De ‘vergeten’ kinderen van Beudeker

De vergeten kinderen van Beudeker”

Recentelijk werd ik door mijn oom verrast met een portrettenalbum uit 1866. Dat album werd door oud-leerlingen van het ‘Instituut te Goor’ aangeboden aan voorvader Ds. Nicolaas Jannink (1813-1902) wegens diens 25-jarige jubileum als Nederlands-Hervormd predikant te Goor. De gulle gevers hadden in de jaren ’40 van de negentiende eeuw als leerlingen aan de Franse kostschool van de heer Frans Beudeker (1815-1897, bovenstaand portret) godsdienstonderwijs genoten van dominee Jannink. In dit artikel stel ik echter niet zo zeer mijn voorvader Jannink centraal, maar juist de directe en indirecte Twentse links met het Amsterdamse Aalmoezeniersweeshuis en de daaruit voortgekomen Inrichting voor Stadsbestedelingen in Amsterdam. Verschillende verhaallijnen waarin verschillende voorvaderen een grote of kleinere rol van betekenis hebben gespeeld.

De bijzondere band tussen het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam en Twente (1797-1808)

Voor deze eerste verhaallijn verplaatsen wij ons naar de zomer van 1797. Nadat stadhouder Willem V in 1795 het hazenpad had gekozen, hadden de patriotten in Nederland de Bataafsche Republiek uitgeroepen. Hoewel vele Nederlandse burgers zich gesterkt voelden door de mooie gelijkheids- en vrijheidsbeginselen, was de Franse tijd voor veel Nederlanders juist een periode van armoede en ontberingen. Het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht van Amsterdam – het latere Paleis van Justitie – groeide in deze periode (1795-1813) compleet uit haar voegen. Rond 1800 telde het Aalmoezeniersweeshuis al ruim 3000 kinderen, terwijl een tiental jaren later het aantal zelfs de 4000 zou passeren. Voor uitbreiding van het gebouw was geen geld, daar de kosten de pan uit rezen en de inkomsten tergend achterbleven. Ter illustratie: in 1800 waren de inkomsten van het Aalmoezeniersweeshuis f 148.000,- en de uitgaven f 340.000,-.ii Een onwenselijke situatie voor de kinderen in het uitpuilende weeshuis, maar ook een onwenselijke situatie voor de inwoners van Amsterdam die moesten opdraaien voor de immense financieringstekorten. Kort na de omwenteling van 1795 werd uit het college van regenten van het Aalmoezeniersweeshuis een Commissie van Bezuiniging samengesteld. Een van haar regenten was de Amsterdamse koopman, reder en bankier Marten Udink (1748-1808); een van de hoofdrolspelers in dit verhaal.

Een andere hoofdrolspeler in dit verhaal is de Enschedese stadssecretaris – en later notaris – Gerrit Pennink (1761-1835).1 Deze vurige patriot had zich sinds 1787 opgehouden in Noord-Frankrijk en trouwde aldaar de Francaise Marie Philippine Josephe Breton (1761-1797). Na de omwenteling van 1795 vestigde dit jonge echtpaar zich in zijn geboorteplaats Enschede. Kort na het overlijden van zijn echtgenote in mei 1797, besloot Gerrit Pennink een reis te maken naar Noord-Frankrijk. Wellicht wilde hij zijn schoonfamilie persoonlijk op de hoogte stellen van het overlijden van zijn echtgenote. Gerrit Pennink maakte de reis niet alleen; hij nam zijn oudste zoon Henri Charles Pennink (1792-1827) en de 17-jarige Benjamin Willem Blijdenstein (1780-1857) mee op pad. De laatste was een zoon van Pennink’s goede vriend, de Enschedese textielfabrikant Jan Bernard Blijdenstein (1756-1826). Voor dit schrijven is met name de terugreis van het reisgezelschap interessant. Via Parijs en Rotterdam arriveerde Gerrit Pennink in juli 1797 te Amsterdam en nam hij zijn intrek bij voornoemde heer Marten Udink.iii

De Amsterdammer Marten Udink (1748-1808) was goed bekend met het Enschedese stadspatriciaat. Via zijn uit Enschede afkomstige moeder Catharina Udink-Hoedemaker (1721-1798) was hij verwant aan verschillende invloedrijke Twentse fabrikeursgeslachten. Hij was een oomzegger van de Enschedese koopman en burgemeester Herman Hoedemaker (1733-1814). Daarnaast was hij een volle neef van voormoeder Maria Geertruid ten Cate-Hoedemaker (1766-1828). Zij gaf in 1805 haar zoon de namen Marten Udink ten Cate, verwijzende naar haar kinderloze – en ‘toevallig’ steenrijke – neef Marten Udink (1748-1808). Met Marten’s broer Theunis Udink (1765-1811) stierf de rijke Amsterdamse tak van het geslacht Udink uit. Een groot deel van dit Udink-kapitaal stroomde in 1808 en 1811 richting Twente, waar de geslachten Udink ten Cate en Roessingh Udink herinneren aan de ooit zo geliefde suikerooms in Amsterdam. De suikerooms leven tot op heden voort door het Nicolaas Udinkfondsiv en het Hoedemakerfonds, resp. opgericht door Marten’s ongehuwde broer Nicolaas Udink (1745-1805) en diens voornoemde oom Herman Hoedemaker (1733-1814). Wanneer familieleden onverhoopt in financiele moeilijkheden geraken, zouden zij op die fondsen een beroep kunnen doen; deze suikerooms leven dus in zekere zin voort in de 21e eeuw!

Marten Udink ontving eind juli 1797 de heren Gerrit Pennink en Benjamin Willem Blijdenstein bij hem thuis in Amsterdam. Hij zal ongetwijfeld met hen hebben gesproken over diens grote zorgen rondom het Aalmoezeniersweeshuis. De verslechterende woonsituatie voor de kinderen en de immense financiele tekorten gingen de heer Udink aan het hart. Hij had als regent nimmer een vergadering gemist.v Er moest wat gebeuren, dat was in iedereen duidelijk.


Gezicht op het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht te Amsterdam
vervaardigd in 1783 door H. Schoutedel (coll. Beeldbank Amsterdam)

Tijdens dat gesprek met de Enschedese vrienden ontstond het idee “om eenige kinderen uit het Aalmoezeniersweeshuis, bij weijsen van uitbesteeding, te zenden naar Enschede in Twente en andere plaatzen, om aldaar de werkzaamheden der fabrieken of andere handwerken hun bestaan te vinden.”vi Hoewel van moderne fabrieken en machines nog geenszins sprake was, was de textielindustrie in Twente wel florerende en bood zij werk in overvloed. Wanneer deze proef zou slagen, zouden meer weeskinderen kunnen worden uitbesteed wat uiteindelijk de zorgkosten flink zou kunnen verminderen. Op aanraden van de heer Udink toog Pennink naar het Amsterdamse gemeenteraadslid Willem van Barneveld (1747-1826) met als doel hem warm te maken voor dit vooruitstrevende project. Van Barneveld liet zich verder schriftelijk informeren en enthousiasmeren door Jan Bernard Blijdenstein (1756-1826). Gerrit Pennink keerde vervolgens met zijn twee reisgenoten terug naar Enschede en verdween, wat dit project betreft, op de achtergrond.

Op 23 augustus 1797 werd het plan door de Commissie van Bezuiniging van het Aalmoezeniersweeshuis officieel voorgelegd aan de gemeenteraad van Amsterdam. “De aanleidende oorzaak is geweest, dat de Raad Wm. van Barneveld door een gesprek met den burger Pennink en verdere correspondentie met den burger J.B. Bleijdenstijn, bij de fabrikeurs te Enschede ontdekt heeft de kinderen aldaar zoude kunnen geplaatst worden ten voordeelen voor het Aalmoezeniersweeshuis en welzijn der kinderen in het algemeen.”vii De gemeenteraad van Amsterdam had wel oren naar deze ‘proef’ en stemde in.

Op 8 oktober 1797 compareerde Jan Bernard Blijdenstein voor de gemeenteraad van Enschede,“mondeling voordragende dat regenten van het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam daartoe door den Raad der Gemeente dier stad behoorlijk gequalificeerd, wel inclineerende om naar hier een aantal kinderen uit het gezeide huijs te doen transporteeren en dezelve bij ons burgeren in de kost te doen besteeden, dat hij niet twijffelende of de municipaliteit zoude een onderneeming zichbaar strekkende om hier het gebrek aan werkvolk te compteteeren, om bij tijd en wijlen, een aanwinst van werkende burgers te doen, niet alleen aprobeeren maar daartoe zoo veel mogelijk op beste wijze meedenwerken. Dat in dit geval het nodig zoude zijn dat er een commissie van open toezigt benoemd wierden, welke in de eerste plaats met regenten van genoemde godshuis, de nodige angagementen desweegens te maken, en wijders zich te belasten met de uitbesteeding der kinderen als ook met de zorg voor derzelve en goede behandeling en geregelde opvoeding. Dat hij vertrouwe dat eronder de burgers deezer stad, zodanig weldenkende persoone zouden gevonden worden, welke de directie daar over uit Christelijke liefde wel zoude willen op zig neemen, terwijl men aan de Commissie een secretaris tot adsistentie zoude kunnen toevoegen op zodanig tractement of belooning als men indertijd zoude vinden dat den werkzaamheden aan deszelfs pos[itie] verknogt zouden (…)”.viii

De gemeenteraad van Enschede kon zich goed vinden in het voorstel van Jan Bernard Blijdenstein. Wel maakten zij een paar kanttekeningen. De gemeenteraad van Enschede stond erop dat de Amsterdamse weeskinderen tot hun meerderjarigheid voor rekening zouden blijven vallen van het Aalmoezeniersweeshuis en dat zij ook het recht blijven behouden “om dezelve toestemming tot inwooning en uitbesteeding in te trekken wanneer onvermoedelijk mogten blijken dat belangens der burgerij [van Enschede] daardoor benadeelt wierden.”ix Een Commissie van Toezicht werden aangesteld en die zou met de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis verder onderhandelen over de uitvoering van het plan. De gemeenteraad van Enschede hoopte dat Jan Bernard Blijdenstein “zoveel zijn omstandigheeden zullen toelaaten, ten voordeelen der onderneeming te blijven doorwerken waartoe zij verwagten dat hij de benoemde commissie met raad en daat zal blijven ondersteunen.”x

De Commissie van Toezicht bestond uit de heren Jan Lasonder (1740-1806), Johannes Wagelaar (ca. 1754-1822), Othmar ten Cate (1757-1815) en secretaris Joan Theodoor Christiaan Thummius (1766-1818). Alleen secretaris Thummius kreeg door het Aalmoezeniersweeshuis betaald (aanvankelijk f 50,- per jaar, later f 75,- per jaar). Jan Bernard Blijdenstein had veel vertrouwen in de commissie en met name in Thummius die hij “een uiterst bijzonder accuraad en bekwaam man”xi achtte. Daarnaast was Blijdenstein tevreden met de kerkelijke diversiteit binnen de commissie. Zij waren resp. gereformeerd, katholiek, doopsgezinde en Luthers. Dit werd als een voordeel gezien doordat de weeskinderen uit Amsterdam ook tot verschillende zuilen behoorden.

De onderhandelingen tussen het Aalmoezeniersweeshuis en de Commissie van Toezicht werden schriftelijk gevoerd door met name de regent Udink en secretaris Thummius. Met name op het gebied van onderwijs wenste Udink concrete toezeggingen, “kinderen 8 ½ a 9 jaaren [weeten] bijna niets, wij wilde gaarne dezelve tot hun ouderdom van 10 jaaren des daags tweemaal [naar] school gingen en dan vervolgens eenmaal daags tot de ouderdom van 14, tenminste tot 12 jaaren, toe dat zij leezen, schrijven en rekenen kunnen leeren; dit hebben zij noodig, zullen zij nuttige leeden voor in de maatschappij worden.” Thummius verklaarde “dat zij speciaal het nodige schoolonderwijs en onderrigt in de godsdienst zullen genieten.”xii

De Enschedese pleegouders kregen jaarlijks f 60,- kostgeld betaald door het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam. De uitbetaling daarvan geschiedde per kwartaal. Daarnaast betaalde het Aalmoezeniersweeshuis de kleding, medische onkosten en het schoolgeld voor de uitbesteedde weeskinderen. Wanneer de kinderen gingen werken, droegen zij geleidelijk steeds meer bij aan het kostgeld. Blijdenstein schreef daaromtrent “Jongens 12 jaaren oud zijnde, mits eenigsints kloek van gestel, worden in het weefgetouw geplaatst. Men zoude als dan het kostgeld op f 50,- met het volgen jaar op f 40,- en het derde jaar op f 30,- kunne brengen, als dan klimme zij, voor haar eijgen zelfs zorgdragen zodat zij 15 jaaren oud zijnde geene kosten meer aan het [Wees]huijs behoeven te veroorzaken, maar in staat zijnde de kost te winne. De verdienste komen tot faveure van de baas of leermeester of van dengeene die deeze in de kost heeft.”xiii In drie jaren tijd leerden de jongens het weven van hun leermeesters, waarvoor zij – zoals het oude Twentse gebruik voorschreef – de helft van hun inkomen aan de leermeester afdroegen.

