Jhr. Charles de Maere en het Schuttersveld

‘Madame, c’est vraiment un petit château!’

Met deze vleiende woorden liet koning Willem II zich in het voorjaar van 1842 uit over het huis Schuttersveld in Enschede. Hij was goed bekend met de bouwheer en hoofdbewoner van de villa, de Vlaamse textielondernemer Charles de Maere (1802-1885). Deze oranjegezinde Vlaming voelde zich na de Belgische onafhankelijkheid (1830) niet langer thuis in zijn woonplaats Sint-Niklaas bij Antwerpen en verhuisde daarop zijn textielfabriek naar Twente. Hij introduceerde met Thomas Ainsworth de snelspoel in Twente en werd daarmee een van de meest gevierde fabrikanten in de regio. De Hogere Textielschool in Enschede werd naar hem vernoemd, evenals een prijs die tot op heden wordt uitgereikt aan personen, die zich verdienstelijk hebben gemaakt op textielgebied. Hoewel de ‘Broabander’ aanvankelijk niet door alle Twentenaren even warm werd onthaald, heette de Enschedese gelegenheidsdichteres Fenna Arnolda Ledeboer-Verbeek hem hartelijk welkom. In het Archief Twentse Textielfamilies bevindt zich een gedicht van haar hand, geschreven ter gelegenheid van de eerste steenlegging van het ‘petit château’aan de Hengelosestraat op 30 augustus 1834. Het Schuttersveld stond later, tot 1982, ook synoniem voor de textielfirma Gebroeders Van Heek. Na ruim 163 jaar in familiebezit te zijn geweest, werd de villa dit jaar door een Van Heek-telg verkocht.

Charles de Maere in Twente

Bij de verhuizing van zijn bontweverij naar Twente werd De Maere terzijde gestaande door de Engelse textieltechnicus Thomas Ainsworth. In Hengelo ondervonden de twee vreemdelingen veel weerstand. Met name hun introductie van de ‘snelspoel’ verontrustte menig ondernemer en thuiswever. Willem de Clercq, directeur van de Nederlandsche Handelmaatschappij, zag daarin wél toekomst en ondersteunde dit zelfs door het oprichten van verschillende weefscholen. Ainsworth kreeg de leiding over de weefschool in Goor, terwijl De Maere in Enschede én Zwolle het snelweven introduceerde.i De verhoging van de productiveit moest leiden tot een verlichting van de armoede en dat was De Maere’s ideaal. De weefscholen hadden na een paar jaren al hun dienst bewezen, waarna de scholen werden gesloten en de weefgetouwen in fabriekjes werden voortgezet.

Na het kinderloos overlijden van Catharina Stroink-Blijdenstein (1781-1832) werd haar buitengoed ‘Nieuwlust’ in Lonneker door haar erfgenamen verhuurd aan De Maere. De voormalige Stroinksbleek was inmiddels omgebouwd tot een genoeglijk buitenhuis, al moest in de grote zaal nog een porte-brisée worden ingebouwd. Aan De Maere werd toegestaan op het terrein een en ander te bouwen, met de bepaling dat “den huurder [alle de getimmertens] na de expiratie der huur, weder kunnen doen afbreken en wegnemen, mits alles weder in dien staat worde gebragt, als het gehuurde goed bij de aanvaarding in zulks bevond”. De huur werd voor 9 jaren vastgesteld op 355 gulden per jaar.ii Eind 1832 bouwde De Maere op Nieuwlust een fabriekje, maar dat werd helaas vlug door brand verwoest. Het huurcontract kon eerder worden ontbonden, waarna de fabrikant zijn oog liet vallen op een terrein aan de straatweg van Enschede naar Hengelo. Naar verluid zou de dienstdoende schutterij van Enschede daar in de omgeving zijn oefeningen hebben gehouden en werd het te stichten woonhuis daardoor het ‘Schuttersveld’ genoemd.iii Een andere versie is dat de naam verwijst naar een andere liefhebberij van De Maere, namelijk boogschieten.iv

Op 30 augustus 1834 werd de eerste steen in de voormuur van het Schuttersveld gelegd door De Maere’s drie-jarige zoontje Adolph.v Bij die gelegenheid droeg Fenna Arnolda Ledeboer-Verbeek haar gedicht voor, eindigend met de regels: “(…) Dat dan voorts Uw levensdagen, zijn gezegend hier ter stee; Leeft dan steeds naar Uw genoegen, en tot nut van Enschede” (zie navolgende bijlage).vi De Maere zal dit gedicht hebben gewaardeerd, want hij had zelf ook affiniteit voor de dichtkunst en schreef in 1847 een dichtbundel dat hij opdroeg aan koning Willem II.vii

