J.B. ‘Bernard’ van Heek (1830-1847), kostschoolleerling in Luik

Twee brieven uit 1847 trokken recent mijn aandacht. De brieven zijn namelijk geschreven door Jan Berend van Heek (1830-1847), een jongen uit Enschede die slechts 16 jaar oud werd en waarvan ik niet eerder een persoonlijk document ben tegen gekomen. Bernard, zoals hij zich liet noemen, schreef de brieven in januari en februari 1847 vanuit Luik aan zijn vriend Jan Elderink (1829-1899) in Enschede. Na het overlijden van Jan werden de twee brieven gevonden door diens jongere broer Herman Elderink (1830-1918); die schonk de brieven vervolgens aan Jan Bernard van Heek (1863-1923), een neefje en naamgenoot van de jong-overleden brievenschrijver. In 1847 was Bernard van Heek samen met zijn neef H.J. ‘Hein’ van Heek (1830-1875) kostschoolleerling aan de École Spéciale de Commerce. Hoewel de twee brieven een vermakelijk wereldbeeld schetsen van het wel en wee op een negentiende eeuwse kostschool, is de achtergrond van de opleiding minimaal net zo interessant. Het instituut van de heer M.J. Charlier was de eerste vakopleiding in ‘de Nederlanden’ dat speciaal was ingericht voor het onderwijzen van kooplieden in spe. Het instituut was toonaangevend en verkreeg halverwege de negentiende eeuw navolging in Brussel, Antwerpen, Mechelen en (korte tijd) in Amsterdam. Pas in 1864 verrees in Nederland een gelijkwaardige tegenhanger: de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel. Verschillende Nederlandse steden wedijverden indertijd om dit instituut te mogen huisvesten, maar mede dankzij de inspanningen van de Bernard’s familie kwam Enschede als winnaar uit de bus. Voor dit verhaal keren wij echter dieper terug in de tijd.

De langzame ontwikkeling van het hoger handelsonderwijs was vooral een gevolg van de tegenkanting, die in de kringen van de handel zelf werd ondervonden. De argumenten waren de algemeen bekende: men leert de handel niet op school, doch in de practijk; wie te laat in de practijk komt, leert hem zelfs nooit; in al dat getheoriseer zal men zijn frisse kijk op het zakenleven verliezen. Men stelde ook de oppervlakkige, doch uit algemeen menselijke overwegingen begrijpelijke vraag: ‘Zijn wij er zonder die schoolopleiding ook niet gekomen?’, stelde de heer Elzinga in zijn boek over de geschiedenis van het economisch hoger onderwijs.i In de eerste helft van de negentiende eeuw zullen verschillende Enschedese fabrikeurs zich op de grote sociëteit aan de Langestraat hierover het hoofd hebben gebogen en van mening hebben verschild. Het was een tijd van grote, grensoverschrijdende veranderingen. Vanuit Engeland werden op het vaste continent achtereenvolgens geïntroduceerd de snelspoel (een verbetering van de traditionele weefgetouwen), de stoommachine en de trein. Met name het jonge koninkrijk België greep deze technologische ontwikkelingen met beide handen aan en was vooruitstrevend ten aanzien van haar buurlanden. Niet zonder reden koos de Enschedese fabrikeur Joan Stroink (1815-1879) België als bestemming voor zijn huwelijksreis; op die manier werd het aangename met het nuttige verweven. Luik werd op 11 mei 1842 door het pasgetrouwde echtpaar Stroink-Ledeboer aangedaan; hij schreef daarover in zijn reisverslag:

Om half acht deze morgen vertrokken wij van Brussel en kwamen circa 12 uur te Luik. Dit is een bijzonder mooie weg en zeer aangenaam reisje; veel bergachtiger dan van Antwerpen naar Brussel. Nu eens gaat men over een berg en ziet gehele dorpen beneden zich terwijl men een ogenblik verder wederom in de laagte komt en de heerlijkste gezichten op de bergen heeft. Dan komt men eensklaps in een tunnel hetwelk een wonderlijke gewaarwording is. Terwijl men nog met genoegen op de schone streek ziet, wordt het plotseling stikdonker, zodat men geen hand voor ogen zien kan, die hier een goede 5 minuten duurde en slechts nu en dan even werd afgebroken door enige van de machine vallende vonken, gedurende welk flikkering men kan zien dat men zich in een gemetseld gewelf bevindt waarop dan ook dadelijk weer de stikste duisternis invalt.

