 1858 hoe een groep jonge Enschedeërs – jongens én meisjes – door het ijs zakte, onder wie Maurits Elderink en Hermina ter Kuile:
“Als UEd. de vertoning gezien had, hadt gij u half dood gelagchen en ik had Gijs-oom [Ter Kuile] ook wel eens willen hooren foeteren toen zij te huis kwamen.”
Het koude weer hield de jongeren niet binnen de stadsgrachten die Enschede toen nog kende. Buiten de stad, op de buitenplaatsen Het Amelink (familie Blijdenstein) en Het Stokhorst (familie Stroink), bond men eveneens de schaatsen onder – en, zoals Jan het noemde, “om daar een beetje over de lever te laten loopen.” Ondertussen spraken fabrikanten binnenshuis over stoommachines en een mogelijke spoorverbinding naar Twente. Arnold noteert hoopvol:
“Pruissen en Hannover kunnen het nog niet eens worden, doch het zal zich wel schikken.”
Het spoor liet uiteindelijk nog ruim vijf jaar op zich wachten, maar zijn verwachting dat de gasverlichting “spoedig klaar [zal] komen” bleek te kloppen: in 1859 kreeg Enschede zijn eerste gasfabriek.
Te midden van deze winterse drukte en speculaties werkte Lida van Heek-Blijdenstein onverstoorbaar door. Arnold vermeldt in zijn brief:
“Moeder, Mietje en ik worden bij tante Lida afgeschilderd op één stuk; het is overheerlijk uitgevallen, maar nog niet geheel klaar.”
Een jaar later stierf de kunstschilderes op slechts 35-jarige leeftijd in het kraambed, waardoor haar echtgenoot Hendrik Jan van Heek alleen achterbleef in het Van Heekshuis. De kille stilte die toen in het huis neerdaalde, werd kort daarna gevuld met de warmte van zijn zuster Mietje Ledeboer-van Heek, die er met haar jongste kinderen ook haar intrek nam.
Enkele jaren later, in mei 1862, werd Enschede opgeschrikt door een grote stadsbrand waarbij driekwart van de stad in vlammen opging. De inmiddels zestienjarige Arnold Ledeboer werd door zijn moeder aangespoord de schilderijen uit het Van Heekshuis in veiligheid te brengen op Het Wageler – de buitenplaats waar de families Ledeboer en Van Heek de maanden na de brand noodgedwongen onderdak vonden. Spoedig daarna werden het Van Heekshuis aan de Markt en het Ledeboershuis aan de Langestraat statig herbouwd en vier jaar later lieten zij op Het Wageler ook de bijzondere mammoetboom aanplanten, die onlangs nog in de prijzen viel.
Het verhaal van dit schilderij – en van de mensen erachter – kennen we dankzij de honderden bewaard gebleven 19de-eeuwse brieven, die voor een deel reeds digitaal te raadplegen zijn via de website van het Archief Twentse Textielfamilies. In deze correspondentie herleeft het dagelijks leven van de negentiende-eeuwse fabrikantenfamilies: van kleine zorgen aan tafel tot grote veranderingen in een tijdperk vol vooruitgang.
Veel schilderijen worden nog altijd gekoesterd in familiebezit, andere zijn inmiddels in collecties van musea ondergebracht. Daarom bouwt het archief aan een Digitaal Register van Familie-Erfstukken, waarin deze objecten zorgvuldig worden vastgelegd en gebruikt kunnen worden voor historisch onderzoek en publicaties. En zo beweegt de tijd verder. Waar Lida in 1858 haar penseel hanteerde om de familie vast te leggen, wordt het tafereel nu – meer dan anderhalve eeuw later – opnieuw tot leven gewekt met de middelen van onze tijd: een AI-gegenereerd filmpje die het schilderij met magie bewerkt. Ook nu staat de tijd en technologie niet stil.
Geef een reactie