Wij zagen het prachtige huis, dat De Maere nu opricht in de verte”

Dit schreef Willem de Clercq in 1835 bij zijn bezoek aan Twente. viii De villa werd gebouwd door de Enschedese aannemer H. Tönies en kwam in de loop van dat jaar gereed.ix De huur van Nieuwlust werd per 1 november 1835 opgezegd. x De villa blonk niet alleen uit qua statigheid, maar viel ook op door de symmetrisch en zijdelings geplaatste bijgebouwen (zoals men ook veel aantreft bij havezaten en kastelen). In de twee bijgebouwen bevonden zich in dit geval een bontweverij (met 30 getouwen), een garenververij en de stallen…xi

“De textielnijverheid was toen ten dele nog huisindustrie. De boeren, die in hun huizen over een of meer weefgetouwen beschikten, haalden in die tijd het garen uit de stal, welke oostelijk van de villa Het Schuttersveld ligt. Deze garens zaten in tonnen, de zogenaamde piepentonnen. Van de echtgenote van Charles de Maere, die evenals haar man een voortvarende natuur had en zich ook met het bedrijf bemoeide, wordt verteld, dat zij, ten einde vlugge wevers te krijgen, de sollicitanten bij wijze van examen over een touwtje of over een piepenton liet springen!” (Tubantia, 7 april 1951)

In Enschede ging de ronde dat de villa met bijgebouwen en park “hoonderd doezend gulden” had gekost.xii Dat bedrag is niet geverifieerd, maar zeker is dat de bouwheer De Maere dat geld wel kon missen. Hij was een van de drie rijkste inwoners van de provincie Overijssel; alleen de adellijke heren van Twickel en Almelo gingen hem voor.xiii In 1842 werd De Maere door koning Willem in de Nederlandse adelstand verheven, waardoor het lijstje van hoogstaangeslagenen door drie edelen werd aangevoerd. De wapenspreuk van De Maere was toepasselijk: ‘Honneur et Travail’.xiv

Hij moet beschouwd worden als de man, die de oude handweverij tot nieuwe bloei bracht.”xv

Hoewel de jonkheer vooruitstrevende idealen had, koos hij voor het werken met voornamelijk thuiswevers. Die traditionele handelswijze achtte hij zinvol vanwege de lage lonen in Twente. Daarnaast was hij bekend met de problematiek die de grootindustrie met zich mee bracht. Desalniettemin was hij geen principiële tegenstander van de stoomindustrie. Hij was een van de mede-oprichters van de Enschedesche Katoenspinnerij (1833), maar dat werd noodzakelijk geacht voor het vervaardigen van meer verfijnde garens.xvi Daarnaast zag hij in 1835 toekomst in een dienst met ‘stoomwagens’ op de wegen Enschede-Zwolle en Hengelo-Deventer, maar zover is het nooit gekomen.xvii Ook blijkt zijn vernuftigheid uit zijn gepatenteerde uitvinding en verbetering van een werktuig om katoen en linnen stoffen te laten glanzen (1833).xviii Zijn textiel verhandelde hij via de Nederlandsche Handelmaatschappij aan voornamelijk Nederlands-Indië. Om mij onduidelijke redenen stopte hij medio 1847 met zijn onderneming. Daarvoor kwamen andere interesses in de plaats…

“Vanaf het bergje in het park van het Schuttersveld, waar een bank stond, was De Maere gewoon te genieten van het gezicht op zijn paarden, die in de weide liepen.”xix

In 1847 stond De Maere aan de voet van de Twentsche Vereeniging tot Veredeling van het Paardenras, “welke zich tot doel zoude stellen, om door middel van wedrennen en harddraverijen, als ook door middel van keuringen van paarden en verder door alle andere middelen welke daartoe kunnen strekken de veredeling van het paardenras te bevorderen en de paardenfokkerij aldaar aan te moedigen”.xx De edelmoedigheid van voorzitter De Maere blijkt uit het afstaan van paarden en prijzengeld. Ook de Nederlandse koning, die de beschermheer was, schonk in 1850 een kostbare volbloed hengst, “die naar men nader vernomen heeft, voornamelijk bedoeld heeft met dit geschenk, de verbetering van het ras te helpen bevorderen”.xxi