Eindelijk komt men op een berg en ziet Luik vlak onder zich liggen. Dit is het schoonste gezicht dat wij tot dusver nog hebben gehad. Van deze hoogte werden de passagiers vroeger langs omwegen met rijtuigen afgehaald, doch thans gaat dit langs een hellend vlak hetwelk eerst sedert weinige dagen in werking is, met de snelheid van een gewoon rijtuig regelrecht de stad in. De locomotief wordt daarbij niet gebruikt doch men wordt door zware touwen van achter tegengehouden die het te snel afdalen beletten.

Wij logeerden te Luik in het Hotel de France, waar het zeer goed is. Wat de stad op zichzelf betreft is niet veel bijzonders. Het is een blijkbaar zeer oude stad met nauwe straten en staan weliswaar veel fraaie gebouwen waarvan echter – evenals te Brussel – niet genoeg de hand gehouden wordt. Haar ligging is intussen overheerlijk mooi. Wij gingen hedenmiddag eens naar de Bellevue, een logement op het hoogste punt der stad gelegen vanwaar men dezelve geheel overzien kan. Dezelve draagt met het volste recht de naam van belle vue. Nimmer hebben wij een zo schoon gezicht gehad. Men was alhier bezig met het bouwen van twee bruggen over de Maas, over een van welke de ijzeren weg van Brussel naar Keulen komt. Dit was een werk van aanbelang; honderden mensen waren eraan bezig.”

Vanuit Luik maakte het echtpaar de volgende dagen uitstapjes, waaronder naar Namen. Op de terugreis van Namen passeerden zij Seraing, “alwaar men een ongelooflijke menigte stoomfabrieken ziet, alle met hoge schoorstenen gelijk bij ons aan de grote spinnerij”. Enschede telde op dat moment slechts enkele stoomfabrieken. Met de ‘grote spinnerij’ bedoelde Stroink de N.V. Enschedesche Katoenspinnerij, in 1833 opgericht door een aantal bevriende Enschedese fabrikeurs die daarmee de stoomtechniek wilden uitproberen en tegelijkertijd het risico spreidde. Voor de overgang naar de stoom moest de fabrikeur kapitaal en durf hebben. Die moderne geest was aanwezig bij onder meer de voornoemde families Stroink en Van Heek. Ook de andere later bekende textielnamen gingen met hun tijd mee waardoor hun ondernemingen gouden jaren zouden beleven en de regio letterlijk op stoom brachten. Tegelijkertijd verdwenen andere fabrikeurs, die de overstap naar stoom niet wilden of konden maken, uit beeld; al spoedig werden zij door kennis en kapitaal voorbijgestreefd en kwamen daardoor buiten spel te staan. Tot de moderne geesten van Enschede behoorden twee broers Van Heek: Gerrit Jan van Heek (1780-1851) en Helmich van Heek (1785-1847).

Na het overlijden van hun vader in 1809 werd de firma H.J. van Heek & Zonen door de voornoemde twee broers voortgezet. Dit ging niet altijd zonder slag of stoot. Een kleindochter herinnerde zich later: “Mijn grootvader, G.J. van Heek, en zijn broer Helmich, die samen de zaak van hun vader hadden overgenomen, deden niet alle zaken op kantoor af. Vaak gebeurde het dat de ene broer op de stoep voor zijn huis aan de Markt staande begon te discussiëren, en het ging er dan soms zo heftig toe dat ze elkaar voor alles wat maar lelijk was uitscholden. Of de mensen die over de Markt liepen dat konden horen interesseerde hen niet. Helmich had altijd het hoogste woord.”ii Ondanks de vurige karakters bleef de firma H.J. van Heek & Zonen tot 1859 succesvol in stand. In 1859 werden de textielzaken door de zonen van wijlen Helmich van Heek voortgezet onder de fa. Van Heek & Co en begonnen de zonen van wijlen Gerrit Jan van Heek hun eigen firma, Gebrs. Van Heek. In 1847 waren twee van hun zonen op de kostschool in Luik op elkaar aangewezen, de brievenschrijver J.B. ‘Bernard’ van Heek (Helmichzoon) (1830-1847) en zijn neef H.J. ‘Hein’ van Heek (1830-1875), de latere eigenaar van de villa Schuttersveld.

