De beginjaren van de Twentsche Industrie- en Handelsschool, 1864

En hoe staat het met je Industrieschool; toch wil je er een hebben, enfin – soit! Hebben zich er al docenten aangemeld, behalve Monsieur le Directeur Van Deinse? Onze Henricus van Deinse, een aardig ventjen, neef van (…) is er goed mede op streek. Wie zijn er curatoren? Ik wou dat jij, de dikke, monsieur Walè en d’entembre curatoren waart, dan zou ik bij jelui solliciteren om ‘t een of ander glaswerk te leveren of wat anders, praeparaten of enkele instrumenten, dan kreeg ik ‘t zeker, maar aan lui schrijven die ik niet ken, en nog wel solliciteren, zijn zaken daar ik maar niet vooreerst aan doen zal.”i

Dit schreef de 31-jarige chemist Willem G.L. Paul uit Deventer aan zijn jonge vriend Bram Ledeboer in Enschede op 18 oktober 1862. Zijn brieven vallen direct op vanwege de humoristische en vaak ook uitdagende toon. De oprichting van de Twentsche Industrie- en Handelsschool hield Twente, Overijssel en zelfs politiek Den Haag enkele jaren flink bezig. Het initiatief kwam voort uit de in 1859 opgerichte Twentsche Vereeniging tot bevordering van Nijverheid en Handel. In het deftige logement Carelshaven in Delden, waar de leden steevast vergaderden, liepen de gemoederen hoog op, want Oldenzaal, Almelo en Enschede wilden allen de school naar hun stad toe halen. Enschede kwam als winnaar uit de bus en begon in het voorjaar van 1863 met de bouw van de school. Een en ander over de beginjaren van de Twentsche Industrie- en Handelsschool aan de hand van krantenberichten en documenten uit het Archief Twentse Textielfamilies…

De invloed van Thorbecke

In 1860 werd tijdens een vergadering van de Twentsche Vereeniging tot bevordering van Nijverheid en Handel in Carelshaven bekend gemaakt dat vanuit de gemeenten Oldenzaal, Almelo en Enschede interesse bestond een ‘hoogere’ industrieschool te willen oprichten. In die plaatsen werden door de fabrikanten en andere notabelen grote bedragen toegezegd wanneer de school in hun woonplaats zou worden gesticht. De vereniging bepaalde echter dat “de gemeente in Twente, die genegen zou zijn het benoodigde lokaal te verschaffen en die daarbij de hoogste jaarlijksche subsidie aanbood, de Twentsche Industrie- en Handelsschool in haar midden gevestigd zou zien.”ii Oldenzaal bleek met een jaarlijkse subsidie van fl. 1.000,- al vlug achter het net te vissen, terwijl de strijd tussen Almelo en Enschede nog niet zo snel gestreden bleek. Almelo bood eveneens fl. 1.000,- per jaar, maar vulde dat aan met een eenmalige gift van maar liefst fl. 20.000,-. Enschede bood daartegenover fl. 3.000,- per jaar.iii Vervolgens mengde Deventer zich ook onverwachts in de strijd; die stad was bereid haar athenaeum in een industrieschool om te vormen.iv v In juli 1861 werd de school vanuit Den Haag toegewezen aan Enschede. Hierop volgde trammelant over de toegezegde Rijkssubsidie van fl. 8.000,- per jaar.

De provincie Overijssel wenste in ruil voor een subsidie invloed te krijgen op het schoolbestuur, maar daar werd door de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, prof. dr. Johan Rudolf Thorbecke, een stokje voor gestoken.vi De school moest vooral haar particuliere karakter behouden, want de gelden werden ‘in de eerste plaats door particulieren bijeengebracht’, aldus Thorbecke. In Den Haag werd de minister verweten de school voor te trekken ten opzichte van andere scholen in het land, maar dat wuifde Thorbecke van zich af. Dat het debat er scherp aan toe ging, blijkt uit het volgende fragment:

Welke is daarvan de reden: is dat bevoorregting aan de eene en achterstelling aan de andere zijde? En waarom dan? Dat men de streek wilde believen, die ultra-liberale mannen, vrienden van de leden van dit kabinet afvaardigde, dat men de kiezers van de heeren v. Hoëvell en v.d. Linden tevreden wilde stellen, en dat daarentegen de steden zoude moeten boeten, die ‘niet in de vergoding van den heer Thorbecke’ deelen, en daarom op geene gunst aanspraak hebben, gelijk door een paar oppositiebladen is gezegd, dat zijn beschuldigingen tegen het kabinet, die wij niet willen aannemen.”
(Utrechtsche provinciale en stads-courant, 25 april 1862)