Verkoop Schuttersveld, 1859

In het Archief Twentse Textielfamilies bevindt zich slechts één document afkomstig van Charles de Maere. Het betreft een uitnodiging aan het adres van Hendrik Jan van Heek (1814-1872) voor het bijwonen van een diner op het Schuttersveld in 1855, na afloop van de wedrennen.xxii Een jaar later besloot De Maere te verhuizen. In september, oktober en november 1856 werd een deel van zijn inboedel geveild.xxiii xxiv xxv Stoelen, tafels en wat niet meer zij werden gekocht door onder meer fabrikanten, maar ook kon de minder bedeelde voor een klein bedragje iets van de geliefde edelman bemachtigen. De Maere verhuisde naar het landgoed Moncado bij Axel in Zeeuw-Vlaanderen.xxvi Ook daar stichtte hij een lokale vereniging tot verbetering van het paardenras.xxvii In de praktijk woonde hij voornamelijk in Gent, 30 kilometer ten zuiden van zijn Nederlandse woonadres.

Op 16 mei 1859 werd het Schuttersveld namens De Maere geveild. De inzet was fl. 22.000,-. Dat bedrag werd door een zekere Carel C. Leestemaker (1837-1864) in één klap verhoogd met de indrukwekkende som van fl. 5.000,-. xxviii Hij was kantoorbediende bij de sinds 1 januari 1859 ontstane firma Van Heek & Co (“en genoot in hooge mate het vertrouwen der firma”xxix) en zal die instructie hebben gekregen van zijn afwezige chef Hendrik Jan van Heek Hzn (1814-1872). Denkelijk hoopten zij op die manier andere potentiële kopers af te schrikken. Het vervolg van de veiling werd bijzonder nauwkeurig opgetekend door de notaris:

Bij afslag overgegaan zijnde is er op de som van zevenentwintig duizend twee honderd gulden ‘Mijn’ geroepen door den heer Hendrik Jan van Heek Gerrit Janszoon, fabrijkant wonende te Enschede; aan hem is den koop gegund en is hij alzoo kooper geworden en heeft de kooper dadelijk het één derde hiervoren gemeld ter som van negen duizend gulden en zes en zestig cents aan handen van verkooper betaald welke erkent die som te hebben ontvangen.”xxx

De koper werd daardoor Hendrik’s gelijknamige neef H.J. ‘Hein’ van Heek (1830-1875). Het is goed mogelijk dat rivaliteit en eventueel impulsiviteit de 28-jarige fabrikant tot de aankoop heeft bewogen. In Enschede bleek de verwondering in ieder geval groot, zo schreef een tijdgenoot:

“Voorreerst dan het groote nieuws. Gisteren is Schuttersveld (alias ‘de Maere’ zien spul”) publiek verkocht en de kooper is niemand anders dan Hein van Heek, die er zelf wil gaan wonen en er een fabrieksgebouw in wil plaatsen. Het was eene verrassing voor heel Enschede, want zelfs zijn schoonouders er niets van wisten…”xxxi

J. ‘Jans’ van Heek-Elderink (1836-1921), echtgenote van Hein van Heek en ruim 60 jaar lang bewoonster van huize Schuttersveld
(afb. Archief Twentse Textielfamilies)

– – – – – – – – – – – –

  • Het echtpaar Hein en Jans van Heek-Elderink bleef kinderloos. Tot haar overlijden in 1921 werd het Schuttersveld door de weduwe Van Heek-Elderink bewoond. Gedurende haar leven werden de bijgebouwen afgebroken en de fabriek der firma Gebrs. Van Heek vlakbij herbouwd. Na haar overlijden in 1921 werd de villa ondergebracht in het familiebedrijf, waarna directeur H.A. ‘Hems’ van Heek (1899-1979) het huis met zijn gezin bewoonde.
  • Charles de Maere stierf op 8 september 1885 in zijn woonplaats Gent (België). In Nederlandse kranten werd toen nauwelijks stilgestaan bij het overlijden van de voormalige textielondernemer die zoveel voor Twente betekend had. Opvallend is dat de Tubantia en de Overijsselsche en Zwolsche Courant zelfs geen enkel woord over zijn overlijden repten. Was dat onwil of onwetendheid? Sinds het begin van de twintigste eeuw is zijn naam gelukkig op meerdere manieren in ere hersteld.
  • Archief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 277
  • (overige bronnen: Notarieel Archief Erfgoed Enschede, Kadaster, krantendatabase Delpher, dr. A. Benthem, ‘Geschiedenis van Enschede’ en L.A. Stroink, ‘Stad en Land van Twente’.
  • Foto Schuttersveld met dank aan aan Marlies Enklaar