Blijdenstein gaf aan dat de weeskinderen op 15-jarige leeftijd self supporting zouden moeten zijn en dat klonk het Aalmoezeniersweeshuis als muziek in de oren. De goede intentie van de regenten blijkt uit verschillende brieven, waaronder het volgende fragment uit een brief van de heer Udink aan de heer Blijdenstein d.d. 11 november 1797: “Wij beveelen deeze kinderen ten hoogst aan uwe menslivendheid, dat zij dog bestendig bij UEd moge aangemerkt worden als ouderloose, weegens die geen vader of moeder hebben, maar in deszelfs plaats hun hulp en troost moeten vinden bij diegeene die over haar gesteld zijn of worden. Gijlieden beseft met ons, zullen zij waaren deugdzamen Christenen worde, de leering tot de godsdienst hiertoe volstrekt verlicht worden, zullen zij nuttige leden voor de maatschappij zijn, buijten het handwerken om haar eigen bestaan te vinden, alles noodzakelijk in schrijven leeren en rekenen te leeren. De goede en loffelijke berigten die den ondertekende aan ons over uwe persoonen als bij zijn ED bekend zijnde gegeeven heeft doet ons geen oogenblik twijfelen of dit begonne werk zal met gewenschte uijtslag bekroond worden”xiv

Op het moment van schrijven was de heer Udink druk doende met het transport te regelen. Udink huurde een “bijzonder schip” dat de 36 weeskinderen van Amsterdam naar Zwolle zou varen. Van Zwolle naar Enschede werd de reis per overdekte karren voortgezet. De schoolmeester Claas Dekker, die samen met vier jonge assistenten toezichthouder was van dit bijzondere reisgezelschap, kreeg van Udink een gedetailleerde instructie mee, zodat “de kinderen zo aan boord als op den wagens alle gemak en genoegens verschaft worden, dezelve op behoorlijke tijd, spijs en drank worden toegedient en wel toe te zien dat de kinderen bij ‘t arriveeren tot Enschede zuijver en rijn zijn.”xv

18 jongens en 18 meisjes, varierende van 8 tot 10 jaar oud, werden op maandagochtend 20 november 1797 vanuit het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht uitgezwaaid door ontelbare weeskinderen en hun hoeders. Voor het eerst zou een groep kinderen worden uitgezonden. Dat was ongetwijfeld het gesprek van de maand! Dik aangekleed trotseerden zij de kou en winderige regen en liepen – onder leiding van meester Dekker – via de Singel naar het IJ. Op de Mosselsteiger stond schipper Hendrik Kanes het bijzondere gezelschap op te wachten. Nadat de kinderen in het ruim hadden plaatsgenomen, werden zes kisten met kleding aan boord gebracht alsmede een lading bier, gerookt vlees, kazen, brood, tabak, koffie en thee. “Eenig speelgoed voor de kinderen” was al aan boord.xvi


‘De Haringpakkers Tooren te Amsterdam, van de Mosselstyger na de nieuwe Stadsherberg te zien’
vervaardigd door Willem Writs in 1772 (Beeldbank Amsterdam, 2017)

De zeiltocht van Amsterdam naar Zwolle zal met de noordwesten wind voorspoedig zijn verlopen. Na aankomst in Zwolle vervoegde meester Dekker zich bij de heeren Hendrik Meijer & Zoon die aan de schipper Hendrik Kanes 35 guldens voor de overtocht betaalden. De heeren Meijer namen het stokje van de schipper over. De kinderen werden na een warme maaltijd genuttigd en gerust te hebben in de wagens geladen. Het stond Meijer vrij zoveel wagens te gebruiken als hij nodig dacht te hebben; “dog vooral geen open wagens, maar met hoepen en linnen overdekt”xvii benadrukte een enigszins verontruste Udink. Udink stond er tevens op dat meester in de laatste wagen plaats zou nemen, zodat hij goed overzicht kon blijven houden.

Op donderdag 23 november 1797 arriveerde het convooi in Enschede. Jan Bernard Blijdenstein en zijn compagnon Othmar ten Cate schreven daarop dadelijk aan Marten Udink in Amsterdam“dat de 36 kinderen op donderdag 23 november op 3 wagens ijder met 4 paarden bespannen, zingende en springende, alle gezond en wel te Enschede gearriveerd waaren.”xviii De schoolmeester Dekker en zijn assistenten mochten twee tot drie dagen in Enschede uitrusten om vervolgens met de postwagen via Deventer en Harderwijk huiswaarts te keren. “Meester Claas Dekker (…) is op 20 november geretourneerd en geeft de alle gunstigste berigten dat kinderen het aldaar extra wel zullen hebben”xix

De ontvangst van de kinderen in Enschede was geregeld door de Commissie van Toezicht. De kinderen maakten kennis met hun nieuwe pleegouders, die plechtig beloofden ‘dat wij dat kind of die kinderen [voor 60 gulden kostgeld per jaar] zullen geeven een ordentlijke inwooning, goede kost, ordentlijk bewassen (…) en zindelijk houden, alsmede de nodige klompen , generaalijk dat wij dat kind of die kinderen die toch alle ouderloos zijn over het geheel geliefderijk en zorgvuldig zullen behandelen alszulks van eerlijke, weldenkende Christen menschen betaamd en verwacht kan worden, voorts dat wanneer wij met ziekte of anderzints eenige zwaarigheid dien aangaande mogten ontmoeten, wij ons dan weldra zonder tijd verzuijm zullen vervoegen bij de voornoemde Commissie ten einde ons vrij te houden van zelfs verwijt, dat wij ons aan eenige handen verwaarloozing omtrent dat kind of die kinderen zouden hebben schuldig gemaakt. (…)”.

De liefdevolle ontvangst, en de belofte der pleegouders in het bijzonder, werden door Udink en de zijnen zeer gewaardeerd. “(…) De goede overkomst der kinderen was ons lief te verneemen, de Meester die met zijn adsistentie retourneerd heeden 8 dagen, heeft ons van de uitmuntende, vriendschappelijke receptie van uw genoote berigt gegeeven waarvoor wij onse dank erkentenis betuijgen. De goede berigten der voornoemde meester over uwe schikking met de kinderen gemaakt vergenoegd ons ten hoogsten. De verklaring die de burgers, bij wien de kinderen besteed zijn, is een bewijs uwer zorg en oplettendheid, in alle achting verdiend”. Wel benadrukten de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis dat de kinderen goed onderwijs zouden moeten genieten en zij hoopten tevens dat de kinderen al op 10 a 11-jarige leeftijd een kleine bijdrage konden verdienen ten gunste van het weeshuis. Daarop reageerde de Commissie van Toezicht in 1798 “de kinderen allen beneeden de 10 jaaren zijnde, kunt gij begrijpen dat dezelve nog weynig voor de arrebeid geschikt zijn. Echter zijn er onder die reeds een gering stuijvertje verdienen en bij aldien zij dus voort groejen zullen zij binnen het jaar voetstoos aan de arrebijd zijn en zeer zeker in twee jaaren tijds 20 tot 30 st: per week kunne winnen.”xx


Enschede in 1792 (aquarel van Klaas B. Nanning uit 1958, nagetekend van een kopergravure uit die tijd)

In 1797 telde Enschede ongeveer 2000 inwoners. De stadsschool telde twee verdiepingen en was tegen de Grote Kerk aangebouwd. Daardoor is deze school beter bekend als de ‘Torenschool’.xxi De schoolmeester was indertijd voorvader Hermanus Verbeek (1751-1828). Voor 36 nieuwe leerlingen was op de Torenschool geen plaats. Daardoor werd in 1797 omgekeken naar een tweede schoolmeester en liet men spoedig een tweede stadsschool bouwen op de Botermarkt. Tot de zomer van 1798 werden zeven Aalmoezenierswezen onderwezen door voorvader Verbeek; vanaf juni 1798 werden alle Amsterdamse weeskinderen onderwezen op de zogenaamde ‘Boterschool’ door schoolmeester Johannes Anton Reinhold. Het schoolgeld kreeg meester Reinhold betaald door het Aalmoezeniersweeshuis. In 1803 vertrok meester Reinhold naar Doesburg, waarna hij werd opgevolgd door schoolmeester Hendrik Jurgen Gossenberg uit Oldenzaal. Meester Gossenberg gaf tot oktober 1804 aan de weeskinderen “privaat onderwijs”. De kinderen hebben daardoor tot op 15 a 16-jarige leeftijd enige vorm van onderwijs genoten. Alleen de bestedeling Sophia Elisabeth Rixman kreeg nog tot 1807 naailessen van mevrouw Harmina Rijps.

Op 25 februari 1800 bepaalde de Commissie van Toezicht dat alle kinderen vanaf 1 mei a.s. aan het werk moesten; zij waren immers om en nabij 12 jaar oud. De jongens werden “aan ‘t werk geset en zo veele alles daar toe geschikt zijn in goede meesters zullen kunnen bekoomen, voor de tijd van drie achtereenvolgende jaaren bij weevers in de leer zullen gedaen worden onder voorwaarde – dat – terwijl de helft van ‘t geen zodanige jongens met weeven verdienen volgens gewoonten aan den leerbaas verblijft, de wederhelft van dien zal moeten werde verdeelt tussen de pleegouders en d eene Commissie , in dier volgen dat van ieder jongen het weeven leerende over de drie jaaren een somma van omtrent vijf&seventig guldens, immers niet minder, dan zal moeten komen en ten profijte van het weeshuis.” De jongens en meisjes “welke wegens gebrek aan de nodige sterkte en verdere bekwaamheid of bij mangel van brave leermeester nog niet in staat zijn het weeven te leeren, dezelve meede op 1 maij eerstkomende, bepaaldelijk aan vastwerk zullen worden gesteld; en wel aan ‘t spoelen van linnengaarens.”xxii In praktijk zouden met name veel meisjes spoelsters of katoenspinsters worden. Het werken betekende voor de kinderen dat zij voortaan slechts eenmaal per dag de Boterschool bezochten, tussen 9 en 10 uur ‘s avonds om precies te zijn.

Voor het Aalmoezeniersweeshuis was het van groot belang dat de kinderen geld zouden verdienen, alleen op die manier kon het kostgeld worden verminderd. Tussen 1 mei 1801 en 1 mei 1802 verdienden de kinderen in het totaal f 442:14:-. De komende jaren zou die inkomsten groter worden. Tussen mei 1803 en mei 1804 droegen de kinderen in het totaal f 1.112,34 af ten bate van het Aalmoezeniersweeshuis.2 In juni 1801 kreeg de bestedeling Hendrik van Bredenbach, ten overstaan van alle andere bestedelingen, een paar zilveren gespen3 overhandigd ter beloning van diens ‘aangewende ijver in den arbeijd‘; hij had van alle jongens het meeste geweefd en verdiend. Ook in 1803 werden “wegens naarstigheid in ‘t weven” drie paar zilveren gespen4 feestelijk overhandigd aan de bestedelingen Jan Hendrik van Willigen, Jakje Isenbeek en Jan van Aalst.

Deze presentjes waren bedoeld om de weeskinderen te stimuleren om zo productief mogelijk te worden. In 1797 had Jan Bernard Blijdenstein de regenten van Aalmoezeniersweeshuis voorgesteld dat de kinderen op 15-jarige leeftijd voldoende zouden verdienen zodat zij vanaf circa 1803 niet langer voor rekening hoefden te komen van het Aalmoezeniersweeshuis. Dit bleek echter te rooskleurig te zijn ingeschat; in 1804 vielen nog 30 kinderen – in meer of mindere mate – voor rekening van het Aalmoezeniersweeshuis en in 1805 waren dat er nog 27 kinderen.

Hoewel het kostgeld steeds vaker door de kinderen zelf werd opgebracht, bleven zij leunen op het Aalmozeniersweeshuis. Kleding, schoenen, schoolgeld en medische zorg kwamen allemaal voor rekening van het weeshuis. De Amsterdamse weeskinderen legden de ondernemers van Enschede daardoor zeker geen windeieren. De fabrikeur Johannes Wagelaar leverde voor flinke bedragen aan bombazijn voor broeken en jasjes, terwijl ook het linnen van voorvader Abraham Ledeboer (1742-1821) werd vermaakt tot hemden voor de jongens of mutsen voor de meisjes. De Amsterdamse meisjes waren enige tijd te herkennen aan blauwe, linnen halsdoeken die waren bedrukt door voorvader Jan Kosters (1747-1837). Ook de schoenmaker J. Robers mocht het Aalmoezeniersweeshuis tot haar vaste klanten rekenen. In 1798 werd overigens geopperd de kinderen “alle egaal te doen kleeden, dan is er geen jaloersheid onder te wagten”.xxiii Daarnaast werd een nieuwe stadsbode, Hesselink, aangetrokken “tot het aanzeggen en bedinen onser vergaderingen zowel als tot het doen van bootschappen en rondloopen naar de woningen der kinderen en anderszints.”xxiv Die onkosten werden eveneens gedekt door het Aalmoezeniersweeshuis. “Wat de bode betreft oordeelt UEd de f 10:10 niet voldoende zijnde en f 14 hem zijn vlijt zoude verbeeteren, dan laten zulks aan UEd over” aldus de regenten. Met de salarisverhogingen van de secretaris en de stadsbode waren zij in 1799 “meede te vreeden, en wij twijfelen niet of zij zullen voor zoveel hier aangaad, en hunne omstandigheeden sulks toelaat, aanhoudend met ijver hunne saak volbrengen ten meesten voordeelen van het weeshuis en tot welzijn der kinderen waarop gijlieden gerustelijk kunt verlaaten.”xxv

Wanneer de kinderen ziek werden, werd dr. Bernardus Immink (1739-1804) of een chirurgijn geraadpleegd. In 1802 kwam de bestedeling Dina Kalkoen met haar vingers tussen “eenige beweegende werktuijgen der spinmachines” waardoor de chirurgijn Greve genoodzaakt was een van haar vingers aan de rechterhand aftezetten. Ook enkele vingers van de bestedeling Johanna Visser moesten het na een ongeluk ontgelden. Cornelis Nootbalk had een broze gezondheid en was daardoor een vaste patient van Greve. Diens lichaamsgebreken waren in 1804 “de reden van de zeer merkbare achterlijkheid in het weeve (…) en welke doet vermoede dat het met dat ongelukkig voorwerp geen goed einde zal neemen behalve dat UEd ten zijner behoeve op elke rekening van de chirurgijn Greve bij continuatie posten zullen gevonde hebben, zal aan UEd nader blijken hoe het er teegenwoordig mede gesteld zij.” In 1805 had men het plan Cornelis Nootbalk terug te zenden naar Amsterdam aangezien “van deze niets gevergd kan worden”. Dit hing als het zwaard van Damocles boven het hoofd van de bestedelingen; wanneer zij niet in staat bleken op den duur hun eigen kost te verdienen, dan moesten zij worden teruggezonden naar het Aalmoezeniersweehuis.

