Vuurwerk voor een zilveren bruiloft in Enschede, 1860

Amice!
Gij zult wel verwonderd zijn van mij een brief te ontvangen, en dat nog wel om u een bestelling te doen als ge zoo goed wilt zijn, (natuurlijk) moest je mij een beetje vuurwerk bestellen voor de zilveren bruiloft voor een gulden of 15 of zoo, vooral mooij en goed als ge het krijgen kunt, en bezorgen het dan maar aan de stal, dan kan moeder het wel mede nemen die gaat zaturdag naar hier. (…)
Kun je met de bruiloft niet hier komen, je kunt met moeder meegaan.
Ik ben totaal uitgepraat, ik weet niets meer dus Adio,
tt.
H.G. Blijdenstein H.G.zn
PS Wil mij er vooral mooi bengaals vuur bij bestellen, daar hebben ze hier nog wel veel mee op.”i

Deze brief richtte de 19-jarige Herman Blijdenstein op 30 april 1860 aan zijn achterneef A. ‘Bram’ Ledeboer, die op dat moment zijn middelbare schooltijd in Deventer afrondde. Herman woonde op dat moment in Enschede ten huize van zijn oom Jan ter Kuile (1805-1864, ‘de Wienkoper’) en tante H.C. ‘Mina’ Blijdenstein (1816-1898). Zij vierden op 7 mei 1860 hun zilveren bruiloft en dat wilde hun dankbare neefje aankleden met het gekleurde ‘Bengaalse vuur’.

Vuurwerk in Twente

Vuurwerk staat al eeuwenlang symbool voor feest. Het werd gebruikt ter opluistering van nationale en lokale feestdagen, concerten, wedstrijden, kermissen en schijnbaar ook huwelijksjubilea. Een van de eerste vermeldingen van vuurwerk in Enschede dateert uit het jaar 1830, toen de verjaardag van koning Willem I werd gevierd met een parade van de schutterij, een groot bal in de sociëteit en een ware vuurwerkshow.ii Een andere vroege vermelding dateert uit het jaar 1858, toen in de tuinen van herberg Dolphia bij Enschede een concert werd gegeven door het korps muzikanten van een regiment dragonders uit Zutphen. “Het heerlijke weder en een prachtig vuurwerk door eene zeer bekwame hand aangebragt en afgestoken, verhoogden het genot van dezen avond”, aldus de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant d.d. 17 augustus 1858.

In de negentiende eeuw werd vuurwerk vooral in verenigingsverband afgestoken en vond vervolgens plaats onder deskundig toezicht. Niet enkel vanwege het brandgevaar, maar ook omdat het een kostbare aangelegenheid was. Indertijd werd veel vuurwerk in Nederland gefabriceerd door de gebroeders C.M. en P.L. van de Brugh uit Amsterdam. Zij mochten zich ‘kunst-vuurmakers van Z.M. den Koning’ noemen en trokken met hun ‘Egyptische Verlichtig of Vuurwerk’ in heel het land bekijks.iii Vanwege de hoge kosten was dit siervuurwerk niet voor de kleine beurs weggelegd en was particulier gebruik – zoals voor het jubilerende echtpaar Ter Kuile-Blijdenstein – tamelijk ongebruikelijk.

Op zondagavond 5 september 1869 leidde particulier vuurwerk zelfs tot grote ophef in Hengelo: de kerkklokken werden geluid en dat stond toendertijd synoniem voor ‘Brand’! Zeven jaar na de grote stadsbrand van Enschede bracht dat niet verwonderlijk veel opschudding teweeg. De Twentsche Courant deed op 8 september 1869 op ludieke wijze verslag van het misverstand…

“EEN VERHAAL VAN DE HENGELOSCHE TORENKLOK
Hengelo, 7 Sept. [1869] Zondagavond omstreeks negen uur werd ik tegen wil en dank genoodzaakt: brand! Brand! Te roepen; want ik wist het maar al te goed, dat er geen brand was, en daarom had ik aan dat roepen geen zin; anders als het noodzakelijk is, schreeuw ik uit al mijn magt. Ik zat zoo stilletjes en aandachtig te gluren naar het mooije vuurwerk dat er afgestoken werd. Ja, had ik er maar aangedacht, ik zou die ijverige menschen vroeg genoeg toegeroepen hebben, laat de brandspuiten en mij toch rusten, er is geen brand, maar Bengaalsch vuur laten ze branden aan de Enschedesche straat, spoedt u daarheen, en ziet dat heerlijke vuurwerk.
Hengelosche burgers! Vergeeft het mij, dat ik u dien schrik heb aangejaagd; want het was buiten mijne schuld; ik moest.”


