De vestiging van de familie Ledeboer in Enschede, 18e eeuw

Bij archiefonderzoek stuit je af en toe op onverwachtse archieven. Doordat steeds meer archieven worden ontsloten en inventarissen online worden geplaatst, is het wel steeds makkelijker geworden archieven en specifieke documenten te lokaliseren. In sommige gevallen kan het archief de opgevraagde documenten digitaal delen, in andere gevallen is het nodig het archief persoonlijk te bezoeken. Dit is ook van toepassing op het Archief Twentse Textielfamilies. Een paar jaar geleden stuitte ik op voor Enschede interessante documenten in het stadsarchief Rotterdam…

Omstreeks 1760 vestigden zich twee broers Ledeboer te Rotterdam. Lambertus Vincentius (1738-1818) en Hieronymus Ledeboer (1741-1812) waren zonen van dominee Bernardus Ledeboer (uit Gildehaus) en volle neven van de stamvader van de Enschedese tak, Abraham Ledeboer (1742-1821). De Rotterdamse tak werd voortgezet door de zonen van Lambertus Vincentius Ledeboer. Zij stichtten de firma L.V. Ledeboer & Zonen, kooplieden in wollen en katoenen manufacturen te Rotterdam. Ook die wijdverbreide tak kwam tot grote welstand en vult zelfs de meeste pagina’s van de genealogie Ledeboer in het Nederlands Patriciaat. Ondanks dat de familieband verwaterde, waren de families in Rotterdam en Enschede op de hoogte van elkaars bestaan. Tot aan het begin van de negentiende eeuw waren de contacten zelfs betrekkelijk nauw. Dit blijkt althans uit de navolgende brief aan de Enschedse fabrikant A. ‘Bram’ Ledeboer (1842-1897) uit 1875:

Den Huize Langenbruck bij Mettingen, 13 september 1875
Geachte neef,
uw mededeling en bekendmaking van uw voorgenomen echtverbintenis met Mej. Christine Nordbeck vernam ik met belangstelling en wens u tezamen hartelijk een genoeglijke, gezegende en langdurige echtverbintenis toe. Ik heb veel familiezwak en alhoewel onze takken zich meer & meer verwijderen, zo is het aangenaam als iedere tak daar de naam van Ledeboer eer aandoet, zodat die tot heden overal, zowel in Overijssel als Holland, met eer genoemd wordt.
Dank voor de kennisgeving. Groeten aan de bruid en uw familie.
Geloof mij gaarne (…),
L.V. Ledeboer Bz.
Van Rotterdam, oud 80 jaren en heeft uw voorouders zeer goed gekend.” (LA01607)

De briefschrijver, Lambertus Vincentius Ledeboer (1795-1891), was voorheen firmant van de manufacturenhandel L.V. Ledeboer & Zonen en directeur van de Nederlandsche Stoomboot Maatschappij, maar had zich inmiddels teruggetrokken op zijn landgoed Langenbrück te Westerkappeln bij Mettingen. De term ‘familieziek’ is wel van toepassing op deze Rotterdamse ondernemer. Niet enkel vanwege zijn brief aan verre verwant Bram Ledeboer in Enschede, maar meer in het bijzonder door zijn aankoop van het landgoed Langenbrück…

De eerste traceerbare generaties van het geslacht Ledeboer woonden in de zestiende eeuw in het stadje Osnabrück over de Twentse grens in Duitsland. Zij schreven zich indertijd ‘Ledebur’. Tegelijkertijd leefde in dezelfde omgeving het oud-adellijke geslacht Von Ledebur. Eeuwenlang wordt er al gespeculeerd over een mogelijke verwantschap tussen de beide families. De Rotterdamse tak was in de negentiende eeuw sterk van mening dat de Ledeboers zouden spruiten uit het huwelijk van een edelman en een burgervrouw en daardoor de adellijke titel zouden zijn verloren. Hoewel die specifieke verwantschap inmiddels is ontkracht, was brievenschrijver Lambertus Vincentius Ledeboer daar indertijd van overtuigd. Hij beschouwde daardoor het landgoed Langenbrück als het stamgoed van de familie; tussen ca. 1520 en 1657 behoorde dit Gut namelijk toe aan de adellijke familie Von Ledebur. In 1851 twijfelde L.V. Ledeboer geen moment en kocht Langenbrück.