Heropname in het uitpuilende weeshuis was een schrikbeeld voor de kinderen. Door de overbevolking in het tehuis wisten ziekten zich razendsnel te verspreiden en steeg het sterftecijfer aanzienlijk.xxvi Een andere gevolg was dat veel kinderen in het tehuis van alle onderwijs verstoken bleven. Het was een kwijnend bestaan in het tehuis en het toekomstbeeld van de kinderen was weinig fraaier. In februari 1798 schreef de Commissie van Toezicht in Enschede aan de regenten in Amsterdam dat “veele reeds de lughts en levenswijsen en vrijen beweeging in 10 weeken tijds zo veele verandering heeft veroorzaakt dat geniet meer deselve gelijk hunne kleding is reeds uitgelegd, en de viese ongesonde koeleur genoegzaam verdweenen [is]”xxvii Toen in oktober 1801 de Commissie van Toezicht berichtte dat in Enschede zich de kinderziekten hadden geopenbaard, werden alle bestedelingen – die nog geen pokken hadden gehad of dat niet zeker wisten – daartegen ingeënt; dat waren flinke kosten die door de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis niet werden geschuwd.

Daarentegen kwam het voor dat bestedelingen niet hun draai wisten te vinden in Enschede of bij hun pleegouders. Enkele bestedelingen kozen het hazenpad. Men vernam in Enschede dat twee jongens, Hendrik van Bredenbach en Anthon van den Hoek, zich hadden ondergebracht bij een boer in Munsterland. Ook Elsie Stop zou zich over de grens hebben uitbesteed als dienstmeid. Voor het Aalmoezeniersweeshuis was dit overigens financieel niet ongunstig.

In de tweede helft van 1804 werden verschillende jonge dames uitbesteed bij particulieren. In september 1804 vertrouwde Catharina Blijdenstein-ten Cate (1786-1845) de zorg over haar oudste kindje toe aan de 15-jarige bestedeling Jacoba Mout. Eind 1804 namen secretaris Thummius en de koopman Anthony Warnaars (1782-1857) ook twee bestedelingen in huis, resp. Catharina van Leeuwen en Anna Scheffers.

Ook enkele jongens wisten zich in 1804 te onttrekken aan de zorg van het Aalmoezeniersweeshuis. Jan Hendrik van Willigen kwam als wever in dienst van de vader van voornoemde Catharina Blijdenstein-ten Cate, voorvader Herman ten Cate (1759-1816). Ook Jakje Isenbeek en Jan Ebbots hadden zich in 1804/1805 uitbesteed als wever. Hierdoor kwam het kostgeld van het Aalmoezeniersweeshuis te vervallen, maar behielden sommige bestedelingen nog wel aanspraken op medische zorg of kleding. Toen de voornoemde Jan Ebbots in 1806 langdurig ziek werd en daardoor niet kon werken, moest het kostgeld wederom worden opgehoest door het Aalmoezeniersweeshuis. Korte tijd later hing Jan Ebbots alsnog het weefgetouw in de wilgen; hij trad in militaire dienst.

In 1807 trok de heer Marten Udink (1748-1808) zich terug als regent van het Aalmoezeniersweeshuis. Hij was een van de bedenkers van dit vooruitstrevende project. Vermoedelijk ontstond binnen het college van regenten geschil over de voortzetting van dit project. De meeste bestedelingen waren immers de 18 jaar gepasseerd en toch bleven er rekeningen uit Enschede binnenkomen. De Commissie van Toezicht werd door de Amsterdamse regenten dringend verzocht “aan alle de besteede Amsterdamsche Aalmoezeniers weeskinderen, zowel jongens als meijsjes, aan te zeggen zij met primo Meij 1807 zullen moeten zorgen voor haar eigen kost en inwooning terwijl regenten niet anders wille betaalen dan de noodzakelijke kleederen en anderszints (…)”

In mei 1807 bleken alleen de katoenspinner Willem Hubert en de naaister Sophia Elisabeth Rixman onvoldoende te verdienen om in hun eigen onderhoud te voorzien. Door de katoenschaarste van 1808 kwam de bestedeling Philippus Terbrugge zonder werk te zitten. De regenten van het Aalmoezeniersweeshuis wilden hem liever niet terugnemen aangezien in Amsterdam ook weinig werk was. Uiteindelijk gingen de regenten akkoord met het terugnemen van de Willem Hubert, Sophia Elisabeth Rixman, Philippus Terbrugge en de aan jicht-lijdende Willem Smit, maar de regent Dirk van Hinloopen liet op dreigende toon doorschemeren “dat het mogelijk ware dat zij volgens decreet der Koning [Lodewijk Napoleon] konde gerequireerd worden bij het Koninklijk Instituut voor de Lands zeedienst.” In december 1808 werd de correspondentie tussen de Commissie van Toezicht en de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis beëindigd.

Een groot deel van de bestedelingen vond hun geluk in Twente. In die zin kan men spreken over een geslaagd project. De heren Marten Udink, Gerrit Pennink, Jan Bernard Blijdenstein en de Commissie van Toezicht in Enschede begonnen deze proef vol enthousiasme en overgave. In februari 1798 hadden de Commissie van Toezicht en de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis overeenstemming bereikt over een tweede zending van 64 kinderen. Zover zou het echter nooit komen, vermoedelijk wegens onenigheid en aarzeling binnen het college van regenten. In 1807 waren de regenten teleurgesteld over het project; de bestedelingen zouden op 15-jarige leeftijd selfsupporting moeten zijn, maar het financieel gewin bleef uit. De uitbesteding van kinderen raakte voorlopig in de doofpot.

De situatie van het Aalmoezeniersweeshuis werd steeds nijpender. In 1810 telde het weeshuis meer dan 4000 zielen en stonden tegenover f 266.000,- aan uitgaven nog slechts f 90.000,- aan inkomsten. In 1813 waren de uitgaven zelfs tot f 328.000,- gestegen en de inkomsten tot f 27.000,- gedaald zodat door de Amsterdammers ruim f 300.000,- moest worden toegelegd. Na de inlijving bij Frankrijk in 1810 werd men door toedoen van de gouverneur-generaal van de Hollandse departementen Lebrun gedwongen tot het op grote schaal uitbesteden van kinderen naar verschillende plaatsen ten plattelande ten gevolge waarvan in 1811 en 1812 ongeveer 1200 kinderen in Gelderland, Holland, Utrecht en Overijssel zijn uitbesteed.xxviii Een klein deel van die 1200 kinderen kwam in Twente terecht, in Almelo om meer precies te zijn. Later, tussen 1815 en 1820, werden in het totaal 125 kinderen ondergebracht in Goor en omgeving. Zij stonden onder toezicht van de vrederechter Johan Bernhard Aufmorth (1744-1831) die geheel belangeloosxxix “het welzijn en het belang dier kinderen’ trachtte te bevorderen.xxx De jongens en meisjes werden ondergebracht bij particulieren in o.a. Goor, Markelo, Delden, Enter en Haaksbergen. Zij genoten onderwijs en konden een ambacht leren. De jongens werden veelal wever, kleermaker, schoenmaker of smid.xxxi

In Enschede zouden geen Aalmoezenier-wezen meer worden uitbesteed. Hieronder volgt een opsomming van de 36 kinderen die in Enschede werden uitbesteed.xxxii De kinderen werden allen rond 1789 geboren.

  • Jan Hendrik van Willigen (nr. 1433), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 16 november 1788, sinds 1797 ten huize van Marten Rommelen. Hij kreeg in de zomer van 1798 een “breukband” gezet door chirurgijn Planten. Hij was in 1802 wever. Van Willigen werd in 1803 begunstigd met twee zilveren gespen “wegens naarstigheid in het weven”. Ook in 1805 was hij “de naarstigste van alle jongens in t weeven”. Hij werkte enige tijd voor de fabrikeur Herman ten Cate (1759-1816).

  • Cornelis Nootbalk (nr. 1390), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 10 augustus 1788,  sinds 1797 ten huize van Gerrit Mensink. Hij was in 1802 wever. Nootbalk had een zwak gestel en kon bleef daardoor niet voldoende weven. In 1805 was zijn leermeester F. Koppers. Door de regenten werd besloten Nootbalk terug te sturen naar Amsterdam, aangezien van hem “niet gevergd kon worden”.

  • Christiaan Fruytier (nr. 1395), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 11 januari 1789, sinds 1797 eveneens ten huize van Gerrit Mensink. Hij was in 1802 niet werkzaam als spinner of wever, maar vermoedeijk garenspoeler. Fruytier was wever in Enschede, verder weinig noemenswaardigheden.

  • Jakje Isenbeek (nr. 1403), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 14 juni 1789,  sinds 1797 ten huize van de erven Dirk Bekker. Isenbeek werd in 1803 begunstigd met twee zilveren gespen “wegens naarstigheid in het weven”. Hij kreeg tussen februari en april 1798 onderwijs van meester Verbeek, later van de meesters Reinhold en Gossenberg. In 1802 was hij niet werkzaam als wever of spinner, maar vermoedelijk als garenspoeler. Hij had zich per 7 juli 1805 uitbesteed als wever bij een boer.

  • Jan van Aalst (nr. 1404), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 15 maart 1790, sinds 1797 ten huize van Berend Buikers en in 1802 onder de hoede van de weduwe Barend Beukers. Hij kreeg tussen februari en april 1798 onderwijs van meester Verbeek, later van de meesters Reinhold en Gossenberg. Hij was in 1802 niet werkzaam als wever of spinner, maar vermoedelijk als garenspoeler. Hij komt in 1808 voor als bakkersknecht. Ten tijde van zijn huwde, in 1812, was hij wederom werkzaam als wever. Hij huwde op 28 augustus 1812 te Enschede met Aleida ten Cate.

  • Willem Smit (nr. 1406), sinds 1797 ten huize van de weduwe Frese, sinds augustus 1800 ten huize van Harmen ter Weele en van augustus tot oktober 1801 ten huize van Harmanus Ising en van oktober 1801 tot 30 april 1802 ten huize van J. Gunnink . Hij werd vlak na aankomst in Enschede door Zalm behandeld tegen schurft. Smit kreeg tussen februari en april 1798 onderwijs van meester Verbeek, later van de meesters Reinhold en Gossenberg. Hij werd opgeleid tot wever (1802). In oktober 1808 bleek hij wegens jichtaanvallen niet langer te kunnen werken en werd hij teruggezonden naar Amsterdam.

  • Casparus Cuiperus (nr. 1408), sinds 1797 ten huize van Roelof Lansing. Cuiperus had zich sinds 11 juli 1805 uitbesteed als wever. Hij wisselde verschillende malen van kosthuis, totdat hij in maart 1806 Enschede verliet. In 1808 had hij “zich een geruyme tijd geabsenteerd”.

  • Willem Nisser (nr. 1416), sinds 1797 ten huize van Gerrit Lansing. Hij werd vlak na aankomst in Enschede behandeld tegen schurft. In 1802 werd hij opgeleid tot wever. Hij begaf zich in de zomer van 1808 naar Het Loo.

  • Jan Ebbots (nr. 1217), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 11 april 1790, sinds 1797 ten huize van Berend Kramer en in 1804 ten huize van Jan Gunnink. Hij kreeg tussen februari en april 1798 onderwijs van meester Verbeek, later van meester Reinhold en Gossenberg. Hij werd in 1802 opgeleid tot wever. Ebbots had zich sinds 11 juli 1805 uitbesteed als wever en kwam zodoende niet meer tot last van het Aalmozeniersweeshuis. In 1806 kon hij echter door “de vallende ziekte” (d.i. epilepsie) verscheidene weken niet werken en moest het kostgeld wederom worden voldaan door het Aalmoezeniersweeshuis. Hij kon daardoor voor de fabrikeur Hendrik Jan van Heek (1759-1809) “deszelfs ketting” niet afweven. Rond 1807 koos hij voor een militaire loopbaan; hij werd soldaat.

  • Willem Prins (nr. 1223), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 10 januari 1790, sinds 1797 ten huize van voornoemde Berend Kramer en vanaf augustus 1801 ten huize van Gerrit Dalenoord. Hij kreeg tussen februari en april 1798 onderwijs van meester Verbeek, later van meester Reinhold en Gossenberg. Hij werd in 1802 opgeleid tot wever. In 1805 kreeg hij geen nieuwe kleding “wegens betoonde luijheid in t weven”. Hij zich later uitbesteed als wever bij een boer te Enschede. In 1808 kreeg hij zijn uitzet ad f 50,-. Hij huwde op 21 maart 1816 te Enschede met Willemina ter Heege.

  • Hendrik (van) Bredenbach (nr. 1400), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 11 januari 1789, sinds 1797 ten huize van Jan Frommink. Bredenbach werd in 1801 begunstigd met het eerste paar zilveren gespen wegens diens aangewende ijver in den arbeid. In 1802 was hij nog in de leer voor wever. Hij vertrok in 1803 naar het Munsterland. Later woonde hij wederom als wever te Lonneker, alwaar hij op 28 januari 1868 overleed. Hij was gehuwd met Janna Klaaskate.

  • Gerard Willem Notto (nr. 1431), sinds 1797 ten huize van Willem Michorius, in 1800 onder de hoede van Berend Michorius en vanaf oktober 1800 bij Jan Rijps. Hij werd vlak na aankomst in Enschede door Zalm afgeholpen van schurft. Hij was in 1802 in de leer voor wever. Hij vertrok eveneens naar het Munsterland en is daar, naar verluid, voor of in 1808 overleden.

  • Anthon van den Hoek (nr. 1444), sinds 1797 ten huize van voornoemde Willem Michorius en in 1802 onder de hoede van Berend Michorius. Hij werd vlak na aankomst in Enschede door Zalm afgeholpen van schurft. In 1802 was hij niet werkzaam als wever of spinner, maar vermoedelijk als garenspoeler. Hij vertrok in 1803 samen met Bredenbach naar het Munsterland.

  • Philippus van Tweebrugge (nr. 1446), sinds 1797 ten huize van voornoemde Willem Michorius en in 1802 onder de hoede van Berend Michorius. Hij werd vlak na aankomst in Enschede door Zalm afgeholpen van schurft. Hij was in 1802 – als enige jongen – katoenspinner. Hij kreeg in 1808 zijn uitzet ad f 50,-.