Verder verdiende de Twentsche Industrie- en Handelsschool volgens Thorbecke ondersteuning, “vooral omdat zij door de gunstige gelegenheid die zich daar aanbiedt, kan worden een model voor later op te rigten staatsscholen van dergelijke strekking.”vii Hij doelde daarmee op de aanstaande nieuwe Wet op Middelbaar Onderwijs (1863) waaraan de Hogere Burgerscholen hun bestaan zouden ontlenen. Tijdens deze hoogoplopende discussie over de voorwaarden en hoogte van de rijkssubsidie werd Enschede op 7 mei 1862 getroffen door een alles verwoestende stadsbrand: drie kwart van de stad lag in puin. Twee dagen later werd de stad bezocht door minister Thorbecke, die vervolgens een conferentie ten huize van Jan Jordaan bijwoonde.viii

De Minister [Thorbecke] behandelt vervolgens meer speciaal de subsidie voor de school te Enschede. Jaren lang is over die school in de Kamer gesproken; de subsidie van f 7000 door de vorige Regering toegestaan, heeft bij de Kamer nooit tegenspraak ontmoet. De Min[ister] heeft eenige dagen te Enschede doorgebragt. Hij heeft het zeldzaam tooneel van vernieling aanschouwt, dat hij niet ligt vergeten zal; maar wat hem mede heeft getroffen, was hoe op hetzelfde terrein de levenskracht zetelde naast den dood en hoe in die levenskracht, de waarborg is gelegen, dat een schooner en grooter Enschede herrijzen zal. In die overtuiging moet hij de subsidie voor de school van Enschede blijven ondersteunen.”
(Algemeen Handelsblad, 15 mei 1862)

De oorspronkelijke toezegging van fl. 8.000,- per jaar werd met 1.000 gulden verlaagd, maar daarmee kon de discussie wel worden gesmoord.ix Het verschil werd voor de helft opgevangen door de gemeente Enschede, die haar jaarlijkse bijdrage verhoogde van fl. 3.000,- tot fl. 3.500,-. Nadat ook de Enschedese fabrikanten hun portemonnee hadden getrokken, kon eind mei 1863 met de bouw van de school worden begonnen op de Zuider- of Krabbenbleek aan de Haaksbergerstraat.x xi

Opening van de Twentsche Industrie- en Handelsschool, 1864

Per mijne bijdrage [1.000 gulden] tot daarstelling eener industrieschool op te rigten te Enschede, hieraan verbonden het regt om gedurende mijn leven een leerling kosteloos op die school te kunnen zenden”
(Kasboek Joan Stroink Wzn, 29 december 1862, Archief Twentse Textielfamilies, inv.nr. 936)

Een van de fabrikanten die met een flink bedrag de bouw van de Industrieschool ondersteunde, was fabrikant Joan Stroink (1815-1879). Niet alleen stak hij geld in de bouw van de industrieschool, maar ook in de wederopbouw van zijn, door de stadsbrand verwoeste, stoomweverij en woonhuis. Ondanks de tegenslag zag hij de toekomst voor Enschede met goed vertrouwen tegemoet.

Ook het hoofd der Franse School in Enschede zag in 1862 zijn woonhuis met lokalen in vlammen opgaan, maar hij liet zich daardoor ook niet uit het veld slaan.xii De school werd herbouwd en schoolhoofd Schlencker sprong slim in op de komst van de Twentsche Industrie- en Handelsschool: hij introduceerde een zogeheten ‘Vorschule’.

Opregte Haarlemsche Courant, 10 juni 1864

Op woensdag 6 januari en donderdag 7 januari 1864 werden de eerste toelatingsexamens afgelegd voor de Twentsche Industrie- en Handelsschool.xiii De leerlingen moesten minimaal 12 jaar oud zijn en ‘goed kunnen lezen en schrijven, de gronden der Nederlandsche taal kennen en niet onervaren zijn in de Aardrijkskunde, de Vaderlandsche en Algemeene Geschiedenis en vooral vaardig kunnen cijferen, met geheele getallen, zoowel als met gewone en tiendeelige breuken”.xiv De examens werd afgenomen door directeur dr. Antonius Jacobus van Deinse (1823-1896). 12 leerlingen werden toegelaten.xv De officiële opening zou plaatsvinden op zaterdag 9 januari, maar werd wegens ziekte van curatoren uitgesteld tot 20 juli 1864.xvi De school telde 4 leraren en had drie afdelingen:
1) een vijf-jarige H.B.S. (dat in 1869 werd teruggebracht tot een 3-jarige H.B.S.)
2) een handelsafdeling “B”
3) een textielafdeling “C”.xvii