Helmich van Heek (1785-1847), vader van de brievenschrijver Bernard van Heek

De neven groeiden tezamen op aan de Oude Markt van Enschede. Voor de hand ligt dat zij hun eerste onderwijs aan de zogenaamde ‘Torenschool’ hebben genoten; dit was de oudste openbare lagere school van Enschede en was gelegen aan de noordkant van de kerktoren (vandaar de naamsaanduiding). Vervolgens kon men in Enschede nog terecht bij de Franse school, maar voor het gymnasium moesten de fabrikantenzonen uitwijken naar Deventer. Hoewel wij vaak over de eerste scholing aan het begin van de negentiende eeuw in het duister tasten, is wel bekend dat veel Enschedese fabrikeurs ook oog hadden voor educatiekansen buiten de stad. Ter illustratie: Benjamin Willem Blijdenstein (1780-1857) en zijn neef Barend Blijdenstein (1780-1857) uit Enschede waren leerlingen aan het instituut van de heer Erler in Almelo en P.E. ‘Piet’ van Heek (1829-1888), een oudere neef van brievenschrijver Bernard, was in de jaren ’40 leerling aan het onderwijsinstituut van de heer Beudeker in Goor. Dit betrof echter algemene educatie, niet speciaal gericht op een toekomst in de koophandel. Positief element aan een kostschool is de verruiming van het blikveld; ook in Almelo en Goor was men bijvoorbeeld zeer ijverig en bekwaam in textielzaken. Op buitenlandse reizen, zoals de voornoemde huwelijksreis naar België in 1842 of de reis van Benjamin Willem Blijdenstein in 1797 naar Frankrijk, werd met buitengewone interesse de gang van zaken op andere fabrieken gadegeslagen. In het verlengde volgde in 1857 het initiatief van Hendrik Jan van Heek (1814-1872) om zijn jongste broer Gerrit Jan van Heek (1837-1915) als volontair in een fabriek in Lancashire te krijgen; dit was – voor zover mij bekend – de eerste buitenlandse stage van een Twentse fabrikantenzoon, hetwelk vervolgens tot norm werd verheven.

Brievenschrijver Bernard van Heek (1830-1847) was een broer van voornoemde Hendrik Jan en Gerrit Jan van Heek. Zij kwamen uit een zeer groot gezin; het echtpaar Helmich van Heek (1785-1847) en Maria Geertruid ten Cate (1794-1837) telde maar liefst 13 kinderen. Bij de geboorte van de jongste, voornoemde Gerrit Jan van Heek (1837-1915), stierf de moeder in het kraambed. Sindsdien zullen de oudste zusters zich over de jongste telgen hebben ontfermd. Van de 13 kinderen wisten acht kinderen de volwassen leeftijd te bereiken. Twee kinderen stierven als tiener: (een oudere) Gerrit Jan van Heek (1818-1832) stierf op 13-jarige leeftijd ten huize van de vrienden Ter Horst in Rijssen en brievenschrijver J.B. ‘Bernard’ van Heek (1830-1847) stierf kort na thuiskomst uit Luik (NB een maand na zijn 61-jarige vader Helmich van Heek).

École Spéciale de Commerce in Luik

Op 5 september 1847 stierf ook de 67-jarige Mathias Jacques Charlier (1780-1847). Hij komt in de brieven voor als ‘den ouden Charlie’ en stond aan het hoofd van de school in Luik. Charlier was een predikantenzoon afkomstig uit het kleine stadje Frechen bij Keulen. In 1807 trouwde hij in Aken met Frédérique Sophie Emilie Fabricius (1787-1874), een jongedame afkomstig uit het stadje Burtscheid dat inmiddels is opgeslokt door de grote stad Aken. Het huwelijk bleek uitermate vruchtbaar, maar liefst negen kinderen bereikten de volwassen leeftijd. De kinderen werden in verschillende plaatsen geboren, want de ouders waren weinig honkvast. Het gezin Charlier-Fabricius woonde achtereenvolgens in Keulen (1808-1809), Nijmegen (1812-1814), Antwerpen (1818), Wesel (1820-1824) en Luik (1826-). Mathias Jacques Charlier was koopman van beroep, maar liet omstreeks 1825 de handel voor het was.

Hij vestigde zich in Luik en stichtte aldaar aan de noordelijke oever van de Maas, Quai St. Léonard (indertijd genummerd 94), de École Spéciale de Commerce. Ondanks zijn protestantse afkomst durfde hij zich te vestigen in het voormalige katholieke prinsbisdom Luik. De nieuwe soeverein, de Nederlandse koning Willem I, vereerde de stad een aantal jaren eerder, in 1817, met een universiteit. De universiteitsstad was zodoende een goede plek voor een gerenommeerde handelsschool… In 1827 werd de school voor het eerst aangeprezen in ‘de Noordelijke Nederlanden’ (Nederland):