  • Alexander Kopersmit (nr. 24), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 14 juni 1789, sinds 1797 ten huize van voornoemde Willem Michorius, in 1800 onder de hoede van Berend Michorius en vanaf oktober 1800 ten huize van Jan Daalkotte. Hij werd vlak na aankomst in Enschede door Zalm afgeholpen van schurft. Hij was in 1802 in de leer voor wever. In de zomer van 1802 heeft de Commissie van Toezicht zich “genootsaakt gevonden tot sijn straf een blok te laaten maken, welke straf wij voorneemen zijn bij voorkomende gevalle aan anderen ook te opleveren.” In de zomer van 1802 kreeg de stadsbode Hesselink betaald voor het prissoneren’ van Alexander Kopersmit en Anthony Neggers. De Amsterdamse regenten schreven in 1802 “Het doet ons leed de jongen No. 24 zig slegt gedraagd. Wij hoopen het nieu aangelegde blok, wat indruk sal maaken, en hij tot inkeer zal koomen.” In 1808 bleek hij al lang geleden te zijn weggelopen.

  • Willem Hubert (nr. 28), sinds 1797 ten huize van Berend Eelkink en in 1802 onder de hoede van de weduwe Hubert. In 1801 maakten men zich zorgen over het gedrag van Hubert. Hij werd vlak na aankomst in Enschede door Zalm afgeholpen van schurft. In 1802 was hij niet werkzaam als spinner of wever, maar vermoedelijk werkzaam als garenspoeler. In 1808 was hij katoenspinner en kwam – door de katoenschaarste – zonder werk. Hij zou daardoor zijn teruggezonden naar Amsterdam.

  • Anthony Neggers (nr. 1434), sinds 1797 ten huize van Klaas ten Bouwhuys en van 1 mei tot 13 december 1800 ten huize van Willem Stork, van 13 deceber 1800 tot maart 1802 ten huize van Nijkerk en van 1 maart tot ultimo april 1802 ten huize van Roelvink. In 1802 bleek hij leerlingwever. Hij is 2 juni 1802 weggelopen, “zonder dat wij weeten ondanks alle poging waarheen de selve is gegaan”. In de zomer van 1802 kreeg de stadsbode Hesselink betaald voor het ‘prissoneeren” van Alexander Kopersmit en Anthony Neggers. In september 1802 schreef de regenten uit Amsterdam “de jongen no. 1434 is gelijk met uw missive gearriveert, met gescheurde kleederen, zonder hemd , hoed of kousen, zijn reedene van verschoning waaren, dat zijn eerste baas wel met hem gehandelt had dog nu bij een andere besteed was en dat die hem slegt behandelde”. In 1808 was Neggers nog steeds absent. Later verschijnt hij weer te Enschede, wordt wever en trouwde aldaar op 21 oktober 1812 met Hermina Rekers.

  • Jan Mager (nr. 1426), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 10 juni 1787,  sinds 1797 ten huize van Jan Oldenkamp en in 1799 ten huize van J. Leurink of Leusink. Hij kreeg tussen februari en april 1798 onderwijs van meester Verbeek, later van meester Reinhold. In 1799 werd een speciale vergadering door de Commissie van Toezicht belegd over de “slechte aard” van Jan Mager. De regenten van het Aalmoezeniersweeshuis gaven aan dat zij Jan Mager wel terug zouden willen nemen gezien zij “wel middel ter kastijding [hebben] om hem in tugt te houden, maar hij is in onse steede voor alle verleiding bloot gesteld”. Doordat zij echter verwachten dat de “oprechte levenswijsen” der inwoners van Enschede Jan Mager “door die voorbeeld kan beeteren, het ons aangenaam zijn als uw E het nog eens probeerd of hij zich zoud wille beeteren, ‘t is zulk een groote daad een mensch te behouden. Dan gij hebbe alle magt om hem te bestraffen op zodanige wijs als gij goed vind” schreven de regenten Udink en Van Walree in april 1800. Jan Mager werd voor 1802 teruggezonden naar het weeshuis in Amsterdam.

  • Judith Groen (nr. 711), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 8 juni 1788, sinds 1797 ten huize van Barend Eelkink en in 1802 onder de hoede van de weduwe Eelkink. Zij was in 1802 vermoedelijk garenspoelster. Zij huwde 1 februari 1816 te Enschede met Abraham Creden en overleed aldaar op 5 januari 1843.

  • Anna Maria Dwars (nr. 1148), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 12 april 1789, sinds 1797 ten huize van voornoemde Klaas ten Bouwhuys. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij huwde op 3 februari 1813 te Enschede met Gerrit Zwijnepoel en overleed aldaar op 18 november 1873.

  • Betje Eijsenberg (nr. 1062), sinds 1797 ten huize van voornoemde Jan Oldenkamp en vanaf augustus 1800 ten huize van de weduwe Jan Nijkerk. Zij vertrok rond 1808 naar Amsterdam.

  • Petronella Overzee (nr. 1045), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 17 mei 1789,  sinds 1797 ten huize van de weduwe Gerrit Lammerink. Zij was in 1802 vermoedeijk garenspoelster. Zij zou in augustus 1808 zijn teruggekeerd naar Amsterdam. Zij keerde terug naar Enschede, alwaar zij werkzaam was als arbeidster in een katoenspinnerij. Zij overleed ongehuwd op 22 mei 1816.

  • Anna Scheffers (nr. 1065), sinds 1797 ten huize van huize van voornoemde weduwe Gerrit Lammerink en vanaf december 1804 ten huize van Anthony Warnaars. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. In 1808 was zij werkzaam als meid bij de zilversmid Ernst in Enschede.

  • Geertruy Peer (nr. 859), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) in oktober 1789, sinds 1797 ten huize van Daniel Paschen en in 1802 ten huize van Gerrit Willink. Zij kreeg tussen februari en april 1798 onderwijs van meester Verbeek, later van de meesters Reinhold en Gossenberg. In de zomer van 1798 speet het de Commissie van Toezicht “dat Daniel Paasche ‘t meijsje N859 niet langer bij hem besteed wilt hebben, zoude het humeur van dit meijsje hier ook de oorzaak van zijn en was dit dan nog niet met een veruylingen te verhelpe”. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij trouwde 24 november 1814 te Enschede met Jan Jansink en overleed aldaar op 15 december 1859.

  • Jacoba Mout (nr. 779), sinds 1797 ten huize van Jan Westerhof en vanaf 1 september 1804 als meid ten huize van Benjamin Willem Blijdenstein. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij trouwde rond 1808 met de metselaar Johannes Lambertus Tonius.

  • Sophia Elisabeth Rixman (nr. 722), sinds 1797 ten huize van voornoemde Jan Westerhof en in 1808 ten huize van mevrouw Kaldewij. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij kreeg in 1805 naailessen van Hendr. Blomberg en in 1806 en 1807 van Harmina Rijps. In 1808 was zij werkzaam als linnennaaisters, maar verdiende daarmee onvoldoende om in haar eigen onderhoud te voorzien en is daardoor waarschijnlijk teruggekeerd naar Amsterdam.

  • Dina Kalkoen (nr. 855), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 8 februari 1789, sinds 1797 ten huize van J. Robers J. Heins en in 1802 ten huize van Jan Greve. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij kreeg in 1802 een ongeluk met de spinmachine waarna door chirurgijn Greve een van haar vingers werd afgezet. Zij was tot haar overlijden, op 10 mei 1815, werkzaam als arbeidster op een katoenspinnerij te Enschede. Zij bleef ongehuwd.

  • Johanna Senner (nr. 1066), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 17 mei 1789, sinds 1797 ten huize van voornoemde Jan Robers Gz. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij woonde in 1808 te Enschede, verder geen noemenswaardigheden bekend.

  • Catharina van Leeuwen (nr. 1068), sinds 1797 ten huize van Jan Robers Gz. en vanaf eind 1804 ten huize van secretaris Thummius. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij huwde 26 februari 1811 met Anthonie Robers en overleed te Enschede op10 januari 1819.

  • Anna Fransman (nr. 1140), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 11 mei 1788, sinds 1797 ten huize van Jan Robers. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij woonde in 1808 te Enschede. Op 27 april 1815 huwde zij met Henricus Joannes van Alstede en overleed te Lonneker op 10 november 1839.

  • Agnissa van de Wereld (nr. 1243), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel)  in oktober 1789, sinds 1797 ten huize van G. Hevink. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij woonde in 1808 te Enschede, verder geen noemenswaardigheden bekend.

  • Elsie Stop (nr. 104), sinds 1797 ten huize van voornoemde G. Hevink en vanaf augustus 1801 ten huize van Jan Vosdinks. Zij werd dienstmeid in Munsterland (1807, 1808).

  • Elisabeth Frantze (nr. 315), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 13 juli 1788, sinds 1797 ten huize van J. Ernst. Zij overleed te Enschede op 8 maart 1868.

  • Dina van Everberg (nr. 1457), gedoopt Amsterdam (Nieuwezijds Kapel) 11 maart 1787,  sinds 1797 ten huize van voornoemde J. Ernst. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij huwde op 19 juni 1821 te Enschede met Joannes Robers.

  • Johanna Visser (nr. 1166), sinds 1797 ten huize van Jannes Harperink. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij kreeg een ongeluk met haar hand waardoor zij die niet meer kon gebruiken. Daardoor wilde men haar niet aannemen als dienstmeid en kon zij niet in haar eigen onderhoud voorzien. Vermoedelijk teruggekeerd naar Amsterdam.

  • Cornelia de Vries (nr. 1476), sinds 1797 ten huize van voornoemde Jannes Harperink. Zij werkte in 1802 als katoenspinster. Zij woonde in 1808 te Enschede, verder geen noemenswaardigheden bekend.

Sluiting van het Aalmoezeniersweeshuis en oprichting van de Inrichting voor Stadsbestedelingen

In het Koninklijk Besluit van 6 november 1822 werd vastgelegd dat alle vondelingen, wees- en verlaten kinderen van zes jaar en ouder in gesubsidieerde weeshuizen zouden moeten worden opgenomen door de Maatschappij van Weldadigheid. De Maatschappij van Weldadigheid ging op zoek naar een geschikt stuk grond alwaar zij een kinderkolonie konden bouwen. Die vond de Maatschappij in het Drentse Veenhuizen. Daar werd al spoedig begonnen aan de bouw van een kazerne met binnenplaats, aanvankelijk geschikt voor 1200 weeskinderen. Een groot deel zou afkomstig zijn uit Amsterdam.

Zoals eerder beschreven, maakten de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis reeds gebruik van het uitbesteden van weeskinderen. In die zin hadden zij geen bezwaar tegen de kinderkolonie in Veenhuizen. De regenten wilden alleen de reeds uitbestede kinderen naar Veenhuizen zenden, maar dat was voor de regering niet voldoende. Alle vondelingen, weeskinderen en verlaten kinderen van minimaal zes oud werden in Veenhuizen verwacht. Dit was niet enkel tegen het zere been van de regenten, maar ook van de Amsterdamse bevolking. Laatstgenoemden konden het niet verkroppen dat al die arme Amsterdamse weeskinderen buiten ‘hun stadje’ zouden opgroeien. De regenten van het Aalmoezeniersvereniging konden zich ook niet verenigen met de wens van de regering en boden vervolgens op 19 juli 1824 gezamenlijk hun ontslag in. De komende twaalf maanden werd het weeshuis ontruimd. Ongeveer 990 ouderloze kinderen uit Aalmoezeniersweeshuis werden tussen september 1824xxxiii en juli 1825 overgebracht naar het zogenaamde ‘derde gesticht’ te Veenhuizen.xxxiv De jongste kinderen werden ondergebracht bij de minnen, waarover de regentessen van het voormalige Aalmoezeniersweeshuis tot 1828 zouden waken.xxxv Nadat het weeshuis in 1825 was ontruimd werd het omgetoverd tot Paleis van Justitie.

Met het verdwijnen van het Aalmoezeniersweeshuis ontstonden problemen met betrekking tot de opvang van vondelingen, wezen en kinderen waarvan de ouders in een gasthuis werden opgenomen. In 1828 werd de Inrichting voor Stadsbestedelingen opgericht, hetwelk in zekere zin een voortzetting was van het Aalmoezeniersweeshuis. Een groot verschil was dat in die inrichting geen kinderen permanent woonden. Voor weeskinderen werd het een doorgangshuis voor Veenhuizen, vondelingen werden vanuit de Inrichting ondergebracht bij de minnen en de zogenaamde ‘gasthuiskinderen’ konden in de Inrichting op een tijdelijk verblijf rekenen. De Inrichting voor Stadsbestelingen kon daardoor met minder ruimte af. Het werd gevestigd in enkele grachtenpanden direct naast het voormalige Aalmoezeniersweeshuis.

Beudeker en de Chocoladefabriek

In april 1816 werd de chocoladefabriek van de heer A.C. Arntzen5 overgenomen door de apotheker Pieter Beudeker Fzn. (1786-1816) en de heer J. Kuytenbrouwer. De chocolade stroomde in zekere zin door de aderen van Pieter Beudeker, want zijn familielid en naamgenoot Pieter Beudeker J.H.zn (1750-1816) had in de achttiende eeuw eveneens een chocoladefabriek in Amsterdam.6xxxvi

De chocoladefabriek van de heren Beudeker en Kuytenbrouwer lag aan de Overtoom in Amsterdam. Deze fabriek werd waarschijnlijk later voortgezet als de Stoom Chocolaad Fabriek Denneboom aan de Overtoomsevaart.xxxvii Tot eind negentiende eeuw lag de Overtoom in de gemeente Nieuwer-Amstel.

Uit het huwelijk van Pieter Beudeker Fzn. (1786-1816) en Margaretha Tobias (1791-1882) werd een zoon geboren, Frans Beudeker (1815-1897). Frans Beudeker zal geen herinneringen hebben gehad aan zijn vader, aangezien die stierf toen Frans Beudeker pas 1,5 jaar oud was. Zijn oom Abraham Beudeker Fzn. (1791-1849) nam niet alleen de chocoladefabriek van zijn broer over, maar tevens diens weduwe.