Hoewel Rotterdam en Enschede vaste bakens zijn geworden voor veel Ledeboers, was niet iedereen honkvast. Veel familieleden waren predikant en werden daardoor beroepen naar verschillende plaatsen. Ook ondernemers zochten hun geluk vaak in andere steden, zoals Amsterdam en Indië. De gemeenschappelijke voorvader van de Rotterdamse en Enschedese tak was ds. Abraham Ledeboer (1669-1719). Hij werd beroepen te Gildehaus. De Rotterdamse tak vervolgt met zijn oudste zoon ds. Bernardus Ledeboer (1706-1795), die predikant werd in Twente, en de Enschedese tak vervolgt met de tweede zoon Abraham Ledeboer (1711-1780), die zich als brouwer vestigde in Schüttorf en daar later ook werd gekozen tot burgemeester. In het familiearchief Ledeboer te Rotterdam bevinden zich verschillende documenten afkomstig van de Enschedese tak, waaronder zeer oude familiepapieren…

Voornoemde Abraham Ledeboer (1711-1780) was nauwkeurig met de pen. Op verschillende bladen hield hij de hoogte- en dieptepunten uit het familieleven bij. Dit vangt aan met de geboorte- en huwelijksdatum van hemzelf en zijn echtgenote, Henrica Pott (1717-1779). Vervolgens volgt een opsomming van maar liefst dertien kinderen. De kindersterfte was schrikbarend hoog; maar liefst zes kinderen stierven als zuigeling. Hoewel men zich indertijd goed bewust was van de beperkte overlevingskansen van jonge kinderen, blijkt uit zijn schrijven dat de liefde voor het jonge kroost niet minder was dan tegenwoordig.

‘1745 den 26. Junij dit Selfe Dochtertjen [Elsabena] de Heere hem door een sagte doot tot sich uut dit Tranendal heeft weggerukt: door ordinaris geluut op avondt om 8 uhr met de naeste vrienden en nabers ter aarden onser aller moeder anbefohlen”

1759 den 15. Meij des morgens reum 10 uhr heeft ons de Heere een Sohn gegefen, welgeschapen en met een helm gebohrn. (…) Dit kindt of Elias is 1760 den 18. Jannuwij des morgens omtrent 8. uur met besoekinge van swaere terminen van den Heere op geeijscht. Het was een Kindt, ja meer dan andere, wegens sijn vriendelijkheijt en alwat an hem lieflijk en beij een elk even angenaem. Het is audt geworden 34. weke 3 dage.”

(Met de helm geboren betekend dat het kind werd geboren zonder dat de vruchtvliezen gebroken zijn. Bij de geboorte zit het vlies dan nog rond het babyhoofdje en dat werd ‘de helm’ genoemd. Volgens bijgeloof zouden die kinderen over bijzondere bovennatuurlijke krachten beschikken)

Ook de geboorte van de Enschedese stamvader Abraham Ledeboer (1742-1821) werd uiteraard door zijn vader opgetekend:

1742 den 4 Maert des morgens omtrent 6 uhr mijn vrouw wederom gelukkig verlost van een welgeslapen Sohn na mijn vader Saliger genoempt Abrahamus: door domine Katersberg gedoopt. Ik de gevader zelfs.”

In de kantlijn werd later toegevoegd:

Dese Sohn hebben wij op den 8. Nofembris na Enscheijde gesonden om dese winter beij Barnt Bliedenstein in de winkel te staen en anstaende Meij te accorderen wat heij in het Jahr verdienen moet.”

Voila! Abraham Ledeboer vestigde zich als winkelbediende in Enschede! Helaas ontbreekt wel de datum. Vermoed wordt dat de vestiging plaatsvond in het jaar 1757, aangezien het handschrift overeenkomsten vertoond met een ander bijschrift uit dat jaar. Abraham Ledeboer was op dat moment 15 jaar oud en werkte sindsdien in de winkel van de welvarende fabrikeur Barend Blijdenstein (1720-1773). Blijdenstein bewoonde op dat moment het huis genaamd ‘De Kroone’ in de Langestraat te Enschede met zijn tweede echtgenote, Elisabeth Catharina Blijdenstein-Nieuwenhuis (1721-1781). Dat huwelijk bleef kinderloos.