Institut voor den Koophandel te Luik

Het strekt aan eenige hoogschatters van alle goede Opvoedings-inrigtingen, ten genoegen, bij deze in het openbaar, hunne hulde, aan het belangrijke Institut voor den Koophandel, sedert weinige jaren, onder toevoorzigt van den heer M.J. Charlier, van Wezel naar Luik overgebragt, te kunnen toebrengen. – Het onderwijs bepaalt zich hier, tot alle Talen en Wetenschappen, welke den jonge Koopman moeten vormen; terwijl eene uitmuntende zorg, voor Maatschappelijke en Godsdienstige opleiding, tevens de ware Opvoedings-inrigting kenmerkt. De heer Charlier, heeft van Z.M. den Koning, in dato 19 april 1827, no. 130, het regt van Inboorlingschap verkregen, en verscheidene zeer bekwame Jongelingen, uit voorname Nederlandsche en Duitsche huizen, hebben zich onder zijne leiding, reeds voor hun beroep bekwaam gemaakt; alle redenen, waarom de onpartijdige opstelleren van dit berigt, gezegd Institut, ook aan Ouders en Voogden in Noord-Nederland, voor hunne Zonen en Pupillen, uit overtuiging, gerustelijk durven aanbevelen.”iii

Enkele jaren later brak er grote onrust uit in de Zuid-Nederlanden… In 1830, het geboortejaar van brievenschrijver Bernard, brak de Belgische Opstand uit, waarna het Noord-Nederlandse leger uitrukte voor een poging om het verzet in de kiem te smoren. Ook een aantal vrijwilligers uit Enschede voelde zich geroepen om aan die strijd deel te nemen; één van hen was Bernard’s oom Marten Udink ten Cate (1805-1869). Deze militaire inspanningen bleken echter allemaal tevergeefs. In 1831 werd het koninkrijk België uitgeroepen met voortaan een Duitse prins op de troon: koning Leopold I. Sinds het overlijden van zijn zwager, de hertog van Kent in 1820, bekommerde hij zich sterk over de opvoeding van de latere Engelse koningin Victoria (1819-1901). De Belgische koning Leopold I was zodoende sterk verbonden met Engeland, de bakermat van de industriële revolutie. De vlugge implementatie van stoommachines en treinverkeer in België is niet in de minste mate te danken aan de inspanningen van Leopold I.

In Nederland moest er wat tijd overheen gaan alvorens men dit ‘landverlies’ kon verkroppen. Voor de ene persoon was daar weinig tijd voor nodig, een ander – ik noem de Nederlandse koning Willem I – had daar meer moeite mee; die erkende pas in 1839 de onafhankelijkheid van België. De Twentenaren plukten al vlug de vruchten van de Belgische afscheiding doordat de Vlaamse textielindustrie werd afgesneden voor het grote afzetgebied Nederlands-Indië. Een enkele Vlaming, zoals de bekende textielondernemer Charles Louis de Maere, verhuisde van Vlaanderen naar Enschede en bracht samen met Willem de Clercq en Thomas Ainsworth de textielindustrie in Twente verder op gang.

Vanaf 1835 werd door Mathias Jacques Charlier wederom krantenartikelen geplaatst in Nederlandse kranten:

Berigt van eene school van koophandel, gevestigd te Luik

onder bestuur van M.J. Charlier

In deze school wordt Onderwijs gegeven in alle die Wetenschappen, die met den koophandel in verband staan, als: Wisselrekening, Boekhouden, Briefwisseling, Handelsgebruiken, Handelsregt en Koopwaren, welk Onderwijs niet alleen Theoretisch maar zoo veel mogelijk Praktisch is ingerigt, met dat gevolg dat Jonge Lieden die hetzelve volledig genoten hebben, terstond en met vrucht als Kommiessen of Kantoor-Bedienden geplaatst kunnen worden. Jonge Lieden, welken het aan voorbereidende Wetenschappen nog mogt ontbreken, worden in eene afzonderlijke Klasse grondig in het Fransch, Hoogduitsch en Hollandsch, de Rekenkunst, den Briefstijl en de Aardrijkskunde onderwezen. Het onderwijs wordt bepaaldelijk in het Fransch en Hoogduitsch toegediend, en begint des morgens ten acht en eindigt ten twaalf ure, en des namiddags ten twee en eindigt ten vijf ure. De overige tijd wordt onder toezigt van eenen Onderwijzer door de Kostgangers besteed ter afwijking van eenige opgegevene taak, of ter nadere overweging van het medegedeeld onderrigt. Men kan staat maken op een Ouderlijk toezigt en verzekerd zijn, dat voor Zedelijkheid en goed Gedrag de meeste zorg wordt gedragen. Het Onderwijs in de Godsdienst wordt geheel overeenkomstig het verlangen van Ouders of Voogden bestuurd. Elk leerling heeft een afzonderlijk Bed. Hij behoort met zich te brengen, drie paar beddelakens, zes handdoeken, zes kussensloopen en zes servetten, die bij zijn vertrek hem alle worden terug gegeven. In de plaats hiervan, kan men naar verlangen met de betaling van f 15 voor elk vierdedeels Jaars volstaan; voor het onderhoud en schoonhouden van linnen, wordt zonder verdere betaling de beste zorg gedragen. Voor Kost, Inwoning en Onderwijs wordt ‘s Jaarlijks Zes Honderd Guldens betaald, voor het Onderwijs alleen Honderd Vijftig Guldens. De betaling moet drie maanden vooruit geschieden. De uitgaven voor het leveren van Schrijfbehoeften, Boeken, alsook voor het begeerd wordende Onderwijs in het Engelsch, Italiaansch, de Wiskunde en Muzijk, enz., worden afzonderlijk en drie Maanden vooruit betaald.