Bijlage: gedicht van Fenna Arnolda Ledeboer-Verbeek, 1834

“Wensch aan den WelEdele Heere C. de Maere
bij het leggen van éérsten steen van deszelfs nieuw
te bouwen huis 30 aug[ustus] 1834

God, die ’s menschen woonplaats regeld,
En wiens plan hier nimmer faalt
Heeft, zoo ’t schijnt, naar Zijne wijsheid
Uwe wooning hier bepaald.
Zoo gaat t’immer op deez’ aarde,
Waar de mensch niet aan en dacht
Word hij vaak door tijd en toeval
Ongemerkt soms heen gebragt
Zoo, Mijn Heer! is ook in dezen,
Uwen gang door God gewend,
Zeker was voor weinig jaren
Enschede U onbekend.
Elders bloeiden Uw fabrieken
Weltevreen dus met Uw stand,
Dacht gij vaak, stil neergezeten
Aan ’t geluk van ’t vaderland
Dan niet allen zoo te vreden
Dwepers, muiters woedden gram,
Staken d’houtmijt van hun twisten
In een lichte laaije vlam.
Ging en Vorst en Volk vervolgen
Dat voor recht en waarheid streed
En den Koning bleef beminnen
Die men zoo veel onrecht deed.
Dan t’Gordijn daarvoor geschoven,
Blijv’ vergeten al dien druk,
Maar bepalen wij ons liever,
Bij ons heil en ons geluk
Dat door U reeds in den aanvang
Is gebragt voor Enschede
Ja, ’t fabriek door U gevestigd
Deelt hier ware welvaard mee.
Godes zegen daal nu voortaan
Rijk’lijk op Uw huis hier neer
Uw fabrieken en Uw handel
Bloeijen daaglijks meer en meer.
Dat de woning waarvan heden
d’éérste steen word neergezet
U tot lust en vreugde diene
Door geen ziekt of ramp belet
Dat dan voorts Uw levensdagen
Zijn gezegend hier ter stee
Leeft dan steeds naar Uw genoegen
En tot nut van Enschedé”

iOverijsselsche Courant, 12 juli 1833

iiErfgoed Enschede, notaris J.M. Greve, toegangsnummer 1022, inventarisnummer 978, akte 118, 30 oktober 1832

iiiTubantia, 28 december 1971

ivDeventer Dagblad, 11 april 1959

vTubantia, 1 september 1934

viArchief Twentse Textielfamilies, familiearchief Ledeboer, inv.nr. 277

viihttps://nl.wikipedia.org/wiki/Charles_Louis_de_Maere, 2022

viiiTubantia, 1 september 1934

ixTubantia, 1 september 1934

xOpregte Haarlemsche Courant, 10 september 1835

xiKadaster

xiiTubantia, 1 september 1834

xiiiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 27 oktober 1848

xivhttps://nl.wikipedia.org/wiki/Charles_Louis_de_Maere, 2022

xvTwentsch Dagblad Tubantia, 29 maart 1956

xviNederlandsche Staatscourant, 19 november 1833

xviiTwentsch Dagblad Tubantia, 16 augustus 1960

xviiiOverijsselsche Courant, 12 juli 1833

xixTubantia, 1 september 1934

xxProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 5 februari 1847

xxiTwentsche Courant, 20 juli 1850

xxiiArchief Twentse Textielfamilies, familiearchief Van Heek, inv.nr. 1119

xxiiiErfgoed Enschede, Notarieel Archief, nots. J.M. Greve, toeg.nr. 8031, inv.nr. 1009, akte 754, 25 september 1856

xxivErfgoed Enschede, Notarieel Archief, nots. J.M. Greve, toeg.nr. 8056, inv.nr. 1009, akte 772, 22 oktober 1856

xxvErfgoed Enschede, Notarieel Archief, nots. J.M. Greve, toeg.nr. 8062, inv.nr. 777, 14 november 1856

xxviA.J. Van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, deel 7, 1846

xxviiUtrechtsche Provinciale en Stads-Courant, 14 juni 1862

xxviiiErfgoed Enschede, Notarieel Archief, nots. B.W. Blijdenstein, toeg.nr. 7189, inv.nr. 1086, akte 14, 16 mei 1859

xxixOpregte Haarlemsche Courant, 27 september 1864

xxxErfgoed Enschede, Notarieel Archief, nots. B.W. Blijdenstein, toeg.nr. 7189, inv.nr. 1086, akte 14, 16 mei 1859

xxxi“Van bombazijn tot fluweel; 100 jaar Schuttersveld”


ENGLISH

Jonkheer Charles de Maere and Schuttersveld

‘Madame, c’est vraiment un petit château!’