Doordat het afsteken van siervuurwerk in de negentiende eeuw erg kostbaar was, werd dit niet algemeen gebruikt bij de viering van de jaarwisseling. Een andere achtergrond heeft het knalvuurwerk met oud en nieuw…

Nieuwjaarsdag

“Nu staan wij aan het oude jaar en men is reeds klaar dit uit te luiden. Dit uitluiden van het oude jaar is een zeer oud gebruik. Dit uitluiden vindt zijn ontstaan in het sprookje dat de booze geesten op den laatsten dag van het jaar hun helsche aanslagen zoeken uit te voeren. Daartegen, meende men, was er geen beter middel dan klokgelui, lawaai maken, vuurwerk afsteken en een stevigen borrel. Hierbij behoorde natuurlijk ook het afschieten van geweren. Vroeger hielden tot dit doel de Amsterdammers er kleine kanonnetjes op na die tegen den oudejaarsavond voor den dag werden gehaald en waarmee het nieuwe jaar werd ingeschoten. Zoo is het ook nog lang op het Marinewerf de gewoonte gehandhaafd gebleven, dat de oudste werklieden van de werf om klokslag twaalf uur met los kruit twaalf kanonnen afvuurden. Wanneer het laatste schot gelost was, ging het nieuwe jaar eerst in. Thans heffen alle schepen op het Y om middernacht een gegil en geloei aan, dat je het over de geheele stad kunt hooren. De Amsterdamsche geschiedschrijver Ter Gouw [1814-1894] schreef over het lawaaimaken op oude jaar: “Nog in mijne jeugd dreunde de Kalverstraat op hare fundamenten als het oude in het nieuwe geschoten werd, en iedere huismoeder zorgde er voor schrikpoeder in huis te hebben”
(Overijsselsch Dagblad, 29 december 1923)

Dat ook het ‘inschieten van het nieuwe jaar’ tot grote verwarring kon leiden, blijkt uit de inname van Curacao door de Engelsen in de nacht van 31 december 1806 op 1 januari 1807. De waarschuwingsschoten van fort Beekenburg werden door de inwoners en soldaten van het eiland verward met feestelijke nieuwjaarsschoten, waardoor de Engelse vloot zonder veel moeilijkheden de baai kon binnenzeilen!

Ook veel Twentenaren schoten vroeger graag tijdens de jaarwisseling met een geweer in de lucht. Dat gebruik ging later over in het bekende carbidschieten. In de stad raakte in de loop van de negentiende en twintigste eeuw steeds meer knalvuurwerk in omloop. Hoewel dit door winkeliers aanvankelijk als ‘onschadelijk vuurwerk’ werd verkocht, werkten de ‘straatknappers’, ‘zevenklappers’, ‘voetzoekers’ en ‘100-schot pistolen’ bij veel mensen (en honden) op de zenuwen en bleven ongelukken niet uit. Verschillende gemeenten verboden de verkoop en het gebruik van vuurwerk rondom de jaarwisseling en zagen daar strikt op toe. “Ik ben van plan aan dat geknal van jullie eens een eind te maken. Het lijkt wel een Chineesch Nieuwjaar in plaats van een Hollandsch op den wijze!”, meende een knorrige kantonrechter uit Zwolle in januari 1930; hij deelde boetes uit van 10 gulden of 10 dagen gevangenisstraf.iv

  • Herman Gijsbert Blijdenstein H.G.zn werd op 15 november 1840 in Enschede geboren als zoon van G.M. ‘Siesse’ Blijdenstein-Budde (1803-1884). Zijn gelijknamige vader overleed enkele maanden voor zijn geboorte op slechts 31-jarige leeftijd. Op 4-jarige leeftijd verhuisde Herman Blijdenstein Jr. met zijn moeder naar Diepenveen, alwaar zij haar ouderlijk huis ‘Roobrug’ betrokken. De jonge Herman Blijdenstein koos voor een toekomst in de textiel en stichtte in 1862 de firma Stroink & Blijdenstein te Enschede. Een paar jaar later huwde hij de zuster van zijn compagnon, E.C. ‘Betje’ Stroink (1843-1872). Zijn echtgenote stierf in het kraambed, waarna Herman hertrouwde met Harmanna Udink ten Cate (1845-1892). Tijdens dat huwelijk werd hij gekozen als lid der Provinciale Staten van Overijssel (1878-1886). Ondanks zijn pienterheid doofde zakelijk gezien ‘het vuur’; de firma Stroink & Blijdenstein ging in 1886 failliet. Dit had grote gevolgen voor zijn familie; Herman en zijn kinderen zochten hun geluk buiten Twente.
  • In de online inventaris van het Archief Twentse Textielfamilies kunt u niet alleen zoeken op persoonsnamen, maar ook op onderwerpen als “vuurwerk” en “Stroink & Blijdenstein”. Volgens schrijfster Cato Elderink (1871-1941) werd in 1886 over niks anders geschreven dan de treurige geschiedenis van de firma Stroink & Blijdenstein…
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 191
    (overige bronnen: krantendatabase Delpher en bevolkingsregister Enschede)

iArchief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, LA00938

iiOverijsselsche Courant, 31 augustus 1830

iiiLeeuwarder Courant, 19 mei 1826

ivProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 3 januari 1930

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*