Tot nader onderrigt vervoege men zich met vrachtvrije brieven, bij den heer M.J. Charlier, te Luik”iv

Het is onduidelijk of er reeds eerder Twentse familieleden naar de handelsschool van Charlier werden gestuurd. Wel is duidelijk dat Charlier ook graag leerlingen uit Nederland welkom heette. In 1841 blijkt hij daar zelfs om verlegen. In de Utrechtsche Provinciale- en Stadscourant d.d. 24 september 1841 plaatste een Nederlander anoniem een verontrustend appèl, gevolgd door een prospectus van de École Spéciale de Commerce:

Mijn Heer!

Het etablissement van den Heer Charlier te Luik, met name école spéciale de commerce, kan UEd. zoo min als aan een aanmerkelijk gedeelte der lezers van uw dagblad, geheel onbekend zijn, desniettemin heb ik reden te gelooven, dat het in ons land niet genoeg gekend en daarom ook niet naar verdienste op prijs wordt gesteld. Nog onlangs had ik gelegenheid het zelve op nieuw waartenemen en niettegenstaande het groote belang dat deszelfs bestaan, aan alle weldenkenden te Luik en elders steeds inboezemt, zoo moest ik evenwel tot mijn leedwezen ontwaren, dat de invloed der hoogere R.K. geestelijkheid, welke vroeger aan deze inrigting niet vijandig was, thans op alle takken van onderwijs te Luik en in gansch België uitgeoefend, de nadeeligste gevolgen had voor het instituut van den algemeen geachten Charlier. Immers het is geen geheim meer, dat door waarschuwing, biecht-weigering, enz., in ‘t openbaar en in ‘t geheim, alle R.K. ouders schier genoodzaakt worden hunne kinderen te stellen onder het opzigt van R.K. onderwijzers en alzoo aan alle onderwijs, dat door Protestantsche onderwijzers gegeven wordt, te onttrekken, hoe gewenscht ook anderzints deze taak aan hen moge zijn toevertrouwd. Dit nu in de 19. eeuw zoo vreemde verschijnsel moet zonder twijfel het te niet gaan van deze voortreffelijke en in alle opzigten zoo aanbeveelingswaardige inrigting ten gevolge hebben, tenzij van buiten af en wel bijzonder door Protestantsche ouders en voogden zoo in Holland als elders hierin gunstig voorzien worde. Het is daarom, dat ik de vrijheid neme in het belang van het onderwijs en der opleiding tot den koophandel zoo wel als in het belang der gezegde inrigting te Luik, UEd. te verzoeken de aandacht uwer lezers te willen vestigen op den aard dier inrigting, opdat door toeneming van het thans geringe aantal van kweekelingen, deze voor het grondig onderwijs van den koophandel zoo gewenschte en met zoo vele vruchten sedert jaren bekroonde school, in stande worde gehouden; te meer, daar eene diergelijke en op zulk eene wijze bestuurde school tot hiertoe, te vergeefs in ons Nederland gezocht wordt. In alles, wat door ouders en voogden voor het godsdienstig onderwijs verlangd kan worden, wordt door de goede zorg van twee Protestantsche predikanten, eenen Engelschen en een Fransch-Hoogduitschen predikant overvloedig voorzien. Zoo moge dan het voorbeeld van onzen Minister van finantiën1, die niet aarzelde zijnen zoon aan de zorg van den Heer Charlier toe te vertrouwen, door velen in ons land gevolgd worden, en daardoor het erkend goede in ‘t leven blijven. Verpligtend voor den Heer Charlier en belangrijk voor de lezers van uw dagblad zou het zijn, indien UEd. aan deze mijne missive en het hierbij gaande Prospectus eene plaats in hetzelve wilde inruimen en alzoo aan mijne van alle onverdraagzaamheid warsche bedoeling regt deed wedervaren.
Ik heb de eer met achting te zijn, uw bestendige lezer …B”v