Frans Beudeker was vier jaar oud toen zijn oom Abraham Beudeker Fzn. trouwde met zijn moeder, de weduwe Margaretha Beudeker-Tobias. Zij gingen 22 april 1819 in ondertrouw.xxxviii Het huwelijk liet nog even op zich wachten doordat zij o.a. huwelijksdispensatie moesten aanvragen. Voor de hoogzwangere Margaretha Beudeker-Tobias liet het huwelijk net te lang op zich wachten, zij beviel namelijk op dinsdagochtend 22 juni 1819 van een kerngezonde dochter.xxxix Op die datum had het koppel echter besloten te trouwen en dat wilden zij niet uitstellen. Wel werd de locatie van het huwelijk lastminute gewijzigd; het huwelijk vond op 22 juni 1819 plaats in haar huis bij de chocolafabriek op de Overtoom doordat “comparante zoodanig ongesteld was dat het paar niet mogelijk geweest is zig ten huize van het gemeentebestuur [van Amsterdam] te begeeven”.xl Het werd een bijzondere huwelijksvoltrekking. Uit het huwelijk van Abraham Beudeker en Margaretha Tobias werden in het totaal zes kinderen geboren.

In 1820 stapte Abraham Beudeker uit de chocoladefabriekxli en vestigde zich enige jaren als winkelier te Baarn.xlii Na enige tijd als rentenier te hebben gewoond in Hasselt (Ov.), werd Abraham Beudeker aangetrokken als boekhouder/directeur van de Inrichting voor Stadsbestedelingen in Amsterdam. Het gezin Beudeker-Tobias vestigde zich in de gebouwen dier inrichting tussen het toenmalige Paleis van Justitie (voormalige Aalmoezeniersweeshuis) en de Leidsegracht.7

In 1838 was de 23-jarige Frans Beudeker (1815-1897) “schoolhouder” aan de Prinsengracht.xliii Hij trouwde dat jaar met Anna Christina Schindehutte (1814-1868). In Amsterdam werd het Frans Beudeker duidelijk dat niet ieder kind opgroeide in de omgeving van chocoladedampen. Het leven van de minderbedeelden was zwaar, zeker voor hen waarvan de ouders uit beeld waren geraakt.

De Fransche dag- en kostschool van Beudeker in Goor

In augustus 1841 schreef Frans Beudeker een brief aan burgemeester Götte van Goor. Hij vroeg om toestemming tot het “oprigten eener dag- en kostschool waarin onderwijs gegeven zal worden in de Nederduitsche-, Fransche-, Engelsche- en Hoogduitsche talen, het kunstmatige lezen, het schoonschrijven, de reken-, stel-, meet-, aardrijks-, natuur- en werktuigkunde, de algemeene en vaderlandsche geschiedenis de fabelkunde, het Italiaansch boekhouden en het kaartteekenen.”xliv Een flinke ambitie, zeker gezien Beudeker nog niet in het bezit is van de acten Fransche-, Engelsche- en Hoogduitsche talen. Desalniettemin is de gemeenteraad wel te spreken over de oprichting van een school van niveau; dit zou de bemiddelde klasse van Goor bekoren, maar tevens gegoede jongemannen van buiten aantrekken. De gemeenteraad gaat akkoord met het voorstel van Beudeker, mits hij een ondermeester aanstelt die de Franse, Engelse en Hoogduitse talen zou kunnen doceren. In 1842 werd de Fransche dag- en kostschool geopend in een voormalig logement aan de Hengevelderstraat te Goor.


Ds. Nicolaas Jannink*

geboren Enschede 31 oktober 1813, overleden Goor 14 maart 1902

zoon van Engbert Jannink en Hendrina Geertruida Averes

Ned. Herv. predikant te Goor en mede-oprichter der fa. Arntzenius, Jannink & Co aldaar

huwde Enschede 8 oktober 1841 met Eva Catharina van Heek

Frans Beudeker en zijn secondant J.H. ter Kuile gaven de leerlingen onderwijs in de bovengenoemde vakken. Frans Beudeker zou spoedig ook de taalakten behalen zodat hij ook onderwijs kon geven in de Franse, Duitse en Engelse talen. Het godsdienstonderwijs werd door (de Evangelisch-Lutherse) Beudeker toevertrouwd aan mijn voorvader, de Nederlands-Hervormd predikant Nicolaas Jannink.

Ds. Nicolaas Jannink (1813-1902), een fabrikantenzoon uit Enschede, had al op jonge leeftijd de wens om predikant te worden. Zijn grootmoeder Anna Averes-Pols (1738-1831) legateerde in 1823 aan Nicolaas Jannink de bijbel die afkomstig was van haar vader, de predikant Hermannus Pols (1704-1782). Zij gaf daarmee gehoor aan de wens van haar kleinzoon “om ook te studeren”. Na het voltooien van de Latijnsche school in Deventer, studeerde Nicolaas Jannink theologie aan de universiteit van Leiden. In 1837 vestigde Jannink zich als proponent wederom in Twente. Hij trouwde in 1841 met Eva Catharina ‘Cato’ van Heek (1818-1899), eveneens een fabrikantendochter uit Enschede. Zij vestigden zich in Goor, het stadje waar in de periode 1815-1820 vele Amsterdamse Aalmoezenierswezen werden uitbesteed. Dit nijvere stadje aan de Regge heeft veel te danken gehad aan de Engelsman Thomas H. Ainsworth (1795-1841), oprichter van de weefschool en Twentsche Stoombleekerij aldaar.

Op 13 februari 1841 stierf Ainsworth plotseling op diens landgoed Eversberg bij Nijverdal. Hij had een zeer verdienstelijke rol gespeeld voor de Twentse textielindustrie; hij introduceerde immers de snelspoel in Twente. Hij stichtte – in opdracht van de Nederlandse Handel-Maatschappij – dienaangaande weefscholen, waarvan de eerste in 1833 verrees te Goor. De 27-jarige dominee Jannink hield een “korte doch gepaste aanspraak” op de begrafenis van Ainsworth.xlv Dit was een van de eerste werkzaamheden van de jonge dominee te Goor.

De Fransche school van Beudeker lag schuintegenover de voormalige weefschool in Goor;xlvi de weefschool was namelijk enige jaren tevoren – in 1836 – buiten werking gesteld. De snelspoel-weefgetouwen van de Goorse weefschool werden opgekocht door de heer Gulian Cornelius Arntzenius (1810-1861) uit Haarlem. De textielfabriek van Arntzenius in Goor werd in 1860 overgenomen door dominee Jannink en zijn neef Engbert Jannink Azn. (1832-1901); het textielconcern Arntzenius, Jannink & Co (1860-1956) was geboren. Vanwege zijn dubbelrol als predikant en fabrikant was dominee Jannink ook bekend als “De Paus van Goor” en werd zijn woonhuis ‘De Klokkenkamp’ in familiekring gekschrerend “Het Vaticaan” genoemd.

Ds Jannink te Goor vierde dingsdag het 25jarig vervullen zijner betrekking als herv. Predikant; o.a. werd hem bij die gelegenheid een zilveren thee-servies vereerd.” berichtte het Utrechtsch provinciaal en stedelijk dagblad op 3 november 1866. Het is mij niet bekend waar dat thee-servies in de familie terecht is gekomen. Wel kwam recentelijk – in april 2017 – een oud portrettenalbum boven water. Op de achterkant van het album preikt op een verzilverde plaat de tekst: “den WelEerwaarden Zeer Geleerden Heer N. Jannink, leeraar der Hervormde Gemeente te Goor, bij gelegenheid van ‘t herdenken zijner 25 jarige Evangelie-bediening, uit hoogachting door eenige oud-leerlingen aangeboden 31 Oct: 1866”. Op de voorkant van het album preiken twee engelen met daartussen de tekst “1. Timotheus IV: 16 en die u hooren 31 Oct: / 1. Korinthe XV: 1 en 2 Voorts broeders! Ik maak u bekend het Evangelie dat ik u verkondigd heb, enz. 4 Nov.” Het paarse fluweel, waarin het album gehuld was, heeft de afgelopen 150 jaar helaas niet overleefd.

Levensschetsen van ‘De vergeten kinderen van Beudeker’

In het album bevinden zich 19 portretten van jongemannen. De inliggende brief maakt duidelijk wie deze personen zijn: “Ondergeteekenden, die op verschillende tijden, maar allen tusschen de jaren 1841-1850, het Instituut [van Beudeker, DJ] te Goor bezochten, en als zoodanig godsdienstig onderwijs ontvingen van den predikant der Hervormde Gemeente aldaar, den WelEerwaarden Zeergeleerden Heer N. Jannink, nemen de vrijheid dien heer bij de herdenking van Zijne 25 jarige Evangelie bediening hunne portretten en een daartoe vervaardigd album aan te bieden, als een bewijs van aangename herinnering en teeken van hoogachting voor zijn persoon; terwijl zij daarbij hunne beste wenschen voor hem zelven en zijn gezin voegen, en zich in zijn vriendelijk aandenken beleefdelijk aanbevelen.”

Dankzij die bijlage is bekend wie de mensen op de portretten zijn. Dit album met het bijbehorende document is de aanleiding geweest voor mij om dit verhaal te schrijven. Veel oud-leerlingen zijn familieleden van mij, zoals Willem Hendrik Jordaan (1828-1902), Pieter Engbert van Heek (1829-1888), Engbert Jannink Azn. (1832-1901), Gerrit Hendrik ter Horst (1832-1894) en de drie broers Ten Doesschate. Hieronder volgen de portretten met enige wetenswaardigheden. Als kanttekening moet ik plaatsen dat het album 19 portretten telt, en de namenlijst slechts 18 ondertekenaars. Enkele portretten heb ik kunnen verifiëren waaruit blijkt dat portretten op een bepaalde volgorde zijn geplaatst. Echter voor de twee officieren Meijer lijkt een extra portret te zijn gevoegd, waardoor onduidelijk is wie Gerrit Jonker is. De portretten waarvan de identificatie geheel zeker is, daarvan staan * achter de namen. Mocht u een identificatie kunnen bevestigen, dan verneem ik dat graag.



Jurriaan ten Doesschate

zoon van Derk ten Doesschate en Anna Geertruy ten Doesschate

geboren Goor 6 mei 1828, overleden aldaar 30 augustus 1889

textielfabrikant te Goor; firmant D. ten Doesschate & Zonen 1861-1877

huwde Deventer 14 juni 1860 met Willemina Wijers.

De familie Ten Doesschate wordt gerekend tot een van de oudste en meest voorname fabrikeursgeslachten van Goor. Toen Thomas Ainsworth voor de eerste maal in Goor arriveerde, werd Jurriaans vader, de linnenfabrikant Derk ten Doesschate (1795-1884), snel opgetrommeld. Hij was immers een bereisd man en sprak verschillende talen; Ten Doesschate kon de mensen in de herberg ‘De Engel’ vertellen wie deze vreemdeling was. Het nieuws dat een Engelsman in Goor was aangekomen ging als een lopend vuurtje rond, waardoor Ainsworth al snel in gesprek raakte met een paar linnenkooplieden uit Goor. Na een paar dagen vertelden de mensen elkaar, dat er in Goor een weefschool zou komen. Bejaarde wevers, die een groot deel van hun leven aan het bonkige zware eikenhouten weefgetouw hadden gewerkt, lachten medelijdend om de fratsen van zo’n snoeshaan, die mannen van het vak op hun oude dag de les wilde lezen.” Het praalgraf voor deze vreemde ‘snoeshaan’ siert tot op de dag van vandaag de begraafplaats aan de Laarstraat in Goor.

Derk ten Doesschate was de oprichter van een handweverij aan de Regge. Jurriaan ten Doesschate trad in de voetsporen van zijn vader en werd in 1861 firmant der fa. D. ten Doesschate & Zonen. De weverij van Ten Doesschate werd in 1877 opgekocht door de firma Arntzenius, Jannink & Co.

Jurriaan ten Doesschate was een kleinzoon van Johanna ten Doesschate-Jordaan (1770-1853), de oudste zuster van voorvader Derk Jordaan (1781-1876).



Eduard Benjamin ter Horst

zoon van Benjamin ter Horst en Johanna Frederika Hagen

geboren Hengelo (Ov.) 10 maart 1826, overleden 1896

boekhandelaar en uitgever; directeur der fa. J.B. Wolters te Groningen

huwde 1e: Groningen 3 juli 1861 met Anna Berendina Gerhards

huwde 2e Deventer 8 juli 1869 met Cornelia Louisa Goldenberg

In 1860 overleed het kinderloze echtpaar Jan Berends Wolters en Wesselina Wolters-ter Horst. De boekhandel en uitgeverij van Wolters te Groningen kwam zodoende in handen van diens zwager Eduard Benjamin ter Horst (1826-1896). Hij verhuisde de boekhandel en uitgeverij in 1868 naar de Oude Boteringestraat 18. Een jaar later vestigt zich op nummer 12 Popko Noordhoff, een andere boekhandelaar / uitgever. Deze twee uitgeverijen fuseerden precies 100 jaar later, in 1968. De bedrijven Wolters-Noordhoff, Wolters Samson, Wolters Kluwer, en Noordhoff Uitgevers zijn hieruit ontstaan.

Noemenswaardig zijn twee familiebanden: Eduard Benjamin ter Horst was een zwager van Jeanette ter Horst-Jordaan (1814-1891) uit Hengelo (een nicht van o.a. Willem Hendrik Jordaan). Daarnaast was zijn eerste echtgenote, Anna Berendina ter Horst-Gerhards (1840-1865), een kleindochter van Gerrit Pennink (1761-1835)8, een van de initiatiefnemers van de uitbesteding van Aalmoezeniers-wezen naar Enschede in 1797.