De eerste leerlingen

Tot een van de eerste lichtingen behoorden o.a. Auke Hayo ter Horst (1850-1916), Engbert Jurrian Lasonder (1850-1900), Hendrik Frederik Lazonder (1851-1904) en Jurrian Stroink (1851-1922); zij verlieten in 1869 de 5-jarige H.B.S.-opleiding met een getuigschrift.xviii

Van deze vier gelukkige schoolverlaters was alleen Auke ter Horst afkomstig van buiten. Hij woonde ten huize van de heer Schlencker.xix Tegelijkertijd woonde ten huize van Schlencker ook twee jongens uit Nederlands-Indië, te weten Herman Barend (1851) en Gustaaf Adolf Hansen (1852).xx Zij volgden hun vader A.J.J. Hansen in 1865 naar Nederland, die vanwege gezondheidsredenen buitenlands verlof had gekregen. Het echtpaar Hansen-Foss keerde begin 1866 terug naar Nederlands-Indiëxxi, maar liet twee van hun zonen bij Schlencker in Enschede achter; zij werden leerling aan de Twentsche Industrie- en Handelsschool. In 1868 werd de Franse School gesloten waarna haar 35 leerlingen werden opgenomen door de Twentsche Industrie- en Handelsschoolxxii; dit betekende een flinke vermeerdering van het totaal aantal leerlingen. Ook kostschoolhouder Schlencker was voortaan werkzaam als leraar aan de Industrieschool.

In 2020 kon een zilveren theeservies in relatie worden gebracht tot de familie Hansen. De inscriptie onderaan de theepot luidt: “Uit erkentenis van A.J.J. Hansen, 28 april 1867”.xxiii Dit zilveren theeservies was een kado aan het echtpaar Joan Stroink (1815-1879) en G.B. ‘Diedie’ Ledeboer (1820-1912); zij vierden op 28 april 1867 hun 25-jarig huwelijksjubileum.xxiv Vanwaar zo’n royaal kado? Vermoedelijk heeft dit te maken met de plaatsing van een of twee broers Hansen als leerlingen aan de Industrieschool; de heer Stroink was namelijk als mede-oprichter levenslang gerechtigd een leerling gratis op die school te plaatsen…

Een studiebeurs van Van Heek

De Twentsche Industrie- en Handelsschool had een grote aantrekkingskracht op de fabrikantenzonen. Niet langer hoefden zij voor goed middelbaar onderwijs de stad uit. Ook de rechtsopvolger, de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel (1886), had een grote aantrekkingskracht op zowel de jongens als meisjes uit de betere kringen. Dankzij de goede reputatie trok de school ook leerlingen aan van heinde en verre. En niet alle leerlingen waren afkomstig uit de gegoede bovenlaag van de bevolking. Ook kon men aanspraak maken op een ‘studiebeurs’, zoals het gratis plaatsen van een leerling ook genoemd kan worden. Op 31 augustus 1874 klom de Enschedese hoofdonderwijzer Sander Bloemendaal in de pen om de secretaris-curator van de Twentsche Industrie- en Handelsschool een van zijn leerlingen aan te bevelen:

Wel Ed[ele] Heer [Bram Ledeboer]!
Sedert het bekend geworden is dat Salomon Bernhardt mocht mededingen naar de beurzen voor de school, beschikbaar gesteld door de familie Van Heek, heeft zich nog bij mij aangemeld: Jan Koop om eveneens te mogen mededingen.
Aangezien toch de meeste ontwikkeling en capaciteit de doorslag zal geven om voorgedragen te worden door curatoren, zoo twijfel ik niet of het zal uwe goedkeuring wegdragen als ik hem aan den directeur der school opgeef onder het getal dat nog examen wenscht te doen.

Na groete,
UWEd. Dienaar,
Bloemdaal”xxv

Uit dit document blijkt niet of de joodse parapluiemakerszoon Salomon Bernhard, de arbeiderszoon Jan Koop of iemand anders de studiebeurs heeft ontvangen. Wel is zeker dat de pientere G.J. ‘Jan’ Koop (1861-1922) een sprong op de sociale ladder heeft kunnen maken; hij werd uiteindelijk hoofdonderwijzer in Enschede.