De auteur was ongetwijfeld de Waalse predikant Matthieu André van der Bank (1791-1862) uit Utrecht. Hij was in de jaren 1823-1827 Waals predikant in Luik en was sindsdien met Mathias Jacques Charlier bevriend geraakt. Ook in 1844 stelde ds. Van der Bank zich beschikbaar voor inlichtingen over de school. Andere bewonderaars van de school waren op dat moment de Amsterdamse commissionair (en vermoedelijk oud-leerling) Philippus Johannes Bisschop Wijnveldt (1819-1849) en dominee Bernard te Gempt (1792-1864) uit Batenburg.vi

Achtergrond inhoud brieven

Uit de brieven blijkt dat er op dat moment drie Hollandse leerlingen waren: J.B. ‘ Bernard’ van Heek (1830-1847), H.J. ‘Hein’ van Heek (1830-1875) en een jongen Van Roggen uit Nijmegen, vermoedelijk een kleinzoon van med. doct. Jan Matthijs van Roggen (1768-1853). Op school werden nogal wat streken uitgehaald en daarvan kreeg het Hollandse drietal volgens Bernard doorgaans onterecht de schuld. Bij het lezen moet men niet vergeten dat het geschreven is door een puberend kind. Met het spel ‘bluffen’ wordt waarschijnlijk het kaartspel ‘liegen’ bedoeld.

H.J. ‘Hein’ van Heek (1830-1875), neef van brievenschrijver Bernard van Heek en mede-scholier te Luik

Men blijkt in Enschede grote interesse te hebben in ‘schietkatoen’. In september 1846 kwamen twee scheikundigen, Böttcher uit Frankfurt en Schönbein uit Bazel, onafhankelijk van elkaar tot de ontwikkeling van een ‘ontploffend katoen’. Het zou de helft van normaal schietkruid kosten en zes maal meer voortstuwende kracht voortbrengen. Met name interessant voor katoenproducerende landen, zoals Amerika. Böttcher en Schönbein verenigden hun krachten en hoopten het octrooi aan Amerikanen te verkopen.vii Als andere positieve elementen werden genoemd dat het de loop van het geweer niet onzuiver maakt en dat er volstrekt geen damp veroorzaakt wordt “en bij gevolg de lucht geheel helder en doorzigtbaar blijft”.viii Kritiek was er ook, zo vreesde men “dat ‘t schietkatoen in ‘t groot ‘t buskruid niet zal kunnen vervangen, omdat het met zooveel gedruisch ontploft, dat het op den duur de gehoorwerktuigen zou schaden”.ix Ook was vochtig schietkatoen weinig bruikbaar, waardoor het zich nog niet leende voor grote schaal. Desalniettemin werden er her en der proeven ondernomen, zoals ook in november 1846 aan Pyrotechnische School in Luik.x Hoewel het identiek oogt met normale katoen, schrok Herman Elderink (1830-1918) zich een hoedje toen hij het katoen in een envelop ontdekte…

Levenseinde Bernard van Heek

Op 25 januari 1847 schreef Bernard van Heek nog twee maanden op kostschool in Luik te moeten blijven. Hij zal daardoor waarschijnlijk per brief het overlijden van zijn vader Helmich van Heek hebben vernomen. Op 6 maart 1847 verschenen familieberichten in verschillende kranten:

“Heden morgen overleed ten gevolge eener langdurige ongesteldheid, onze geliefde vader en behuwd-vader de heer Helmig van Heek, in den ouderdom van nagenoeg 62 jaren.

Enschede, 3 maart 1847 H.J. van Heek, uit aller naam.”

Bernard van Heek zal denkelijk vervroegd zijn schooltijd in Luik hebben gestaakt en teruggereisd zijn naar Enschede. Daar hij zijn intrek in het ouderlijk aan de Oude Markt, het zg. Van Heekshuis. Nauwelijks een maand later sloeg wederom het noodlot toe bij de familie Van Heek in Enschede:

Opregte Haarlemsche Courant, 12 april 1847

Nog geen half jaar later stierf ook de Duitse kostschoolhouder Mathias Jacques Charlier in Luik; hij overleed op 5 september 1847 op 67-jarige leeftijd. Daarmee kwam ook een einde aan zijn school. Wel werd zijn voorbeeld in binnen- en buitenland gevolgd. In Nederland, in Enschede om meer precies te zijn, vond Charlier in 1864 een waardige opvolger: de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel!