Prof. Dr. Hendrik Cornelius Rogge9

zoon van IJsbrand Rogge en Marretje Valk

geboren Amsterdam 16 februari 1831, overleden Haarlem 29 augustus 1905

o.a. litt. doct. h.c.,

o.a. Remonstrants predikant, leraar aan de H.B.S. te Leiden,

bibliothecaris en hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam

huwde Amsterdam 20 november 1856 met Margaretha Elizabeth Stuart

Deze rasechte Amsterdammer heeft een drietal jaren onderwijs genoten aan het Instituut van Beudeker te Goor. Na het afronden van het gymnasium in Amsterdam werd hij in 1850 aangenomen als theologisch student aan het Athenaeum Illustre aldaar. Hij was een van de oprichters van het dispuut ‘Unica’ en het ‘Universiteitsblad’.xlvii Na het afronden van zijn studie theologie werd hij in 1856 proponent bij de broederschap der Remonstranten en werd achtereenvolgens Remonstrants predikant te Moordrecht en Delft. In 1864 werd hij aangesteld tot leraar geschiedenis en aardrijkskunde aan de Hogere Burgerschool en het gymnasium te Leiden. Daarnaast was hij bibliothecaris van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en onder-voorzitter van de Remonstrantse kerkenraad te Leiden. In 1869 legde hij zijn leraarschap neer en werd wederom Remonstrants predikant, ditmaal te Leiden. In 1878 werd Rogge bibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek in zijn geliefde geboorteplaats Amsterdam. Sinds 1883 was hij aan de genoemde universiteit verbonden als privaat-docent in de geschiedenis. Na het overlijden van Prof. Dr. Thomas Theodorus Jorissen (1833-1889), oudste broer van de hieropvolgende Dr. Eduard Johannes Petrus Jorissen, volgde Rogge hem op als hoogleraar in de geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.xlviii Hij publiceerde veel op historisch en letterkundig gebied.



Dr. Eduard Johannes Petrus Jorissen

zoon van Ds. Samuel Gerhard Jorissen en Maria Elisabeth Petronella van Benthem van den Bergh

geboren Zwolle 10 juni 1829, overleden Scheveningen 20 maart 1912

o.a. predikant (1854-1868), journalist, advocaat en lid Hoog Gerechtshof van de Zuid-Afrikaansche Republiek

huwde Utrecht 22 februari 1855 met Anna Elisabeth Catharina van Eyk van Voorthuysen

Na het doorlopen van de Franse school van Beudeker te Goor, studeerde E.J.P. ‘Pieter’ Jorissen tussen 1848 en 1853 theologie aan de universiteit Utrecht. Hij was achtereenvolgens predikant op Kamper-eiland 1854-1859, Broek in Waterland 1859-1861 en Groningen 1861-1868. Hij was de eerste vrijzinnige predikant te Groningen. Op 8 november 1868 hield hij een afscheidsrede en zou nooit meer vanaf de kansel preken. Hij werkte vervolgens als journalist bij de Provinciale Groninger Courant en kwam aan het hoofd te staan van de firma Erven B. van der Kamp, een boekdrukkerszaak te Groningen. In 1875 raakte hij in contact met president Burgers van de Zuid-Afrikaansche Republiek die een rondreis door Europa maakte. Na de promotie van Jorissen op zijn proefschrift ‘Staat en Kerk’ (Groningen, 1875) vertrok hij naar Zuid-Afrika. Hij werd in 1876 aangesteld tot staatsprocureur van de Zuid-Afrikaansche Republiek en schreef datzelfde jaar de Transvaalsche Krijgswet en een jaar later de Grondwet. Na de annexatie van Transvaal in 1877 werd Jorissen ontslagen. Hij vestigde zich als advocaat te Pretoria, maar werd tevens adviseur van de zaak der Boeren. In 1885 werd hij lid van de Volksraad en in 1890 aangesteld tot lid van het Hooggerechtshof. Hij repatrieerde in 1907.xlix

Willem Hendrik Jordaan*

zoon van Derk Jordaan en Berendina Wessels

geboren Haaksbergen 2 oktober 1828, overleden aldaar 10 april 1902

textielfabrikant; firmant D. Jordaan & Zonen te Haaksbergen

ongehuwd

W.H. ‘Willem’ Jordaan (1828-1902) trad in de voetsporen van zijn vader. Op 80-jarige leeftijd besloot de textielfabrikant Derk Jordaan (1781-1876) zich uit de zaken terug te trekken. De overgang op de ‘stoom’ kon hij beter overlaten aan de volgende generatie; mijn voorvader Hendrik Jordaan (1820-1912) en zijn broers F.J. ‘Frits’ Jordaan (1835-1907) en W.H. ‘Willem’ Jordaan. Willem Jordaan wordt beschouwd als aanvoerder van het drietal, dat de firma D. Jordaan & Zonen flink heeft uitgebreid. Hij was een gevierd industrieel. Als commissaris was hij verbonden aan de Geldersch-Overijsselsche Locaalspoorwegmaatschappij en de Baumwollspinnerei Gronau. Naast zijn goed zakelijk instinct was hij een sociaal bewogen mens. “Gedurende zijn leven hadden de Haaksbergsche ingezetenen steeds vrije wandeling op zijn buitengoed en hij was de oprichter van het Haaksbergsche Muziekcorps. Hij gaf de muziekinstrumenten ten geschenke, liet door den directeur, den heer Roetering Schunlau, de muzikanten onderricht geven en dan werden er muziekuitvoeringen gegeven in een muziektent op het ‘Scholtenhagen’.”l Willem Jordaan wordt blijvend herinnert als de stichter van het volkspark van Haaksbergen, namelijk diens landgoed Scholtenhagen.Ter zijner ere is een portretbuste geplaatst op het Scholtenhagen.

Wat betreft de familiebanden met de overige leerlingen aan de kostschool van Beudeker, mag worden benadrukt dat de de familie Jordaan sinds 1796 warme banden heeft met Goor. Dat jaar trouwde Johanna Jordaan (1770-1853) met Jacob ten Doesschate (1770-1804). Het is aannemelijk dat Willem Jordaan bij familieleden in de kost ging.



Jacob Johan ten Doesschate

zoon van Derk ten Doesschate en Anna Geertruy ten Doesschate

geboren Goor 12 maart 1831, overleden aldaar 7 oktober 1914

textielfabrikant te Goor; firmant D. ten Doesschate & Zonen aldaar

huwde Stad-Delden 26 mei 1859 met Johanna Weerman

Evenals zijn oudere broer Jurriaan ten Doesschate, lag een toekomst in de textiel voor Jacob Johan ten Doesschate voor de hand. In 1861 werd de textielfabriek van Derk ten Doesschate (1795-1884) voortgezet onder de firma D. ten Doesschate & Zonen. Oprichters waren voornoemde Derk ten Doesschate en drie van zijn zonen (Jurriaan, Jacob Johan en Johannes Albertus ten Doesschate). In 1877 werd de fabriek overgenomen door de firma Arntzenius, Jannink & Co. Jacob Johan ten Doesschate was jarenlang bestuurslid en onder-voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Goor.



Pieter Engbert van Heek*

zoon van Gerrit Jan van Heek en Margaretha Hermina ter Kuile

geboren Enschede 11 juli 1829, overleden aldaar 4 mei 1888

textielfabrikant; mede-oprichter en lid fa. Gebrs. Van Heek / Schuttersveld

ongehuwd

P.E. ‘Piet’ van Heek was de oudste zoon10 van textielfabrikant Gerrit Jan van Heek (1780-1851) en Margaretha Hermina ter Kuile (1796-1874). Toen hij twaalf jaar oud was trouwde zijn oudere zuster E.C. ‘Cato’ van Heek (1818-1899) met de jonge predikant Nicolaas Jannink (1813-1902). Aangezien Piet van Heek les kreeg aan het instituut van Beudeker te Goor, zou het niet verwonderlijk zijn wanneer hij inwoonde ten huize van zijn zwager en zuster Jannink-van Heek te Goor. Piet van Heek was evenals zijn jongere broers H.J. ‘Hein’ van Heek (1830-1875) en Helmich August van Heek (1840-1917) voorbestemd voor de textiel. Zijn vader was oudste firmant van de aanzienlijke textielfirma H.J. Van Heek & Zonen in Enschede. Na het overlijden van Gerrit Jan van Heek in 1851 werden Piet van Heek en zijn jongere broer Hein van Heek opgenomen als firmanten der firma H.J. van Heek & Zonen. In 1857 telde de firma vier firmanten, te weten de broers Piet en Hein van Heek samen met hun neven Hendrik J. van Heek (1814-1872) en Herman van Heek (1816-1882). Doordat ook hun jongere broers Helmich August van Heek en G.J. ‘Jan’ van Heek (1837-1915) aanspraak maakten op een firmantenplaats, werd besloten per 1 januari 1859 de firma H.J. Van Heek & Zonen te ontbinden en twee nieuwe firma’s op te richten. De broers Piet, Hein en Helmich August van Heek gingen verder onder firma Gebrs. Van Heek en hun neven Hendrik, Herman en Jan van Heek gingen verder onder de firma Van Heek & Co. Op het Schuttersveld werd de fabriek van de Gebrs. Van Heek verder uitgebouwd. Piet en Hein van Heek stierven beiden kinderloos, waardoor de opvolging in de firma beperkt bleef tot de twee zonen van hun jongste broer Helmich August van Heek (1840-1917).

Over de relatie tussen de zwagers ds. Nicolaas Jannink en Piet van Heek is het volgende verhaal bekend. “In de tweede helft van de negentiende eeuw waren er in Van Heekshuis aan de markt met Kerstmis en Pasen en op grootmoeder Van Heeks verjaardag familiereunies. Uit Goor kwam dan ds. Nic. Jannink met zijn vrouw. Die hadden een vaste kamer in het huis, een kamer waar geen ander slapen mocht.

Na de laatste gang, voordat het dessert zou worden opgediend, stond Ds. Jannink op. Hij sprak met luide stem en met nadruk, daarbij de gastheer, tot wie het woord in het bijzonder richtte, strak aankijkend. Oom Piet [van Heek], die de traditie van de familiereunies na de dood van grootmoeder Van Heek had voortgezet, werd daar eens zo onrustig onder, dat hij met kleine schokjes begon te snikken. Tante Daatje [Jannink-van Heek], die naast de predikant zat, werd daar zo door aangestoken dat zij in een heftige huilbui losbarstte en haar servet over het hoofd gooide. Ook de andere zusters deden, ofschoon kalmer, in het koor mee. Dit geheel tot genoegen van ds. Jannink. Op de volgende familiereunie maakte ds. Jannink melding van een brief, die hij had gekregen en waarin iemand hem had verzocht voortaan geen speech meer te houden, maar , zo zei ds. Jannink: ‘Ik stoor mij daar niet aan – wat ik had willen zeggen zal ik ook nu doen’. Degene, die de brief had geschreven was juffrouw Buddingh, de huisdame. Zij had dat gedaan om “de oude mijnheer Van Heek” te beschermen tegen nog een slapeloze nacht.”li

Piet van Heek overleed 4 mei 1888 op 58-jarige leeftijd. Zijn gezelschapsdame Marie Jacqueline Caroline Buddingh (1839-1913) moest haar “dierbare vriend” voortaan missen. “Wat ik in hem verlies beseffen zij die den overledene gekend hebben in alles wat hij voor mij was.”lii



Gerrit Jan ten Doesschate

zoon van Femius Harmanus ten Doesschate en Gerritje Klein Bentink

geboren Amsterdam 16 december 1827, overleden Goor 26 januari 1901

geneesheer te Goor

huwde 1e met Johanna Geertruida Klein

huwde 2e met Hermina Hagreis

Gerrit Jan ten Doesschate is een volle neef van de voorgaande broers Jurriaan en Jacob Johan ten Doesschate. Zijn vader had zich in Amsterdam als koopman en winkelier gevestigd, echter keerde na de dood van zijn eerste echtgenote Gerritje Klein Bentink in 1836 terug naar zijn geboorteplaats Goor.

Gerrit Jan ten Doesschate was van 1855 tot 1891 stadsgeneesheer te Goor.liii Bij de gezondheidsenquette van 1891 werd hij ondervraagd over de gezondheidstoestand der arbeiders van de firma Arntzenius, Jannink & Co. “Zijne opmerkingen komen over ‘t geheel overeen met die zijner collega’s, waarvan reeds melding maakten. De gezondheidstoestand van de arbeiders is tamelijk bevredigend. Er komt echter nog al eens ziekte van de ademhalingswerktuigen of van de longen voor en ook teringziekte, gedeeltelijk als gevolg van den invloed van het fabriekswezen. De gelegenheid om goede woningen te verkrijgen is in den laatsten tijd verbeterd. De voeding laat veel te wenschen over. De invoering der stoom heeft een gunstigen invloed op de gezondheid der fabrieksarbeiders, daar de lichamelijke inspanning minder groot is geworden” aldus Ten Doesschate.liv


Engbert Jannink Azn.*

zoon van Abraham Jannink en Aleida ter Kuile

geboren Enschede 21 november 1832, overleden Goor 6 maart 1901

textielfabrikant; mede-oprichter en lid fa. Arntzenius, Jannink & Co te Goor

lid gemeenteraad en wethouder van Goor en voorzitter Kamer van Koophandel en Fabrieken aldaar

huwde 1e Rotterdam 18 november 1869 met Cornelia Sophia Thooft

huwde 2e Lochem 10 november 1892 met Catharina Apollonia Thooft

Engbert Jannink was de oudste zoon van textielfabrikant Abraham Jannink (1801-1868) en Aleida ter Kuile (1801-1838) uit Enschede. Zijn vader was de oudste broer van ds. Nicolaas Jannink uit Goor. Door de ziekelijkheid van grootvader Engbert Jannink (1752-1829) begon Abraham Jannink reeds op 16-jarige leeftijd de leiding der fabriekzaak in handen te nemen, “waardoor zich bij hem eene zelfstandigheid en onafhankelijkheid van handelen ontwikkelde, ‘t welk hem gepaard aan zijn buitengewone intellectuele gaven en hartstogtelijk karakter tot een man vormde, die uitsluitend eigen inzigten en meeningen volgde en evendaardoor de geschiktheid om met anderen zaam te werken, verloor.”lv In 1844 trok Abraham Jannink zich terug uit de fa. E. Jannink & Zonenlvi, waarna hij zelfstandig voortborduurde onder de firma A. Jannink & Co.11

De relatie tussen Abraham Jannink en zijn oudste zoon Engbert Jannink (1832-1901) was gespannen. Als leerling aan het instituut van Beudeker woonde Engbert Jannink vermoedelijk ten huize van zijn oom, dominee Nicolaas Jannink. De relatie tussen de dominee en zijn neef was sterk. De dominee had vanzelfsprekend oog voor religieuze en sociale zaken, maar was niet blind voor de successen in de Twentse textielindustrie. In 1860 kochten Engbert Jannink en zijn oom ds. Nicolaas Jannink de textielfabriek van de heer Arntzenius in Goor. Ds. Nicolaas Jannink bleef op de kansel staan, zijn neef stond aan de leiding van de fabriek. De fabriek groeide uit tot een van de twee grootste werkgevers van Goor.