With these flattering words, King Willem II described the house Schuttersveld in Enschede in the spring of 1842. He was well acquainted with the builder and primary resident of the villa, the Flemish textile entrepreneur Charles de Maere (1802-1885). This pro-Orange Flemish man no longer felt at home in his residence in Sint-Niklaas near Antwerp after Belgian independence (1830) and subsequently moved his textile factory to Twente. Along with Thomas Ainsworth, he introduced the ‘fly shuttle’ to Twente, making him one of the most celebrated manufacturers in the region. The Higher Textile School in Enschede was named after him, as was an award still presented today to individuals who have made significant contributions to the textile industry. Although the ‘Brabander’ was not warmly welcomed by all residents in Twente at first, the Enschede poet Fenna Arnolda Ledeboer-Verbeek greeted him with open arms. The Archief Twentse Textielfamilies contains a poem she wrote on the occasion of the laying of the first stone of the “petit château” on Hengelosestraat on August 30, 1834. Schuttersveld later became synonymous with the textile company Gebroeders Van Heek, lasting until 1982. After being in family ownership for over 163 years, the villa was sold this year by a Van Heek descendant.

Charles de Maere in Twente

When relocating his textile factory to Twente, De Maere was assisted by the English textile technician Thomas Ainsworth. In Hengelo, the two foreigners faced considerable resistance, especially regarding their introduction of the fly shuttle, which alarmed many entrepreneurs and domestic weavers. However, Willem de Clercq, director of the Nederlandsche Handelmaatschappij (Dutch Trading Company), saw potential in the innovation and even supported it by establishing various weaving schools. Ainsworth took charge of the weaving school in Goor, while De Maere introduced rapid weaving in Enschede and Zwolle. The increased productivity aimed to alleviate poverty, which was De Maere’s ideal. After a few years, the weaving schools had fulfilled their purpose, and the looms were transferred to small factories.

After the childless death of Catharina Stroink-Blijdenstein (1781-1832), her estate “Nieuwlust” in Lonneker was rented to De Maere by her heirs. The former Stroinksbleek had since been converted into a cozy country house, though a porte-brisée still needed to be installed in the grand hall. De Maere was permitted to construct a few things on the property, with the stipulation that “the tenant could dismantle and remove all constructions after the lease expired, provided that the property was restored to the state it was in at the time of acceptance.” The rent was set at 355 guilders per year for nine years. At the end of 1832, De Maere built a small factory at Nieuwlust, but it was soon destroyed by fire. The lease was terminated early, and the manufacturer turned his attention to a plot of land on the road between Enschede and Hengelo. It is said that the local militia of Enschede had once trained in the area, leading the new house to be named “Schuttersveld” (Field of the Marksmen). Another version of the story is that the name referred to De Maere’s love of archery.

On August 30, 1834, De Maere’s three-year-old son Adolph laid the first stone in the front wall of Schuttersveld. On this occasion, Fenna Arnolda Ledeboer-Verbeek recited her poem, ending with the lines: “(…) May your days here be blessed; Live always as you please, and to the benefit of Enschede.” De Maere likely appreciated the poem, as he himself had a fondness for poetry and in 1847 published a collection of poems dedicated to King Willem II.

“We saw the magnificent house that De Maere is now building in the distance”

Willem de Clercq wrote this in 1835 during his visit to Twente. The villa was built by Enschede contractor H. Tönies and was completed later that year. The lease of Nieuwlust was terminated on November 1, 1835. The villa stood out not only for its grandeur but also for its symmetrically placed outbuildings (a feature common to manors and castles). In these outbuildings, there was a textile mill with 30 looms, a yarn dyeing facility, and stables.