De Enschedese kleermakerszoon Derk Jan Bronsvoort (1856-1933) kwam hoogstwaarschijnlijk in aanmerking voor een studiebeurs aan de Twentsche Industrie- en Handelsschool. In 1875 informeerde secretaris-curator Bram Ledeboer bij directeur Van Deinse naar de vorderingen van deze leerling. Uit het verslag van Van Deinse blijkt dat Bronsvoort in september 1869 als leerling was aangenomen en sindsdien tweemaal was blijven zitten (in resp. 1870 en 1873). Desalniettemin was Van Deinse mild gestemd:
“’t Was met wis- en natuurkunde maar zoo zoo, doch in talen in ‘t laatst vrij wel. Hij is in elk geval een dier leerlingen uit den burgerstand, op wien de school stellig een heilzamen invloed heeft uitgeoefend, zooals door al de leeraren is erkend. Ik geloof dus dat, als hij wil oppassen, er van hem wel wat goeds kan komen”.xxvi

Tubantia, 8 oktober 1879
  • het schoolgebouw bleek in de jaren ’80 van de negentiende eeuw te klein geworden, maar middelen ontbraken om het geheel groter op te zetten. Vandaar dat in 1885 de school werd overgenomen door de gemeente Enschede. Sinds 1886 stond het instituut bekend als de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel en telde drie afdelingen: A) een H.B.S. met drie klassen voor de algemene grondslag, B) een handelsafdeling met één klas en C) een nijverheidsafdeling met twee klassen. In 1898 werd de H.B.S. ook opengesteld voor meisjes en in 1905 kreeg de H.B.S. wederom een 5-jarige cursus.xxvii Later ontstonden hieruit het Gemeentelijk Lyceum, de H.B.S. en de Hogere Textielschool. Het oude gebouw uit 1863/’64 werd omstreeks 1959 afgebroken.
  • Het Archief Twentse Textielfamilies bevat veel brieven aangaande politieke verkiezingen in de negentiende eeuw. Toen was er nog sprake van een districtenstelsel, waardoor de verschillende politieke kleuren hun krachten bundelden in lokale kiesverenigingen. Liberale afgevaardigden voor het kiesdistrict Almelo (Twente) waren o.a. dr. Wolter Robert baron Van Hoëvell (periode 1850- 1862) en mr. Gijsbert Martinus van der Linden (periode 1855-1873). Zij waren goede vrienden van de staatsman Thorbecke, die o.a. vanwege het kiesdistrict Deventer (zijn geboorteplaats) in de Tweede Kamer werd gekozen.xxviii
  • Het zilveren theeservies, dat in 1867 aan het echtpaar Stroink-Ledeboer werd geschonken, is nog in handen van het nageslacht. Mocht u een bijzonder voorwerp in huis hebben dat gerelateerd is aan Twentse textielfamilies, laat het ons weten, dan kunnen wij daar wellicht meer achtergronden over kwijt.
  • Wij zijn nog op zoek naar een foto van Joan Stroink (1815-1879)
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 190 e.a.

iArchief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 194

iiL.A. Stroink, ‘Stad en Land van Twente’

iiiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 9 mei 1860

ivUtrechtsche Provinciale en Stads-courant, 22 februari 1861

vNieuwe Rotterdamsche Courant, 20 juli 1862

viAlgemeen Handelsblad, 17 december 1861

viiNieuwe Rotterdamsche Courant, 15 mei 1862

viiiL.A. Stroink en G. Jonkers-Stroink, Kroniek der familie Stroink

ixNieuwe Rotterdamsche Courant, 15 mei 1862

xNieuw dagblad van ‘s-Gravenhage, 2 juni 1863

xiTwentsch Dagblad Tubantia, 13 januari 1964

xiidr. A. Benthem, ‘Geschiedenis van Enschede’

xiiiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 16 december 1863

xivProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 16 december 1863

xvTwentsch Dagblad Tubantia, 13 januari 1964

xviTwentsch Dagblad Tubantia, 13 januari 1964

xviiL.A. Stroink, ‘Stad en Land van Twente’

xviiiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 24 juli 1869

xixErfgoed Enschede, bevolkingsregister Enschede

xxErfgoed Enschede, bevolkingsregister Enschede

xxiOnderzoek D. Jordaan HJNzn, 2020

xxiiTwentsch Dagblad Tubantia, 13 januari 1964

xxiiiParticulier bezit

xxivOnderzoek D. Jordaan HJNzn, 2020

xxvArchief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 190

xxviArchief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 190

xxviiL.A. Stroink, ‘Stad en Land van Twente’

xxviiiwww.parlement.com, 2022

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*