Op 1 juni 1770 trouwde Abraham Ledeboer met de fabrikeursdochter Geertruid Nijhoff (1751-1830) uit Enschede. Abraham en zijn echtgenote namen de fabrikeurszaken van Gerrit Nijhoff over, alsmede in 1774 zijn woonhuis in de Langestraat. Hij kwam daarnaast voor als gemeensman, schepen en burgemeester van Enschede. Een bijzondere prestatie voor een nieuwkomer. Ook zijn echtgenote was bijzonder ondernemend; in 1823 verkreeg zij als weduwe een patent als ‘fabrikante in bombazijde met een werkman’. Daarnaast kwam zij voor als winkelierster en koopvrouw in andere voorwerpen. Ook haar ongehuwde dochter Hendrika Ledeboer (1776-1830) was fabrikante van beroep. Een geëmancipeerde familie!

Eind jaren ’70 werd hun huis aan de Langestraat betrokken door hun (schoon)vader Abraham Ledeboer (1711-1780) uit Schüttorf. Hij had die zomer zijn vrouw verloren en ging in de kost bij de kinderen. Dit was indertijd tamelijk gebruikelijk. De familiepapieren uit Rotterdam geven echter een gedetailleerd beeld van de afspraken die daarvoor werden gemaakt…

1779 den 20 Desembr zijn ik en mijn sohn Abraham Ledeboer van Schüttorff des Avonds tot Enscheide gekommen, om aldaer beij mijn sohn en dochter in de kost te gaan.”

1780 den 5 Junij van Enscheide tot Schüttorf gekommen en bij mijn Sohn Jan Aernold en zijn vrouw in gekeert, om daar bij in kost te gaan voor eeten en drincken schlapen en wakken vier en licht, alle weeks 1 guld: 15 str. segge een gulden 15 str. volgens accoord, en bij siek zijn mijn de behulpsame hand te bieden, en wanneer ik uut dit tijdelijk tot het Ewige mogte overgehaalt worden, Jan Aernold en zijn vrouw, mijn na behoorden zullen ter aarde laten besteden, zullen alsdan voor moeijte en omstandigheden te genieten hebben 25 guld: segge vijf en twintig guldens mede voor de grafplaatze; en dan hier van wanneer het geeist word rekeninge daar van te doen, buiten de vijf en twintig guldens, dat is voor moeijte en lasten die zij van mijn hebben. Het kostgeld betaalt tot den 27. dito, wederom betaelt tot den 8. Augustij.”

Abraham Ledeboer stierf 22 december 1780 op 69-jarige leeftijd ten huize van zijn zoon Arnold in Schüttorf. Zijn gelijknamige zoon, de stamvader van de Enschedese tak, stierf op 29 maart 1821 op 79-jarige leeftijd in zijn huis aan de Langestraat.
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

  • Het landgoed Langenbrück werd in 1851 gekocht door L.V. Ledeboer en in 1892 door diens erven verkocht. Bijgaande tekening dateert uit het jaar 1865. In 1928 kwam het oude landgoed in handen van de C&A topman Franz Brenninkmeyer (1890-1972). De roots van de Brenninkmeyers liggen in Mettingen en daardoor zien zij dit landgoed, op hun beurt, als hun familie-stamgoed.
  • Naar aanleiding van de vermeende verwantschap met het adellijke geslacht Von Ledebur, deed een familielid (uit de Rotterdamse tak) aan het begin van de twintigste eeuw een (vergeefse) poging om in de Nederlandse adelstand verheven te worden.
  • Het huis ‘De Kroone’ was gelegen op het huidige adres Langestraat 51. Na het overlijden van de weduwe Blijdenstein-Nieuwenhuis verkochten hun erven de woning aan de fabrikeur Joan Stroink (1744-1807) en diens echtgenote Gezina Grijp (1750-1784). ‘De Kroone’ bleef vervolgens ruim honderd jaar in het bezit van de familie Stroink. Sinds 1888 is het eigendom van de katholieke kerk.
  • In 1774 kocht Abraham Ledeboer van zijn schoonvader Gerrit Nijhoff diens huis aan de Langestraat (nr. 28). Dat huis bleef ruim 130 jaar in handen van de familie Ledeboer. Laatste bewoner was dit geslacht was de ongehuwde J.B. ‘Bernard’ Ledeboer (1848-1907). Omstreeks 1930 werd het herenhuis gesloopt om plaats te maken voor de bouw van het huidige stadhuis.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*