“At the time, the textile industry was partly a domestic industry. Farmers, who had one or more looms in their homes, would collect yarn from the stable east of the Schuttersveld villa. The yarns were stored in barrels, known as ‘piepentonnen’. It is said that Charles de Maere’s wife, who, like her husband, was a strong-willed person involved in the business, would test applicants by making them jump over a string or a barrel during their interviews, ensuring only the quickest weavers were hired!” (Tubantia, April 7, 1951)

It was rumored in Enschede that the villa, its outbuildings, and the park had cost “a hundred thousand guilders.” While this figure is not verified, it is certain that De Maere could afford it. He was one of the three wealthiest residents of the province of Overijssel, surpassed only by the noblemen of Twickel and Almelo. In 1842, King Willem elevated De Maere to the Dutch nobility, making the list of the highest taxpayers led by three nobles. De Maere’s motto was fitting: ‘Honneur et Travail’ (Honor and Work).

“He must be considered the man who revived the old handloom weaving industry.”

Although the nobleman had progressive ideals, he mostly worked with domestic weavers. He considered this traditional method to be practical due to the low wages in Twente. Additionally, he was aware of the problems brought about by large-scale industry. Nevertheless, he was not fundamentally opposed to steam power. He was one of the co-founders of the Enschede Cotton Spinning Company (1833), which was deemed necessary for producing finer yarns. In 1835, he also saw potential in a “steam wagon” service for the routes Enschede-Zwolle and Hengelo-Deventer, but this never materialized. His ingenuity is also evident from his patented invention of a tool for glazing cotton and linen fabrics (1833). He traded his textiles through the Nederlandsche Handelmaatschappij, primarily to the Dutch East Indies. For reasons unknown to me, he stopped his business around mid-1847 and shifted his focus to other interests.

“From the hill in the park of Schuttersveld, where a bench stood, De Maere enjoyed watching his horses grazing in the meadow.”

In 1847, De Maere founded the Twentsche Society for the Improvement of Horse Breeding, “which aimed to promote the improvement of horse breeding through races and inspections, as well as other methods.” De Maere’s generosity as chairman was evident in his donation of horses and prize money. Even the Dutch king, who was the patron, donated a valuable thoroughbred stallion in 1850, intended to help improve the breed.

Sale of Schuttersveld, 1859

The Archief Twentse Textielfamilies in Enschede contains only one document from Charles de Maere: an invitation to Hendrik Jan van Heek (1814-1872) to attend a dinner at Schuttersveld in 1855, following the races. The following year, De Maere decided to move. In September, October, and November 1856, part of his household belongings were auctioned. Chairs, tables, and other items were purchased by manufacturers, but even those with modest means were able to acquire something from the beloved nobleman. De Maere moved to the Moncado estate near Axel in Zeeuws-Vlaanderen. There, too, he founded a local society for the improvement of horse breeding. In practice, however, he primarily resided in Ghent, 30 kilometers south of his Dutch residence.

J. ‘Jans’ van Heek-Elderink (1836-1921), wife of Hein van Heek and resident of Schuttersveld House for over 60 years
(Archief Twentse Textielfamilies)

On May 16, 1859, Schuttersveld was auctioned on behalf of De Maere, with an opening bid of 22,000 guilders. This amount was immediately raised by 5,000 guilders by Carel C. Leestemaker (1837-1864), an office clerk at the firm Van Heek & Co, likely acting on instructions from his absent employer, Hendrik Jan van Heek Hzn. They likely hoped to scare off other potential buyers. The auction continued, as recorded meticulously by the notary.

The buyer was H.J. ‘Hein’ van Heek (1830-1875), Hendrik’s nephew. It is possible that rivalry and impulsiveness drove the 28-year-old manufacturer to make the purchase. In Enschede, the news caused quite a stir, with a contemporary writing:

“Firstly, the big news. Yesterday, Schuttersveld (a.k.a. ‘De Maere’s place’) was sold publicly, and the buyer is none other than Hein van Heek, who intends to live there and establish a factory on the grounds. It was a surprise for all of Enschede, as even his in-laws knew nothing about it…”

The couple Hein and Jans van Heek-Elderink remained childless. Schuttersveld was occupied by the widow Van Heek-Elderink until her death in 1921. During her lifetime, the outbuildings were demolished, and the Gebroeders Van Heek factory was rebuilt nearby. After her death, the villa was incorporated into the family business, and director H.A. ‘Hems’ van Heek (1899-1979) lived there with his family.

  • Charles de Maere died on September 8, 1885, in his home city of Ghent (Belgium). His death received little attention in Dutch newspapers, despite his significant contributions to Twente. Remarkably, both Tubantia and the Overijsselsche en Zwolsche Courant made no mention of his passing. Was this due to unwillingness or ignorance? Fortunately, his name has been restored in various ways since the early twentieth century.