In 1869 trouwde Engbert Jannink met C.S. ‘Sophie’ Thooft (1835-1890) uit Rotterdam. Haar broer Christiaan Jacobus Thooft (1839-1919) was textielfabrikant in Goor en trouwde datzelfde jaar met H.G. ‘Rika’ Jannink, een dochter van dominee Nicolaas Jannink. Na het overlijden van Sophie Jannink-Thooft, hertrouwd haar weduwnaar met haar zuster C.A. ‘Ploon’ Thooft (1845-1927). Beide huwelijken bleven kinderloos. De firma Arntzenius, Jannink & Co werd voortgezet door de kinderen en kleinkinderen van ‘de Paus van Goor’.


Gerrit Hendrik ter Horst

zoon van Jan ter Horst en Welmoedina van Zandbergen

geboren Sneek 30 januari 1832, overleden Arnhem 6 september 1894

houthandelaar en steenfabrikant te Sneek

huwde Sneek 18 juni 1858 met Hillegonda Veen

Rond 1829 vestigde Jan ter Horst (1805-1871) uit Rijssen zich als houthandelaar en steenfabrikant te Sneek. Hoewel de familie Ter Horst uit Rijssen bekend is geworden van haar jutefabrieken, verdiende de familie haar eerste kapitaal met de hout- en steenhandel. De familie Ter Horst was dusdanig goed bevriend met de Enschedese familie Van Heek dat zij elkaar met ‘oom’ en ‘tante’ aanspraken. Ook de banden met de Friese tak bleven in de negentiende eeuw warm.

Gerrit H. ter Horst werd door zijn Twentse vrienden “Gerrit van Sneek” genoemd. Hij zette de zaken van zijn vader voort onder de firma G.H. ter Horst Jzn.



Jan Willem ter Kuile

zoon van Coenraad ter Kuile en Sara Margaretha Lemker

geboren Enschede 26 oktober 1829, overleden aldaar 10 mei 1923

textielfabrikant; firmant E. ter Kuile & Zonen (1855-1883)

huwde Enschede 22 januari 1862 met Julia Johanna Elderink

De vader van J.W. ‘Willem’ ter Kuile, Coenraad ter Kuile (1781-1852), was een oudoom van E.C. ‘Cato’ Jannink-van Heek uit Goor. Zodoende bestond er een familieband tussen Willem ter Kuile en zijn godsdienstonderwijzer. De vader van Willem ter Kuile was een zeer markant figuur. Niet vanwege zijn fabrikeurszaken, maar juist vanwege zijn uitvindingen en fascinatie voor astrologie was hij een bijzondere en verfrissende persoonlijkheid in het negentiende eeuwse Enschede. De zonnewijzer aan de Grote Kerk te Enschede, die naast de tijd ook de datum aangeeft, is een van de vernuftige uitvinden van Coenraad ter Kuile. De zonnewijzer dateert van 1836.

Willem ter Kuile was een van de jongste kinderen van het echtpaar Ter Kuile-Lemker. Na het overlijden van zijn vader, trad Willem ter Kuile – samen met zijn oudere broers Engelbert en Hendrik ter Kuile – toe tot de firma E. ter Kuile & Zoon. In 1883 traden Willem ter Kuile en zijn broer Hendrik ter Kuile zich terug uit de firmalvii lviii, waarna de firma E. ter Kuile & Zoon werd voortgezet door hun oudste broer Engelbert ter Kuile (en diens zonen). Willem ter Kuile was, zoals veel fabrikanten, een jachtliefhebber pur sang. Daarnaast was hij o.a. bestuurslid van de Grote Societeitlix, der Vrijzinnige Kiesvereeniging en 1e luitenant der dienstdoende schutterij te Enschede. In 1862 trouwde hij met zuster van de 2e luitenant der dienstdoende schutterijlx, namelijk Julia J. Elderink. Willem ter Kuile overleed in 1923 op 93-jarige leeftijd, zijnde op dat moment een der oudste inwoners van de gemeente Enschede.lxi



Johan Hendrik Meijer*

zoon van Hendrik Christiaan Meijer en Joanna Catharina Koopman.

geboren Amsterdam 5 juni 1831, overleden aldaar 25 januari 1892

Directeur Blindeninstituut te Amsterdam

huwde Baarn 7 april 1858 met Maria Margaretha Sophia van Staveren

Johan Hendrik Meijer werd geboren als zoon van een Amsterdamse houtzaagmolenaar. Na het overlijden van zijn vader, verhuisde de 11-jarige Johan Hendrik Meijer naar Hengelo (Ov.). “Zijn goede aanleg en zijn lust in het onderwijs noopten zijne moeder, om hem in mei 1846 als kostleerlingkweekeling te plaatsen op het instituut van den heer Beudeker te Goor. En ongetwijfeld heeft de uitnemende leiding van dien voortreffelijke onderwijzer en ervaren paedagoog veel bijgedragen tot de ontwikkeling der buitengewone gaven, waarmede Meijer was toegerust. Hij maakte ijverig gebruik van het hem verstrekte onderwijs, zoodat hij met zeer goed gevolg in 1848, dus op zeventienjarige leeftijd, zijn eerste examen deed. Hij haalde, naar de in die dagen, en ook later nog, gebruikelijke uitdrukking, zijne eerste akte als hulponderwijzer van den derden rang. Als zoodanig bleef hij nog eenigen tijd werkzaam bij den heer Beudeker totdat deze aan het einde van 1849 Goor verliet (…)”lxii

Nog vervolgens onderwijs te hebben genoten aan de instituten van Geelhoed te Noordwijk en Kapteyn te Barneveld, verbleef hij enkele jaren in Londen, Parijs en Heidelberg. In 1858 werd hij aangesteld tot leraar in de Engelse taal aan het Koninklijke Athenaeum in Maastricht. Mijn voorvader G.J. ‘Jan’ Jannink (1844-1912), een zoon van dominee Nicolaas Jannink te Goor, woonde sinds 1860 ten huize van Jan Hendrik Meijer in Maastricht en genoot – onder diens leiding – onderwijs aldaar. Rond 1861/1862 werd Meijer aangesteld tot leraar in drie nieuwe talen aan het gymnasium te Deventer. Jan Jannink volgde met zijn mentor en heeft daar – te zijnen toevende -het gymnasium bezocht “vanwaar hij 28 juni 1862 met den eerste prijs gekroond in het ouderlijk huis terugkeert.”

Jan Hendrik Meijer verwierf grote bekendheid en waardering vanwege diens betrekking als directeur van het Blindeninstituut te Amsterdam (1875-). “Met hart en ziel legde hij zich op zijne nieuwe levenstaak, welke hij tot zijne laatste ademstocht getrouw bleef. (…) Met de levendigste belangstelling steldde hij zich op de hoogte van al wat in andere landen geschiedde tot verbetering van het onderwijs der blinden en voerde dit in zijne Inrigting in.”lxiii Koning Willem III schonk hem, “geheel uit eigen beweging”lxiv, het ridderkruis der Orde van den Gouden Leeuw van Nassau. Hij overleed op 25 januari 1892.



Ds. Johannes Diederik Tilanus

geboren Amsterdam 4 november 1835, overleden ‘s-Gravenhage

zoon van Prof. Dr. Christiaan Bernhard Tilanus en Elisabeth Margaretha van Leeuwen

Ned. Herv. Predikant laatstelijk te Eindhoven

huwde Son 17 juli 1866 met Johanna Catharina van Hoven

De Latijnse achternaam Tilanus doet vermoeden dat het een oude christelijke familie betreft. Niet is minder waar. De overgrootvader van Ds. Johannes Diederik Tilanus was een Joodse man, Lemon Ephraims (1705-1782). Bij zijn bekering in 1733 nam hij de naam Christianus Lambertus Tilanus aan, verwijzende naar zijn woonplaats Tiel.

Na het vertrek van de heer Beudeker uit Goor, zette Johannes Diederik Tilanus zijn onderwijs voort aan het gymnasium te Amsterdam.lxv Na het verlaten van het gymnasium in 1854lxvi, schreef hij zich in als student in de theologie. Hij trad in de voetsporen van zijn grootvader Dr. Johannes Wilhelmus Tilanus (1748-1815), maar heeft zich wellicht ook laten inspireren door zijn vroegere leermeester ds. Nicolaas Jannink in Goor. Ds. J.D. Tilanus was achtereenvolgens predikant te Oyen, Dongen, Oosterhout en Eindhoven. In 1901 nam hij zijn emeritaat.lxvii



Jelmer Pieters Tichelaar

geboren Makkum 25 november 1831, overleden aldaar 14 maart 1911

zoon van Pieter Jelmers Tichelaar (1795-1877) en Feikje Horrius Tichelaar

aardewerkfabrikant te Makkum; firmant Gebrs. Tichelaar (1862-1900)

huwde Workum 8 augustus 1883 met Catharina Tjebbes

Wie aan Makkum denkt, denkt waarschijnlijk gelijk aan het aardewerk. Koninklijke Tichelaar Makkum noemt zich het oudste bedrijf van Nederland.lxviii In de achttiende en negentiende eeuw vervaardigde de familie Tichelaar voornamelijk dakpannen, tegels en schotels. In 1862lxix traden de broers Jelmer en Jan Pieters Tichelaar toe tot de aardewerkfabriek en brachten een drastisch vernieuwingsproces op gang, waardoor het bedrijf kon worden voortgezet als fabriek voor sieraardewerk. Door de introductie van gipsvormen in 1882 werd het assortiment sieraardewerk groter.lxx Daarnaast bleven zij ook minder kunstzinnige voorwerpen fabriceren, zoals dakpannen en vloeren.lxxi In 1900 trokken de broers Jelmer en Jan Pieters Tichelaar zich terug uit de zaak, waarna de fabriek werd voortgezet door Pieter Jans Tichelaar.lxxii




Johannes Albertus Ten Doesschate

geboren Goor 25 november 1837, overleden aldaar 1 juni 1879

zoon van Derk ten Doesschate en Anna Geertruy ten Doesschate

textielfabrikant te Goor; firmant D. ten Doesschate & Zonen 1861-1877,

directeur Goorsche Damast- en Linnenweverij 1878-1879

huwde Stad-Delden 22 november 1866 met Johanna Hendrika Dikkers

Johannes Albertus ten Doesschate was de jongste firmant der textielfirma D. ten Doesschate & Zonen te Goor. In 1877 werd de fabriek van Ten Doesschate opgekocht door de firma Arntzenius, Jannink & Co. Johannes Albertus ten Doesschate liet zich niet uit het veld slaan. In 1878 was hij een van de oprichters van het naamloze vennootschap Goorsche Damast- en Linnenweverij. Verschillende familieleden Jordaan, Ter Horst en Jannink waren aandeelhouders. De broers van Johannes Albertus ten Doesschate bleken niet geinterresseerd. Johannes Albertus ten Doesschate werd haar eerste directeur en onder de drie commissarissen bevinden zich Jan Jordaan (1816-1883) en voorvader Gerrit Jan Jannink (1844-1912).lxxiii Johannes Albertus ten Doesschate heeft niet lang van de nieuwe onderneming kunnen genieten; hij stierf namelijk een jaar later op 41-jarige leeftijd. De fabriek was evenmin een lang leven beschoren; de N.V. Goorsche Damast- en Linnenweverij werd in 1883 geliquideerd.

Gerrit Jonker

geboren Amsterdam 23 maart 1835, overleden Driebergen 23 november 1910

zoon van Gerrit Jans Jonker (-1854) en Pietje Jacobs Duijff (-1852)

schuiermaker en fabrikant te Amsterdam

huwde 1e Amsterdam 8 mei 1856 met Johanna Hendrika Fischer

huwde 2e Haarlem 22 april 1897 met Wilhelmina Hendrika van Heulen

Op de Prinsengracht in Amsterdam was sinds de achttiende eeuw een borstelfabriek en winkel gelegen der firma Jonker.lxxiv lxxvNa het overlijden van Gerrit Jans Jonker in 1854 werd de borstelfabriek voortgezet door diens zonen, waaronder Gerrit Jonker (1835-). De firma Gebrs. Jonker telde in 1859 twee borstelfabrieken in Amsterdamlxxvi. De zaken gingen zeer voorspoedig. Uiteindelijk telde de firma fabrieken in Amsterdam en Zuilen en mocht het bedrijf zich hofleverancier noemen.lxxvii Sjieker kan een borstelfabriek niet worden.



Jan George Meijer

geboren Amsterdam 14 september 1837, overleden Hilversum 23 mei 1882

zoon van Hendrik Christiaan Meijer en Johanna Catharina Koopman

ongehuwd

Jan George Meijer was een jongere broer van voornoemde Johan Hendrik Meijer. Hij was vijf jaar oud toen hij met zijn moeder en broers en zusters van Amsterdam naar Hengelo (Ov.) verhuisde. Evenals zijn oudere broer Johan Hendrik Meijer was hij leerling aan de Fransche school van Beudeker te Goor. Hij was slechts 12 jaar oud toen Beudeker overleed, waarna de school werd voortgezet door de heer Van der Noordaa en later Grooters.

Jan George Meijer koos voor een militaire loopbaan. Hij werd officier in het Oost-Indisch Leger. In 1881 werd hij op diens verzoek als kapitein der infanterie uit ‘s lands dienst ontslagen.lxxviii Hij repatrieerde en overleed in 1882 op 44-jarige leeftijd.