Brieven van Bernard van Heek aan Jan Elderink:

Luik den 25 januarij 1847

Waarde Jan,

Ik heb uwen brief van den 19 dezer wel ontvangen die zich met mijn briefje van den 23 dezes gekruist heeft. Het heeft mij oneindig veel genoegen gedaan eindelijk eens eenige letteren van u te ontvangen, want gij kunt u niet begrijpen wat een genot het is als men eens een brief van huis ontvangt of van zijne vrienden als men ergens op kostschool is.

Ik heb het uitgeschatert van lagchen toen gij mij schreef hoe [jouw broer] Herman [Elderink] bang voor dat katoen is geweest! Ik had het wel zoo half vooruitgezien, daarom had ik ook op den omslag gezet ‘voorzigtig te behandelen’. Piet ter Kuile2 heeft mij ook om een paar schoten gevraagd, die ik hem gezonden heb.

De tijd van mijn vertrek komt nu zoo zachtjes nader. Het is nog maar twee maanden. Ik verheug er mij zeer op, want ik begin mij hier schrikkelijk te vervelen. Den ouden oom (Charlier) heeft op mij en eenige anderen eenen geweldigen haat gehad, als er maar iets gedaan [was], dan waren het de twee Van Heeks (‘principalement Bernard,(…) la fait toujours le mauvais sujet’) en Van Roggen uit Nijmegen. Hij heeft dan van mij ook alles wat leelijk was naar huis geschreven. De zaak van het geweer ook. Gij kunt u begrijpen welk een brief ik dus van huis gehad heb. Nu is Charlier een beetje redelijker, want nu doe ik het hem een weinig meer na den zin en spreek zijn ongerijmdheden zoo niet meer tegen als vroeger.

Er worden dan hier soms ook rare dingen [gedaan]. Den eenen avond laat men van de bovenste verdieping, de vierde, een ligt af, tot in den gang, met een touw en dan slaat men het tegen de deur van het kabinet van den ouden. Dan laat men enen pispot naar beneden, en als den ouden dan komt, trekt men die als de bliksem naar de hoogte, zoodat hij toch nog niet weet wie het gedaan heeft. Dan slaat hij er achter, maar den dag na… en dan zijn het de drie Hollanders voornoemd.

Ik verneem dat gij te Enschede veel werk van het schaatsenloopen maakt. Hier kan men het niet omreden er haast niks geen water is en daarbij zijn aan de schaatsen geen donder gelegen. Ik ben al eens tweemaal heen geweest, maar ik moest mij geweldig zetten om op de schaatsen voorwaarts te komen. Het heeft hier niet zoo hard gevroren dat de Maas bij Luik digt zit. Als dit gebeurd moet het al bliksems vriezen.

Ik hoor nieuw of dat Gerrit Cr.3 ook mee blufft (foei, dat allerverfoeijelijkste der hazardspelen, hoe kan men toch zoo goddeloos zijn). Als ik mee deed, ik zou er het grootste pleizier aan hebben, om hem eens afgestomd bij den tuk te krijgen, want het is algemeen bekend dat het zoon knieperken is. Dan zou men hem eens woedend zien. Kaarten doet men hier ook veel, maar het zijn allemaal zulke beroerde spellen. Als men bluffen deed, ja, dan zou ik nog mee doen, maar het wil mij nog niet gelukken dat spel hier in te voeren. Als wij hier uitgaan, speel ik echter altijd een paar partijen billard en zuip daar een paar cognacjes bij.

Na de complimenten van mij aan uwe ouders gedaan te hebben, verwacht ik een spoedig antwoord van u en blijf,

uw liefhebbende vriend,

Bernard

PS Ik hoop dat gij niet op de kladdens hierop zult zien

Luik den 6 februarij 1847

Lieve Jan!

Uw brief van den 2 dezes is mij wel geworden. [Ik] verneem daaruit dat het briefje vol reprimandes u niet erg aangestaan heeft; als ik u daarin eenigzins mogt beleedigd hebben, vraag ik u er ronduit verschooning om, want naar den toon van uwen brief te oordeelen schijnt gij het mij eenigszins kwalijk genomen te hebben.