Gerrit Jan Meijer

geboren Amsterdam 15 november 1839lxxix, overleden aldaar 7 februari 1917.lxxx

zoon van Hendrik Christiaan Meijer en Johanna Catharina Koopman

officier der infanterie 7e regiment 1866, vanaf 1884 kapitein infanterie.

huwde Amsterdam 28 augustus 1873 met Gerarda Johanna Boeckhorst

Gerrit Jan Meijer was een jongere broer van voornoemde Johan Hendrik en Jan George Meijer. Gerrit Jan Meijer was drie jaar toen hij zijn geboorteplaats verliet. Hij zal slechts korte tijd les hebben gekregen van de heer Beudeker. In 1851 verhuisde zijn moeder met kroost van Hengelo (Ov.) naar Goor. Daardoor vermoed ik dat Gerrit Jan Meijer en eventueel broers en zusters ook les hebben gekregen van Beudekers opvolger Van der Noorda.

Evenals zijn oudere broer Jan George Meijer koos hij voor een officiersopleiding. Gerrit Jan Meijer bleef echter in Hollandse dienst. Hij woonde enige jaren in Groningen, maar vestigde zich op latere leeftijd – in 1901 – weer in zijn geboorteplaats.lxxxi

De bekende kinderen van Beudeker”

Op 7 december 1849 overleed Abraham Beudeker, de stiefvader van de kostschoolhouder Frans Beudeker. Door het overlijden van zijn stiefvader kwam de functie van boekhouder / directeur der Inrichting van Stadsbestedelingen in Amsterdam vacant te staan. Op 1 februari 1850 ontving het gemeentebestuur een brief van Beudeker, waarin deze mededeelde dat hij Goor zou verlaten in verband met de dood van zijn vader. Hij drong bij het gemeentebestuur erop aan dat de jaarlijkse subsidie voor de school zou worden voortgezet, “teneinde het voortbestaan van het Instituut zoowel in het belang van de ouders, welke kinderen hebben als in het indirect belang van de gemeente zelve”.lxxxii De Fransche school werd overgenomen door Simon Hendrik Floris van der Noordaa en vervolgens, vanaf 1854, door Jan Berend Grooters. Laatsgenoemde onderwijzer verplaatste de school van de Hengevelderstraat naar het pand Grootestraat 38 in Goor.

Het kinderloze echtpaar Frans Beudeker (1815-1897) en Anna Christina Schindehutte (1814-1868) trokken in 1850 in ten huize van zijn moeder, de weduwe Margaretha Beudeker-Tobias (1791-1882). Dit betekende dat zij woonden ten huize van de Inrichting van Stadsbestedelingen aan de Prinsengracht. Daarnaast werd het woonhuis bevolkt door de jongere halfbroers en -zusters van Frans Beudeker, de moeder van Anna Christina Beudeker-Schindhutte en verschillende dienstboden.

Zoals eerder beschreven, was de inrichting bedoeld als doorvoerhaven. Vondelingen werden vanuit het pand aan de Prinsengracht geplaatst bij de minnen, vondelingen en weeskinderen vanaf 6 jaar oud werden geplaatst in Veenhuizen. De ‘gasthuiskinderen’, waarvan de ouders ziek waren, werden wel tijdelijk verpleegd in de Amsterdamse inrichting. Ondertussen bleek dat verzorging van de kinderen in Veenhuizen veel te wensen over liet. “Een van de mensen die zich fel keerden tegen de wantoestanden in die Drentse inrichtingen was de Amsterdammer F. Beudeker, aan wie het (…) te danken is geweest dat de ‘rijkswezengestichten’ in 1870 werden gesloten (…)”.lxxxiii

De heer Beudeker heeft er niet minder dan 13 jaren voor gestreden, maar hij heeft dan ook de voldoening gesmaakt, dat het door hem aangeprezen stelsel van uitbesteding bij gezinnen ten plattelande de verwachting verre heeft overtroffen. Op ‘t oogenblik gaat het aldus in zijn werk: de kinderen, die in de inrichting voor stadsbestedingen worden gebracht, worden eerst gereinigd en gespijzigd en zoo noodig van kleeren voorzien om daarna als zij zeer jong zijn naar de ‘minnen’ hier ter stede en anders naar een gezin op het platteland te worden gezonden. Alleen de kinderen van ouders die in gast- of armenhuizen worden in het gesticht gehouden, tot de ouders ze weer kunnen verzorgen. In het gebouw aan de Prinsengracht naast het gerechtsgebouw is dus betrekkelijkerwijs niet zoo heel veel te zien, omdat de meeste bestedelingen elders zijn, maar al is het zoogenaamde Doorgangshuis niet groot – een vijftigtal kinderen kan er worden geherbergd – het getuigt overal van een practischen geest en een warm hart.”lxxxiv

De honderden kinderen die door Beudeker zijn verzorgd en doorgestuurd naar gezinnen op het platteland, werden tot – ver na zijn dood – “De kinderen van Beudeker” genoemd.lxxxv Vanwege zijn vele verdiensten, heeft het in 1895 de beide koninginnen behaagd Beudeker te benoemen tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.lxxxvi De Beudekerbrug in de Prinsengracht bij de Leidsestraat herinnert aan de man die ruim veertig jaar aan het hoofd stond van de Inrichting der Stadsbestedelingen.12

Op 23 november 1897 overleed Frans Beudeker op 82-jarige leeftijd, nalatende diens weduwe Paulina Maria Christina Beudeker-Schooneveld (1824-1899) en vele dankbare, ouderloze kinderen.

1Gerrit Pennink (1761-1835) was een zoon van Henricus Pennink (1691-1770) en Gesina Bekker (1720-1802) en een volle neef van mijn voorvader Hieronymus Roessingh (ca. 1720-1754).

2f 506,17 + f 506,17 = f 1.112,34

3Dit paar zilveren gespen werd gekocht van de weduwe A. Klopper voor f 5:14:-

4Deze drie paar zilveren gespen werden gekocht van de koopman Anthony Warnaars (1782-1857)

5Voorheen eigendom van de heren Tressen en Bonorand

6De chocoladefabriek van Pieter Beudeker J.H.zn was tot mei 1793 gelegen aan de Prinsengracht, over ‘t Amstelveld. Vanaf mei 1793 was de fabriek gevestigd in ‘t Wapen van Zeeland aan de oostzijde van de Utrechtsestraat, tussen de Kerkstraat en de Prinsengracht (Opregte Haarlemsche Courant 4 mei 1793)

7Die grachtenpanden zijn in de loop der jaren afgebroken. De panden stonden ter hoogte van het huidige adres Prinsengracht 452.

8Anna Berendina Gerhards (1840-1865) was een dochter van Ds. Wilhelm Gerhards en Gezina Maria Adolphina Pennink, dochter van Gerrit Pennink (1761-1835) en diens tweede echtgenote Berendina Spijker.

9Handtekening vergeleken met huwelijksakte Rogge-Stuart, Amsterdam 20 november 1856, reg. 10, fol. 78

10Zijn jong gestorven, oudere broers Hendrik Jan van Heek (1822-1823), Hendrik Jan van Heek (1826-1830) daargelaten.

11De fa. A. Jannink & Co werd na de stadsbrand van Enschede geliquideerd. Tot zijn overlijden in 1867 bewoonde Abraham Jannink de Janninksbleek.

12In veel online bronnen wordt gezegd dat de brug is vernoemd naar de achttiende eeuwse koopman Christoffel Beudeker echter acht ik dat onwaarschijnlijk. Dat vermoeden wordt gesterkt doordat in veel van die bronnen abusievelijk wordt beweert dat Christoffel Beudeker de oprichter is van de Inrichting voor Stadsbestedelingen.

iPortret van Frans Beudeker (1815-1897), directeur Inrichting voor Stadsbestedelingen; stadsarchief Amsterdam, (http://beeldbank.amsterdam.nl/beeldbank/weergave/record/?id=010097014213, 2017)

iiMr. W.F.H. Oldewelt, ‘Het Aalmoezeniersweeshuis’, in: Amstelodamum, 1969 (http://archief.amstelodamum.nl/resources/1969_jb_61.pdf, 2017)

iiiC. Elderink, “Een Twentsch Fabriquer van de achttiende eeuw” (1977)

ivP. Kolkman, “Udink Generaties” (1991), (http://www.uding.com/udink/udinkdl1.htm, 2017)

vP. Kolkman, “Udink Generaties” (1991), (http://www.uding.com/udink/udinkdl1.htm, 2017)

viNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

viiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

viiiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

ixNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xiiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xiiiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xivNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xvNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xviNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xviiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xviiiMissive van de municipaliteit der gemeente Amsterdam aan de Commissie van Bezuiniging van het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam, 24 oktober 1797; Notulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xixNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxiWim H. Nijhof, ‘Geschiedenis van Enschede; stad uit stoom en strijd’ (2014)

xxiiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxiiiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxivNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxvNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxviMr. W.F.H. Oldewelt, ‘Het Aalmoezeniersweeshuis’, in: Amstelodamum, 1969 (http://archief.amstelodamum.nl/resources/1969_jb_61.pdf, 2017)

xxviiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxviiiMr. W.F.H. Oldewelt, ‘Het Aalmoezeniersweeshuis’, in: Amstelodamum, 1969 (http://archief.amstelodamum.nl/resources/1969_jb_61.pdf, 2017)

xxixContracten van uitbesteding van weeskinderen naar het platteland, 1810-1818, 351; inv. nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniershuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxxContracten van uitbesteding van weeskinderen naar het platteland, 1810-1818, 351; inv. nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniershuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxxiStaten van de kinderen, met hun personalia en het nummer waaronder ze in het ‘Groothuisboek’ zijn geregistreerd, (etc.), 1811-1823, 340; inv. nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniershuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxxiiNotulen van de commissie van regenten belast met de uitbesteding van weeskinderen, voornamelijk naar Enschede, 1797-1808, 338; inv.nr. 343 Archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorganger; stadsarchief Amsterdam, 2017

xxxiiiLeeuwarder Courant 10 september 1824

xxxivRotterdamsche Courant 16 juli 1825

xxxvMr. W.F.H. Oldewelt, ‘Het Aalmoezeniersweeshuis’, in: Amstelodamum, 1969 (http://archief.amstelodamum.nl/resources/1969_jb_61.pdf, 2017)

xxxviOpregte Haarlemsche Courant 4 mei 1793

xxxviiiHuwelijksbijlagen Beudeker-Tobias, Amsterdam, reg. 1, fol. 181, 1819

xxxixGeboorteakte Catharina Margaretha Beudeker, Nieuwer-Amstel 22 juni 1819

xlHuwelijksakte Beudeker-Tobias, Amsterdam 22 juni 1819

xliOpregte Haarlemsche Courant 7 oktober 1820

xliiGeboorteaktes kinderen Beudeker te Baarn, 1823-1827

xliiiHuwelijksbijlagen Beudeker-Schindehutte, Amsterdam, reg. 7, 61, 1838

xlivG.J. Geerts, “Bijzondere scholen in Goor”, (http://www.grootersnet.nl/Genealogy/GenInfo4.htm, 2017)

xlvOverijsselsche Courant 26 februari 1841

xlvii“Levensbericht van Hendrik Cornelius Rogge”, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1907, (http://www.dbnl.org/tekst/_jaa003190701_01/_jaa003190701_01_0021.php, 2017)

xlviiiP.J. Blok, “levensbericht H.C. Rogge”, 1906 (http://www.dwc.knaw.nl/DL/levensberichten/PE00002613.pdf, 2017)

xlix‘Eduard Johan Pieter Jorissen’, in: Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, deel 4 (1931), (http://www.dbnl.org/tekst/bie_005biog04_01/bie_005biog04_01_0382.php, 2017)

lTwentsch Dagblad Tubantia en Enschedesche Courant 19 september 1931

li“Drie veel besproken tantes uit Enschedese fabrikantenfamilies”: in ‘n Sliepsteen, (http://cultuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=478232, 2017)

liiNieuws van den dag 5 mei 1888

liiiHaagsche Courant 9 januari 1891

livProvinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 11 februari 1891

lvDs. Nicolaas Jannink, “Het geslacht der Janninks” (1893)

lviB. Hesselink, “Gerhard Jannink & Zonen te Enschede; 1853-1938 jaren van rationalisatie en verzet” (1983)

lviiTubantia 3 januari 1883

lixNederlandsche Staatscourant 20 oktober 1863

lxArnhemsche Courant 2 februari 1861

lxiDe Tijd 12 mei 1923

lxii“Levensbericht van Johan Hendrik Meijer”, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1892), (http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002189201_01/_jaa002189201_01_0021.php, 2017)

lxiii“Levensbericht van Johan Hendrik Meijer”, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1892), (http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002189201_01/_jaa002189201_01_0021.php, 2017)

lxiv“Levensbericht van Johan Hendrik Meijer”, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1892), (http://www.dbnl.org/tekst/_jaa002189201_01/_jaa002189201_01_0021.php, 2017)

lxvAlgemeen Handelsblad 15 juli 1851

lxviAlgemeen Handelsblad 18 juli 1854

lxviiAmersfoortsch Dagblad 8 mei 1918

lxixLeeuwarder Courant 22 april 1892

lxxiLeeuwarder Courant 22 april 1892

lxxiiNederlandsche Staatscourant 15 januari 1900

lxxiiiNederlandsche Staatscourant 18 april 1878

lxxivNieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad 19 maart 1859

lxxvW. van Scharenburg, “Historie XI: Zuilen, van zelfstandige gemeente tot stadswijk, deel X”, 2013 (http://www.zoiszuilen.nl/nc/rubrieken/historie/22/historie-xi-zuilen-van-zelfstandige-gemeente-tot-stadswijk-deel-x/, 2017)

lxxviNieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad 19 maart 1859

lxxviiiJava-bode 26 april 1881

lxxixOvergenomen Delen 1892-1920 (Afgedane Gezinskaarten), Stadsarchief Amsterdam, 2017

lxxxOvergenomen Delen 1892-1920 (Afgedane Gezinskaarten), Stadsarchief Amsterdam, 2017

lxxxiOvergenomen Delen 1892-1920 (Afgedane Gezinskaarten), Stadsarchief Amsterdam, 2017

lxxxiiG.J. Geerts, “Bijzondere scholen in Goor”, (http://www.grootersnet.nl/Genealogy/GenInfo4.htm, 2017)

lxxxiiiHaarlem’s Dagblad 2 december 1960

lxxxivAlgemeen Handelsblad 1 januari 1890

lxxxvHaarlem’s Dagblad 2 december 1960

lxxxviAlgemeen Handelsblad 7 april 1895

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*