Ik zal morgen (zondag) weer schietkatoen gaan koopen en dan zal ik er weer een paar schot in dezen sluiten. Ik wou dat ik er u meer van sturen kon, maar dat gaat in een brief zoo slecht. Ik breng echter over zeven weken een goede voorraad mee naar Enschede.

Wij hebben met ons vieren (Hollanders), die op eene kamer slapen, elk zoo veel bij gelegd , dat wij frs 3,- bij elkander hadden; toen hebben wij er ons eene goede flesch oude (… …) voor gekocht en daar elken avond een glaasje trots van gedronken, echter duurde de flesch maar vier avonden, toen was alles eruit. Wij hoopen er echter nog gaauw weer eene. Als dit den ouden luis gewaar had geworden, dan hadden wij zeker elk 5 frs boete gekregen, maar daarvoor zullen wij hem wel weren. Ik heb hier de jongens laast eens bluffen geleerd , maar ik kan ze er toch niet regt aan krijgen. Eenen avond heb ik er mee verloren, doch den avond daarop heb ik er wel een frank of drie mee gewonnen. Zij spelen het hier echter zoo grof, niet als te Enschede, want wij doen maar 2 centimes in, en voor (hier) 4 centimes. Ik vindt het een bl. pleisierig spel. Hein [van Heek]4 speelt echter niet dikwijls mee, ofschoon hij er ook al eens verduiveld bij gewonnen heeft.

Hier is een jongen op school, dat een verschrikkelijk kalf is, daarom wordt hij ook afgemieterd geplaagd. Ik heb er ook al eens na voor de regtbank van den ouden Charlier moeten verschijnen, maar ben nog goed weg gekomen, want Charlier is tegenwoordig een beetje voor mij. Die jongen heeft men al eens door de glazen gedonderd, zoo dat er maar een stuk of 8 ruiten kapot waren. Een andermaal heeft men hem een portret, een daguerre type, waar hij, zijn broer en zijne zuster (een leelijk (…) gezigt) opstonden, afgestolen en de jongens hebben het op het schijthuis (zonder permissie van den ouden) gespijkerd. Toen nu Charlier wou gaan schijten, was niet weinig verwonderd zulk een mooi ding te vinden. Hij herkende gelijk wie of dit portret voorstellen zou en deed nu alle mogelijke pogingen om de daders te ontdekken, doch te vergeefs. Toen gaf hij dit portret aan den jongen terug die het achter ‘t slot deed, evenwel is het nu alweer in de handen van de jongens en de eerste tijd wordt er weer iets mee uitgevoerd.

Ik heb hier nu haast niets meer te doen, want ik heb hier zoo als men zegt “terminé met étades”, en Hein ook. Wij zijn er niet treurig om: wij hebben nu hoogstens twee of drie uur (…) in school zitten, en als wij niet willen, hoeven wij niet eens. Daar zit ik ook den meesten tijd ‘s avonds en ‘s middags op de kamer bij den kagchel, want gij moet weten ik rook nu ook (…). Wij hebben nu 5 maal in de week les in het duitsch, van 4 tot 5, hetgeen ik wel graag doe, want de duitsche meester is een heel aardige kerel en vertelt altijd “ik ben afgestomd, verkouden en spreek ook net als gij gedronken hebt”, als Hermans Jakob moogen avondvergadering in (agter?)kamer.

Nu Jan, schrijf mij nog eens spoedig weerom. Doe het compliment aan uwe ouders van mij en vergeet niet.

Uwe liefhebbende vriend,

J.B. van Heek

1Dit was Jan Jacob Rochussen (1797-1871)

2Vermoedelijk Pieter ter Kuile (1829-1911)

3Waarschijnlijk Gerhard Cromhoff (1830-1883)

4Hendrik Jan ‘Hein’ van Heek (1830-1875) was een volle neef en leeftijdsgenoot van Bernard van Heek. Hein van Heek kocht in 1859 het Schuttersveld van de Vlaamse textielfabrikant De Maere.

iS. Elzinga, ‘Het economisch hoger onderwijs als vertegenwoordiger der moderne cultuur’, ca. 1941

ii“Het Pathmos heeft naam aan Helmich van Heek te danken”, in: ‘n Sliepsteen, 1986

iiiOpregte Haarlemsche Courant, 3 juli 1827

ivAlgemeen Handelsblad, 5 oktober 1835

vUtrechtsche provinciale en stads-courant, 24 september 1841

viAlgemeen Handelsblad, 19 augustus 1844

viiProvinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 18 september 1846

viiiTwentsche Courant, 3 oktober 1846

ixDrentsche Courant, 22 september 1846

xUtrechtsche Procinciale- en stadscourant, 11 novemnber 1846

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*